GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PROF. DR SCHILDER UITGEDRAGEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

PROF. DR SCHILDER UITGEDRAGEN

22 minuten leestijd

DUIZENDEN WAREN OM ZIJN GROEVE

EEN GROTE ROUW

Op Woensdag 26 Maart werd Prof. Dr Schilder uit zijn woning aan de Vloeddijk 14 uitgedragen voor de droeve tocht naar zijn begraafplaats. Het was koud en somber weer, alsof de natuur mee treurde en weende bij deze grote rouw, welke de gehele stad Kampen stempelde.

Als een merkwaardigheid kan worden meegedeeld, dat de overledene reeds twintig jaar geleden in een brief aan een intieme vriend van hem schreef hoe hij, na zijn sterven, het liefst begraven wilde worden, n.l. in grote soberheid, terwijl op zijn graf volstaan zou worden met 't lezen van 'n hoofdstuk uit Gods Woord, en wel: Joh. 17. Deze wens werd thans geëerbiedigd.

In verband met de grote vriendenschaar van de overledene was het noodzakelijk, dat in het sterfhuis alleen de familie samenkwam, terwijl de officiële personen en vrienden in de aula van de Hogeschool bijeen kwamen.

Verder was er voor het publiek, dat uit alle oorden des lands was samengestroomd, (het stadsbeeld had het aanzien van een halve Theologische Schooldag) werd ondergebracht in de Nieuwe Kerk. Waarin ruim 1700 mensen samenstroomden. ^

In het sterfhuis werd de plechtigheid geleid door de

wijkpredikant van de overledene Ds O. W. Bouwsma, die na de lezing van Psalm 103 o.a. het volgende zei: -

Het is al aanstonds een grote vertroosting op de dag, waarop wij van 's Heren wage geroepen worden het lichaam van onze broeder Klaas Schilder te zaaien in verderfelijkheid, gelovende, dat ook zijn lichaam zal worden opgewekt in onverderfelijkheid, elkander op christelijke wijze te mogen begroeten als broeders en zusters in onze Here Jezus Christus. Want deze aanspraak richt dadelijk ons aller oog op Hem, Die als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk samenverbonden houdt onze broeder, die nu van alle smart en van alle smaad ontheven is en ons, die nog staan in het strijdperk van dit leven. Tevens worden wij zo op déze dag, waarop de gedachten zich in ons vermenigvuldigen, bewaard bij de eenvoud der Schriften. En zo eren wij onze overleden broeder ook juist hierin, dat hij zelf geweest is een eenvoudig dienstknecht van Christus, die het woord van Johannes de Doper tot het zijne heeft gemaakt: Christus moet wassen en ik moet minder worden. In die eenvoudigheid des geloofs heeft broeder Schilder de goede strijd gestreden door goed gerucht en kwaad gerucht, de Here dienend en niet de mensen.

En waar wij nu geloven, dat Schilder thans de lof des HEREN zingt, daar zullen wij met hem verenigd in dezelfde Christus vandaag niet anders mogen doen. Wij zullen wenen, als niet wenende, want Christus komt met haast. Wij willen daarom van de HERE geleerd nu zeggen: Loof de HERE, mijn ziel.

Psalm 103 is het lied der Kerk. - Meent niet, dat de dichter van deze zang maar wat gezongen heeft, los van de grote gemeente. Integendeel, in het midden der broederen wordt deze hymne op de God des levens gezongen. En nog vandaag prijst een ieder in de gemeenschap der Kerk na de verkondiging van de dood des Heren de Naam des HEREN — gelijk onze broeder Schilder dat Zondag 9 Maart nog heeft gedaan •^- met de woorden van de 103e Psalm. Zo heeft ook Schilder, de regel kennend, dat buiten de kerk geen zaligheid is, in de grote gemeente de HERE gedankt voor Diens verlossende genade: Loof de HERE, mijn ziel, Die al uw ongerechtigheid vergeeft! In het heiligdom, waar het volk vergaderd is, wist Schilder zijn plaats. En in de gemeenschap van het volk des Heren, is aan hem ook de vreugde van Psalm 103 bevestigd, dat de HERE gerechtigheid doet aan al degenen, die onderdrukt worden. Schilder heeft geweten wat smaadheid om Christus' wil is. Maar de HERE heeft ook zijn mond verzadigd met het goede en zijn jeugd vernieuwd als eens arends.

Zo heeft hij de lof des HEREN gezongen. En wij willen het thans ook doen nu wij die 103e Psahn verder m.oeten nazLngen. De dagen des mensen zijn als het gras. Ook de dagen van de mens Klaas Schilder. De Here heeft hem tot Zich genomen. Dat kan de HERE wel doen zonder dat Zijn werk hier op aarde gevaar loopt.

Cliché Dagblad „'t Nieuws voor Kampen".

Dat geloof vraagt de HERE van ons, nu wij geneigd zijn te vragen hoe het nu verder moet zonder Schilder in de kring van zijn gezin en in die andere kring van het grote gezin van de gemeenschap der heiligen.

Maar daarin gaat de HERE ons troosten met Zijn beloften en opdrachten. Troosten' door ons te wijzen op Zijn onwankelbaar Verbond. Want de goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen; aan degenen, die Zijn Verbond houden en die aan Zijn bevelen denken om die te doen.

Indien wij voor dit Woord des HEREN buigen, dan kunnen wij ook op deze dag zeggen: Loof de HERÉ, mijn ziel. In het zingen van die lof des HEREN zijn de engelen ons tot een beschamend voorbeeld. Maar waar wij vandaag Schilders stem weten in de koorzang der verlosten, welker lied dat der engelen overtreft, daar willen wij hier op aarde in onze strijd en in onze smart het toch zeggen: De Naam des HEREN zij geprezen.

Schilder eindigde eens één van zijn werken zó:

Op aarde was — als ijdel glas — Uw blijdschap licht te schenden.

Maar eenmaal kan — de vreugde van —'de bruiloft nimmer enden.

Dat laatste geldt sinds Zondagmcffgen 1952 ook onze broeder Schilder. 23 Maart

Want Christus heeft gezegd: Waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn.

SAMENKOMST IN DE AULA.

In de aula merkten wij op het Stichtingsbestuur van de Theologische Hogeschool, de Curatoren, de professoren met hun. dames, de Loco-Burgemeester van Kampen, A. Scholten. Vele intieme vrienden van de overledene, vertegenwoordiger van de Uitgeefster Oosterbaan & Le Cointre N.V. te Goes, de Senaat van, het Studentencorps der Theologische Hogeschool, F.Q.I. Voorts een. delegatie van zeven personen, vertegenwoordigende de afdeling Utrecht der S.S.R., waaronder de landelijke Uniepraeses, de Utrechtse praeses en twee oud-praesides.

In de aula werd de samenkomst geleid door Ds C. L. Lindeboom van Kampen, die eveneens voorlas de 103er Psalm, voorging in gebed en daarna de volgende rede uitsprak:

Broeders en zusters,

Wij hebben allen zo behoefte vandaag, elkander even te zien, en elkander de hand te drukken en elkander te troosten.

In droefheid zijn we hier vergaderd, eigenlijk ook nog in grote ontsteltenis. Het is zo heel moeilijk om onder woorden te brengen, wat ons zo diep verslagen doet zijn. Wat was deze mens met ons aller leven nauw sainenverbonden. Iets van een grote leegte vervult ons. Als een wind, als een Elia, als een storm is het leven van Prof. Schilder geweest, en dan komt er een ogenblik, dat de storm voorbij is, dan wordt het overal plotseling stil.

Zo lijkt het, nu hij voorbij is, of er iets komt van een stilte, een vacuum. En we worden heengedreven in deze ogenblikken, als vanzelf naar de Schriften, om ons door de Here te laten troosten in al ons zielsverdriet.

