Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

DE „SCHOOLDAG” TE KAMPEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
Print this document

DE „SCHOOLDAG” TE KAMPEN

„Houdt wat Gij hebt....”

120 minuten leestijd

In het teeken van dit woord uit Openbaringen 3 : 11 stond de Schooldag van de Theologische Hoogeschool te Kampen. Een „schooldag" die alle voorafgaande' schooldagen, wat de opkomst aangaat, achter iich gelaten heeft. Meer dan 8000 bezoekers uit alle deelen des lands waren samengestroomd, zoodat op het laatste oogenblik nog beslag gelegd moest worden op 2 extra gebouwen.

Vergaderd werd in de Nieuwe Kerk onder leiding van Prof. P. Deddens, waar tweemaal een samenkomst werd belegd (opkomst beide malen ongeveer 1500 bezoekers); in' de B r o e d e r k e r k, onder leiding van Ds H. Knoop (opkomst 1500 bezoekers); in de Bovenkerk, onder leiding van Ds D. van Dijk te Groningen (opkomst 2800); in het kerkgebouw Burgwal, onder leiding van Ds G. Visée te Kampen (opkomst 600 bezoekers); en in de Buiten-Sociëteit, onder leiding van Ds H. Meulink te Enschede (opkomst 500 bezoekers). Sprekers waren: Prof. C. Veenhof; Prof. Dr K. Schilder; Ds W. Scheele; Ds J. van Bruggen; Ds I. de Wolff en P. Jongeling.

De Bidstonden

Reeds aan den vooravond van den „Schooldag" was te zien, dat er ditmaal een zeer groote opkomst zou zijn.

Oorspronkelijk was het de bedoeling geweest den Bidstond alleen in de Nieuwe Kerk te houden, het eigen gebouw der Vrijgemaakte Kerken, maar toen reeds in den namiddag de autobussen van verschillende richtingen de stad binnenreden en zelfs de bezoekers uit het verre Zeeuwseh Vlaanderen om, ^ 6 uur van hun tegenwoordigheid blijk gaven, was wel te voorzien, dat de Nieuwe Kerk te klein zou worden. Ook waren er reeds vele predikanten aanwezig, omdat dien dag in „Ons Gebouw" de predikantenconferentie had plaats gehad, waar Prof. Schilder had gerefereerd over 'het onderwerp: „De eschatologie in de prediking".

Toen het gebouw meer dan gevuld was en er nog honderden buiten stonden, deelde Prof. Deddens mede, dat er nog een tweede samenkomst werd belegd in de Broederkerk, waar als spreker zou voorgaan Prof. Schilder. Velen stroomden daarop naar laatstgenoemd gebouw, 8waar Prof. Schilder sprak over den tekst: ebr. 2 : 13, laatste gedeelte, met als thema: ezus Christus stelt Zijn en des Vaders kinderen voor aan den Vader, in de eerste plaats in hun onderscheid en in de tweede plaats in hun gemeenschap.

In de Nieuwe Kerk leidde Prof. B. Holwerda den Bidstond, waarvan wij hier den voUedigen tekst weergeven:

Lezen: ucas 22 : 14—32. Tekst: ucas 22 : 24r—30. Zingen: salm 44 : 1, 2. Gezang 5 : 3, 7, 8, 9, 10. " Psaha 97 : 6.

Geliefden in onzen Heere Jezus Christus,

We hebben ons vanavond hier vereenigd tot het gebed voor onze Theologische Hoogeschool. Maar we willen zulks doen in gehoorzaamheid aan het vierde gebod, en onzen God dus vanavond als Heer van den sabbat belijden, die zoo van ons vraagt „allereerst, dat de kerkedienst of het predikambt en de scholen onderhouden worden". Want deze belijdenis beteekent, dat we ook in dezen bidstond de verbanden hebben te eerbiedigen, en zelfs geen poging mogen doen om thans de „school" te isoleeren van den „kerkedienst" en het* „predikambt". Het kan ook niet anders voor wie be; denkt, dat deze inrichting niet slechts alleen door , onze kerken gedragen wordt, doofc. ook haar taak bepaald ziet dool-het predikambt in deze kerken. Daarom is het gebed voor de „school" tenslotte niets anders dan de smeeking voor onze kerken in haar strijd, haar nooden, haar gevaren. Gegeven eenmaal dezen naar het Woord gehandhaaf den samenhang tusschen kerken en hoogeschool, vindt de ontplooiing van den arbeid hier onmiddellijk haar terugslag in het kerkelijk leven, doch is ook omgekeerd elke bedreiging dier kerken een zeer acute nood voor „Kampen".

Daarom kon ik dan ook vaijavond in de gebeden uw •voorganger niet zijn, of ik moest me zelf gerealiseerd hebben en u voor oogen gesteld hebben de situatie waarin onze kerken zich thans bevinden; een situatie die zoo al niet uitsluitend dan toch wel bü uitstek beheerscht wordt door het ernstige stadiimi, waarin thans de zaak der „samenspreking" gekomen is. Dè feiten zijn u bekend. Voor ruim twee jaar heeft onze Groningsche synode deputaten benoemd en hun opgedragen met die van de overzijde een contact op te nemen, dat voorshands alleen schriftelijk zou mogen zijn. En ze heeft voor God en menschen belijdenis gedaan van de gronden, waarop ze zich gedwongen zag de ontmoeting voorloopig slechts in dezen vorm vaa correspondentie te bewerkstelligen. Ze ging niet te rade met vleesch en bloed, maar wist zich haar weg • gewezen door Christus, die immers wil dat alle dingen van Hem en zijn kerk eerlijk en met orde, nauwkeurig en voorzichtig behandeM zuUeö worden, alsmede publiek. Dat laatste vooral. Waftt Hij heeft nimmer in het verborgen gesproken, doch altijd vrij uit. Hij wil van zijn evangelie en van het recht zijner kerk nimmer een geheimleer zien gemaakt, die slechts enkele ingewijden kennen en die zijn mondige kerken dan maar in blind geloof hebben te aanvaarden. Sindsdien hebben al onze kerken dit besluit geratificeerd, doch de andere kerken weigerden het contact in dezen vorm; en hun deputaten hebben hardnekkig afgewezen elk verzoek om nu eens zwart op wit, en zoo „vrij uit", te zeggen, wat zij gelooven van belofte en wet van dien Christus, die nooit in het verborgen sprak.

In deze situatie nu is van twee kanten het woord genoemd, dat de laatste jaren in de politiek voor ons 'n ongunstigen klank kreeg; ik bedoel het woord „doorbraak". Van den anderen kant dreigt men met „doorbreking" van een barrière, die te wijten zou zijn aan een tekort aan „plooibaarheid" ook bq onze deputaten, vergetende dat het geen kwestie is van deputaten, doch van een besluitende synode en ratificeerende kerken. Van die zijde, waar men gewoon is alle kerkzaken tot een zaakje van enkele personen te msiken, dreigt men dan ook reeds om die personen, die ons dienden in de prediking van het gebod — en daarom ' ook ons voorgingen in de daad der vrijmaking, te isoleeren van de kerken die ze dienden.

Doch ook in ónze kringen zijn menschen opgestaan, die vrijwel in dezelfde richting koersen. Ook zij achten het moment gekomen, waarop doorbroken dient te worden wat ook zij aandienen als handelingen van deputaten slechts, hoewel ze wisten dat het handelingen waren op last eener synode en met bekrachtiging van alle kerken; en ook zij trachten thans de kerken te mobUiseeren tegen de menschen, die ondanks alle verdriet van hun deputaatschap zich trouw aan him instructie hielden en Vandaag nog de kerken eerlijk in de oogen kunnen zien; ze handelden volgens opdracht, en ze deden dat publiek. En zonder ook maar een poging te doen om te weerleggen, wat synode en kerken en — pas zoo — deputaten als den wil van Christus uit de Schriften meenden gelezen te hebbeu, verklaart men thans het besluit in kwestie een zonde te zijn, waarover onzerzijds schuld dient te worden beleden. En dat niet alleen; want als men zijn voorstel tot hereenigiag in formule brengt, dan handhaaft men wel de zaaksgerechtigheid der vrijgemaakten, doch men stelt als voorwaarde voor hereeniging niet nadrukkelijk het gebod van vrijmaking, aldus relativeerend wat onzerzijds nog altijd als absolute eisch van Christus beleden werd. Met handhaving der zaaksgerechtigheid is daarmee toch het bestaansrecht onzer kerken disputabel gesteld. Van beide zijden is men aldus bezig om broeders te isoleeren, en de zaken van Christus en zijn kerk te relativeeren. Dat is toch wel de ernst van de omstandigheden, waaronder we hier vanavond bij^n zijn.

Want als zij gelijk hebben, kan deze bidstond niet doorgaan. En we hebben tot de scharen, die morgen gaan komen, dan toch eigenlijk maar één woord meer: naar uwe tenten, o Israël! Wat deel hebben ze dan nog aan deze hoogeschool? En welke gemeenschap hebben ze dan met wie hier werken of ook gewerkt hebben? Wij hebben dan na zijn dood ook Prof. Greijdanus losgelaten, precies zooals men na zijn dood ginds beweert hem te hebben behouden.

Wij kunnen vanavond niet bidden, tenzij we in het bestaan van kerken en school het recht van Christus beUjden. Dat beteekent ook: we zullen ons rekenschap hebben te geven van de uitgebrachte critiek. Want hoe a'anvechtbaar men de reeds betreden en de uitgestippelde wegen dezer broeders ook achten mag, het ontslaat niemand onzer van den plicht om de vraag te overwegen: hebben ze toch zakelijk gelijk?

Want zij ook beroepen zich op de Schrift. Ze zeggen gedrongen te zijn door het hoogepriesterlijk gebed van Christus: „dat ze allen één ziju", een gebed dat we als een gebod hebben te beleven. Ze willen schuldbelijdenis over en weer. Ze roepen op tot zelfverloochening, en tot een in concreto de minste zijn, gelijk ook Christus zichzelf verloochend heeft, ons een» voorbeeld nalatende. Ze denken met heunwee aan de eene Avondmaalstafel. Wel hebben ze vergeten het gebed van Christus in zijn schriftuurlijken zin en samenhang ons voor te houden — het woord werd alleen op. den klank af geciteerd—njaar hun bewogen oproep ontvangt toch wel een ontroerend accent door de herinnering, dat Christus dit gebed sprak in den nacht in welken Hij verraden werd. Hoe kan men toegaan tot de gebroken avondmaalstafel, als men zich her-

innert dat Christus de eene avondmaalstafel heeft gesticht door z^jn dood en bloedstorting, het avondmaal dat Hij grootelijks begeerde vóór Hij ging lijden, doch dat B^ ook bidt ongebroken te mogen houden totdat Hij komt?

Zoo verstaat ge mijn tekstkeus; want we hebben zooeven dat alles samen gelezen: van dfi avondmaalstafel, van Christus' begeeren en van zgn bidden, van zgn gebod om de minste te zqn; en dat alles in de om-Igsting van Judas' verraad en Petrus' verloochening. De tafel staat in die omlijsting van verraad en verloochening. Maar ook dat gebod om de minste te zijn. Het is niet een gemoedelijk en stichtelijk woord uit het klimaat van het compromis en uit de wereld van plooibare menschen; want wie het zich zeggen hoort, is gesteld met de apostelen in de absolute wereld van het koninkrök der hemelen, en hiJ wandelt met Judas en Petrus langs de afgronden. Want de Satan heeft al die avondmaalsgangers van toen en nu zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Doch Christus Jezus heeft gebeden, dat hun geloof niet ophoude, en heeft ook zijn apostel bevolen om na zijn bekeering zijn broeders te versterken. Zoo predik ik ü dan Christus, worstelend tegen den geest der hiërarchie, in den nacht in welken Hij verraden werd. In deze worsteling met (en om!) zijn apostelen heeft ï^:

1. gevorderd hun navolging van Hem in den stijl van zijn koningschap;

2. erkend hun trouw aan Hem in de verzoekingen ' van zijn koningschap;

3. beloofd hun deel met Hem in de glorie van zgn koningschap.

1. Met een enkel woord zinspeelde ik reeds op - de donkere omJijsting, waarin de evangeUst Lucas dit bericht heeft gesteld. Want dat raam is zeker niet toevallig. Ook wie met exegeten van naam^) van oordeel mocht zijn, dat Lucas bij zijn verhaal van het lijdensevangelie niet strikt de volgorde der gebeurtenissen in acht genomen heeft, zal moeten gelooven, dat deze evangelist aan dit bericht niet maar willekeurig deze plaats gegeven heeft; want h\j verzekert zelf in het begin, dat hij een beschrijving wil bieden „in ordelijken samenhang"^). Voor onszelf is het nog de vraag, of Lucas, althans hier, niet de strikt tijdrekenkundige orde heeft geëerbiedigd. De ontwikkeling der dingen is iramers zoo volkomen natuurlijk. Christus toch had aan de avondmaalstafel ook gesproken dat donkere woord: „Ziet, de hand desgenen, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel" (vs 21). En in verband daarmee begonnen de anderen zich af te vragen, wie van lien het toch mocht zijn, die dat doen zou (vs 23). Het ligt voor de hand, dat ze in hun begeerte naar de ontmaskering van den verrader, hun oogen over den heelen kring lieten gaan, en naar aanwijzingen zochten waarmee ze den vermoedeüjken dader op het spoor konden komen. Het spreekt vanzelf, dat ze toen ieder voor zich den staat van dienst der anderen zich voor den geest trachtten te halen: hun karakter, hun trouwji hun ijver, hun prestaties. Doch voor ze het wiste* kwamen ze daarmee allen op het gevaarhjke pad, dat straks door Christus een „zeef des satans" wordt genoemd: ze gingen elkaar taxeeren, en feitelijk een waardeeringscijfer zich vormen voor elk der collega's. En ze gingen dat oordeel — voorloopig en voorzichtig natuurlijk — ook al tegen elkaar fluisteren. Maar die overhaaste en uitteraard uiterst subjectieve waardeering'' van ieders verleden, moest leiden tot conflicten zoodra ze, gelijk hier het geval was, daaruit de totaalsom van ieders heden trachtten vast te stellen; nog wel in een atmosfeer die geladen was-sinds het oogenblik waarop het woord omtrent het verraad van één hunner gevallen wap. Het is toch geen wonder, dat in deze nerveuze spanning en dank zij deze methode de discussie over de vraag, wie zoo slecht was dat hij verraad zou plegen, ontaardde in een heet debat, wie van hen gezien zijn verleden zoo groot was, dat hij als nummer 1 te gelden had.

Hoe het verder ook zoo gekomen mag zijn: vast staat, dat daar aan de avondmaalstafel de wedloop om de eerste plaats begonnen was. Ze dachten niet meer aan zelfbeproeving, ofschoon ze wisten dat in dezen nacht de Koning en zijn Kijk verraden zouden worden door één van hen. Zelfs op dit oogenblik droomden ze nog van dit rijk als een plaats waar tronen zouden staan, gereserveerd voor vorsten. Prelaten wilden ze allen zijn, gezeten op den stoel der eer. Ze zagen niet meer het koninkrijk met zijn eigen wet en zijn eigen stijl, ze zagen hun ambt niet meer als een opdracht, doch als een positie. Ze weten, dat één uit hen de heele avondmaalstafel in gevaar gaat brengen, en op dat moment nog weten ze niets anders te doen dan de stoelen rondom die tafel nummeren naar rangorde; ze weten zelfs in dit uur alleen maar van macht en titels en eerbetoon.

En we willen dat vanavond dan ook niet vergeten, • dat de eene avondmaalstafel direct den eersten keer reeds bedreigd is geweest niet slechts van de zijde van het verraad, doch niet minder van den kant der hiërarchie. Als dat was doorgegaan, dan zou niet maar één gepoogd hebben die heele tafel omver te schoppen, doch de anderen zouden onherroepeUjk vanwege hun hiërarchischen twist uiteengevlogen zijn en elk voor zich een tafeltje hebben opgericht met de pretentie, dat dit de disch van Christus was.

Het was voor Christus dan ook een donker uur, dit uur waarnaar Hij zoo gretig had verlangd. Eén wil zijn tafel • omverwerpen voorgoed, en de rest is bezig de gelijke stoelen die Hij heeft klaar gezet in te deelen in eerste-en tweederangszetels, en ze voeren een verbeten stoelendans om de eerste plaats. Ze hebben nu allemaal de eéne avondmaalstafel losgelaten.

Immers, wat zegt Christus als deze hiërarchentwist hen dreigt uiteen te slaan ? Heeft Hij hst geval gesüsj; ? Heeft Hij opgewekt tot schuldbeUjdenis over en weer, den één om een fel woord, vanwege een driftig gebaar den ander? Heeft Hij gezegd, dat zp van weerskanten over de brug moesten komen? Heeft Hij Johannes vermaand, om terwille van den vrede en de eenheid dEin maar de minste te wezen, en aan Petrus de eerste plaats te laten nu die er op stond? O neen, want daarmee was alleen de twist der menschen gesust, doch niet de tafel van Christus geréji! De vrede was wel geteekend, ze hadden him inschikkelijkheid en plooibaarheid getoond, dus konden ze weer bij elkaar zitten. Maar zaten ze nog bij Christus? De groote vraag was deze: niet, of ze aan één tafel konden zitten, maar: of dat de tafel van Christus bUjven zou. De kwestie was, of de avondmaalstafel zich met de hiërarchie verdraagt. En daarom heeft Hij niet gesproken over toegeeflijkheid en zoo, maar gezegd, dat ze allemaal de tafel zouden laten staan daar, waar Hij die had gezet: in zijn koninkrijk! Dit is geen kwestie van heftige temperamenten en botsende karakters, al spelen die hierin ongetwijfeld een rol; maar al twistend en zonder dat het tot hen doordringt zijn ze in feite bezig zijn tafel te stellen buiten zijn koninkrijk. Deze twist verraadt niet maar, dat ze menschen zijn van vleesch en bloed, wezens met prikkelbare zenuwen, licht geraakt, geagiteerd, geïrriteerd, maar hij bewijst, wat ze gelóóven van het rijk van Christus; dat het voor hen is een koninkrijk van déze wereld, met rangen en titels; een hiërarchie, waar de macht van den eenen mensch hooger is dan die van den ander, en daarom ook de verschuldigde eer verschillend.

Wat ze nu doen, dat is: den stijl van de koningen der volken vertoonen. Die heerschen over hen. Daar is de hiërarchie, waarbij de een beveelt en de ander te gehoorzamen heeft. Daar is het ambt een kwestie van macht; daar zijn de figuren, die gediend willen wórden; daar is het een kwestie van hooger en lager; daar zijn de zetels verschillend: de één zit op een gebeeldhouwden stoel, en de ander op een simpele kruk; de één heeft een titel en een lintje, de ander niet; de één word.t gevierd, de ander heeft slechts hulde te bewijzen.

Zoo zal het onder u niet zijn. Het paleis is een haard van ambities en intrigues om de eerste plaats: aan het hof tiert de jaloezie vanwege de drift naar promotie. Zoo zal het onder u niet zijn, want de kerk is radicaal anders dan het hof, en mijn koninkrijk heeft niets te maken met het paleis. Ik schenk wel ambten, maar geen titels. Ik plaats wel een tafel met stoelen daaromheen, doch Ik ken geen rangen. Het ambt in mün rijk is geen zaak van macht, doch van dienst. En vraag dus niet naar uw positie, doch naar uw mandaat. Ik heb u niet geroepen om aan te liggen en u door het kerkvolk te laten bedienen, en u-overeenkomstig uw rang een titel te laten geven; maar ik heb u verkoren om dat volk aan mijn tafel te brengen, en hen te bedienen met de schatten van mijn koninkrijk. Want koningen zijn tuk op titels; ze heeten vanwege hun heerschappij graag weldoeners; ze dienen in naam door te heerschen in feite. Maar gij niet alzoo. Bij hen speelt de leeftijd een rol: de oudste komt eerst, de jongste achteraan. Doch gij niet alzoo. De oudste onder u geve zich zoo volstrekt aan zijn dienst, alsof hij de jongste was. Ze verschillen in leeftijd, doch het" mandaat vereenigt hen. Wie voorganger is en tot leiding geroepen, hij zij als een die dient. Hij mag den naam van voorganger hebben, in feite is hij alleen maar knecht. Want noem alle koninkrijken der wereld op, en zie naar alle tafels: overal is die aanligt meer dan wie bedient. Maar de stijl van mijn rijk is anders. Ik ben de meeste, maar Ik dien als de minste. En mijn tafel is volkomen anders. Ik ben de meeste, maar Ik ben in uw midden als één die dient. Want Ik geef mijzelf voor het leven der wereld. Ik ben niet gekomen om gediend te wórden, om te zitten op een troon en te prijken met een titel; maar Ik ben gekomen om te dienen en mijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Ik ben gekomen om anderen een stoel te geven, en hun den nieuwen naam te bezorgen. Kent gij dan nog niet den stijl van mijn koninkrijk? Ben Ik zoolang bij u geweest in dienstknechtsgestalte, dat gij nog twist - om de heerschappij ?

Simon, Simon, zie — dat staat er zoo meteen zonder overgang —, ^) de Satan heeft ulieden zeer be-, geerd, om te ziften als de tarwe. Die geest der hiërarchie: dat is de zeef deS' satans. Want daarin verloochent ge den stijl van mijn rijk. Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude. Want Ik dien niet door te heerschen, doch Ik heersch in den volstrekten dienst.

Niet het feit van een kerktvidst als zoodanig is erg — wat ging het op het Apostelconvent in Hand. 15 niet heet toe: „groote twisting" (vs 7) — ernstig is de d r ij f k r a c h t achter sómmdge twisten in de kerk: de geest der hiërarchie

Welnu, geliefden, ge weet het allen: het is de strijd tegen die hiërarchie geweest, die tenslotte ons bracht tot de vrijmaking. Die versplinterende geest open-, baarde zich in 1936, toen de leergeschillen aan de orde werden gesteld. Die geest was er in de wijze, waarop de kwesties ter tafel kwamen; ze werden buiten de kerken om van boven af aan de gemeenten opgelegd. Die geest openbaarde zich in de punten, die aan de orde werden gesteld, en de meeningen die men in het onderzoek betrok: van den één wel, van den ander niet. Die geest was er in den maatstaf die men aanlegde, toen men de opvatting van den één maakte tot norm waaraan die van den ander werd getoetst; en in de wijze, waarop men angstvallig waakte voor de reputatie van sommigen op hetzelfde oogenbUk, dat men met de eer van anderen ging spelen. Die geest was er in de doorzetting der behandeling tegen den wil der kerken in. In de binding van bovenaf. Die geest handhaafde zich, toen eindeUjk in de tucht de heele kwestie als een machts-vraag werd gesteld en beantwoord, naar den stijl der hiërarchie; en toen men een oplossing in uitzicht stelde wanneer de betrokkene slechts even een knieval voor de «machthebbers wilde doen; en toen men als hoogere macht eenvoudig over de kerken regeeren ging. En zichzelf vanwege die kneveling ook, nog als weldoener der kerken prees. Deze hiërarchie heeft de geloovigen uiteengeslagen, en de avondmaalsgemeenschap opgebroken.

Sinds dien dag is er bij ons de smart om wat de zonde verwoestte, maar toch niet minder de

vreugde om wat de genade vM Christus herstelde.

Willen wij de hereeniging niet? Onze kerken hebben in 1946 „ja" gezegd, en dat gehandhaafd tot op dezen dag. Ze hebben alleen maar gezegd: voorshands schriftelflk. Dat was geen eigenwillige conditie, zooals vandaag wordt gesuggereerd door hen, die ter bereiking van het doel, ; - de eene avondmaalstafel - de methode secundair achten. Groningen heeft gezegd: de wijze is niet secundair. Want ook in de methodewaarop contact wordtgezocht 'en gelagd heeft de kerk den stijl van het Koninkrijk te openbaren; en ook daarin heeft ze den hiërarchischen stijl van de koningen der wereld te haten. Groningen heeft gezegd: we willen handelen, doch dan in den stijl der kerk alleen. Ztoo dat de eventueele hereeniging niet, gelijk de leeruitspraken, van bovenaf' door „weldadige héé-, ren" aan de kerken wordt opgelegd, maar zoo dat ze alj^n met de handelingen van deputaten, die haar dienen, van het begin tot het eind kunnen meeleven. Baarom alles publiek en voorshands schriftelijk, gelijk het de kerk betaamt, en niet in den stijl der wereldsche machthebbers, die buiten hun onderdanen om handelen; die werken met geheime documenten en voorts niets geven dan een weinigzeggend communiqué. Zoo dat iedereen weten kan, waar de eigenlijke oorzaak der breuk lag: in de hiërarchie. Zet daarom precies op papier, wat er gebeurd is, opdat ieder leere de hiërarchie te haten en de kerk bij de hereeniging den stijl des Koninkrijks weer vertoone voor ieders oog. Verhinder de uitdrijving van het groote kwaad niet door een gemoedelijk, maar toch uitteraard onnauwkeurig gesprek van enkelen, doch bereid het herstel der eene avondmaalstafel voor door een zeer zakelijke, zeer precieze, zeer doeltreffende, allen bereikende en juist daarin liefdevolle, correspondentie.

Want het is erg, dat de schapen uiteengeslagen werden door de kracht der. hiërarchie; het zou erger zijn, wanneer op hiërarchische wijze de schapen weer vergaderd zouden worden tot één avondmaalstafel onder de hiërarchie. Daarom is het zoo tragisch, dat onder ons menschen opstaan die voor wat de wijze der ontmoeting aangaat, zich losmaken-van Groningen, en in dat besluit zelfs een zonde zien waarover schuld te belijden valt. Dat men suggereert dat het vasthouden aan dat besluit beteekenen zou een vechten voor eigen standje ook onzerzijds; dat het dus in wezen hiërarchisch zöu zijn, immers een vraag wie hierin de meeste zou zijn. Men wist dat onzerzijds de zaak niet gesteld was als een kwestie van macht tegenover macht en van prestige contra prestige; niet als een kwestie van mengch tegen mensch en prelaat tegen prelaat, doch dat het hierin ging om den stijl van het Koninkrijk, die zich geen seconde verdraagt met de hiërarchie.

En als men dus zegt: wees dan toch de minste, en geef hierin toe, dan zeg ik: wat bedoelt u daarmee? Dat in den twist de een den ander moet toegeven, omdat ze anders nooit bij elkaar komen? Dat het een kwestie is van wat, geven en nemen? Dan stelt ge , de^ heele zaak in de wereld van het compromis, dat ook de koningen der wereld kennen als de zaak is spaak geloopen, en men een middeltje noodig heeft om het geval te sussen. Als ge dit woord vandaag op uw lippen neemt, spreek het dan in dat absolute klimaat, waarin Christus zijn avondmaalstafel en zijn kerk nu eenmaal heeft gezet. Strijd dan op leven en dood tegen de hiërarchie als ze uitwerpt, maar voer dien strijd even verbeten als de hiërarchie u terug lokt en u weer een eersten stap wil doen zetten op haar wegen. Waarom moet nu altijd in de kerk de man gehoor vinden, die bewogen oproept: „dat ze allen één zijn", waarom ontmoet altijd tegenstand de mensch, die hartstochtelijk zegt: de Satan is hier, begeerig om al die tafelgangers te ziften als de tarwe; bidt, broeders, bidt dat het geloof niet ophoude, en dat men niet door hiërarchie worde losgeslagen van Christus en zoo ook van elkaar? Want niet slechts in scheuring, ook in hereenigingspogingen gaat ge langs afgronden van verraad en verloochening; bij beide staat Satan gereed met zijn zeef, bij beide is er de verzoeking der hiërarchie. En wie roept om de eene avondmaalstafel, die predike den smallen weg daarheen, en hij waarschuwe tegen den breeden. De avondmaalstafel was allang verloren geweest, als Petrus en de anderen hun gang hadden kunnen gaan; als Christus er niet was geweest, als Hij hun niet tehulp was gekomen in hun verzoekingen. Maar Hij hééft het gedaan, en Hij kón het doen, omdat Hij zélf in deze dingen verzocht was geworden gelijk zij.

2. Want nu kom ik tot de tweede gedachte: Christus erkent hun trouw aan Hem in de verzoekingen van zijn koningschap. Immers, we lezen hier: Gij zijt degenen, die steeds met Mij gebleven zijt in mijn verzoekingen. Hij had ook zijn verzoekingen gekend, waarin velen Hem hadden verlaten, maar zij in onderscheiding van anderen bij H6m waren gebleven. Hij staat nu naast hen in hun crisis, omdat zij achter Hem bleven staan, toen Hij verzocht werd. Want hun strijd van •nu heeft Hij ook gekend. Meermalen —• daarom staat hier ook het meervoud: verzoekingen. Maar Prof. Greijdanus verwijst hier toch wel terecht naar den dag van Joh. 6, den zwarten dag waarop de meeste discipe'.en Hem in den steek lieten. De kerkgelederen werden op dien dag op onrustbarende wijze gedund; er bleven slechts weinigen trouw.

Als ge dat hoofdstuk naleest, geliefden, begrijpt ge in één keer welke verzoekingen van Christus zijn gè' weest; begrijpt ge ook, waarom Hij thans daaraan herinnert. Het waren de verzoekingen van zijn koningschap.

Immers, na het eerste wonder der broeden waren de scharen enthousiast; Jezus wist dat ze Hem met geweld wilden nemen om Hem koning te maken (6 : 15). We zouden zeggen: e groote dag; Hij wil immers koning zijn? Wat kan Hij dan anders begeeren dan dit, dat ze Hem eenstemmig de kroon reiken, en alle teekenen van zijn waardigheid? Doch Christus ontwijkt hen, omdat Hij hier ziet de verzoeking van zijn koningschap. En den volgenden dag zegt Hij precies, dat Hij het aangeboden koningschap weigert. In een felle preek heeft Hij tégenover hun wereldschhiërarchischen koningsdroom vastgehouden aan den theocratischen stijl van zijn koningschap. Tenzij gij Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt, hebt ge geen leven in uzelf. Ik kan dat natuurlijk niet allemaal" uitwerken nu. Maar het kwam toch hierop neer: k ben als koning niet gekomen om gediend te wórden, doch om te dienen, en mijn ziel te stellen tot een rantsoen voor velen. De verzoeking was groot: ij kon allen als onderdaan krijgen; aan macht en titels geen gebrek. En Hij wilde zoo gaarne hen allen vasthouden. Maar Hij kón het niet, óf Hij moest zelf verraad plegen aan den eigen stijl van zijn koningschap, die zich geen seconde verdroeg met hun hiërarchischen droom. Toen, na die preek, waarin Hij scherp de antithese van macht en dienst had gesteld, toen gingen ze bij honderden weg. „Deze rede is hard, wie kan ze hooren? " Was het zijn schuld, dat ze gingen ? Maar Hij kón ze niet vasthouden. Het was gelijk zoo vaak: ij kón geen krachten doen vanwege hun ongeloof.

Toen hebben de discipelen hun trouw getoond. Ze liepen niet weg; ze zeiden niet: de preek was ook wel wat heel scherp; had dat niet wat anders gekund? Ze zeiden niet: Meester, zoo verliezen we allen; gij moet uw methode veranderen. Hun hart was ontroerd over de velen, die gingen; maar ze bleven den Meester trouw. Het kón toch niet anders. Hij mocht den van God bevolen stijl van zijn koningschap niet verloochenen, al zou er tenslotte ook niemand overblijven. Ze struikelen nu, want in hun wedloop om de eerste plaats vergeten ze zelf den stijl van zijn rijk. Maar him hart heeft toch in het donkerste uur „ja!" tot Hem gezegd, toen Hij vasthield aan den grondregel: niet gediend worden, maar dienen. Ze bleven Hem trouw, toen Hij de massa niet langer kón vasthouden.

O neen, ik vergeet de situatie niet, en ik negeer de proporties niet. Tóch zeg ik: wij zullen dit vandaag niet vergeten, dat Christus dank zij den eigen stijl van zijn koningschap velen heeft verloren. Het gaat me vandaag wel wat heel gemakkelijk, als sommigen vanwege de resultaten, of liever: het ontbreken der gehoopte resultaten, komen tot een vernietigend oordeel over de gevolgde methode. Want men heeft gezegd: deputaten voor samenspreking hebben niets kunnen bereiken, niets kunnen doen voor het herstel der eenheid. Daaruit concludeert men: dan een anderen weg inslaan, want we móeten elkaar weer vinden. Zoek een nieuwen weg, en verdoem uw eersten, dien ge u door de Schrift liet wijzen, als zonde. Net alsof in het koninkrijk der hemelen het resu.l.taat der eenheid alt ij d móet en kan worden bereikt. Alsóf het niet veel meer tot den stijl van dat rijk behoort, dat de massa vanwege haar verwereldlijkte opvatting van dat rijk heengaat.

Het is waar, deputaten hebben niet kunnen bereiken wat we allen hoopten.. Doch wees nu voor-, ziehtig: Christus heeft vele malen geen krachten kunnen doen vanwege ongeloof bij de massa. Hij heeft de meesten niet kunnen vasthouden, omdat ze zich ergerden aan den theocratischen stijl van zijn rijk. Tenzij iemand alsnog uit de Schriften bewijst, dat het Groningsche besluit vertoonde den hiërarchischen stijl van dê koningen der wereld en niet den theocratischen stijl van den Koning der kerk, bUjf ik zeggen: we hebben niets kunnen bereiken vanwege hun ongeloof. Let wel: ik zeg niet: vanwege hun onge-«loovigheid, maar vanwege hun weigering om zich hierin door de Schrift te laten gezeggen.

Want maak het nu niet gemoedeMjk. Verzoekingen zijn veel te ernstig om gemoedelijk te doen. Waarom ziet men den duivel alleen bij het begin van het oorlogspad, waarom vreest men hem niet als hij aan den ingang van vredeswegen zichzelf vertoont als engel des lichts?

Wie dat eeimiaal zag, o ja, hij blijft bidden: „dat ze allen één zijn", maar hij bidt ook: „leid ons, ook bij het zoeken van de eene avondmaalstafel, niet in verzoeking, maar verlos ons-van den booze". Want twist als zoodanig komt de kerk wel te boven, doch hiërarchie overleeft ze niet. Althans niet, wanneer ze niet door de genade van Christus de verzoeking der hiërarchie herkent en erkent, en in de ure der verzoeking meer begeert de massa vast te houden dan met Christus te blijven, ook wanneer de meesten gaan. Misschien — God weet het, en Hij moge het genadig verhoeden —, misschien gaan ook thans in deze verzoeking weer velen heen, omdat de eigen stijl van het Koninkrijk der hemelen hun tot een ergernis werd en ze terwille van de eenheid den geest der hiërarchie tegemoet willen komen. Maar dat is iets, waar we machteloos tegenover staan, en dat .toch ook nooit één seconde onze houding mag bepalen. Het eenige.waar het op aan komt, is dat we zelf met Christus blijven in deze verzoeking, en niemand der kleinen ergeren. Wat er dan ook komen mag, we mogen ons dan sterk maken rhet de belofte.

3. En zoo kom ik tot m'n laatste gedachte: Christus heeft in de worsteling met en om zijn apostelen hun tenslotte beloofd een deel met Hem in de glorie van zijn koningschap. Zijn hart is ontroerd: velen zijn reeds heengegaan; daar gaat ook Judas, één van de Twaalf; het kerkfundament ligt gescheurd; er is al een leelijk hiaat, en wat er overblijft is ontzaglijk wankel. Maar Hij vertwijfelt geen oogenblik aan zijn rijk; Hij handhaaft zijn stijl ook nu Hij aijeen tegenover allen staat; en Hij weet dat Hij de Elf behouden zal. Ze zijn zwak, zij ook; ze zullen allen geërgerd worden nog in dezen nacht; maar door zijn kracht zijn ze toch nog altijd bij Hem gebleven, ze zullen ook nu in de verzoeking struikelen, doeh niet ondergaan. Hij twijfelt niet aan zichzelf: de Vader heeft Mij het koninkrijk beschikt. En wat zijn apostelen betreft: de geest der hiërarchie is in hen niet dood; ze droomen van eigen macht, ze zoeken eigen eer, ze meten naar eigen maatstaf. Maar het andere is er toch ook: tot dusver hebben ze over de verzoeking getriomfeerd, en geloofd zoo vaak Christus den stijl van zijn rijk tegenover dien van de koningen der volken handhaafde. En ziende op wat zijn Woord in hen werkte, en voorts biddende dat hun antihiërarchisch geloof niet ophoude, kan Hij ook zijnerzijds het koningschap aan hen beschikken: de plaats aan de tafel in zijn koninkrijk én den troon van het gericht, om te oordeelen over alle 12 stammen Israels. Omdat ze hier als het er op aan kwam geen heeren wilden zijn, doch dienaars bleken, zullen ze straks aan zijn tafel der glorie aanliggen en eten; de dienaars zullen bediend worden. Omdat ze hier tenslotte eigen meening het zwijgen oplegden, en het recht Gods bleven verkondigen, zullen ze straks alle 12 stammen voor hun rechterstoel zien staan, dp dat oogenblik leek het er niets op: Judas weg, het koninkrijk verraden, de massa van Israël onbereikbaar; ze komen agn de vreugdemaaltijd niet toe, en een troon mogen ze zich niet bouwen. Maar het komt. Bijkans heel Israël onttrekt zich en houdt zich ver van de tafel die Hij stichtte. Twaalf stanomen? Nog niet eens twaalf apostelen heeft Hij kunnen behouden. Ze willen niet het koningschap naar den stijl van God. Is zijn avondmaalstafel nu verijdeld? Die tafel zal eeuwig in glorie • staan! Loopt de massa weg ? Alle twaalf stammen zullen gedaagd worden voor zijn stoel en de tronen der Twaalf; niet één der wegloopers zal zich aan den greep van zijn koningschap kunnen onttrekken. Ze komen tenslotte allemaal aan zijn tafel óf in het oordeel, maar kómen zullen ze. Allen!

Daarom, geliefden, we willen niet vertwijfelen, en ook vandaag den triomf van Christus' koningschap ge-.looven. De zaken der kerk zijn zeer verward; het is alles zoo desolaat. En de verzoekingen komen, en de ergernissen. Velen zijn heengegaan. En we s: aan ons niet op de borst. Want de Satan heeft ook ons zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Doch Christus ver-• geet niet de trouw aan zijn rijk, die we tot dusver mochten betoonen. En in de aanvechting vanwege de hiërarchie blijft Hij bidden, dat ons geloof niet ophoude. En het uitzicht is er: de tafel staat daar, en het gericht komt over heel de kerk.

Maar omdat avondmaalstafel en rechterstoel daarboven verbonden zijn, daarom bid ik u: maak uw zoeken van de eene avondmaalstafel hier geen seconde los van de bediening van Gods recht tegenover alle hiërarchie. Christus heeft aan de eerste tafel in woord en gebed geworsteld tegen de hiërarchie; wee ons, wanneer wij in woord en gebed de tafel noemen en niet de zonde der hiërarchie.

Broeders, de verzoeking begint als we bidden gaan om de eenheid, en daarover spreken gaan. Vandaag zijn velen betooverd door den oproep: laat ons samen bidden om de eenheid. En als van gindschen kant de invitatie komt tot dat gemeenschappeïjk gebed, en zelfs één d§r onzen als voorbidder wordt genoemd, dan zijn er die denken: nu gaat het goed; bidden, en daarbij in de aanwijzing van den voorbidder zelf de minste willen zijn. Waarom zien ze de ver-

zoeking niet? Zelfs deze gebedsoproep vertoont den gtijl der hiërarchen, die als ze eerst hun wil met geweld hebben doorgezet, daarna ook als het te pas komt, beleefd kunnen zijn en buigen als knipmessen: „na u, aan u de eer"'. Het is niet de stijl van Christus Jezus. Want de man, dien ze als voorbidder thans aan God én menschen voorstellen, is dezelfde van wien ze het eerst hebben gezegd, en voor denzelfden God en dezelfde menschen nog altijd volhouden, dat hij niet slechts den dienst des Woords, doch ook den dienst der gebeden onwaardig was.

Ik zal mijn worsteling óm de eene tafel vergezeld doen gaan van de worsteling tégen de hiërarchie, die de tafel buiten het Koninkrijk zet, en tenslotte alle stoelen onderstboven werpt. Ik zal bidden, dat ze allen één mogen zijn, maar tegeUjk bidden, dat ze niet in verzoeking komen. Ik zal in het zoeken der eenheid niet weer de zonde binnenhalen die de schapen uiteensloeg. Als ge in woord en gebed strijden wilt voor hereeniging, voer dien strijd dan voor het front der schapen, en vecht hem niet uit op den rtig der schapen.

En als men tot me zegt: Joh. 17 dringt me; ik kan den Hoogepriester niet vergeten die om eenheid bad in den nacht in welken Hij verraden werd, dan zeg ik: ik mag den Koning niet vergeten die worstelde tegen den geest der hiërarchie in dienzelfden naCht. Lees niet één tekst, maar sla het gansche Hjdensevangelie open, dat spreekt , van de avondmaalstafel, doch van rechterstoelen niet minder; dat spreekt van eenheid, doch ook van hiërarchie; dat ons Christus doet zien, maar den Satan desgelijks. Houd alle 12 stammen vast, in uw woord, in uw gebed, draag ze in uw hart; sleep er niet een paar bij elkaar, doch zorg dat ze voorzoover het aan u ligt allen bereikt worden, en precies weten waar het om gaat. Bedenk, dat alle schapen in de zeef des Satans komen, want het is de ure der verzoeking. Bid, dat hun geloof niet ophoude en ze den stijl van het Koninkrijk niet verloochenen; bid, dat het geloof waar het ingezonken was, nu eindelijk weer ontwake. En gij, die aanvankehjk u bekeeren mocht, versterk toch de broeders. Ga niet tellen, hoevelen gingen en hoe weinigen bleven. Maar bhjf achter Christus staan, en hef uw oogen omhoog: Hij triomfeert over alle twaalf stammen in avondmaal en rechterstoel; de genade en het recht van zijn rijk, ze zullen beide overwinnen. Zeg dat tot uzelf en elkaar in dagen, dat we niet kunnen bereiken wat we begeerden. En leg zoo heel den nood van kerk en school ontroerd en toch rustig neer voor het aangezicht van Hem, die ook hierin als wij verzocht is geweest, doch zonder zonde. Amen.

De Schooldag

Men moet wel groot respect hebben voor het organisatorisch talent van de Kamper broeders, die verantwoordelijk waren voor het ordelijk verloop van dezen dag!

Men stelle zich het eens voor: in het kleine Kampen ruim acht duizend menschen te moeten ontvangen, hen behoorhjke vergaderplaatsen aan te bieden, te zorgen, dat zij op tijd kunnen eten en drinken, en dat alles vlot blijft verloopen.

Toch is dat allemaal gebeurd, en op een wijze, waar ook de grootste kritikaster geen voet aan den grond kon krijgen.

Een invasie van meer dan 150 propvolle autobussen, vele personenauto's en zelfs bezoekers, die met extra treinen waren aangekomen. Studenten en andere jonge krachten deden dienst als ordonnances, meisjes en jongens met borden gedragen boven hun hoofden, geleidden de bezoekers naar de restaurants en de koffiehuizen, toen er tusschen de diensten net even tijd was om iets te gaan gebruiken. En omdat men terecht vreesde, dat deze gelegenheden de massa niet voldoende bedienen konden, had men extra tenten opgeslagen, waar eten en drinken te verkrijgen was.

Maar ook voor de vele honderden bezoekers, die reeds den vorigen avond waren aangekomen, was op uitnemende wijze gezorgd. Wat is dat Kampen een gastvrije stad! Er waren menschen, eenvoudige menschen, die vier tot zes gasten herbergden en ook op den Schooldag zelve zag men tusschen de diensten overal in particuliere woningen sti-oomen menschen naar binnen gaan, die van koffie en zelfs van soep werden voorzien. Het was alles zoo goed en zoo mooi.

Men zag aan de gezichten de blijde, dankbare stemming, de hunkering naar wat de sprekers voor boodschap hun té' geven hadden, de spanning onder het intensief luisteren, de eenheid van geest in den jubel waarmee de psalmen opklonken.

En wat droeg ieder het zijne er toe bij, den „Schooldag" tot een onvergetelijk monument in het leven van de Kamper School te maken!

De broeders uit Rijnsburg hadden twee groote vrachtauto's afgeladen met een keurcollectie van bloemen en bloemstukken, waarmee de School zelve als 't ware overladen werd en verder de Nieuwe Kerk op stijlvolle wijze in een feestelijk decorum geplaatst werd.

Wat een blijdschap, toen Prof. Veenhof kon mededeelen, dat hem op den avond van den Bidstond een couvert met f 2000.— in de handen werd gestopt voor het fonds_: hulpbehoevende studenten en dat het vrouwerioomité in het afgeloopen jaar weer een som van f22.182.19 had bijeen gebracht voor het bibliotheekfonds. We denken aan het verhaal van den eenvoudigen broeder, die zelf niet komen kon, maar toch het bedrag aan reisgeld plus wat hij voor de collecte bestemd had, opzond; aan dien anderen broeder, die een bedrag gelijk aan een vol weekloon opgezonden had.

Daar men dezen nazomer niet het vaste weer had, dat den vorigen zomer zoo gekeijmerkt heeft, durfde men het niet aan om weer een tent op te bouwen. Besloten werd daarom ditmaal gebruik te maken van drie kerkgebouwen: de eigen Nieuwe Kerk, Welke een 1500 menschen kan bevatten, en waar vroeg in den morgen begonnen zou worden, zoodat daar twee groepen onderdak konden vinden; vervolgens de Broederkerk (Ned. Herv.), welk gebouw eveneens 1500 menschen bevatten kan en de Bovenkerk (Ned. Herv.), de „Domkerk" van Kampen, waarvoor 1250 stoelen waren gehuurd om de ruimte geheel te kunnen vullen, met.ongeveer 2800 zitplaatsen. Maar het bleek uit de enorme post, welke de laatste dagen nog bij het comité binnen kwam, dat zelfs deze drie groote gebouwen onvoldoende zouden zijn om al de menschen plaats te verleenen, waarom op het laatste oogenbUk nog beslag werd gelegd op de Burgwalkerk (Geref. Gemeente) en de Buiten Sociëteit, bij het station, waardoor aan ruim 1100 meer plaats geboden kon worden.

Het is ons niet mogelijk van al de inleidende woorden, welke in al deze gebouwen gesproken werden hier een verslag te geven. Zij het voldoende, de rede van Prof. Deddens weer te geven, die de leiding had in de Nieuwe Kerk, en wanneer wij de namen noemen van de leiders in andere vergaderplaatsen, weet ieder, dat die leiding in de beste handen was toevertrouwd, ook wat betreft de noodige humor, die bij zulk een leiding nu eenmaal onontbeerüjk is. Deze leiding was tofevertrouwd aan Prof. P. Deddens en de predikanten H. Knoop, D. van Dijk, G. Visée en H. Meulink.

In de .morgenvergadering, om 8 uur in de Nieuwe Kerk opende Prof. Deddens de reeds toen goed gevulde kerk, met hét volgende inleidend woord:

De kosten van den Schooldag

U allen, die hier vergaderd zijt, roep ik een hartelijk welkom too — ik hoop, dat de broeders en zusters, die van buiten kwamen, een kostelijke reis hebben gehad.

Dat woord kostelijk bedoel ik, gelijk het verband al aangeeft, in den zin van: mooi, prachtig, voortreffehjk, opperbest. Een reis niet alleen zonder bezwaren en hindernissen, maar een, die staat in het leeken van wat komt. De dingen, die nog niet geschouwd worden, maar waarvan ik geen geringe verwachting koester, .kunnen van te voren mijn stemming bepalen en blijdschap geven of bUjdschap voeden.

Natuurlijk bedoel ik dat woord kostelijk, als ik spreek van een kostelijke reis niet in den zin, waarin het (; ok kan gebruikt worden en zelfs in het Middelnederlandsch bijna steeds gebezigd werd, n.l. in de beteekenis: kostbaar, 'duur, groote uitgaven vereischend.

En toch is het vandaag een kostelijke dag ook in dien zin.

U vergunt mij, enkele opmerkingen te maken over de kosten van den Schooldag. Die kosten vah den Schooldag zou iemand kunnen zeggen, en ik meeh, in die richting i s reeds iets gezegd, zijn waarlijk niet gering. Het kost ten eerste al een vrije dag. Een dag, waarop men niet werkt, en waarvan men dus in veel gevallen ook de gewone inkomsten derft.Dan de reis-en verblijfkosten, die voor heel wat menschen zeer beduidend zijn. En dan de collecten — als je daar in Kampen komt, maken ze van de gelegenheid gebruik en trekken ze duchtig aan je beurs. Reken nu eens uit, dat dit alles kost. Stel, dat er 8000 bezoekers zijn op den Schooldag — dan beteekent dat een som van tien-en tienduizenden guldens.

Is zulk een uitgave verantwoord? Hebben we het geld niet hard noodig en eerder noodig voor andere belangen, voor de Zending, voor hulpbehoevende Kerken, voor de Pers, om van andere dingen niét te spreken? En de uitgaven worden steeds grooter, omdat het getal bezoekers nog elk jaar stijgt. Kan daarin ook niet het gevaar liggen van jacht op getal-praestatie, het gevaar van sensatie en demonstratie, hier zijn w ij ? Zijn onze Schooldagen, gezien de kosten, verantwoord?

Inderdaad is dat een vraag, die tot nadenken kan stemmen.

Wij denken er niet aan, hier het woord: materialisme te mompelen: alle vraag naar mater; egebruik is een geestelijke vraag, rechtstreeks betrokken op God.

Eveneens weren wij alle suggestie, die ons zou willen raden, niet alles op een goudschaaltje te wegen — wij zijn voor den Heere verantwoordelijk in a 1 ons doen en laten. Want van U zijn alle dingen, van U, o God, alleen;

de bodem die mij draagt; het huis, dat ik bewoon; het eten, dat mij voedt; de lucht, die ik inadem;

het muntstuk of biljet, dat ik straks in den collectezak deponeer is niet van mij, maar van den Heere. En Hij vraagt, en heeft recht, dat het Zijne besteed wordt naar Zijn wil.

En waar het mogen nooit ruimte geeft voor het vleesch, maar bepaald wordt door de wet, dus van het moeten geen oogenblik losgemaakt kan worden, staat onze verantwoordelijkheid voor den Heere naar alle kanten vast. En ook de vraag naar de zuiverheid van onze intentie ten aanzien van dezen Schooldag dient gesteld, aan allen en aan een ieder van ons: onzen aangeboren aard is niets zondigs vreemd.

Niettemin ben ik van oordeel, dat de kosten van den Schooldag verantwoord zijn.

Want wie heeft er voor betaald? Christus heeft er voor betaald. En dat niet alleen in dezen zin, dat de vervoermiddelen, waarvan U gebruik maakte, de gebouwen, waarin we vergaderen, de gelden, die ü vandaag uitgeeft, van Hem zijn, en dat we nooit anders kunnen geverf dan uit de hand des Heere n (1 Kron. 29 : 14).

Maar Christus betaalde voor deze Hoogeschool. want Hij betaalde voor Zijn Kerk, Hij betaalde voor Zijn Koninkrijk, Hij betaalde voor deze wereld. Hij betaalde met gebeden en worstelingen, met tranen en benauwdheden. Hij betaalde met woord en met daad, met Zijn leer en met Zijn leven. Hij betaalde met het offer der voldoening.

Heere nu der wereld, Heere in het Koninkrijk, Heere in de Kerk, Heere van onze Theologische Hoogeschool, door Zijn zegen en onder beding van Zijn genade een voedings-centrale voor de Kerk, een kracht-centrale voor het Koninkrijk. En van Hem deze toogdag, dit feest.

De Schrift is vol van feestgedruisch — van het begin tot het einde; feest hierboven en feest ook hier beneden. Er zijn feesten, waarop men het gegevene gedenkt, los van den Gever — de Schrift spreekt voortdurend van een feest denHeere.

En zouden we hier niet vieren egn feest den Heere? Een wonder! Een wonder Gods!

Toen wij den strijd voerden om los te komen — o, die strijd was niet uit ons, wat hadden we eerst niet gegeven om te kunnen blijven! — toen we zuchtten en weenden in slapelooze nachten, toen wij ten slotte zagen dat het ging om de keuze: de band aan den Heere in gehoorzaamheid, óf de banden aan menschen in ongehoorzaamheid — toen waagden we het niet, ons in gedachten een toekomst te bouwen — we legden die in Gods handen.

En de Heere heeft ons niet beschaamd.

Hij leidde Zijn Kerken uit, de eene Kerk na de andere; Hij maakte vrij mét het volk predikanten, ouderlingen, diakenen, studenten. Hij bewaarde twee hoogleeraren en één lector voor ontrouw. En Hij breidde dat getal uit. Hij vulde het getal curatoren aan. Hij riep een stichting tot verzorging der School, Hij schonk ons een prachtig Schoolgebouw, vervuld van den geur der liefde van de Kerken, Hij gaf ons in verrassend snel tempo begin en aanwas van een bibliotheek — we verstaan den Apostel Petrus: Heere, Heere, dat ben ik niet waardig! Ik, ik, zondig mensch! Zal het nu niet feest zijn, een feest den Heere?

Geraffineerder dan ooit zijn de aanvallen en raadslagen van den Booze, het Woord de heerschappij te ontnemen, van het overgroote deel der katheders in de wereld, in Nederland, klinkt de stem der menschelijke wijsheid, die de wijsheid Gods veracht — waartoe anders heeft God onze Hoogeschool daarvoor bewaard, dan dat wij Hem in die bewaring om Zijn groote ontferming zouden loven en danken? . Wat is het anders dan genade, dat hier nóch de Kerken, nóch professoren en studenten gebonden zijn aan een als belijdeniswinst gepropageerde formule van sehoolsche makelij?

Zijn niet Kerk en School als twee communiceerende vaten, is niet bloei of verval in het eene lichaam aanstonds te merken in het andere?

Daarom, broeders en zusters, zonder uw geloof, uw liefde, uw gebed kunnen wij niet. Gelijk ook verachtering in onze Hoogeschool aanstonds in de Kerken waarneembaar zou zijn. God behoede ons daarvoor.

Ziende op de trouw des Heeren en den overstelpenden rijkdom van Zijn weldaden — betaamt het niet, feest te houden, een feest den Heere?

Hij heeft er voor betaald, voor de School en voor het feest.

Het kan zijn, dat Hij de genieting van de betalingsvrucht, zooals wij die genieting thans beleven, in-

houdt. Dat Hij door vreemd geweld hét houden van Schooldagen verijdelt en het Schoolgebouw doet sluiten. Het kan ook zijn, dat Hij ons de middelen niet langer verschaft om samen te komen, zooals vandaag geschiedt. Zoodat we inderdaad moeten zeggen: iets anders en noodigers gaat vóór, nu kan 'het niet meer.....

Zoolang het nog kan, laat ons niet elk voor zich, maar laat ons gezamenlijk den Heere danken voor Zijn wonderwerk, en vieren het feest den Heere.

Er zijn ook schaduwen. Eén noem ik: het gemis van onzen zeer geliefden en hooggeachten broeder Professor Greijdanus. Hoe innig gelukkig en dankbaar maakten hem de zegeningen Gods in en na de vrijmaking, hoe genoot hij met ons van een hoogtij-dag als deze! Tot blij der, zuiverder, heerlijker feest is hij ingegaan. Hij wacht ons. Hij wacht het einde van de verlossingswerken Gods.

Rustig gaf hij het lot der Hoogeschool in Gods Vaderhanden. Hij sprak zelf over de vervulling van de ledige plaats, die hij als Hoogleeraar achter zou laten. De Heere zal zorgen, sprak hij. God heeft Zijn Kerken gaven en krachten genoeg gegeven om mij te vervangen.

Broeders en zusters, Christus heeft betaald. Hij heeft betaald voor Prof. Greijdanus. Hij heeft betaald voor allen, die Hem van den Vader gegeven zijn. En voorts heeft Hij alle kosten gedragen. Wij staan bij Hem in de schuld.

God bekwame ons tot geloof, om Hem te wijden onze gaven en krachten, ons hart en ons leven. Wij zijn het Hem schuldig. En zijt voorts niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben.

P. D.

Terstond na dit inleidend woord betrad Prof. Veenhof den kansel om te spreken over:

De eerste roeping

Het kan niet anders en het mag ook niet anders •—• gij verwacht het trouwens ook niet anders — of de rector van onze Hoogeschool, die op dezen dag tot U moet spreken, zal U voor alles wijzen op het heengaan van Prof. Greijdanus.

Ver boven alle andere feiten en gebeurtenissen, die we in het leven van de schoolwereld gedurende het laatste jaar kunnen ontdekken en noteeren, greep ons immers die daad Gods, waardoor Hrj Prof. Greijdanus uit het lichaam der school losscheurde en opnam in heerlijkheid.

Ik geloof niet dat iemand onder ons ten volle kan beseffen' wat zijn werk en dus ook zijn heengaan beteekende. Niemand kan berekenen den rijkdom, dien wij in hem ontvingen en bezaten en die wij dus in het voorbijgegane jaar moesten afstaan.

Jaren, jaren lang immers heeft Prof. Greijdanus met zijn groote gaven gebeden, gewerkt, geworsteld in en voor de kerk van onzen Heere Jezus Christus. Om haar te dienen '& eeft hij zich met inspanning van alle krachten, dag in, dag uit gebogen over het Woord Ggds om dat eerst zelf te verstaan en het daarna open te leggen voor hen die God riep om zijn predikers te zijn. Om het welzijn van Sion heeft hij, als het niet anders mocht, en tegen eigen aard en begeeren in, den strijd aangebonden tegen de tallooze invloeden, tendenzen, bewegingen en personen, die Christus' kudde bewust of onbewust wondden en verstrooiden. Om Christus' kerk in de groote crisis der laatste jaren te houden bij haar Heer en diens woord was hij bereid alle offers te brengen. Zelfs den gruwel van een zoogenaamde uitstooting uit het ambt, dat hem door zijn Heer en Heiland was opgedragen en door hem met zooveel trouw werd bediend, een uitstooting waartoe een hopeloos gederailleerde kerkelijke vergadering dorst over te gaan, heeft hij geduldig en blijmoedig gedragen.

Beseheiden, onopvallend; nooit zich zelf zoekend, maar steeds door allen gezocht; nooit zich op den voorgrond dringend, maar door ieder in moeilijkheden het eerst geraadpleegd; niets voor zichzelf begeerend, maar zeer gul in het geven van het vele, dat God hem toevertrouwde, aan ieder die bij hem kwam; nooit om zichzelf denkend, maar diep en warm meelevend met allen — zóó bewoog hij zich in de kleine wereld van onze school.

Nu heeft God hem weggenomen en wij moeten zonder hem, zonder zijn liefde, zijn gebed, zijn trouw en zijn voorlichting verder in de worsteling onzer dagen.

Nu wij op dezen dag als het volk, dat onze school draagt met zijn liefde en gebed. Prof. Greijdanus herdenken, leek het mij goed toe enkele dingen te zeggen over den strijd der kerk in onze dagen. Ik doe dat vooreerst omdat wij, als wij overeenkomstig Christus' bevel het geloof van dezen voorganger willen navolgen, wij vóór alle dingen met Christus' kerk bezig moeten zijn. Wie zag de kerk zoo centraal als Greijdanus? Ik doe dat ook omdat ik weet, dat wat ik zeggen ga hem in de laatste tijden van zijn leven zwaar op het hart woog.

Wanneer wij nu de kerkelijke wereld overzien, vallen ons onmiddellijk een paar typeerende verschijnselen op.

Vooreerst ontdekt men overal het taaie, hartstochtelijke pogen om te komen tot centralisatie, tot het „samenbundelen van krachten", kortom het streven naar een zekere „eenheid".

We hebben zoo juist de meest grootsche openbaring en het verst reikende resultaat vaji dit pogen in het vormen van den wereldraad van kerken beleefd. Meer dan 150 kerkelijke denominaties zonden hun afgevaardigden naar het indrukwekkende congres der kerken dat in Amsterdam werd gehouden. En daar is de lang begeerde „wereldraad" geboren, welke de op velerlei wijze geïnterpreteerde leus „Jezus Christus God en Heiland" in haar vaandel voert, en de eenheid der kerken wil bevorderen. Bovendien.wil zij opgenomen worden in de groote organisatie van de vereenigde Volken, als exponent van de gemeenschap kerken, opdat óók daar de stem der kerken klinke en ook het kerkelijke leven van dit wereldcentrum uit worde gediend.

Deze tendenz naar centralisatie werkt speciaal ook krachtig bij de gebonden gereformeerde kerken. Ze kreeg reeds zichtbare gestalte in egn, de kerken principieel beheerschende synode; een zendingscentrum; een evangelisatiecentrum; een algemeen bureau van de gereformeerde kerken en een centraal bureau voor informatie en advies van de diaconieën. Ze is vooral ook krachtig in de al sterker wordende actie voor de aansluiting van die kerken bij den reeds genoemden wereldraad. De directeur van het zendingscentrum, die het levendig betreurt dat zijn kerken zich nog niet bij den wereldraad der kerken hebben gevoegd, verklaarde reeds voor ongeveer een jaar, dat tallooze predikanten tot het gereformeerde studieverband voor oecumenische vragen zijn toegetreden. En de sjmodale jeugd is, zoo verzekerde hij, nog veel „progressiever". Het studentencorps van de School aan de Oudestraat; de organisatie Jeugd en Evangelie; de werkgemeenschap voor gereformeerde jongeren, zijn, ondanks duidelijke synodebesluiten, reeds „rustigweg" bij den Oecuinenischen Jeugdraad aangesloten. Ten gevolge van deze progressiviteit der jongeren was ook de nederlandsche, gereformeerde jeugd op de wereldconferentie te Oslo! Wel zijn de groote jeugdbenden nog niet tot aansluiting overgegaan, maar op alle kringen van de plaatselijke oecumenische jeugdraden is toch reeds 60 % van de leden gereformeerd I Bovendien is de geheele synodaalgereformeerde zending reeds volledig bij den nederlandschen en dus ook bij den Wereld-Zendingsraad, 'n zusterorganisatie van den Wereldraad der kerken, aangesloten. Het gaat nu alleen nog maar om de verovering van een laatste bolwerk, de generale synode, en dan is de zaak geheel en al voor elkaar. En naar de vaste overtuiging van den genoemden zendingscentrum-directeur zal dit bolwerk niet lang meer weerstand kunnen bieden aan den steeds sterker wordenden druk.

Het is in den huldigen, geweldigen afval van Jezus Christus en van Gods Woord van eminent belang op dit indrukwekkende verschijnsel te letten. Als een machtige hypnose beheerscht deze centralisatie en eenheidstendens de duizenden en millioenen en drijft hen voort in den opbouw van den grootschen eenheidstempel, de plaats der gemeenschap van allen die zich christen noemen, ongeacht of ze al of niet in den Christus der Schriften gelooven.

En naast en door deze centralisatie-en eenheidszucht werkt nog iets anders. Het is een sterke drang naar de assimilatie, degelijkschakeling van allerlei richtingen, stroomingen, kerken, ja zelfs van kerk en wereld.

Om ook dit verschijnsel, zooals het vlak bij ons openbaar wordt even te signaleeren wijs ik er alléén maar op dat zonder eenige kritiek synodaal-gereformeerde predikanten op het uur waarin hun eigen kerkeraad de gemeente opriep tot den dienst des woords en der gebeden, in z.g. oecumenische kerkdiensten voorgaan in gemeenschap met predikanten van andere kerkelijke gemeenschappen, en zelfs met oud-katholieke priesters. Dat hiermee het bestaansr echt der eigen kerk principieel geloochend en dat bestaan zelf als' een openbaring van geestelijken hoogmoed werd gediskwalificeerd schijnt thans tot weinigen meer door te dringen. We vernamen verder, hoe ergens de gansohe gereformeerde jeugd met de geheele niet-roomsche hope des vaderlands ter plaatse een lentefeest organiseerde en met de A.J.C, den Midzomemachtsdroom opvoerde. Op een andere plaats inviteerde men een mormoon, op een vergadering van de gereformeerde jeugd, om haar aldus in de geheimen van deze goddeloosheid in te wijden.

Elders werden de jongeren toevertrouwd aan de eendrachtige voorlichting van een geref. predikant 'en 'n modernen professor, welke hen hebben geleerd hoe ze den Christus konden vinden! In een andere, bekende, stad dreef een kerkeraad de lammeren der kudde naar een samenkomst van de Youth for Christ. Meende hij dat ze daar zouden vinden wat hij zelf hun niet bood? Voorts worden „weekends" gehouden waarin veel gezelligheid en 'vroomheid gecultiveerd, maar de samenkomst van Christus' kerk angstvallig gemeden wordt.

In Amsterdam is een groot deel der gereformeerde jeugdorganisatie omgezet in een padvinderij, opgenomen in de Nederlandsche Pad'vinders organisatie, en vraagt men den jongens en meisjes op het Kerstfeest of het zoo zou kunnen zijn, dat ook zij bij de kribbe staan, en dat ook zij „weer van voorafaan zullen beginnen, met lederen dag zich weer voor te nemen beter te leven en te wandelen op het moeilijke pad". Want als ze dat doen zal het weer werkelijk Kerstfeest kunnen zijn, ook in de harten van Padvinders(sters) en welpen! Voorts worden deze kinderen der kerk opgewekt den grooten dag der padvinders, den St. Joris-dag, getrouw en ernstig te vieren. Op dezen dag der dagen nemen goede padvinders zich immers voor dit of dat in het komende jaar beter te doen. Want deze Joris is het symbool van ridderlijkheid, offervaardigheid en het vriend zijn van iedereen! Vanuit hetzelfde gereformeerde Amsterdam werd onlangs ook een stuk gepubliceerd waarin zonder éénige kritiek als feit werd medegedeeld, dat meer dan de helft van de leden der Protestantsche kerken in Amsterdam van tijd tot tijd de bioscoop bezoekt; voorts de huidige bioscoop, die collaborateur van den Satan, als bruikbaar aanvaard én alléén wat scherper critiek op de fihns verlangd wordt opdat men zich „bij zijn bioscoopbezoek met meer oordeel des onderscheids zal gaan richten naar de normen, die God voor ons persoonlijk leven ook voor de vrije'tijdsbesteding stelt".

Het zou ongetwijfeld de moeite waard zijn op deze en andere soortgelijke verschijnselen nader in te gaan. Ze zijn, geloof ik, de duidelijke en ernstige symptomen van een geheel nieuwe geestesgesteldheid, die het leven en den levensstijl van de gereformeerde volksgroep op den duur grondig zullen bederven.

Toch zal ik dat nu niet doen. De tijd is daarvoor te kort.

Ik wil liever tegenover dat alles op enkele waarheden, normen, gegevens der Schrift 'wijzen, die ons in de huidige situatie, speciaal tegenover de zooeven gesignaleerde verschijnselen, met nieuwe kracht en ernst zullen moeten overwinnen en leiden.

En dan is dit wel het eerste, dat weer vleesch en bloed in ons moet worden, en dat in zijn volle diepte

en consequentie, dat de éénheid der geloovigen g e h e el en alleen bepaald wordt door het geloof in den éénen Heer, openbaar wordend in de gehoorzaamheid aan zijn ééne woord. Het één Heer, één geloof, één doop is de o o r s p r o n g, de i n h o u d, het gebied van de ware eenheid. Iedere eenheid, die daar niet uit voortkomt en daardoor wordt beheerscht is een ding van deze wereld, een werk van Satan, 'n toren van Babel, 'n verseheuring der kerk.

Omdat deze waarheid zoo diep en krachtig in de harten van de eerste christenen leefde, merken we onder hen niets van opzettelijke eenheidspogingen. Wat hen bezielde, waar ze om worstelden, was uitsluitend en alleen de begeerte om geheel en al uit Christus, door zijn Geest en naar zijn woord te leven en alle zonde weg te doen. Als een b'ijna verzengenden gloed leeft dit hartstochtelijke begeeren in al de brieven van Paulus. Als de gemeenten uitsluitend en volkomen leven uit Gods wonderbaarlijke genade; als de geloovigen als zondaars, als goddeloozen, gansch hun zaligheid alleen van Jezus Christus verwachten en dan zoo naar al zijn geboden, met permanente en radicale verloochening van zichzelf beginnen te leven, dan is alles in orde, ook de ware eenheid.

Het is voorts merkwaardig om te zien, hoe de jonge kerk in haar voor ieder nuchter mensch krankzinnigdwazen strijd tegen 'n wereldbeheerschend heidendom, dat gesteund en beschermd wordt door een ontzaglijk sterk, totalitair wereldrijk, in het besef van deze taak: en kracht, zich om organisatorische eenheid practisch niet bekommert. Het klinkt te midden van het huidige eenheidsstreven bijna als een ironie als we Paulus hooren verzekeren dat hij in een periode van 17 jaar na zijn bekeering van de apostelen opzettelijk niemand heeft gezien dan Petrus en dezen dan nog maar enkele dagen. Van kaderbesprekingen; van „planning"; van gezamenlijk voorbereide acties; van een wereldorganisatie onder de leiding der apostelen vernemen we niets. Zooiets lag ver buiten hun gezichtsveld. Naar iets dergelijks streefden toen vermoedelijk alleen de trotsche kennis-menschen, die Paulus in zijn brieven aan de Corinthiërs striemt. Maar aan zooiets dacht Paulus niet. Want het stond voor hem vast, dat wie aan Christus en diens woord vasthielden, waarachtig één zijn en 't ook blijven. Ook al zag men elkaar nóóit. En een wereldorganisatie? Hoe kon men er aan denken? Jezus Christus was de toch blijvende, werkelijke, eenige en absolute leider en koning der kerk. Zooals Hij ook het hoofd en het fundament der gemeente was. Wat wilde men nog meer dan dat?

In verband met, ja, als rechtstreeksch uitvloeisel van deze visie, van dit geloof zien we dan hoe alle, alle accent valt op de plaatseUjke gemeenten. Jezus Christus wilde zijn kerk immers vergaderen, bouwen, beheerschen, tot één lichaam maken door zijn door den Geest gesproken en door de ambtsdragers bediende woord. En dat geschiedde op bepaald e, locaal beperkte, plaatsen. Welnu dan kwam daar en dan was daar de kerk; de eene, heilige katholieke kerk, wier hoofd, centrum, eenheid in den hemel in Christus is. Van 'n geregelde organisatie van de afzonderlijke kerken was in de eerste tijden der Christelijke kerk dan ook geen sprake. Men had er eenvoudig geen behoefte aan.

De oudste kerkelijke vergaderingen, zoo verzekert Bavinck, waren niets anders dan gemeentevergaderingen, hoogstens door afgevaardigden van naburige gemeenten bijgestaan. In moeilijke gevallen riep men den raad en de hulp van die afgevaardigden in. Dat was alles!

Dat zoo de éénheid der kerk werd beleefd vloeide óók nog uit iets anders voort! En wel uit de taak, de opdracht der kerk. Neen, deze was niet de creatie van een nieuwen staat in plaats van den romeinsche! Deze was evenmin de realiseering van een nieuwe maatschappelijke orde in plaats van de antieke, met haar verschrikkelijke fundament van een onmenschelijke slavernij. Ja, als dat het geval was geweest, dan moest een machtige wereldorganisatie in het leven geroepen worden die alle hefboomen in werking had te zetten, welke deze omwenteling tot stand konden brengen. Maar nog eens, zoo iets lag ver buiten de geloofsaspiraties der oude kerk, omdat het ook ver buiten de wereld van Gods woord ligt.

De kerk kende maar één groote, glanzende, alle krachten opvorderende taak. En die was het leven uit de genadige verlossing welke God in Christus elk uur schonk. En het verwachten van de volkomen verlossing van wereld en menschheid op den jongsten dag. Eii het midden in de situatie waarin men leefde, haten, wegdoen en overwinnen van de zonde.

Dat was alles!

Ja inderdaad dat was alles omdat het ook werkelijk „alles" is!

Welnu daarom kende de kerk geen wereldorganisatie. Zij kende die niet omdat zij daarvoor geen plaats zag in het haar door God geschonken leven en de haar door haar koning gegeven taak. De straffe organisatie kwam toen de kerk ongemerkt met de allures en de aspiraties van de rijken dezer wereld werd geïnfecteerd. Toen kwamen de kerkelijke grootmachten op. Toen kwam de eenheid der wereld de eenheid des g e 1 o o f s schenden en verdringen. Toen werd Christus' kerk voor zoover het menschen betreft, gescheurd. De hiërarchie, in het leven geroepen om de eenheid der kerk te bevorderen, heeft naar den'aard der revolutie, die altijd •het tegendeel bereikt van wat zij wil, de kerk gescheurd «n de ware eenheid geschonden!

Zie deze dingen, dit abc des geloofs zullen we weer moeten leeren, opeten, ons er aan binden met gansch ons bestaan. De zuigkracht van iedere revolutie, vooral van de kerkelijke, is zoo weergaloos groot. Ze is zoo vroom. Ze pronkt met zulke schoone, edoch gestolen, woorden. Ze is zoo fascineerend, omdat ze ons in staat stelt tegen de wereld op te bieden: de eenheid der kerk tegenover de eenheid der wereld, klinkt het niet schoon! Ze neemt iets, of liever veel van de ergernis en de dwaasheid van het Evangelie weg, dat immers alleen van zwakken machtigen maakt en van dwazen wijzen maakt. En we zien niet dat het opheffen van de leus: de ééne, machtige wereldkerk tegenover de wereld — feitelijk niets anders is dan de openbaring van de principiëele nederlaag van de kerk tegen de wereld of, anders , gezegd, van de overwinning der wereld op de kerk.

En daarom zullen we het weer in al den ernst en kracht waarmee dat mogelijk is moeten beleven, dat de plaatselijke kerk de volledige kerk van Jezus Christus is en dat zij en zij alleen de volledige kerkelijke taak heeft te verrichten. We zullen het weer moeten weten en beleven, dat Jezus Christus alles wat Hij in en met de kerk wil doen door de prediking wil laten geschieden; de prediking, die in iedere gemeente en daarin alléén geschiedt. Het gaat in de kerk om 't trouwe, rustige, moeizame, geen eer of glorie of macht verschaffende prediking; het zelfverloochenende, geduldige liefdevolle verzorgen der schapen; het wegnemen van den nood van broeders en zusters dóór broeders en zusters, levend in de gemeenschap der heiligen. Dat is alles, omdat het inderdaad alles is.

Als het met de gemeente en haar arbeid mis gaat is de zaak der kerk verloren!' En het is een somber . ding, dat juist in den tijd, waarin ons uit bijna alle landen de berichten bereiken, dat de kerken leeg en kerk en volk volkomen vreemd aan elkaar zijn geworden, een machtige wereldorganisatie in het leven geroepen wordt: de schitterende spits van een gebouw waarvan de fundamenten reeds zijn vergaan.

Ik wilde dit zeggen in verband met de centralisatie en eenheidspsychose waarmee thans de christenheid bevangen is.

In verband met de assimilatie-en synthese-infectie is het noodig ons iets anders voor den geest te plaatsen.

Het is dit dat wij in de kerk slechts een één-voudige, simpele, hoewel heel het leven aangrijpende taak hebben.

Het is immers zoo, dat Jezus Christus met zijn Geest en woord geheel alleen en volstrekt volledig zijn kerk vergadert, beschermt en onderhoudt. Alles, alles wat gedaan moet worden om de kerk des Heeren in het leven te roepen, te leiden, te bewaren, te doen groeien en tot de heerlijkheid te brengen wordt uitsluitend en alleen door Jezus Christus gedaan! Daar is niets, volstrekt niets van de menschen bij. Maar terwijl Christus alles in en voor de kerk uitsluitend en alleen doet, roept Hij de zijnen toch en juist op om in en voor de kerk in de hoogste mate actief te zijn!

Gij gevoelt: het komt er nu op aan nauwkeurig te weten, waarin deze activiteit bestaat. Wie de Schrift kent, wéét, dat ze op vele manieren kan omschreven worden. Ik wijs nu speciaal op één typeering: het is deze: wie den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.

Dit woord wijst speciaal op wat de kerk in haar worsteling midden in de wereld heeft te doen. Het is afstand nemen van de zonde, vechten er tegen, breken er mee.

Is dit niet een woord van grootschen eenvoud? Voor wie het zwoegen en ploeteren en organiseeren en discussieeren in en van de kerken onzer dagen ziet, beteekent het een geweldige vereenvoudiging, maar tege-' Ujk een geweldige verzwaring van haar taak.

De kerk hoeft en mag niet met allerlei boodschappen, programma's en wat dies meer zij, voor den dag te komen. Ze heeft niet tot taak de staten te vernieuwen, de maatschappelijke orde om te zetten, de democratie te schragen, het kapitalisme te steunen of te weerstaan. Zij heeft overal en altijd de zonde te signaleeren en daarmee te breken. Ook en speciaal in het leven der kerk zélf! Of onze Heere Jezus Christus dan en zóó een, hier altijd zeer betrekkelijke, vernieuwing van het leven en vrede en voorspoed geven wil, dat is zijn zaak, zijn vrijmacht. We mogen daar zeker niet op rekenen! In de wereld zult gij verdrakking hebben!

Maar deze tasik der kerk is ook oneindig zwaar. Want ze is niet het doen van dit of dat; het rechtzetten en omzetten van deze of die verhouding; het meer of minder wijzigen van deze of gene situatie. Neen, het is zelfverloochening, kruisiging van het vleesch, gebroken worden, het faillissement van zijn leven beleven, een bespotting zijn voor de wereld, aller afschrapsel en voetveeg worden.

O, ge moet het zien hoe de oude kerk deze taak aanvatte met vreeze en beving, maar tegelijk ook in groote bUjdschap.

Neen, ze had geen politiek program en vormde geen politieke partij. Ze predikte alleen dat alle machten die er zijn, ook die van den bloedhond Nero, van God zijn en om des gewetens wil gehoorzaamd moeten worden. Ze vermaande aan koningen en stadhouders gehoorzaam te zijn, omdat zoo Gods wil is en den mond aan de onwetendheid gestopt worde.

Neen, ze organiseerde geen machtige actie tegen de slavemg, hoe gruwelijk deze ook was. Ze riep alleen de slaven op hun meesters, ook de harde, gehoorzaam te zijn in alles, niet als menschenbehagers om hen naar de oogen te» zien, maar met eenvoud des harten in de vreeze des Heeren. Wat gij ook doet, slaven, zoo riep Paulus hun toe, verricht uw werk van harte en niet voor menschen: gij weet toch, dat gij van den Heere als vergelding de erfenis zult ontvangen. Gij dient Christus als heer. Maar tegelijk werd tot de heeren der slaven gezegd: Heeren, betracht jegens uw slaven recht en billijkheid; gij weet toch dat ook gij een heer hebt, n.l. Jezus, die in den hemel is en dat gij van Hem slaven zijt.

Zie zoo vocht de jonge christelijke gemeente in al de kracht, glans en eenvoud des geloofs tegen alle ongerechtigheid. En God deed toen wonderen. Hij liet het gigantisch bouwwerk van den grootschen heidenschen staat ondergaan en gaf toen een christelijke staatsorde. Hij heeft de oude maatschappij met haar weerzinwekkende slavernij langzaam van binnen uit vernieuwd. Maar de kerk deed niets anders dan strijden tegen alle zonde. Zij had als eenige taak het afleggen van alle ongerechtigheid en zij vervulde die in alle mogelijke zwakheid door Gods kracht.

Zie, broeders en zusters, laat ons dit abc van de christelijke leer omtrent de kerk om der wille van onzen hemelschen Vader en om der wille van zijn heilige kerk toch verstaan en ter harte nemen.

Straks als de avondstond der wereld valt en de zware storm van afval en goddeloosheid over de wereld vaart zullen alle christelijke organisaties der kerken

— als ze tenminste niet ingeschakeld worden in het machtsapparaat van den Antichrist — radicaal worden weggevaagd. Dan zullen er alleen ajn de kleine, gedecimeerde vervolgde gemeenten. Zij zullen dan den laatsten strijd moeten voeren met niets anders dan hun Heer en diens Woord. Laten we ons daarop voorbereiden!

En temidden van de verbijsterende verwarring en verwording van wereld en kerken roept God ons nadrukkelijk op, die ons zoo hevig bezweren kan, om steeds en overal de zonden tegen te staan en weg te doen! Dat is onze ééne, heel het leven omvattende en opeischende taak in kerk en wereld. Aan niets anders behoeven we te denken. Met niets anders behoeven we bezig te zijn. Zoo en dan zorgt onze Heiland voor alles. Zoo en dan zijn we zalig hier en voor eeuwig.

Na deze rede verkreeg Prof. Schilder het woord om zijn rede uit te spreken, waarvan hier een verslag volgt.

Houdt wat gij hebt

Elke reformatie, aldus Spreker, kent na enkele jaren haar moeilijkheden. Zoo was het toen David Saul verving; toen de ballingschap geëindigd werd, toen de kerk werd losgemaakt uit nationale banden, toen Luther, Calvijn, De Cock, Kuyper optraden. Zoo is het ook na de Vrijmaking.

Prof. Bouwman heeft de moeilijkheden van de eerste Afgescheidenen eens getypeerd als de „c r i s i s der j e u g d". Een titel, die als beeldspraak sprekend was, en als zoodanig ook aanvaardbaar. Maar als men tegenwoordig tot ons zegt — het staat gedrukt — er is „verdeeldheid" onder ons (daargelaten of die omschrijving juist is), of: we hebben nu óók na 1944, wat er na 1834 was: de crisis van onze jeugd, dan wordt van diejeugdcrisis. zoo iets als een kerkhistorisch regulaire, normale, vaste figuur gemaakt. We herinneren ons, dat dr Hepp zijn klacht over deformatie-dreiging inzette met de nog al evolutionistisch riekende constateering, dat na elke reformatie s t e e v a s t, b.v. na ongeveer 40 jaar, een deformatie intrad. Op dezelfde lijn ligt de stelling: het is een normaal verschijnsel, dat een „jonge kerk" haar „crisis van de jeugd" heeft, en die ziet ge nü optreden. Maar, nu men van een losse beeldspraak een soort van begripsmatige typeering van een vasten groei-of vergroeiingsregel maakt, nu komt de vraag: i s d a t terecht?

Spreker antwoordt: neen.

Want a) de beeldspraak, indien zóó gehanteerd, is onjuist. Biotisohe wetten voor een individueel leven moet men niet overdragen op zedelijke gemeenschappen. Vooral niet op de kerk. Een jeugdorisis, die heeft God als n a - tuurlijke ordinantlie gesteld in en voor physiek-psychisch uit geboorte opkomend bestaan, bij menschen, dieren, planten, en zoo voort. Maar de k e r k komt op, niet uit g e b o o r t e, doch uit wedergeboorte; ze wordt niet geregeerd door biotisohe ordeningen, maar in een uit Gods Woord, dat Hij in handen houdt, beheerscht vrijmachtig gouvernement. Als er in die kerk onzekerheden zijn, en een niet zien, hoe dit of dat nu gaan moet, dan hangt dat altijd samen met zonde en schuld, met een niet zuiver en volhardend leven naar het Woord. Een jeugdcrisis, biotisch, is normaal, zoover ze bloot natuurlijk zich voltrekt. Een zedelijke ïnisvorming in de kerk is, zoover ze tot armoede leidt, nimmer los van schuldige armoede, en dus van de norm afwijkend, abnormaal.

En b) de term crisis is hier niet op zijn plaats. Een crisis is een ernstig ding: het gaat dan: e r - opof eronder. De erbij betrokken existentie is er fundamenteel door in gevaar-: men wordt er stervende dan wel levende uit te voorschijn gehaald. Maar onze onderlinge meeningsverschillen van heden zijn juist daarom wel „moeilijkhede n", maar geen crisis. De crisis was er in 1944, en toen waren ALLEN erin betrokken, de hééle toenmalige kerkgemeenschap. Wie tóen „ja" sprak, als God „neen" beval, en omgekeerd, die besliste verkeerd voor zich, en voor de toekomst van de kinderen, en dit op essentieele punten, die „critiek" waren en beslissend voor het heele kerkelijke-ambtelijke bestaan. En wie tóen besliste naar hetWoord, die kwam door de crisisheen, en de Medicijnmeester, die hem er door gehaaldhad, zou nu óók verder zijn herstel leiden. De reconvalescentié. Vier jaar na 1944 hebben we geen crisis, maar beproeving van wat uit de crisis kwam, behouden zijnde.

Eindelijk: o) ook de term „jeugd" is hier onvoegzaam. We zijn geen jonge kerk, geen kersversch instituut. We zijn de oude kerk. De oude confessie, het oude kerkrecht, de oude condities voor toelating tot den kansel, zooals ze eeuwenlang in Nederland gegolden hebben. En dat we vóór dien ouderdom der kerk hebben gestreden, dat was toen de oorzaak, dat „de nieuwen" ons deswege hebben uitgeworpen; maar we hebben met den ouden kerkschat ons als reconvalescenten mogen zien als de kerk-dieer-al-was.

Daarom moeten we niet spreken van: crisis van onze jeugd. Maar van: b e p r o e v i n g va|n onzen ouderdom.

Onzen ouderdom, zeggen we; dat heeft uitpraard niets te maken met leeftijdsgrenzen. Een candidaat hier, een grijsaard als Greijdanus ginds. Met ouderdom bedoelen we: ieder, die erin betrokken werd, moest in een „rijpe" beslissing van „gerijpt" verstand den ouden schat der kerk bewaren, voorzooveel zijn aandeel daarin werd gevorderd.

Die ouderdom wordt nu beproefd. Verzocht, dat kunnen we óók zeggen, voorzoover de B o o z e daarin zijn hand heeft. Beproefd, zóó mogen we het zeggen, als we de dingen door God zien leiden.

Overkomt ons daarin iets vreemds?

Neen.

Want in de eerste plaats: een crisis, en zoo ook een reformatie, gaat gemakkei ij k in zekeren zin. Een ander, de soms domme of onverschillige of onkundig gelaten meerderheid, bepaalt waarover het loopen zal, de betrokkene heeft alleen maar op die punten, welke de anderen tot hoofdzaken maken in een door hen tenslotte gefixeerde situatie, op een bepaald moment te zeggen: j a, o f n e e n, en DAT te doen in getrouwheid aan zijn Zender. In zooverre gaat het met een reformatie net zoo gemakkeUjk als met geboren worden en met sterven: de situatie, die maakt ge niet zelf. Maar tüsschen geboren worden en sterven ligt het m o e i 1 ij k e léven, vragend om vaste regehngen, om geschiedenis-maken, om continue planmatige ordeningen en ordening. Zoo kwam in '4 4 de crisis: anderen stelden eischen, vragen, bindingen; dat was hun zaak: wij moesten toen getrouw zijn. N u zijn we uit de crisis uitgeleid, en hebben thans de n o r m a 1 e regeling te treffen voor d i t en d a t en voor alles. Dat is altijd de moeilijkheid van wie (denk aan den eersten Schooldag na de vrijmaking) zijn jeugd zich na de crisis zag vernieuwen. Vernieuwde jeugd, dat is óók een biotisch niet adaequaat uit te werken begrip. Het is INZOO-VERRE dus een algemeen verschijnsel: moeilijkheden n a een crisis, n a een reformatie.

En voorts: de aard der moeilijkheden hangt samen met de bepaalde omstandigheden van vóór de crisis. De Afscheiding, zoo is in 1934 betoogd door Spr., had geen eigen dogmatische beteekenis. Was dat haar schande? Neen, haar eere was het, haar apologie-in-het-negatieve. Ze kwam niet met een dogmatiekje van De Cock, maar greep, in z e d e-1 ij k e trouw, terug naar deBelijdenis der Kerk, die immers op den kansel lag: deCanones van D o r d t. Dat ze dogmatisch geen vasten gang nog had, geen eigen koers, dat lag aan den tijd vóór de crisis van 1834. Dogmatisch was de kerk zoo lang verkommerd vóór dit jaartal: hoe zou het dan wonder zijn, dat men na 1834 veelszins moest zoeken en tasten? Het critieke punt was: trouw aan de belijdenis, ja dan neen. Toen de crisis voorbij was, kwamen dCj m o e i 1 ij k h e d e n: dogmatisch.

En wij dan? In onze crisis van 1944 was het critieke punt: zedelijke trouw aan de kerkorde; de confessioneele binding was te onderscheiden van bovenschriftuurlijke vondsten; enzoovoort. Dogmatiek hadden we niet breed genoeg, en dogmatisme te veel. Op dat terrein lag de eerste moeilijkheid niet. Maar er was al jaren lang geweest OF geen antwoord OF een verkeerd antwoord op vragen betreffende : samenwerking met andersdenkenden, oecumenisch meedoei; i of niet meedoen, onderscheiding van levensterreinen, en onderlinge relatie tüsschen die alle, enzoovoort. Is het wonder, dat, nu de z e d e 1 ij k e crisis doorstaan is, en we opnieuw moeten opbouwen, juist OP DIE PUNTEN de een zóó, de ander anders construeert?

Neen, dat is geen wonder. Dat isook de crisis niet. Crisis z ó u alleen daar ontstaan, waar wij in deze moeilijkheden elkaar niet meer zouden willen ontmoeten voor de a a n spraakplaats van Gods heiligheid, die de u i t spraakplaats van ónze overhaasting wil regeeren en bevelen.

Daarom: houdt wat ge hebt. God vraagt: wéét ge het> jiog, wat de puntenvan '4 4 waren? Wat tóen aan de orde kwam, en sinds niet meer weg te werken is als punt, waaroVer het Woord beslissing geven moet? Wéét ge het nog, wat toen als Schrift des Heeren op den kerkwand geschreven is, of geschreven héét? En hoe ge daartegenover hebt MOETEN en MOGEN kiezen?

Houdt wat gij hebt, — dat woord staat er meer dan éénmaal in de Openbaring van Johannes, in de brieven van 'Christus; in dien aan Philadelphia, in dien aan Thyatire. We worden reeds door de herinnering daaraan ervoor gewaarschuwd, niet te suggereeren: deze is een man van groep zóó in Thyatire b.v., en d i e is een man van groep z ü s aldaar. De toestanden in 'n plaatselijke kerk (Thyatire, Philadelphia) waren andere dan wat wij vandaag in onze samenleving ervaren als zwarigheid: bij ons thans gaat het over vragen van kerk verband, van relatie met anderen in. onderscheiden „levenskringen" enzoovoort. Alle vergeMjking worde ver gehouden.

En toch: in Thyatire, en andere gemeenten, was er iets aan de orde óók omtrent de vraag, of men met allerlei andersdenkenden in een niet kerkelijk, levensverband kon samengaan (de gilden, vakorganisaties b.v., met politiek-reUgieuzen inslag) en of, wie op dit punt een strengere opvatting voorstond niet gevaar liep, weer te binden, te binden, in een nieuwe hiërarchie. Zijn we daarvoor-vrijgemaakt, om weer elkaar vast te leggen? zoo werd gevraagd.

Christus komt nu op Patmos intervenieeren. Niet partij kiezende, niet den één verdoemende, den ander antithetisch in bescherming nemende. Ook niét zich. buiten de kwesties houdende. Maar alle partijen ondervangende en een fundament onder haar leggende, maar dan niet onder haar als p a r t ij, doch onder zijn ke r k die reconvalesceeren moet: houdt, wat ge hebt. Dat is een TEGENSTELLING, met het (geduchte) nieuwe bindingen opleggen, waaraan Hij niet denkt: Hij brengt de vrijmaking niet om. Ik zal ze geen anderen last opleggen: , we zijn niet aangewezen op een codex van allerlei bepalingen alsof die automatisch helpen zou. En hij komt óók niet een kwestie onttrekken aan de v e r - antwoordelijkheidsspanning. Hij zegt alleen maar: wat ge HEBT, houdt dat vast. Tot de slappen, en tot de sterken, tot degenen die wars van nieuwe bindingen zijn en ook tot degenen die er tuk op zijn, zegt hij: HOUDT wat ge hebt. Houden is blijkens het grieksche woord: houden met alle macht, , met groote inspanning, met uiterste kracht, want het is geweldig zwaar. Hij geeft hun allen werk te doen, — houden — en het moet beginnen bij, het positieve e n fundamenteel e, dat allen blijft vereenigen. Houdt wat ge HEBT, is immers zijn woord? Wat ge hebt, dat isniet zooveel als: uw tegenwoordige hebben en houden, uw feiteUjke toestand, het is óók geen oproep tot conservatisme. HEBBEN beteekent in ZIJN mond: datgene, wat Ik als genadegift u schonk uit verwerving in toepassing, waar Ik voor heb betaald. Houdt U daaraan. Als in de crisis de trouw op de essentieele punten, die men u voorlei, en waarop beslist moest worden, uit Mij was, . houdt u dan daaraan vast, klem u daaraan vast; en als het HOUDEN daarvan geweldige inspanning is, en inspanning vraagt, wel, dan is het een verbod van improvisatie, en ó ó k een verbod van kansen g r ij p e n, en „eens gaan kijken", of er ergens een kansje is dat men zich bekeert of een woord spreekt dat er op lijkt. Want bekeering van een i n d i v i d u, die behoeft niet op papier, maar bekeering van een kerk, een kerk vatt anderen of ook die van onszelf (we gaven toch ook ons zelf over aan de critiek? ) die moet als bekeering van een KERK altijd op PAPIER wijl het een zaak van gemeenschap is, beslissend voor heden en toekomst, ook voor 't nageslacht. Geen improvisatie, dat is geen „HOUDEN" met krachtsinspanning, dat is maar los werk. Systematisch werken, rustig omschrijven, vasten gang in het behandelen van de critieke punten.

Een streep door den he el en boel, zooals sommigen willen? Maar-wat blijft er dan over? Wat zijn DAN de normen waarmee men weer begint? De regelen, waaronder men zichzelf en zijn kinderen brengt? Is dat HOUDEN wat ge HEBT, als ge een streep haalt door wat eerst Gods Woord heet? Is het Gods Woord NIET geweest, zeg het dan, opdat wat dan WEL Gods Woord is, blijve spreken op de punten, die toch eenmaal aan de orde kwamen en blij-r ven.

En: de synode, de deputaten omzeilen? Neen. Houdt wat ge HEBT. Ge hebt in '44 gekregen van Mij: niet een uitspelen van synode tegen particulier ambt (zooals in Thyatire de eene partij deed, bindende boven het in Hand. 15 bepaalde, en ook de andere, protesteerende tegen de „lasten" van apostelconventen, en beducht voor nieuyve lasten, en dan maar zich beroepende op 'het ambt der geloovigen in tegenstelling met dat der apostelen) doch in 1944 is gestreden voor ALLE ambten en voor ALLE bevoegdheden, MITS elk op eigen plaats. Ge zijt niet .vrijgemaakt voor nieuwe bindingen? Neen, zeker niet. Maar ook niet voor nieuwe ontbindingen, voor nieuwe wanorde, die de taak der sjmode uitschakelt, en dan maar op een geïmproviseerden grond constateert, dat men nu maar eens die synodale operaties zal omzeilen of doorbreken, om het ambt der geloovigen te activeeren. Activeeren is best, mits alle dingen e e r 1 ij k en met orde geschieden.

Houdt wat ge hebt: opdat waarheid en recht elkaar weer kussen.

Tot zoover het verslag van deze rede.

Terstond na het uitspreken van deze rede werd de samenkomst gesloten, om gelegenheid te geven aan de massa, die reeds 'langen tijd voor de deuren stond te wachten. De Kerk stroomde opnieuw vol, tot op de trappen van den preekstoel toe, terwijl velen zich met een staanplaats tevreden moesten stellen.

Deze samenkomst begon precies om tien uur, waar dezelfde sprekers opnieuw met dezelfde rede optraden.

Hieronder laten wij nog een verslag volgen van de redevoeringen welke door de overige sprekers in de verschillende gebouwen werden uitgesproken.

Ds W. Scheele sprak over:

De zin van onzen Hoogéschooldag

Broeders en Zusters,

Omdat de Heere in Zijn Woord zegt, dat Hij ieder - werk in het gericht zal brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, hetzij kwaad — daarom weten we, dat we allen ook van dezen Schooldag, die in de boeken opgeschreven staat, die voor Zijn aangezicht zijn, eens rekenschap en verantwoording zullen hebben te doen. N.l. of deze dag goed dan wel kwaad was.

Niet maar in de oogen van menschen, maar in des Heeren oog.

NatuurMjk, als aan u gevraagd wordt, of deze dag ain heeft, dan is uw antwoord: ja, zeker. Deze dag is immers van den Heere ons gegeven. Met groote blijdschap hebben wij ons opgemaakt om vandaag in l iet bizonder weer te staan rondom de School, die de Heere'gegeven heeft aan Zijn kerken in deze landen. Deze dag is van Hem, en daarom heeft deze dag zoo'n rijke, heerlijke beteekenis.

Gewis, vandaag hebt gij gezongen het: geloofd zij_^ God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag, ' met Zijne gunstbewijzen — die God is onze zaligheid — Hij kan volkomen uitkomst geven! —

Als gij het zeggen moet wat deze dag is — dan is iet kort — heel krachtig — welgemeend: deze dag Is goed.

Maar, al wil ik aan het enthousiasme, aan de blijdschap van vandaag in geen enkel opzicht afbreuk doen, al wil ik den domper niet zetten op dezen mooien dag, toch ligt de zin. van dezen dag niet in uw blijdschap, uw lied, zelfs niet in uw belijdenis. Men hoort wel der vromen tent weergalmen van liederen die uit Slons zalen oprijzen — maar psalmen kunnen 09k gezongen worden, en ze worden ook wel gezongen uit tenten van „goddeloozen", van hen, die toch niet in den •weg des Heeren zijn.

Daarom ligt de zin van dezen dag niet in dit groot getal van menschen, die hun liefde toonen willen en van hun aanhankelijkheid voor de School blijken willen geven.

Daar mag groote verwondering zijn als gij op dit alles ziet, toch l> por ik ook andere stemmen — neen , ze rijzen niet op uit dezen kring, andere stemmen, die ons toeroepen: Gij moogt vandaag wel psalmen zingen en gij moogt wel denken, dat gij recht hebt om. dat te doen — maar ge kent toch de geschiedenis van dien man waarvan uw Bijbel u vertelt; de man die met zijn bouwwerk voor den Heere kwam, met groote blijdschap in zijn hart — de man, die op dat huis met eigen hand had kunnen schrijven: huis voor den dienst des Heeren — en die het van zijn lippen laat komen: wat heeft de Heere mij gezegend, dat ik van hem gekregen heb de noodige krachten, de noodige menschen om het werk in dit lïuis voor 's Heeren dienst gelukkig te laten voortgaan. Gij kent toch de geschiedenis vaif Micha uit het Riohterenboek — de man die 30ng: door U, o Heer, door U alleen; en die maar vervolgde: de Heer, de God der legerscharen is met mij en Hij behoedt mjj in gevaren — allemaal psalmen die vandaag op dezen Schooldag gezongen worden....

Maar deze Micha mocht wel me enen, dat de Heere met hem is; hij zegt hel toch: nu weet ik, dat de Heere met hem is. Maar zi^ Micha heeft zijn huis toch niet gebouwd naar den stijl van het Woord van God. Micha heeft met onreine handen, dat is met verkrachting van de wet en van de rechten van den Heere dezen bouw volbracht. Bij hem vonden 's Heeren rechten geen erkenning — en van de lippen kwamen eerst „beloften van trouw", maar trouweloos is woordbreuk gepleegd.

Dat alles was niet uit het geloof — en niet naar Gods wet — en dus ook niet tot Gods eer!

— En gij vandaag: Ge moogt dan deze School niet gebouwd hebben van gestolen goud —S, gij hebt wel trouwbreuk gepleegd, en ge hebt eigènwillig — tegen ^-des Heeren Woord in op uw huis met gulden letters geschreven dat uw gebouw is voor den dienst van God, maar ge weet het toch nog dat wij „in den , 1 'Naam des Heeren", in opdracht van Hem tegen u ; gezegd hebben, dat de Heere het verboden heeft aan ^ u om den katheder te beklimmen en onderwijs te geven aan jonge menschen die de begeerte hebben om straks als dienaar van het Woord in te gaan in des Heeren wijngaard. Wij hebben de bevoegdheid in des Heeren Naam ontnomen aan Hoogleeraren om hun arbeid voort te zetten.

En nu staat daar wel dat gebouw.

Maar wij hebben daar voor geplaatst het bord: Verboden Toegang —• art. zooveel en zooveel van Gods wetboek.

En uw school staat niet los van uw „kerken".

Die kerken kennen wij. We weten, dat gij van DE kerk zijt weggeloopen, dat ge - nu met ons niet meer vergadert, dat gij daar 's Zondags meest in k'.eine groepjes op achterafgelegen plaatsen toch geschorste . en afgezette predikanten, tot wie wij met datzelfde wetboek van 'den Heere zijn gekomen, de opdracht geeft, dat zij hun handen zullen uitbreiden over de kleine groep en zeggen: genade zij u en vrede van God. Maar gij ouderlingen kunt geen opdracht geven, want wij hebben tegen u gezegd in 's Heeren Naam, dat voor u van den Heere geen niandaat daar lag dan alleen: Gij zult niet langer ambtsdrager zijn. — En toch zijt gij voortgegaan. Daarom is uw kerkwerk zonde voor God — en daarom is al dat werk dier. kerken die' een school in stand houden dwaasheid, zonde, tegen 's Heeren Woord in — daarom is de zin van dezen dag alleen maar onzin, economisch niet verantwoord.

Wat zou er met die duizenden en duizenden guldens toch veel en veel meer gedaan kunnen worden voor de 2fending, voor Evangelisatie...», (heel, heel in de verte hoor ik roepen: economisch niet verantwoord. Geldverspilling — wat zouden we, als deze nardus was verkocht veel kunnen doen voor de armen!)

Van uw werk moet de Heere zeggen, wat Hij uitgesproken heeft, over de handelingen van het volk in de ooren van den profeet Jegaja. Die menschen van toen vonden ook dat ze 't allemaal zoo prachtig voor mekaar hadden. Maar in 's Heeren Naam klinkt het: Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers. Ik ben zat van de brandoffers van rammen en van het smeer der vette beesten en Ik heb geen lust aan het bloed der varren, of der lammeren of der bokken. Als gij uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn oogen voor u, ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet.

Welnu, dat moet de Heere ook van u zeggen, die ons recht — en dat was het recht des Heeren — niet hebt willen erkennen.

En als er van onze zijde van schuld in deze dingen sprake is, dan is 't alleen omdat wij te lang geaarzeld hebben de leiders van de revolutie, de aanstokers te bannen. De kerk had eerder gezuiverd moeten zijn.

Laten zij hun Schooldag houden — en laten de duizenden die misleid zijn, achter de verleiders aanhuppelen: wij hebben in des Heereii Naam gesproken.....

En daarom, de zin van al dit gedoe — van dezen Schooldag is — nog eens — dwaasheid, zonde.....

Wij hebben gesproken „in des Heeren Naam" en wij hebben daaruit consequenties getrokken ^-een kerk, een heele kerk moeten plaatsen „in des Heeren Naam" buiten ons verband, consequenties heel veel.....

Ja, hoe was , het ook weer?

Gij beweert — zoo antwoorden wij vaiidaag — gij beweert dat het mogeUjk is om te spreken: „in des Heeren Naam" net als Micha uit het Richterenboek en dat het toch ook mogelijk is, omdat men niet gehandeld heeft naar het Woord des Heeren, dat Israels God de woorden van Jesaja 1 herhaalt......

En dat doét de Heere ook vandaag.

Gij roept wel: ontbloot, ontbloot tot hare fundamenten toe, maar gij hebt „uw goddelijke waarheden" veranderd. Gij handhaaft vandaag ze in de practijk niet meer.

Gij hebt gedaan als Micha: de Heere was met u niet, omdat gij niet gehandeld hebt, en nog niet handelt naar Zijn Woord.

Wij wijzen af wat van die zijde ons vóór geworpen wordt.

Wij zijn geen revolutionairen. Wij hebben alleen maar trouw willen zijn en trouw willen bhjven aan het Woord des Heeren.

Is het nu zoo, dat deze twee meeningen dan maar tegenover elkander moeten blijven staan? IZij deze — wij die meening, zij deze — wij die opvatting? Zij: deze dag van God veroordeeld — wij: deze dag van den Heere ons gegeven? De eene opvatting toöh met even veel of even weinig recht van bestaan als de andere? Het goed recht van den een om synodaal, het goed recht van den ander om vrijgemaakt te zijn.

Is dan de zin uiteindelijk van dezen dag relatief, en hangt alles hier nu af van het standpunt van de menschen — het dan wel •Verschillend standpunt?

Neen, want het gaat niet om hun opvatting, en ook niet om de onze, het gaat alleen, maar dan ook alleen om — laat ik het zoo mogen zeggen — Gods opvatting. Wat de Heere zegt, wat Hij beslist.

En al hebben wij dan alleen, alléén maar het Woord, dan is dat toch niet onze zwakheid, doch juist onze kracht.

Om der wille van dat Woord hebben w^j het niet anders gekund in het verleden dan ons vrij te maken. Ik weet het: anderen zeggen het anders.

Maar wij gelóóven — en dat gelooven is voor ons het zeker weten, dat - wij moesten.

Tenzij men uit het Wóórd het aantoont, dat wij gezondigd hebben, blijven wij gelooven dat het zoo moest. — omdat d i t van den Heere is.

A!s in de velden van Caesarea Filippi menschen hier aan dézen kant van Christus staan, en daar ook aan dié zijde van Hem.

Als er zijn die hoog opzien tegen den Rabbi van Nazareth en als zij uitroepen: Wat een geweldige man! een profeet, een profeet — als Elia, als Johannes den Dooper. Nooit heeft God Zijn volk zóó bezocht dan vraagt de Heere .ook aan die andere groep: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik de Zoon des menschen ben?

En dan spreekt Petms. Neen, hij is het niet eens met de andere groep — maar hij kan dat eigenlijk niet bewijzen; hij kan het alleen maar zeggen — alleen maar uitroepen: Gij, Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God!

Bewijzen? Petrus weet eigenlijk zelf niet hoe het komt dat hij het weet. Maar hij wéét het, en dat héél, heel zeker.

Petrus weet het niet van zichzelf. Niet van de menschen.

God Zelf, Die Zich in Christus openbaart, Die heeft het hem bekend gemaakt. Petrus heeft geloofd het Woord van Christus, heeft Hem gehoorzaam gediend. Neen, neen. Petrus is niet de zondelooze, die geen schuld meer heeft maar Petrus volgt zijn Heiland en daarover mag en kan hij geen „schuld" belijden!

Petrus weet het alleen omdat het in — zeg het in de taal van vandaag — omdat het_ in den Bijbel staat.

En daaraan houdt hij vast.

Waar die anderen aan vasthouden — dat doet er hier niet toe. Petrus legt zijn handen op het Woord, en dat moet hij blijven doen — en dat moesten — en dat moeten die anderen ook doen — alleen maar aan dat Woord vasthouden. Niet maar één keer, maar later ook, als verloochening dreigt en komt!

Deze apostel kan eigenUjk net zoo min „bewijzen" als later Paulus, die, als de Judaïsten beweren, dat hij geen wettig geroepen apostel is en dus geen ambtehjke bevoegdheden bezit, toch zegt, alleen maar zegt: aulus, een apostel, geroepen niet van menschen of van een mensch, maar van Jezus Christus en van God den Vader, Die Hem gezonden heeft en deze Paulus durft dan neer te schrijven het woord van Gal. 1 : 8. Zelfs al was het een engel — uit den hemel —• als die een ander Evangelie breng^t dan het Evangelie van Paulus — wel — die is vervloekt!

Dat is de groote rijkdom van Petrus, van Paulus — van de kerk, die op de petra van Matth. 16 rust.

Dat is nu de groote genade van den Heere Jezus, Die toen en nu worstelt, eerst om te komen tot Golgotha en nu tot den jongsten dag, en die aan Petrus de genade geeft om aan dezen kant van de streep te staan — en aan Paulus ook •—• en als de Refornïatie komt van de 16e eeuw, dan danken wtj God, dat Hij mannen als; Luther en Calvijn aan dezen kant van de streep zet - ^ en zoo ook als '34 aanbreekt en '86 en nu — neen, we zijn alleen maar dankbaar - — voor het reformatiewerk van tóen en van nu — wij danken voor de genade, dat de Heere ons met Zijn kerken en met de School der Kerken doet staan aan dezen kant van de streep. Neen, we slaan ons niet op de borst[ Wij zijn het!! Wij danken —• en wie dankt buigt heel diep vooir den Heere —• en roept uit dat het niet van hem, maar van den Heere is — wtj danken dat Hij ons ook dezen dag geschonken heeft.

En we'doen dat, met beide handen vasthoudend het Woord, dat stand houdt in eeuwigheid.

Houdt dat vast.....

Ik zeg het daarom, omdat ik weet van iemand dat hij zingen.kon: Ik zet mijn treden in Uw spoor — ik zal niet sterven — maar leven....

Mozes, u weet dat, kón zingen, op grond van wat hem geopenbaard was bij het brandende braambosch: Ik zal niet sterven maar van de daden des Heeren vertellen aan Egypte en aan Israël in zijn druk BUj zingen — Hij is in den weg des Heeren. Hij gaat naar Egypte, komt in de herberg — ik zal niet sterven ja maar zie, hij gaat sterven. De Heere zoekt heói te dooden.

Bittere ernst. Hoe kan dat: gaan sterven..iïi^léfc' Gods beloftenis hebben van te leven!! ?

Mozes kan zingen van harte: ik zal niet sterven.

Met mond en hart ja — laat ik het maar zeggen: Hij moet zingen met mond en hart — en hoofd en hand moeten mee „doen". Hoofd en hand, rechterhand en linkerhand; in de ééne hand het woord van het braambosch aan de andere hand het onbesneden kind! In de linkerhand de „niet-besnijdenis" — met de linkerhand de besnijdenis losgelaten, die bladzij uit den Bijbel gescheurd waar van de besnijdenis gesproken wordt — met de linkerhand Gen. 17 weggescheurd.

En met een stukgescheurden Bijbel zal JMozes niet krijgen de vervulling der beloften. Alleen als ook zijn linkerhand weer grijpt naar dat woord van Gen. ITi Met beide handen het Woord vasthouden!

Dat geldt ook voor ons.

En als er dan stonnen komen .....?

Dan houdt dat Woord toch stand in eeu-wigheid.

En het zal geen duimbreed - wijken.

En als er mochten zijn die voor School en Kerken

willen graven een graf graf Wel delf dan het maar....

Het brengt U geen gewin. Wij gaan ten hemel in en erven - — Koninkrijken.

W. SCHEELE.

Ds J. van Bruggen sprak over het onderwerp:

Het fundament van den Kerkmuur

Te spreken over het fundament van den kerkmuur, is vandaag vrijwel overal in de wereld een hachelijke onderneming. Ge kimt immers verwachten dat men reeds op het hooren van dezen titel U met bezwaren tegemoet zal komen. Aanstonds zal men van allerlei ziJde U gaan zeggen, dat het wel waar is, dat er slechts één Kerk is, doch dat die eene Kerk zich in vele kerken openbaart en dat het daarom onmogelijk is DE muur van die eene Kerk aan te wijzen. Die is er wel. Maar men meent, dat Ge dien niet kunt zien. Zien kimt Ge slechts vele kerkmurEN.

En van die vele kerkmuren (meervoud) vertelt men vandaag niet veel goeds. En men zal het zeker niet ondernemen over hun fundamenten apart te gaan spreken. Want, ach lieve, het fundament van al die kerkmuren acht men niet anders te zijn (en dat is trouwens ook niet anders) dan misverstand en dwaasheid en hoogmoed. Daarom meent men dat al die muren maar zoo haastig mogelijk moeten afgebroken. En dat zal ook wel komen. Men werkt er aan uit alle macht. En heeft men dit nog niet bereikt, men begint al vast met over de z.g.n. kerkmuren heen elkander handjes te geven.

- Maar al klinkt het dan heelemaal niet modern en al schijnt het gansch niet up to date, wij ondernemen het vandaag — en in dezen kring met goed vertrouwen —• te spreken over DEN kerkmuur, in het enkelvoud. En wij meenen, dat dit zeer actueel mag heeten. Want het is temidden van de verdwazing over de z.g.n. kerkmuren (meervoud) hoognoodig den kerkmuur (enkelvoud) goed te kennen. Want wij voor ons gelooven nog steeds, dat er één kerk is, door één muur afgescheiden van alles wat buiten haar is. En wij danken den Heere, dat wij in dit geloof niet alleen staan maar daarbij instemnaing ontvangen uit de belijdenisschriften der kerk.

En van dien eenen kerkmuur wensch ik U nu vooral te wijzen HET FUNDAMENT.

Maar om alle misverstand te voorkomen is het nu eerst noodig, U er aan te herinneren, dat wij met het spreken over den kerkmuur ons van beeldspraak bedienen. De eene Kerk, die wij gelooven en belijden wordt toch niet omringd door een echten muur van heusolhe baksteenen. Als wij nu toch over den kerkmuur spreken is dat dus beeldspraak. Maar geen gezochte, en geen eigenwijze beeldspraak. Wsmt wij volgen hierin slechts de Heilige Schrift. Deze spreekt op meer dan een plaats over den muur der Kerk. Dat doet zij ook — en dat is de plaats, waardoor wij ons nu laten onderwijzen — in Openb. 21. Daar zegt Johannes, dat hij zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En Ge weet, hoe hem zoo werd vertoond de Kerk des Heeren in heerlijkheid.

Maar meen nu geen oogenblik, dat aan Johannes zoo alleen dingen, die nog toekomstig zijn, worden getoond. Want de Kerk, - die hij in heerlijkheid aanschouwen mocht, wordt heden reeds vergaderd. En al verkeert die heden-reeds-vergaderd-wordende Kerk thans nog in geheel andere omstandigheden, dan waarin Johannes haar in heerlijkheid aanschouwde, zij is toch dezelfde Kerk. En voor haar geldt heden reeds de wet, die Johannes in haar heerlijkheid vervuld zag. Uit. het heerlijke beeld, dat Joh. getoond werd leert Ge dus kennen de wet, waarnaar de Kerk heden moet worden gebouwd. En wij zullen dus in genen deele mee te mogen doen met degenen, die zich over de gebreken van de strijdende kerk alleen maar willen troosten met het beeld, dat Johannes van haar in de heerlijkheid zag. Integendeel wat we door Johannes hooren over straks dat moet heden gedaan; en dat moet al ons doen en laten bepalen. Zoo worden wiJ door wat Joh. zag niet alleen getroost, schoon dat ook, maar hooren wij hier tevens het bevel des Heeren voor Zijn Kerk.

En nu heeft het vanmiddag vooral onze aandacht, dat Joh. zag, dat het heilige Jeruzalem een hoogen MUUR had.

Daarbij zullen we geen oogenblik mogen vergeten, dat Johannes dit zag, zooals hij zelf zegt, „in den geest". Dat wij hier dus te doen hebben met een visioen. Niemand moet dan ook meenen, dat de Kerk in de bedeeling der heerlijkheid werkelijk door een muur omringd zal zijn, en dat de zaligheid zal worden genoten in een stad met paarlen poorten en straten van goud. Dit zijn alle beelden.

Wij moeten dus vragen, wat bedoelt de Heere, wanneer Hij Johannes rondom 't heilisre Jeruzalem een hoogen muur laat zien? Wat maakt Hij ons door dien muur bekend? Wat beeldt Hij daardoor af?

En op die vraag moet, gelijk ik U verder hoop te toonen, het antwoord dan zijn: De Heere leert ons hier, dat de Kerk is en zijn moet: één, heilig en algemeen; en dat zg dit is door Christus en gemaakt wordt door den Dienst des Woords.

Want Johannes zag op dien eenen hoogen muur de namen van de 12 geslachten der kinderen Israels. Al die namen zag hij samen op dien eenen muur. E!n zoo werd hem duidelijk gemaakt, dat ZU ALLE wonen in die eenle stad. De Kerk is één. In één stad, in één vergadering ziet Johaimes al Gods vrijgekochte kinderen wonen.

O, heden is dat nog zoo niet te zien. Heden houden velen zich nog op zichzelf, of vormen met anderen een eigen groep buiten de eene Kerk; een groep, waar niet gelijk het in de Kerk is en zijn moet, alléén gebogen wordt voor de wet van Christus. Maar Johannes mocht zien, dat dit zou komen. Het zal worden één kudde. Allen samen in één stad.

Doch, en dat is na wat we tevoren zeiden nu wel duidelijk, dit dient niet enkel tot onze vertroosting^ maar wijst ons tevens den regel voor wat thans te doen is. Want de Kerk moet heden gebouwd worden naar het voorbeeld, dat ons hier wordt getoond. Eh wij hebben dus bij al ons kerkelijk handelen immer weer te vragen, of het beantwoordt aan den stijl van het heilige Jeruzalem en bevorderlijk is aan het samenwonen van het gansche volk des Heeren. Eh wee ons, wanneer we daar geen ernst mee maken en de eenigheid der Kerk niet zoeken te onderhouden. Wie de eenheid der Kerk schendt, stelt zich diep schuldig.

Maar de muur, dien Johannes zag, spreekt van meer dan van de eenheid der Kerk. Hij spreekt ook van haar heiligheid. Want hij is zeer hoog. Zoo hoog, dat niemand er zelfs maar overheen kan zien en hij 'n volkomen afscheiding bewerkt. Bovendien staan in zijn poorten, die reeds door hun opschrift doen weten, dat zij slechts aan de stammen Israels toegang verleenen, wakende engelen. En dit alles leert U wel duidelijk, dat het heilige Jeruzalem een afgebakend gebied is. Het is een gesloten stad, een afgezonderde vergadering, een heiUg volk. Niet ieder heeft er toegang. Alleen de burgers van Sion mogen hier binnentreden. En voor deze heiligheid der Kerk hebben we dan naar het gebod, dat ons hier wordt geleerd evenzeer te ijveren als vogr haar eenheid.

Doch ook hiermee is nog niet alles gezegd. De muur, dien Johannes om het heilige Jeruzalem zag, onderwijst ons niet alleen de eenheid en de heiligheid der Kerk, maar evenzeer haar algemeenheid. Want zie, deze muur heeft twaalf poorten. Naar elke windstreek drie. Drie naar het Oosten en drie naar het Noorden; drie naar het Westen en drie naar het Zuiden. Want Christus zondert Zijn volk wel van de wereld af, maar Hij wil van Zijn afgezonderd volk geen clubje of groepje maken. Hij zoekt de gansche wereld en zet Zijn Kerkstad naar alle windstreken open. Want Hij vergadert in haar uit alle volk en taal en natie. Eh Hij biedt in Zijn Sion plaats aan actieve naturen en aan zwaartillende geesten; aan menschen uit de geld-, wereld en aan die in de scholen der wetenschap zijn. In Zijn Kerk wordt heel de bonte verscheidenheid der menschheid bijeengebracht.

En nu wij zoo eerst gezien hebben, dat de muur, dien Johannes rondom het heilige Jeruzalem zag, de symbolische aanduiding is van de eenheid en de heiligheid en de algemeenheid der Kerk, nu interesseert het ons in hooge mate zijn fundament te kennen. Want ge weet, wat het fundament voor een muur is. Daardoor wordt heel de muur gedragen. Daaruit rijst hij op. Alleen door zijn fundament staat-de muur daar. En als Johannes nu bijzonder het fundament van den muur gewezen wordt, dan wordt hem zoo gewezen, dat, waardoor de Kerk één is en heilig en algemeen. Dat, wat haar' één, heilig en algemeen maakt.

En dat goed te zien is voor heden van de grootste beteekenis. Want hierover loopt heden eigenlijk heel de strijd, die er gevoerd wordt om-, en over de Kerk.

Dat de Kerk één is, en dat in die eene Kerk vergaderd moeten zijn, ja als broeders moeten samen wonen, ALLEN, die van het Huis des Heeren zijn, dat stemt ieder, die over de Kerk spreekt graag toe. De synodocratische kerken en de menschen van den Wereldraad van kerken spreken daarover wel drukker dan velen en doen daarbq graag, alsof zfl alleen werkelijk over de eenheid der Kerk bewogen zijn. Ea het is nu eenmaal hun gewoonte om ons te verwijten, dat wfl de eenheid der Kerk niet zoeken, ja dat wij; die door heel ons doen, dat men drijven belieft tenoemen, schenden. Maar daar is geen steek van waar. De eenheid der Kerk gaat ons niets minder, ik durf' zelfs zeggen, wellicht meer ter harte dan allen, die zich tegenover ons stellen. Dat de Kerk een is, en dat in alle kerkelgk handelen haar eenheid moet gezocht — is een zaak, waarover we 't allen eens zijn. Maar de groote vraag is: HOE moet dat gebeuren. Het veiv schil loopt over de vraag, waardoor de eenheid' der Kerk bereikt wordt?

Daar zijn er tegenwoordig ook in eigen kring diemaar één thema meer hebben, en die alleen nog zeggen: Wij moeten toch ALLES en ALLES doen opdat de Kerk weer één worde. En die daarbij meenen, dat anderen onder ons zich om die eenheid veel teweinig bekommeren. Maar dit is de zaak niet. De eenheid der Kerk gaat allen onder ons wel zeer ter harte. En dat wij voor haar ALLES moeten doen, daarover zijn wij het wel eens. De vraag is sleohts: wat is dat ALLES, dat wij moeten en mogen doen?

En zoo is ex* ook geen verschil over, dat de Kerk heilig en algemeen is en zijn moet en dat wij ons daarvoor hebben te beijveren. Daar zijn er ook hier wel, en ook wel onder ons, die tot de anderen zeggen: „Gij hebt een veel te enge en benepen opvatting van de Kerk. 'Vergeet toch niet, dat de Kerk algemeen is en ziJn moet en dat zij plaats moet geven aan heel de bonte verscheidenheid, dergenen, die Christus met Zijn bloed heeft gekocht. Maar ook hierin zijn we het wel eens. De vraag blijft slechts: Waardoor die algemeenheid wordt bewerkt? Hoe zij zal worden verkregen?

De gansche vraag, waar het vandaag in allerlei verwarring om gaat is: Wat is het fundament van den muur, die ons de eenheid, heiligheid en algemeenheid der Kerk symboliseert? Waaruit rijst die muur op?

En zie, dat wordt Johannes nu zeer opzetteUjk en duidelijk gewezen.

Johannes zag dan, dat de muur, rondom het heilige Jeruzalem 12 fundamenten had. En dat predikt ons al aanstonds, dat-wat we tot heden zeiden geen onmogelijkheden zijn. Dat dit niet maar wat schimmige idealen zijn, maar dat dit alles op vasten bodem steunt en zeker is.

En meer: op de 12 fundamenten van den muur zag Joh. namen geschreven. En door deze benaming van de fundamenten leeren 'wiJ die nu beter kennen en worden we aangaande de vastheid van den muur en over de 'wijze, waarop wat hij aanwijst tot stand zal komen, nog nader onderwezen.

Joh. las nu de namen van de 12 Apostelen des Liams, en wordt bij de vraag naar de vastheid van den muur dus verwezen naar de Apostelen. En die worden nu uitdrukkelijk genoemd: Apostelen des Lams. Want het Lam is de garantie voor de totstandkoming van wat de muur ons aanwijst. Hij is de bewerker van de eenheid en de heiligheid en de algemeenheid der Kerk. De Schrift zegt elders ook, dat Hij van het fundament van Apostelen en Profeten de uiterste hoeksteen is. De Kerk is CHRISTELIJK. ZiJ rust in Christus en verrijst uit Zijf werk.

En deze Christus wordt hier nu niét zonder beteekenis genoemd Het Lam. Want door zijn offer aan het kruis heeft Hij het recht tot den bouw van Zijn Kerk verworven. En dpor dat KRUISOFFER bewerkt Hij de eenheid en heiligheid en algemeenheid van Zijn volk. Want bij dat kruis, dat al de Zijnen tot delging van hun schuld zoeken, leeren zij om Christus, huns lieven Zaligmakers wille, die hen tevoren alzoo heeft liefgehad, ook elkander liefhebben. En door Zijn offer aan het kruis, reinigt Hij Zijn volk om een heilig volk te zijn. En dat eene • kruisoffer van Christus is het eene noodige voor alle menschen. Juiöt als de gekruiste vergadert Hij een algemeene Kerk.

Maar nu mag het ons niet ontgaan, dat Johannes op de fundamenten van den muur toch niet las den naam van het LAM, maar van de APOSTELEN des Lams. 'Van hen, die Hij uitverkoren had om van zijn lijden GETUIGEN en van Zijn kruiswerk PREDIKERS te zijn. Want wel is het HET LAM, die de eene, heilige algemeene Kerk vergadert. Maar als Ge vraagt, hoe Hij dit doet, dan moet het antwoord zijn: Door Zijn woord, dat krachtig is door Zijn Geest.

Het is door de PREDIKING van Hem, den Gekruiste, dat Hij de eenheid van al Zijn volk bewerkt. Want de geloovige aanvaarding van de PREDIKING des kruises maakt allen van één hart en van één wil en leert allen de eenigheid der Kerk te onderhouden.

En het is al weer door de PREDIKING van Hem, den Gekruiste, dat Hij de heiligheid van Zijn volk bewerkt. Want Hij wederbaart ons, die van nature onheiligen zijn door het Woord der waarheid.

En tenslotte is het weer door de PREDIKING van Hem den Gekruiste, dat de algemeene Kerk vergaderd wordt. Want die PREDIKING doet Hij uitgaan tot alle volken.

Zoo is Hij — HET LAM — degene, die de eene, heilige, algemeene Kerk vergadert. Daarom, al zien we van de heerlijke dingen, die het visioen van het nieuwe Jeruzalem ons aanwijst heden nog nauwelijks iets schemeren, nochtans twijfelen we niet, of deze

Kerk is er en z|j wordt vergaderd en zal straks heer-Ink gezien worden. Wjj zfln daar zeker van door het : geloof in onzen Heere Jezus Christus, waarmee we beUjden: IK GELOOF één, heiUge, algenwene — en iet is onze troost, dat wtj daar nu bïj mof en voegen: •CHRISTELIJKE Kerk. Gode zij dank de Kerk is niet van ons en zü behoeft er door ons werk niet te komen. .Zij is van Christus en Hq bouwt haar.

Maax niemand vergete daarbij, dat Hö haar vergadert en toebereidt door het WOORD, door DE PREDIKING. Want de fundamenten van het heilige - Jeruzalem droegen voor Johannes' oog de namen van de APOSTELEN des Lams!

Thans meenen velen, dat er wonderen zullen gebeuren als de Christenen maar eens met elkaar gaan praten. Van samenspreking verwachten velen de genezing van alle kwalen der Kerk. Maar zoo leert de .Schrift het ons niet. In de fimdamenten van het Jieilige Jeruzalem zag Johannes niet de sigmata van conferenties en congreösen, maar de namen van de APOSTELEN, van de Getuigen, van de Predikers. De Kerk heeft hier in Nederland dan ook alle eeuwen beleden, dat het Evangelie zijn loop nemen en de Xerk gebouwd worden zou, indien er was de zuivere bediening des Woords.

Daarom als men vandaag ook onder ons zegt, dat we toch alles en alles moeten doen voor de eenheid van de Kerk, dan zeg ik: ongetwijfeld! Doch dan moge voorts ieder onder ons verstaan, dat ALLES wat we kunnen doen is: bidden en werken voor de zuivere bediening des Woords.

En nu weet ik wel, dat degenen, die zoo lulde roepen, •dat wij noodig met de leden van de synodocratische kerken moeten gaan samenspreken, aanstonds zullen zeggen: Maar wil willen in dat samenspreken ook niets anders doen üscn aan hen het Woord bedienen. Doch als dat volle ernst is, moet toch gevraagd, waarom wilt Ge dat toch bepaald door samenspreking? Het is immers niet In te zien, welke winst dat voor de vergadering der Kerk zou Rebben. Die vergadering wordt toch niet gediend met hoffeUjkheden en inschikkelijkheden, maar alleen door den zuiveren dienst des Woords. Daarom is het niet de vraag, of wij wel alle hoffelijkheden en inschikkelijkheden, die' de menschen begeeren hun ook gegeven hebben. Want aan het begeeren der menschen zal ook op dit punt geen einde zijn. Maar de vraag is, of door ons het Woord klaar en duideUjk is gesproken en wordt gesproken. Daar moeten we voor ijveren, dat het Apostolische Woord helder uitklinke. Want dit is df beste en ook de eenige dienst, die wij voor de eenheid en heiligheid en algemeenheid der kerk kunnen verrichten.

Met degenen, die het Woord ongehoorzaam zijn, 'moet men geen conferentie beleggen om na te gaan wat er kan worden gedaan om de eenheid der kerk te bewerken en hun zoo den indruk geven alsof het middel voor de bewerking van de 'eenheid en de heiligheid en de algemeenheid der kerk nog moest worden gevonden. Dat middel is er al. Het is de prediking des Woords. En het komt er voorts alleen op aan, dat wij onszelf en anderen toeroepen dat Woord ter harte te nemen.

Er is voor de Kerk dus niets beters te doen, dan biddend te ijveren voor het behoud van den zuiveren • Woorddienst. Daarom geschiedt er door Gods genade hier in Kampen het beste wat er voor de vergadering der Kerk kan gedaan. Want onze Theologische Hoogeschool •svil niet anders dan jongemenschen toerusten, opdat zij bekwaam zullen zijn voor den Dienst van dat Woord, dat fundament van den Kerkmuur. En wat is het een weelde van genade, broeders en zusters, dat de Heere na jaren van scholastieke verslapping, door de vrijmaking aan onze Theologische Hoogeschool. weer nieuwe en heilige bezieling voor het onderzoek van Zijn Woord heeft doen opleven. O, bidt, als Ge straks naar Uw haardsteden zijt teruggekeerd, dat de Heere dit bevestige en doe toenemen. Bidt voor onze School en hebt voor haar gaarne en gewillig Uw offers gereed. Bouwt zoo de School der Kerken. Want dat is het beste wat Gij voor die Kerken kunt doen. En zoo doet Ge ALLES en ALLES om tot eenheid te komen, en opdat de algemeene Kerk vergaderd worde.

O, ik weet wel, dat dit door velen rondom ons „dwaasheid wordt genoemd. Die meenen, dat een Schooldag als wij hier houden niet anders is dan aanblazen van het sectarische vuur. .

En die meenen, dat de instandhouding van de School hier in Kampen slechts een hinderpaal te meer is op den weg naar de eenheid.

En inderdaad men kan ook vragen, hoe dit nu de eenheid der Kerk moet bevorderen, dat wij hier nota - bene een aparte School in stand houden.

En wie die eenheid door menschelijk overleg wil bereiken, kan pp die vraag 't antwoord niet vinden. Maar wie gelooft, dat CHRISTUS, dat HET LAM het is, die Zijn Kerk vergd'dert en toebereidt en zich daarom alleen door Christus wil laten gebieden, en zoo dus verstaat, dat DE PREDIKING des Woords het is, waardoor de Goede Herder Zijn verstrooide schapen zoekt en bijeenbrengt, die ziet voorts van alles af én hij begeert alleen, dat die rechte PREDIKING in Stand worde gehouden en in dat geloovig begeeren zegt hij dan — en zeg dat allen nu — tot onze Theologische Hoogeschool: Om 's Heeren Huis — Vaar ook Gij aan bouwt — zal ik het goede voor U zoeken.

De heer P. Jongeling sprak over:

Kerkstrijd en Wereldworsteling

In den kerkstrijd van de laatste jaren klonk soms de vermanende en bezwerende stem van menschen, die tot ons zeiden: „wees desnoods bezwaard, maar maakt u toch niet vrij! Het is nu geen tijd voor verder gaande kerkelijke verdeeldheid. Een nieuwe droeve verzwakking van het interkerkeUjke protestantsche eenheidsfront zal er het gevolg van zijn en in allerlei organisaties zullen we er de onaangenarele gevolgen van ondervinden. Denkt toch aan de groeiende gevaren van de zijde van Rome en het communisme!"

Nu kunnen we aanstonds deze vermaning retourneeren als onjuist geadresseerd. Niet wq trokken de scheur. Niet wij legden bovenschriftuurlgke bindingen op. Niet wij hebben geschorst en afgezet. Als men bovenstaande waarschuwing vpil adresseeren, dan moet men haar richten.aan de verantwoordelijke Synode en aan allen, die haar in haar machtsoverschrijding steunden.

Afgezien echter van de onjuiste adresseering is er toch ook van den inhoud dezer vermaning nog wel iets meer te zeggen. Ze gaat uit van een bepaalde rangschikking der dingen in primaire en secundaire, eersterangs en tweederangs zaken.

Primair zijn in dezen gedachtengang het „interkerkeUjk eenheidsfront" tegen Rome en Moskou, de georganiseerde christeUjke actie, den strgd dien we „op allerlei levensterrein" hebben te voeren, de vele bunkerstellingen, die ivij gebouwd hebben tegen de revolutie.

Secundair is de reformatorische strijd om de volle heerschappij van Christus in Zijn kerk. Die strijd moest wel gevoerd wordeii, maar slechts voor zoover de primaire zaken, de dingen van den eersten rang, daardoor niet in gevaar gebracht worden.

Primair de wereldworsteling, secundair de kerkstrgd.

De gedachtengang is niet nieuw. 'Vóór den_oorlog drukte eenmaal een onder ons zeer bekende staatsman er zyn spijt over uit, dat de theologen tegenwoordig niet meer in het Latijn polemiseerden, daar dan het gewone kerkvolk er niets van gewaar zou worden en er geen onrust zou ontstaan op allerlei terrein. In wezen was dit toch reeds een terugbegeeren van den „Roomschen tijd" en een miskenning van de groote goederen der reformatie: prediking in de volkstaal, wegvaging van den scheidsmuur tusschen den „clerus" en de „leeken".

Is bovenstaande rangschikking van primaire en secundaire dingen juist?

Als ge daar , ja" op zegt, dan zal de gansche Schrift tegen u opstaan! Want de HEERE trekt in Zijn Woord de lijn precies andersom.

Als Mozes voor het kerkvolk Israël zijn profetische zwanenzang zingt, dan teekent hij met één machtigen, gebeeldhouwden zin hoe de , HEERE de lijn der wereldgeschiedenis trekt:

„Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israels. Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jacob is het snoer Zijner erve".

Hier zet de Heilige Geest het kerk-volk Israël in het centrum der wereld, in het hart der historie. •Van het begm af heeft de HEERE lot en landen der volkeren zóó bepaald als het belang van Zijn volk. Zijn kerk het vraagt.'

De kerkgeschiedenis is de spil waar de wereldgeschiedenis om draait.

Als in oud-testamentischen tijd beurtelings Egypte, Assyrië en Babylonië sterk worden en weer ineenstorten, dan ligt de sleutel van dit gebeuren in J e - ruzalem, in den tempel, in de trouw en ontrouw van het oud-testamentische kerkvolk, en ia het voortschrijden door de eeuwen van den Vorst Messias, Die snellijk tot Zijn tempel wil komen en de tijden vol maakt.

Als het achterlijke Perzië plotseling uitgroeit tot een wereldmacht en Cores zijn onweerstaanbaren zegetocht houdt, dan kan geen moderne historievorscher u dit raadsel verklaren. Maar de eenvoudigste onder ons, die van God geleerd is, slaat zijn Bijbel op bij Jesaja 45:

„Alzoo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen.' om Jacob Mijns knechts wil, en Israël, Mijns uitverkorenen".

Daar ligt de sleutel.

Als Augustus op den wereldtroon zit en zijn bevel tot de groote volkstelling geeft, dan meent de keizer: Dat is voor de organisatie van mijn machtig rijk. Maar de HEERE zegt: Neen, dat is opdat die arme Joodsche timmerman Jozef met zijn ondertrouwde vrouw Maria naar Bethlehem zullen trekken, want daar moet de' Christus geboren worden.

Wie nu zegt: Dat gold alleen voor de oud-testa­ mentische bedeeling, die heeft nog niets gezien vam de eenheid der Schrift en nog niets verstaan van wat de Heilige Geest in de Openbaring van Johannes tot de kerk zegt.

Een Nederlandsohe theoloog heeft.over die Openbaring van Johannes een boek geschreven, dat den titel draagt: „Hoofdsom der historie".

Hoeveel er op den inhoud van dit boek ook aan te merken is, die titel is juist. In het laatste Bijbelboek teekent de Geest ons de groote lijn der wereldgeschiedenis, van Christus' eerste komst tot Zijn wederkomst op de wolken.

En het thema dat telkens, van onderscheidene kanten, belicht wordt, is: detotaleoorlog tusschen de kerkvergaderende Christ U'S èn de kerkverwoestende satan. De wereldhistorie is in haar kern kerkstrijd. Een strijd waarbij alles .en allen partij zijn: de menschen, de staatkimdige overheden, ja ook de redelooze natuur. Aardbevingen, pest, hongersnood, regen en droogte, de gebeden der heiligen, die in den hemel de groote gerichten over een afvallige wereld doen losbreken, alles is ingeschakeld in dezen kosmischen oorlog om de kerk.

Als wê zóó eenmaal in de Schrift de Ujn van kerkstrijd en wereldworsteling hebben gevonden, dan wordt ook de historie voor ons doorzichtig.

Wij zgn Nederlanders, Europeanen, geen afstammelingen van Sem, maar van Jafeth. In de dagen van Abraham, van David, van de profeten, waren onze vaderen een volk dat in duisternis wandelde.

Weet ge welk buurvolk van Israël hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk van Europeesche afkomst is geweest ? De F i 1 i s t ij n e n, de bitterste vijanden van Gods kerk! Dat is onze familie!

Maar het heeft God behaagd om den apostel Paulus, toen de tijd vol was, in den nacht een gezicht te doen zien van een Macedonisch man, staande op den uitersten rand van Europa en roepende: Kom over en help ons!

Opdat vervuld zou worden het woord van den profeet Noach: „God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten!"

Zoo is het Evangelie tot Europa gekomen. En bij het licht van de Evangeliezon is Europa ontloken als een bloem, is het in den loop der tqden de koningin der aarde, de moeder van Amerika en Australië, de beheerscheres van Azië en Afrika geworden.

In onze dagen spreken we van den ondergang van het Avondland. Doch reeds eenmaal eerder heeft Europa sidderend geblikt in den afgrond van het nihiUsme en den totalen ondergang. Dat was bij het einde der middeleeuwen, toen de christelijke kerk tot roomsche kerk was verbasterd en steeds dieper in de deformatie wegzonk.

In die dagen gaat uit ons werelddeel een geur van verrotting opstijgen en de gieren van Gods oordeelen die zich verzamelen waar het aas is (Matth. 24 : 28), beginnen te Juingen boven Europa.

In de renaissance breekt het heidendom weer door. De zeden zgn totaal verdorven, de vorsten worden gruwelijke despoten, sociale onderdrukking drijft de wevers in Vlaanderen, de boeren in Zuid-Duitschland tot opstand. De eeuw van Luther kent al conmmnisme en anarchisme..

Politieke kwalen, zegt ge.

Jawel, maar de Eerkkinderen, die er mee besmet waren, hadden de infectie opgeloopen, omdat hun moeder hen niet meer voedde met zuivere, onvervalschte melk!

Toen is Europa gered geworden door de reformatie der kerk.

Toen Luther zijn stellingen aansloeg, toen hij de pauselijke banbul in de vlammen wierp, toen waren dat daden van gehoorzame kerkreformatie, maar daardoor waren het óók daden met een eersterangs politieke beteekenis.

Nog eenmaal wordt dan het stinkend aas door het Woord geheiligd tot nieuw leven. De gieren trekken zich terug. Europa wordt van-de-kerk-uit gesaneerd en ontvangt ook de kracht om de fanatieke wereldmacht, die in het Oosten komt'opzetten (de Turken) te-weerstaan. In nieuweren, schooneren luister bloeit ons werelddeel op.

Wij zijn Nederlanders. Maar - wij kunnen niets van onze nationale historie verstaan, als we de kerk niet zien. Want Nederland is in de kerk geboren!"

Onze vaderen hebben niet tachtig jaar gevochten voor staatkundige vrijheid, maar „voor Gtodes Woort ghepresen", voor de - vrijheid om in de kerk God te mogen dienen naar Zijn Woord. Ze hebben aan koning Philips, als laatste vermaning en appèl op zijn geweten, geen „verklaring van de rechten van den mensch" gezonden, maar een kerkelijk stuk: de Nederlandsohe Geloofsbelijdenis. En ze schreven er in een brief bij: „Wij bieden den rug de slagen, de tong de messen, den mond de breidelstokken, wetende dat wie Christus volgen wil, zijn kruis opnemen en zichzelven verloochenen moet".

Dat was geen lippentaai. Guido de Brés heeft voor deze belijdenis zijn hoofd in den strop gestoken en duizenden deden hetzelfde.

Als daar in het zesde couplet van het Wilhelmus gesproken wordt van „de tyrannie verdrijven, die mij mijn hart doorwondt", dan dachten onje vaderen daarbij allereerst aan depauselijke hiërarch i e, en het is God geklaagd, dat christenen, die

meegeholpen hebben om een nieuwe tyrannie in de kerk te vestigen, dit lied vandaag durven zingen zonder zich wèg te schamen!

Toen onze vaderen zóó het Koninkrijk Gods zochten in den weg van kerkelijke-gehoorzaamheid-totden-dood-toe, toen heeft de HEERE gezegd: Nu, Mijn volk, nu zal Ik uw handen vol stoppen met kostelijke gaven! Nu krijgt ge niet alleen een vrije kerk, maar ook een vrijen staat, en Ik stel dien staat aan de spits van Europa. Nu krijgt ge rijkdom en eer, bloei en kunst en wetenschap, een Gouden Eeuw, en een koloniaal rijk, zoo groot, dat de zon er nimmer in ondergaat.

Weet ge, wat de ergste aanval op onze staatkundige vrijheid geweest is in dien tachtigjarigen oorlog ? De aanval van het Remonstrantisme, dat de kerk besprong in de twaalf jaren, dat de wapens rustten!

Dat beseften de Staten v^n Holland niet. Zij vermaanden de Gereformeerden: laat die Remonstranten ongemoeid ip de kerk, want we moeten geen scheur in het eenheidsfront tegen* Spanje. Nu geen kerkstrijd! De wereldworsteling is primair!

Predikanten en geloovigen die daar anders over dachten en anders deden, werden bitter vervolgd en officieel met den naam van „scheurmakers'-lgebrandmerkt. Er is ook in dit opzicht niets nieuws onder de zon. Maar mannen als Willem Lodewijk en dominee Trigland hebben Prins Maurits er de oogen voor geopend, dat zoowel het voortbestaan van de kerk als het behoud van den staat op het spel stonden. Als het Remonstrantisme gewonnen had, zou de kracht ontbroken hebben voor een nieuwen veertigjarigen geloofsstrijd en was het gedaan geweest met de Republiek.

Zóó trekt God de hjnen van kerkstrijd en wereldhistorie. Zóó heeft eenmaal ook Groen van Prinsterer het gezien en vastgelegd in zijn historiebeschrijving. „ Zoo heeft hij het beleden in zijn weekblad „Nederland-' schfc Gedachten" en in zijn dagblad „De Nederlander".

En nu? Nu zijn deze dingen vergeten door de groote meerderheid der Nederlandsche christenen!

De ellende van onzen tijd is, dat ook de christenen het gezicht op de kerk kwijt zijn geworden en daardoor nu ook de historie, de politiek, den maatschappelijken strijd, de wereldworsteling niet meer recht kunnen verstaan. De huidige christelijke pers biedt daarvan schier dagehjks de droevigste voorbeelden en ik bid en werk er eiken dag voor, dat ons Gereforaieerde volk in de eerste plaats daar de oogen toch voor open mag krijgen, opdat we door gezamenlijke inspanning mogen komen tot de uitgave van een, al is het nóg zoo bescheiden, dagblad, dat weer de Schriftuurlijke lijn van kerkstrijd en wereldworsteling doet zien!

Vandaag is de wensch, dat de wachters op Sions muren toch maar Latijn mochten spreken, immers algemeen geworden.

Vandaag heet het: laat de Synode het maar wijzen, dan zullen wij het wel blindelings prijzen.

Vandaag zijn er tienduizenden, die zichzelf wijsmaken, dat de benedenverdieping van ons geesteüjk huis, de kerk, wel kan verkommeren en verzakken, zonder dat de bovenverdiepingen van'staat en maatschappij er last van krijgen.

De HEERE schrijft vandaag met vlaromende letters Psalm 2 dwars over Europa, dat de banden van den eenigen Kerkvorst en WereldreChter, Jezus Christus, wil verscheuren. Europa wordt letterlijk in s t xl k-.ken geslagen als een pottenbakker s v a t (Ps. 2:9).

Thans liggen in Oost-Europa en in Midden-Europa de kerkgebouwen in puin. Maar vergeet niet: de kerken lagen daar al in puin, toen de gebouwen er nog ongeschonden stonden en versierd waren met goud en edelgesteenten, maar toen het - zuivere Woord er niet meer gepredikt werd en Christus in die kerken van , Zijn heerschappij werd beroofd. En omdat dat gebeurd is, daarom liggen vandaag niet alleen de kerkgebouwen, maar óók de regeeringsgebouwen en óók de scholen en óók de fabrieken en óók de woonhuizen in puin!

De gieren van het oordeel hebben zich geworpen op het doode aas. Ziet ge ze ook niet kringen boven Nederland?

De donkerste periode in den donkeren bezettingstijd was de periode waarin een ontspoorde Synode zich aan de 'rechten van Christus vergreep en Zojn kerk het spoor der secte opjoeg! Dat was het ergste wat Nederland kon overkomen. God is genadig geweest! De vrijmaking heeft de kerk gered.

Zullen we nu straks onze pas geopende oogen weer gaan sluiten, dommelend in den gemakkeUjken stoel, waarin de kerkeUjke ambtsdrager Eli zoo graag zat tot hij er zijn nek in brak?

Zullen we gaan luisteren naar hen, die zeggen: Zwijg nu toch over de rechtzaak der kerk, denk toch aan de gevaren van communisme en nihilisme en laten we daarom de scheur maar zoo'n beetje krammen, terwille van oijs organisatorisch "eenheidsfront?

Op de 146ste zitting van de Dordtsche Synode hebben de afgevaardigden der kerken plechtig voor Gods aangezicht beloofd, dat zij de rechtzinnige belijdenis der kerk onvervalscht zouden overgeven aan hunne kinderen om die te bewaren tot op den dag van de wederkomst van onzen Heere Jezus Christus.

Denkt aan dien eed, als ge 's Zondags in de kerk zit! Maar denkt er ook aan als ge u in de week bezig houdt met politiek of met uw dagelijksch werk! Zoo lang oftze vaderen dien eed gestand gedaan hebben, •zóó lang is het goed gegaan met Nederland.

Wie vandaag wil werken voor ons wegzinkend koninkrijk, vide wil werken voor hèt Koninkrijk, dje buige gehoorzaam zijn hals onder het juk van Christus en kome tot de plaats waar Hij al Zijn kinderen roept.

Ca1vijn heeft eenmaal een Hoogeschool te Geneve gehad en hij schreef aan zijn vrienden in heel Europa om studenten: „Zendt ons hout, en wij zullen u er pijlen van snijden!"

Wij hebben vandaag nog onze Theologische Hoogeschool en we danken God, dat er goede pijlen gesneden worden, pijlen tot verlossing van Gods volk. Daarom mag deze Kamper Hoogeschool een bolwerk zijn in den kerkstrijd en dus in de wereldworsteling.

Maar zoo'n bolwerk is ook dat lokaaltje, die gara-\ ge, die boerenschuur, waarin gij misschien 's Zondags vergadert met de paar getrouwen die den kerkstijl bewaarden!

Waar het Woord zuiver gepredikt wordt, waar Christus niet van Zijn reoht^ wordt beroofd, waar de gebeden der heiligen in oprechtheid opstijgen tot den hemeltroon, daar zijn de groote krachtcentra in de wereldworsteUng, waar Christus afllereerst*mee Irekent. En waar Hij mee zal blijven rekenen — tot op den dag, dat de wereldworsteUng ophoudt, omdat de kerkstrijd is voleindigd en Jezus Christus Zijn totalen, kosmischen vrede afkondigt op den ganschen berg Zijner heiligheid.

„Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastelijk. Amen, ja, kom, Heere Jezus!"

Ds I. de Wolff hield een rede, waarvan we een verslag laten volgen, getiteld:

Van Altaar en Rechterstoel

Ds De Wolff wees in zijn inleidend woord op de beteekenis van het artikel over de KERK in onze Apostolische geloofsbelijdenis. Men ziet dat zoo gemakkelijk over het hoofd en denkt naar eigen willekeur het • zijne over het begrip „Kerk". Maar evenzeer als de andere stukken geloofsstukken zijn, waarvan wij belijden: „Ik geloof", zoo geldt dit ook van de Kerk. Het is dus voorwerp en onderwerp van ons g e 1 o o-ven. Wij hebben dus te zien walt de H. Schrift ons leert aangaande de Kerk.

In verband hiermede wijst spr. op wat Calvijn zegt over den 122sten psalm. Wanneer deze psalm de heerlijkheid van de Kerk Gods bezingt, bejijdt de psalmdichter in vers ö: „Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het Huis van DaVid". Calvijn zegt nu van dezen psahn, - dat er twee elementen in voorkomen, die als twee allesbeslissende factoren het karakter van de Kerk bepalen, n.U dat dit Jeruzalem, dat is de Kerk, de plaats is van de verzoening en dat op diezelfde plaats de koninklijke rechterstoel geplaatst is. De ambten van het koningschap en van het priesterschap mogen nimmer gescheiden worden. Want zij zijn de twee-pijlers, waarop de Kerkgemeenschap rust, welvaart en vrede kunnen slechts in handhaving van deze twee elementen gediend en bevestigd worden.

Wij hetjben • toe te zien, dat het Altaar niet van zijn plaats verdrongen wordt, want daar wordt centraal in de prediking van de verzoening door de eenige Offerande van Jezus Christus, het Altaar bediend.

Maar daarnaast hebben wij evenzeer de dure roeping er op te letten, dat de stoelen des gerichts hun plaats niet gaan inruimen. Hiërarchie in de Kerk is rechtstreeks Revolutie tegen Gods Gezag.

Daarom is het onjuist om vredeverstoorders te noemen zij, die de verbinding van Altaar en Rechterstoelen gehandhaafd willen zien en daarvoor strijden.

In verband hiermede ging spreker er dieper op öi, hoe de kerk verwordt wanneer die twee verbindende elementen in de Kerk niet meer gezien en geëerbiedigd worden, b.v. in een „wereldraad van kerken", maar evenzeer in een synodale gemeenschap.

En daarom hebben wij wel toe te zien, wanneer wij den roep om eenheid hooren, wat wij tot één wil-: len maken.

Eerst wanneer men zijn zonde belijdt en ook de| Rechterstoelen weer hun plaats geeft, kan er sprake van samenspreking zijn. Men zal weer oog moeten krijgen voor de plaatselijke Kerk, die compleet is in zichzelf, want daar openbaart zich de Kerk van Christus, waarvan wij zingen mogen: „Onze voeten staan in uw poorten, O Jeruzalem; Jeruzalem is gebouwd als een stad die wèl samengevoegd is ".

Het einde

Te ongeveer vier ujir stroomden de gebouwen leeg, alleen in de Nieuwe Kerk, waar twee maal vergaderd werd door een verschillend auditorium, duijxde het iets langer.

Dan weer een overweldioende stroom van menschen in het stadje. Men zoekt voor zoover de tijd het toelaat nog even kennissen en familieleden. Men ziet een bonte menigte van ons hoUandsche.ivolk, Bunschoters en Spakenburgers, Zeeuwen en - feelderschen, Staphorsters en Friezen, allen in hun karakteristieke kleederdrachten en verder ide massa uit-, alle deelen des lands, meest de „kleyne luyden", nog' altijd de ruggegraat en het merg van ons volksleven.

Ze zijn allen gekomen, hebben zich geldehjke offers getroost, hebben niet de minste stimulans, geen en-. kele reclame, geen opwekking zelfs, van wie dan ook noodig gehad om dezen Schooldag te bezoeken. Het is alles even spontaan en uit eigen aandrang gebeurd, waarvan maar één verklaring te geven is: de LIEFDE tot de School van Kampen en daarin de LIEFDE tot: .de kerken, die in gebondenheid aan het Woord zich vrijmaakten van t»ndingen en menschelijke gedachtenspinsels, die in strijd waren met de Schriften.

Nogmaals: alle lof voor de organisatoren van dezen dag. Outsiders weten er zoo weinig van wat er allemaal aan vast zat te zorgen dat alles een goed " en ordelijk verloop had. En daaraan heeft het in geen enkel opzicht ontbroken.

Dan het laatste: de massa's stroomen naar hün ^ autobussen, een laatst vaarwel aan bekenden die andere richtingen uit vertrekken. Een blijde, dankbare stemming. Langs alle wegen boren de wagens hun lichten in de duisternis, tot aan de meest afgelegen plaatsen (de Zeeuwen kwamen eerst om half vier des nachts thuis!).

Maar, de broeders gezien hebbende, heeft men moed gevat, men heeft d© gemeenschap der heiligen op dezen dag mogen proeven, en versterkt geworden zijnde heeft men de gelofte afgelegd, op wat de boodschap van dezen Schooldag is geweest: een heilig „JA!" op de waarschuwing: „Houdt wat Gij hebt!"

Vrijdag 1 Oct. werden 19 studenten ingeschreven, 79 bullen werden gerecenseerd, voor doctorale studiën werden 34 bullen gerecenseerd en 4 ingeschreven voor doctorale studiën. Totaal aantal studenten 136.


1) o.a. Prof. Gregdanus.

2) 1:3 (vertalhig Prof. Gregdanus).

3) zie den grlekschen tekst

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 oktober 1948

De Reformatie | 12 Pagina's

DE „SCHOOLDAG” TE KAMPEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 oktober 1948

De Reformatie | 12 Pagina's

PDF Bekijken