Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

PERSSCHOUW

7 minuten leestijd

„Geestelijke" verzorging. In „Pen Gun" schrijft een inzender, sergeant C Paulusma:

Vele militairen hebben zich al af gevraagd, - waar toch onze veldpredikers en aalmoezeniers blijven. Ik ben sinds Juni 1945 in twee verschillende legeronderdeelen geweest, maar heb nog nooit een geestelijk verzorgervontmoet. Wel heb ik van de „Deputaten Gereformeende Kerken, Geestelijke verzorging Land- en Zeemacht" tweemaal een herderlijken brief ontvangen, welke wel hartelijk en meelevend, , maar tevens zulk een goedkoop contact-middel was.

Wij militairen verlangen naar een ontmoeting, en een persoonlijk gesprek met een veldprediker of aalmoezenier! Wij hunkeren naar geestelijken steun, naar goede leiding in dezen wanordelijken, geestelijk en moreel op geen hoog peil staanden na-oorlogschen toestand!

Wij zijn toch militairen van een Christelijk Koninkrijk! Daarom mogen wij zeggen recht te hebben op een goede geestelijke verzorging en steun van de kerken, op de nabijheid van een man, die je geestelijk leiden en helpen kan, , jnet wien je praten kunt over andere dingen dan die, welke je dagelijks om je heen hoort. Een geestelijke vader bij wien je met je vragen en moeilijkheden terecht kunt en nooit vergeefs aanklopt, dien hebben wij noodig, vooral in ons militaire leven, waarin maar weinig plaats of gelegenheid is, om over teere, geestelijke dingen te praten, ongeacht het feit, dat zeer velen daaraan behoefte gevoelen.

Moge in dezen toestand spoedig een gunstige wending komen! Wij waditen!

We herinneren ons een treffend woord van ds F. A. den Boeft in één der zittingen van de synode van Enschede, een pleidooi vóór wat schrijver begeert. Maar de mannen, die gemist kunnen worden,

aar zijn ze?

K. S.

De staat, een gevaar.

Het Handelsblad schrijft:

Men kan zeggen, dat de diepste zin van de democratie is: de waarborging van den rechtsstaat, ook tegenover den staat. De taak van den staat is de handhaving van/het recht, ook voor zoover het hem zelf betreft.

Het is duidelijk, dat, naarmate de staat zijn terrein yan werkzaamheden anders gaat zien, en hij, vaak met verwaarloozing van zijn primaire taak, zich steeds dieper in ons aller leven dringt en er, zooals op het oogenblik, welhaast geen beweging meer mogelijk 'is of de staat — belichaamd in een zijner organen — bemoeit zich er mee, de noodzakelijkheid, dat ook hij aan het recht is onderworpen, toeneemt. Helaas moeten wij constateeren, dat sedert 1905 bij den wetgever (in tegenstelling tot de' rechterlijke macht) die noodzakelijkheid blijkbaar niet sterk meer is gevoeld. Wij kiezen dit jaar 1905 omdat toen Mr J, A. Loeff als minister van Justitie aftrad, die een regeling van de administratieve rechtspraak in zijn werkplan had opgenomen, al is daar helaas niets van verwezenlijkt toen niet en tot dusver nog steeds niet.

Even later:

Wat wij thans zien, is in wezen zij het dan ook in gepolijster vormen, eenvoudig een terugval naar de tijden waarin dictatuur, tyrannic of despotisme elkander afwisselden. De staat waant zich wederom boven het recht te staan. Hij dringt door in ons bedrijf, in ons huis, in onze lectuur, in ons cultureel en vereenigingsleven.

Zonder eenig beroep op een rechter zijn wij overgeleverdi aan de administratie. ' Het "/óórontwerp-Bedrijfschappen, dat zoo - verregaand ingrijpt in het particuliere bedrijfsleven, d.w.z. in de zelfwerkzaamheid van den vrijen arbeider en ondernemer, levert hiervan weer een overtuigend bewijs. Niettegenstaande minister Vos ook op deze zijde , van de bedrijfsorganisatie attent is gemaakt, treft men in het ontwerp geen spoor van administratieve i-echtspraak aan: het is de commissaris — de door de regeering benoemde ambtenaar — die het bedrijfschap in en buiten rechten vertegenwoordigt, die in zijn bevoegheid alle rechtelijke bevoegdheden (art. 34) vereenigt, tot zelfs die van het O.M. toe (art. 36). , ^

Wanneer deze geest vaardig blijft over het bestuursbeleid van dezen tijd, wat zal er dan van rechtsstaat terecht komen?

We zijn al heel ver van huis: de bevrijding is

er nog steeds niet., ,

K. S.

Kleingoed van Ds H. van Andel.