Als we ooit in de verzoeking zijn geweest, om over de dode te gaan spreken, dan nu. Maar we moeten die verzoeking weerstaan. Het mag niet. De Here heeft ons anders onderwezen en in het voetspoor van zijn Meester heeft Schilder het ons anders geleerd. We willen spreken over de psalm, die oproept, aard en zee en berg en dal, om de Here te prijzen, voor wat Hij heeft gedaan.

En zelfs met het oog op de dode breken deze lofliederen niet. Want we zien bij deze begrafenis op God, die van kracht tot kracht voortgaat.

En ik denk aan woorden, die onze Schilder gesproken of geschreven heeft bij het heengaan van Prof. Honig. „Wij zien bij de Here altijd een voortgaan van kracht tot kracht. Het is bij Hem altijd een opgaan, , blinken, en steeds meer blinken. De dag van Honigs inaugurele was beter dan de dag van zijn intrede in de eerste gemeente, en de dag van zijn begrafenis was beter dan de dag waarop hij het hoogleraarsambt aanvaardde." En zo mogen wij 'took zeggen: De dag^ waarop hij jong en enthousiast het leraarsambt aanvaardde, was beter dan de dag van zijn groentijd. De dag, waarop hij Hoogleraar werd, wat beter dan die van zijn intrede, maar dan ook deze dag der begrafenis is beter dan alle dagen van zijn leven!

En zalig is hij, die daaraan niet geërgerd wordt.

Psalm 103 is 'n lied, waarin Zlon de Here looft om Zijn goedertierenheden. Het is de psalm, waarin de kleine mens verrjikt is van Gods trouw en goedheid en gunst aan Zijn kinderen. Het is een psalm, waarin het de mens te machtig wordt en waarin het er uit moet, dat alle mensen als niets zijn en stof en as, maar dat God te prijzen is, eeuwiglijk te prijzen, van geslacht tot geslacht. Hier wordt niets meer gevraagd van God, hier worden geen zorgen meer voorgelegd en geen tranen meer, maar dank en ere.

En nu ziet de psalmist, op wat de Here zo doet in het leven van ieder van Zijn kinderen. Hij geneest er een van ziekte. Hij, die het recht had, om ons te doen naar onze zonden, heeft ons uitgered. Hij heeft da zonden vergeven, en ze niet willen gedenken.

En die wonderbare genade, die vergevende, souvereine genade heeft de Here betoond in het verleden, toen Hij Zijn kerk uitleidde. De historie van Gods volk is één bewijs van Gods ontfermingén, aan zondaren bewezen. De Here heeft alle eeuwen en alle' tijden aan Zijn volk op het gebed die mannen gegeven, die nodig waren voor de kerk in die bepaalde tijd. De Here heeft al zijn profeten weer anders toegerust, met gaven en krachten, die vereist werden voor de taak die zij hadden te vervullen te midden van een krom en verdraaid geslacht.

En de Here heeft in Israël Mozes zijn wegen bekend gemaakt en toen het volk van de Here afviel en het ergste te vrezen was, toen heeft de Here, op.

Mozes' bede: „Here, maak mij toch Uwe wegen bekend" gezegd: „Ik ben barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Ik ben een vergevend God. Ik zal niet met u blijven twisten, maar u weer opnieuw uitleiden, zoals ik dat zoveel malen gedaan lieb".

En we willen letten op deze woorden. En we zullen niet, als we Psalm 103 lezen of zingen, alleen maar zingen van Gods grote daden toen, maar ook van de grote daden, die Hij gedaan heeft a a n o n s.

Wie zal ooit kunnen zeggen, wat de Here ons voor verlossing gegeven heeft in de laatste 25 jaren, toen we geruisloos, bijna onmerkbaar, afgleden van het pad zijner geboden? Als kinderen naar een afgrond speelden de meesten van ons verder. We zagen het niet meer. Als de Here er niet was geweest, als Hij de grojte schuld van de kerk, dat is: van ons, niet vergeven had, we waren vergaan. Toen heeft de Here onze zonden niet willen gedenken, Hij heeft Zijn verbond gedacht en Hij heeft profetische figuren verwekt. Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen heeft de Here zich ontfermd over degenen, die Hem vrezen. Hij heeft de gebeden verhoord, van de getrouwen, die geroepen hebben, of er toch in de kerk Reformatie mocht komen.

En nu zullen we ook niet zwijgen bij het graf van Prof.' Schilder over wat de Here in hem heeft willen geven. Onze broeder is door de Here verwaardigd om Zijn strijd te strijden. Er is van dit leven heel veel te vertellen en als we bij elkander gaan staan en we gaan spreken uit de volheid van ons gemoed over hem, en wat hij voor ons is geweest, dan praten we de dag en de nacht vol en dan is er geen einde aan onze gedachten en woorden.

Maar we zien hem nu alleen maar als de knecht, de reformator, door de Here geroepen met wonder- Ujke gaven, maar die hij moest hebben, om Zion te kunnen verlossen.

De strijd ging niet meer als onder Kuyper tegen machten, als modernisme en liberalisme, waar de tegenstellingen zo duidelijk waren. Neen, de valse profetie kwam in de kerk, bijna niet aanwijsbaar, bijna niet afwijkend van de waarheid. Hét Barthianisme sprak dezelfde woorden, en was bijna niet te onderkennen. Voor zo'n gevaarlijke tijd heeft de Here aan Ziin kerk een figuur gegeven als Prof. Schilder. Een broeder met een glinsterend intellect; met een vermogen om de valse profetie bloot te leggen, tot in haar diepste af^htergronden. De Here heeft deze mem gegeven een grote kracht naar het. lichaam, om de strijd vol te houden, een geestelijk volhardingsvermogen en bovenal grote liefde tot het gewone volk, om rusteloos te

blijven schrijven tot iedereen het zag of kon zien. En we danken de Here op het ogenblik voor meer, wat we in hem mochten ontvangen. Om deze strijd te strijden, om Gods volk weer bijeen te vergaderen, om het woord des Heren en om des Heren beloften, was nodig enerzijds een mens, die ook in de eritiekste ogenblikken die taaiheid aan dé dag legde, om niet toe te geven, geen concessies te doen, om scherp te blijven staan bij de waarheid en de waarheid alleen en anderzijds een mens, die in staat was, het volk samen te binden, door heel zijn geschrijf het volk 'van God te doen verstaan: ik strijd uw strijd, ik strijd voor u en uw kinderen en voor de oude waarheid.

En nu we hem gaan uitdragen naar zijn laatste rustplaats, zeggen we het, hoorbaar en duidelijk, en we mogen het zeggen in gebed: „Here, we danken Uw genade. Hij heeft het volbracht. Hij heeft zijn kerk als eens Mozes uitgeleid. Als ge in Uw grote goedheid ons een dergelijke mens niet gegeven had, we waren vergaan".

Maar dan gaan we ook weer van hem af. We worden zo spoedig bang, om in de buurt van Psalm 103 te veel te spreken over een mens, ook al eren we hem als een gave Gods.

Van de mens wordt daar gezegd: de dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij: Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.

Wat is ook een groot mens, wat zijn alle gaven en krachten, en fonkelende vernuften, en de schittering, van het genie, als het na een enkele, snerpende gil in huis, tot één grote ruïne kan worden.

Waar is de wetenschap, waar al zijn kennis, tot in de détails toe? Hij ligt daar nu stil! Hij gaat daar naar zijn laatste rustplaats! Om daar te wachten op de bazuinen van de jongste dag, de dag, die hij verbeid heeft met groot verlangen.

Straks zullen onze kinderen heel veel van hem vergeten, heel veel bijzonderheden. Niet alles! Dat bidden we God al! Niet alles! Blijven zal, wat Hij ons verkondigd heeft uit het Woord van God.

Alle heerUjkheid is als een bloem des velds. Ach ja! Een vergeeld portret, vergeelde folianten. Ach, wij willen daar niet aan. Maar men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer.

Maar dan: Maar 's Heren gunst zal over die Hem vrezen zijn van eeuwigheid tot eeuwigheid.

O, ik weet het wel, wat er in ons aller hart leeft. Ge protesteert tegen wat ik zeg en ge zegt: Nooit zullen we vergeten, nooit zullen onze kinderen hem vergeten, wat hij voor ons is geweest. Hij zal ons blijven samenbinden, ook nadat hij gestorven is. Onze wapenbroeder: we zweren hem in deze ogenblikken trouw!

Neen, broeders. Schilder bindt niet samen en de dood van Schilder bindt ons niet samen, ook al staan we hier met ogen, omfloerst van tranen.

De dood van Christus bindt samen. Zijn lijden en sterven. En als het dat niet doet, wat zal ons redden ?

We loven hier geen instrument, maar de Here, de Koning der koningen, die ons samen bindt en samen houdt gehecht door Zijn woord alléén.

En willen we hem eren, die van ons heengegaan is, die veel heeft moeten üjden, dan doen we dat om nog dieper te buigen voor het woord van de Christus, om nog te meer dat woord te prediken en te betrachten, om het door te geven als Gods ordinantiën voor héél het leven.

En laat dit dan het laatste zijn, en laat dit in onze ziel gebrand worden, laten dit onze woorden zijn; als we het graf achterlaten:

„De Here heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn koninkrijk heerst over alles. Looft de Here, zijn e n g e l e n gij krachtige helden, die zijn woord doet, gehoorzamende de stemzijns

w o o r d s ! Looft de Here, al zijn heirschar e n, g ij, z ij n dienaars, die z ij n w e 1- b e h a g e n d o e t !

Loof/ de Here, al zijn werken, aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof de Here, mijn ziel.

Hierna werd door de saamgekomenen gezongen uit Psalm 103, de verzen 8, 9, 10 en 11.

Een diep ontroerend moment was het, toen het orgel in de aula deze zang begeleidde. Immers was het dit instrument, dat op initiatief van de overledene was geplaatst en waarvoor hij zelf de gelden via zijn blad bijeen trachtte te brengen.

Wie had vermoed, dat dit orgel in gebruik zou worden genomen bij juist deze droeve plechtigheid? Het werd bespeeld door de student C. J. Smelik.

SAMENKOMST IN DE NIEUWE KERK.

In de Nieuwe Kerk werd de bijeenkomst der samengestroomde menigte geleid door Ds G. Visée van Kampen, alwaar het kerkorgel bespeeld werd door student H. Pool.

Aan het begin van de samenkomst in de Nieuwe Kerk liet Ds G. Visée zingen van Psahn 130 de verzen 1 en 4. Daarna las hij Psalm 103 en sprak ongeveer als volgt:

Geliefde broeders en zusters,

Nademaal het de HERE behaagd heeft onze broeder Dr Klaas Schilder uit ons midden weg te nemen staan we thans gereed hem te. volgen op zijn laatste tocht door de? e stad.

Ik heb U voorgelezen Psahn 103. Ik kan mij voorstellen dat bij een enkele onder U de vraag opkwam: Waarom deze psalm? Dit is toch een psalm die wij zo gaarne lezen op een verjaardag, een gedenkdag, bij een jubileum! Maar nu, op een dag van rouw? En toch: juist op een dag als deze lezen we Psahn 103. Waarom zouden we op een dag als deze de HERE niet loven? „Looft de HERE, mijn ziel, en al wat bmnen in mij is, zijn heilige Naam!" Want juist in deze psalm staat het enige dat ons in ons verdriet troosten kan: „Die al uw ongerechtigheid vergeeft." Dat heeft de HERE ook aan onze broeder gedaan: hem al zijn ongerechtigheid vergeven. „Want daar is geen onderscheid; want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods." Maar dat andere is ook waar: „Zij worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, die in Christus Jezus is". Looft de HERE,

En dan volgt daar dat andere: , , Die al uw krankheden geneest; Die uw leven verlost van het verderf. Die. u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden". Is dat wel waar? Ja, want straks komt de dag van de wederopstanding der doden. Dan komt met de ganse kerk ook onze broeder weer. In heer­ Ujkheid. Dan genezen. Verlost van Het verderf. Daarop mag hij thans wachten bij de Here Jezus. Op zijn volkomen verlossing. En daarom: Looft de HERE. Die volkomen verlossing is er nu nog niet. Want ook over hem is bevestigd , het Woord Gods: „De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij; als de wind daarover gegaan is, zo is hij niet meer en hare plaats kent haar niet meer."

WaarUjk, er is geen onderscheid. Tóch: God de HERE had onderscheid gemaakt. Hij had aan onze broeder Schilder zo onnoemelijk veel gegeven. En in hem aan Zijn kerk. En nu heeft de HERE hem weggenomen. Nu moeten we zonder hem verder. Ons ver­

driet is zo groot. Kan het, zonder hem? Broeders en zusters, in de dagen vbor de vrijmaking werd er een samenkomst gehouden waar verschillende broeders bijeen waren om te overleggen, wat er na de schorsing van Prof. Dr K. Schilder nog gebeuren kon. Toen sprak één van de vooraanstaande mannen in den lande: Prof. Schilder kan voor zijn werk de Gereformeerde Kerken niet missen. En de Gereformeerde Kerken kunnen Prof. Schilder niet missen. Daarom moeten we pogen die beide voor elkander te behouden. Toen stond een ander op en zei: Of

Prof. Schilder de Gereformeerde Kerken missen kan interesseert mij op dit ogenblik niet in de eerste plaats. Eü of de kerken Prof. Schilder missen kunnen wanneer Prof. Schilder er morgen niet meer mocht zijn? Dan zal de Zoon van God wel voortgaan Zijn kerk te vergaderen. Maar dan ligt er nog steeds een zaak, een rechtzaak, die om antwoord roept.

Aan die woorden heb ik vaak gedacht in de laatste dagen. Aan Zondag 21 van de Catechismus: Dat de Zoon van God Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord .vergadert, beschermt en onderhoudt. Dat zal de HERE doen. Ik zeg dat niet om de last van uw verdriet van u af te nemen. Het is zo erg. Maar om u te troosten: „De goedertierenheid des HEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen; aan degenen, die Zijn verbond houden en die denken aan Ziin bevelen om die te doen." Dat is het wat God de HERE, gelijk altoos, ook nu in de toekomst van ons vraagt: Zijn verbond houden. Dat is: Al onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelf in Christus Jezus, de enige Heiland en Zaligmaker zoeken. En door dat geloof denken aan Zijn bevelen, niet om daar over te twisten en te disputeren, maar om die te doen.

Dat is het, wat ons samenbindt.

Het leven van Prof. Schilder heeft ons ten diepste niet samenverbonden. Zijn dood zal het ook niet doen. Het enige wat ons samenbindt en samenbinden zal is de dood en de opstanding en dus het leven van onze HERE Jezus Christus.

Op Hem is onze hoop.

Op Hem alleen.

En Hem dankend voor wat Hij ons gaf in het kostelijk instrument, dat Prof. Schilder was, zeggen we: „Looft de HERE, Zijn engelen, gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords".

Maar wanneer wij in deze ure de engelen Gods opwekken om de HERE 'te loven dan mogen we wel

niet vergeten de bede, die de Here Jezus Cliristus ons geleerd heeft: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Het gebed, dat héél ons leven het merk mag dragen van het leven van Gods heilige engelen. Neem dat mede, broeders en zusters, naar uw steden en dorpen, naar uw kerken, kleine en grote: Dat elk zijn ambt en beroep zo gewillig en getrouw moge uitrichten als dat de heilige engelen in de hemel doen.

Daar in de hemel mag van zijn vele werk onze broeder Prof. Dr Klaas Schilder thans rusten van de arbeid.

Looft de HERE. Daarna liet Ds Visée zingen Psalm 131 vers 4:

Dat Isrel op de HEER vertrouw, Zijn hoop op Gods ontferming bouw En stil berust' in Zijn beleid. Van nu aan tot in eeuwigheid.

Vervolgens ging hij voor in gebed en groette hij de aanwezigen met de wens: God geve ons bij het uitdragen van onze broeder Schilder hem een goede en christelijke begrafenis tot eer van Zijn Naam, te mogen bereiden.

DE LIJKSTOET.

Om drie uur in de middag werd de overledene uit zijn woning uitgedragen. Op de kist werd meegevoerd de baret van de overledene en het corps-lint, dat de overledene droeg als erelid en comilito van het Studentencorps F.Q.I., waarmede symbolisch tot uitdrukking kwam de hechte band, welke er steeds tussen de Hoogleraar en zijn studenten bestaan had.

De stoet begaf zich hierna met de familieleden naar de Theologische Hogeschool aan de Broederweg, de laatste gang van de weg, welke de overledene zovele malen gegaan was, en aldaar stond de lijkauto enige tijd stil voor de ingang van dit gebouw, als een laatst vaarwel aan de school waaraan Prof. Schilder met hart en leven verbonden was geweest.

Achter deze lijkstoet begaven zich daarop de genodigden in de aula, in de volgrijtuigen, in totaal 23 auto's, terwijl achter deze auto's zich aansloten de duizenden uit de Nieuwe Kerk en zij die zich reeds langs de straten van Kampen hadden opgesteld. (Volgens de politie 4000 in totaal). Hierachter volgden nog 29 particuliere auto's waarmee de stoet gesloten werd.

OP DE BEGRAAFPLAATS.

OP DE BEGRAAFPLAATS. Dank zij de uitstekend georganiseerde regeling, welke de Pedel der school, de heer J. Bos, in overleg met de stadspolitie getroffen had, kon de lange stoet in volkomen rust en ongehinderd de nauwe straten van de stad verlaten en de IJselbrug overtrekken.

Bij de aankomst op het kerkhof waren daar reeds vele belangstellenden. Onder de vele aanwezigen rondom de groeve waren o.m. de burgemeester van IJsselmuiden, de heer C. A. van Engelen, enkele wethouders van Kampen, Prof. Dr D. H. Th. Vollenhoven, de uitgevers van de werken van de overledene, de heer Kok van Kampen en Smit van Oosterbaan & Le Cointre N.V. te Goes. Voorts Ds J. H. Velema, Christ. Geref. predikant te Zwolle.

In de aula van het kerkhof werd de baar, gedekt met de bovengenoemde attributen van de overledene, door studenten van de Hogeschool overgenomen en gedragen naar de groeve, alwaar de overledene aan de schoot der aarde werd toevertrouwd.

Hierna las Ds Bouwsma hoofdstuk zeventien uit het Evangelie naar de beschrijving van Johannes en bad met de menigte het gebed des Heren.

De oudste zoon van de overledene. Mr P. A. C. Schilder, dankte met een enkel woord allen, „die met de familie aan deze groeve de gemeenschap der heiligen hadden beoefend" en van hun grote liefde tot de overledene hebben blijk gegeven, en ook deze dag hebben willen maken, tot wat steeds de innige wens van de overledene is geweest, een dag waarin de God van zijn leven verheerlijkt werd.

Hierop keerde de stoet terug naar de auta der Hoge­ school, alwaar gelegenheid werd gegeven de familieleden van de overledene te condoleren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

PROF. DR SCHILDER UITGEDRAGEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

PDF Bekijken