In het synodocratisch orgaan van de classis Amhem schrijft ds H. van Andel over een rede door ds D. V. Dijk in Arnhem gehouden. We lezen:

Met groote klem heeft Ds van Dijk aldaar zijn standpunt verdedigd, dat de Kinderdoop niet een teeken en zegel is van inwendige genade, maar alleen van de beloften Gods. Toen is hem gevraagd: „Maakt U op deze wijze geen scheiding tusschen beteekenis van den Kinderdoop en den Volwassendoop? " Immers : bij den volwassendoop, die aan bewust geloovigen wordt bediend gaat het toch wèl om de beteekening en verzegeling van inwendig heil! En hierop heeft Ds van Dijk geantwoord: Neen, ook bij het sacrament voor de volwassenen is er nooit sprake van verzegeling van een inwendige zaak, ook daar is het alleen

de belofte Gads, die verzegeld wordt. Zoo heeft ieder aanwezige het kunnen hoeren. Mag ik nu hieronder afschrijven één enkelen zin uit Artikel 33 van onze Nederlandsohe Geloofsbelijdenis. Let wel: niet een zin uit Synode-uitspraken van 1905 of 1942. Maar een zin uit één van onze Formulieren van Eenigheid. Uit onze beproefde belijdenis dus I Het gaat in Artikel 33 over de Sacramenten. En dan lezen we: het zijn zichtbare waarteekenen en zegelen van een inwendige en .ON­ ZIENLIJKE zaak, door middel waarvan God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes. ^

Ik wil er verder' niets aan toevoegen. Laten degenen, die op die vergadering waren, eens rustig Artikel 33 van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis lezen en zich dan afvragen, hoe de bewering van Ds van Dijk daarmee te rijmen valt. Aan welke zijide is hier de afwijking van onze

belijdenis?

v. A.

Tot zoover ds van Andel.

Dat is toch wel heel erg kleingoed. Natuurlijk begrijpt ieder welwillende dat het den 2en keer ging over dezelfde zaak als den len keer, n.l. over „inwendige aanwezige genade"; zooals dat heet.

Over die zaak heeft voorts ons blad herhaaldelijk geschreven, ook in de rubriek van Adolphus Venator, en voorts in Kerkelijk Leven (zie ook de atikelen van ds H. J. Schilder in ons blad).

Klankendogmatiek-aforismen, — wat begint men er mee ? Overigens heeft ds v. Andel het mis inzake

dien doop der volwassenen.

K. S.

Dr J. H. Bavinck's kerstartikel.

In ons blad gaven we het kerstartikel van den zendüigshoogleeraar dr J. H. Bavinck weer en voorzagen het van eenige aanteekeningen. Blijkbaar wordt het ook sommigen aan gindsdhe zijde te machtig. In het synodocratisch orgaan van de classis Barendrecht en Dordrecht schrijft ds J. M. Spier althans:

Ik vraag me af: is dat Gereformeerd of is het Vrijzinnig? Of liever: het is voor mij geen vraag. Zoo kan een Vrijzinnige een Kerstmeditatie schrijven over het geheim, dat in ons sluimert en dat feitelijk de zin van het Kerstfeest is. En wat wil die „vreemde" gestalte van Christus zeggen? Komt die op ons af in avondwinterstilte onder de kale boomen van een gracht, of komt Hij naar ons' toe in de Schriften en in de verkondiging van het evangelie in de kefk? Staaf'Hij heusch in ieder menschenleven door alle lange eeuwen heen? Maar waarom dan • nog zending en evangelisatie? En dan dat Kerstfeest in den winter. Toen Christus geboren werd was het zeer waarschijnlijk geen winter-, want de dieren waren 's nachts in het veld, de stallen leeg. Is dat tijdstip van de vleeschwording des Woords een goddelijke vergissing geweest? En moeten we voor de jeugd critiekloos schrijven over daverende films en vroolijke danspartijtjes?

Heel de g«est van dit artikel - ^ ik zeg het met droefheid — is aan onze Geref. belijdenis gespeend. En het is begrijpelijk, dat het in „vrijgemaakte" kringen uiterst pijnlijk aandoet, dat zulk schrijven, dat tegen de geest van onze belijdenis in cardinale punten ingaat, geduld wondt, terwijl anderen om, naar hun meening, futiele afwijkingen worden geschorst en afgezet.

In deze laatste woorden treft ds Spier dan nog niet eens de kern van deze bezwaren. Niet het feit dat men „om futiele afwijkingen" ons uitwerpt is onze grief. We gelooven niet afgeweken te zijn in de zaken der z.g. procedure. Hetgeen ons verbijstert, is dat óók menschen als Bavinck durven uitwerpen, terwijl de zaken zelf hen zóó bitter weinig interesseeren, dat ze niet eens b e g r ij p e n, dat een artikel als dit op alle punten „aan den anderen kant" van het gereformeerde ligt. Bavinck

is ds eenige niet.

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 februari 1946

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 februari 1946

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken