GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De eerste Bede.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De eerste Bede.

17 minuten leestijd Arcering uitzetten

ZONDAGSAFDEELiNG XLVIII.

Want de Heerc is onze Rechter; de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning; Hij zal ons behouden. Jesaja 33 : 22.

II.

De beteckenis van «Koninkrijk der hemelen" is, dank zij ons vorig opstel, reeds genoegzaam ontsluierd. Er is geen koninkrijk, tenzij er een koning zij, en daarona kan er niet van »Koninkrijk der hemelen" gesproken worden, als bedoelden we hiermee een idealen toestand in de toekomst, zonder daarom nog den levenden God te belijden. Die Koning is hier veeleer uitgangspunt, en. wie in den levenden God dien Koning niet eert, mist elk recht van dit hemelsch Koninkrijk te spreken. Dit Koninkrijk heet »Koninkrijk der hemelen", niet omdat het hemelsche denkbeelden verwezenlijkt of ook een hemelsch doel heeft, maar omdat het nu reeds feitelijk in de hemelen bestaat. Het is een Koninkrijk dat niet nog pas moet opgericht, of welks opkomst we in de toekomst wachten, maar een Koninkrijk dat er is; dat van den aanbeginne af bestond; dat nooit weg is geweest; en eeuwig zal blijven. Oorspronkelijk is dit Koninkrijk zelfs volstrekt niet alleen in de hemelen geweest, maar evengoed op aarde. In het paradijs, vóór den val, was God op aarde Koning, Hij alleen, en do(? r den mensch was alle creatuur vrijwillig en volkomen aan dien Koning onderworpen. Maar dit Koninkrijk is op aarde verstoord en van deze aarde gebannen, toen de mensch, en door den mensch, heel deze schepping, van God afviel, en er in stee van gehoorzaamheid, opstand heerschte. Die geest des opstands was wel niet uit de aarde zelve voortgekomen, maar opgekomen uit de diepte van Satans macht; maar het resultaat was één: vrijmachtig had de mensch zich aan het Koninkrijk van God onttrokken, het Koninkrijk van God van deze aarde verbannen, en gewild dat God geen Koning meer over ons en het onze zijn zou. Veel liever dan nog Satans heerschappij ingehaald, dan dat deze heilige God Koning over ons zijn zou. Van zijn onderdanen werden we zijn afvalligen; Hij werd ons een wederpartijder; we dienden Hem niet, maar leefden tegen Hem in vijandschap en openlijk verzet.

Intusschen, omdat het Koninkrijk van God van deze aarde verdwenen was, daarom hield het niet op te bestaan. Immers het bestond niet op aarde alleen, maar ook in de hemelen, en in de hemelen bleef het. Vandaar dat na den val in het paradijs, dat Koninkrijk van God, dat eerst een Koninkrijk over alles was, nu werd een Koninkrijk, bepaald en beperkt tot de hemelen, en dat daarom de naam van «Koninkrijk der hemelen" tengevolge van de zonde ontving. Omdat het nu in de hemelen bastond, en uit de hemelen alleen weer in deze wereld kon indringen, daarom wordt het ook wel «Koninkrijk van God", of «Koninkrijk van Christus" genoemd, maar is toch de meest constante formule, waarmee het zich aankondigt, deze: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

Om in deze bede wel in te dringen, blijft hierbij echter nog één belangrijk punt aan te stippen. De vraag rijst namelijk: aarom heet dit Koninkrijk pas in Johannes' dagen naderbij te komen, niettegenstaande er toch van alle eeuwen af geloovigen waren geweest, die vóór en na den Zondvloed onder Abrahams voorgeslacht en nageslacht, den eenigen waren God hadden aangeroepen? Het antwoord op deze vraag schuilt in het begrip van het Koninkrijk, of wil men nader, in het begrip van het rijk. Enkele geloovigen maken nog geen rijk uit. Ook al vermeerdert hun aantal eenigszins, daarom vormen ze nog geen koninkrijk. En wat in Israël bestond, was wel een rijk in schaduwen, een symbolische teekening van wat, als het rijk kwam, openbaar zou worden; maar juist omdat het schaduwbeeld was, kon het het wezenlijke rijk zelf niet zijn. Het rijk, het Koninkrijk der hemelen, komt en nadert dan eerst, als de reëele kiem waarvan de saambindende kracht voor het rijk als rijk zal uitgaan, in de werkelijkheid van dit leven ingaat, en dit is eerst door en met de Vleeschwording des Woords geschied. Van die ure af is het groote proces begonnen, dat aller eeuwen historie beheerschen zal, en dat strekt, om ten eerste het Kindeke van Bethlehem als Koning der koningen een rijk te doen stichten en in stand houden en uitbreiden ; en om in de tweede plaats, is dit groote werk eens geheel volbracht, na den oordeelsdag, dat rijk aan God den Vader weder te geven, opdat God als vanouds weer zij alles en in allen. Uit dien hoofde verwijst dan ook de Heidelbergsche Catechismus na; : die heerlijke toekomst, als het in het slot van het antwoord heet:11 totdat de volkomenheid tcw's Rijks toekome, ivaarin Gij zijn zult alles in allen." Zoo ziet men, hoe onjuist het is, om het Koninkrijk der hemelen te zoeken in schoone denkbeelden van wat lieflijk is en wel luidt. Neen, het Koninkrijk der hemelen is een tastbare werkelijkheid, die op aarde geweest was in het paradijs, vjn deze aarde verbannen was door de zonde en den vloek, en die, met Christus uit de hemelen teruggekomen, van zijn kribbe en kruis af begonnen is, om op aarde v/eer feitelijk tot macht te konieh.

In de verzoeking in de woestijn, gaat dasrom een der drie pleitgedingen over de koninkrijken der aarde. Satan is er zich bewust van, dat de koninkrijken der aarde nooit zouden ontstaan zijn, indien de zonde de menschheid niet had gesplitst én gedeeld, en alzoo aan God als Koning onttrokken. Even weinig als er velerlei koningen in de eeuwigheid denkbaar zijn, maar inde eeuwigheid alleen God Koning kan zijn, zoo zou ook op aarde God alleen éénig Koning over heel ons menschelijk geslacht gebleven zijn, indien de mensch niet van Hem was afgevallen. Alle koninkrijken der aarde zijn stichtingen, die haar wortel en oorsprong in de zonde vinden. let-s wat natuurlijk evenzoo geldt van alle republieken en andere staatsvormen, waarin bestuur en beheer over de volken door manschen gewettigd is. Na den Zondvloed moge God de Overheid gesanctionneerd en in zijn dienst getrokken hebben, maar dit doet niets te kort aan het feit, dat er, als het wél ware, niet één menschelijk koninkrijk zou mogen bestaan. Vandaar dat Satan zegt: Alle koninkrijken der aarde zijn mijne, en ik geefze aan wien ik wil. Maar ook weet Satan zeer wel, dat Christus, gekomen is, om alle andere koninkrijken te vernietigen en weer op te smelten in het ééne Koninkrijk van God, waarover hij voorloopig als Koning heerschen zal, tot het ten leste aan God den Vader wordt terugegeven. En zóó juist verklaart zich de zware verzoeking die Jezus juist op dit punt in de woestijn doorstond. De zaak was namelijk deze, dat het Koninkrijk dat aan God door den mensch ontrukt was, ook door een mensch weer aan God moet worden teruggegeven, en de mensch, die dit doen zal, is Christus Jezus. In de gevallen engelenwereld keert het Koninkrijk nooit terug. Want wel heerscht God ook in Satans gebied, en is ook de buitenste duisternis aan Hem onderworpen, maar niet als een rijk; want een rijk is een organisch geheel, een geordende saambinding, en in Satans gebied is niets dan uiteenspatting, geweld en verstrooiing.

Het geestelijk karakter van dit Koninkrijk, dat uit de hemelen terugkwam, en sinds bezig is zich te bevestigen, en dat eens weer in vollen luister schitteren zal, ligt nu juist daarin dat het een Koninkrijk is. De diepe gedachte van een Koninkrijk toch is, niet dat het door geweld saam wordt gesmeed, maar saam is gegroeid door 's Konings wet. In 's Konings wet moet de saambindende kracht van het Koninkrijk liggen, en dan eerst heerscht de Koning in idealen zin, als niemand gedwongen wordt zich te onderwerpen, maar zoo een ieder zich gewillig onderwerpt, uit lust gehoorzaamt, en in die gehoorzaamheid zalig is. Vandaar dat de Heilige Geest de stichting en bevestiging van dat Koninkrijk doorzet. Hij toch grijpt den mensch van binnen aan, maakt hem van binnen uit met zijn Koning eenswillend, en verwezenlijkt op die wijs dat ware eenige Goddelijke Koninkrijk, waarin God als Koning heerscht, zonder zweem van dwang of schijn zelfs van geweld. Eerst als deze Koning in al zijn onderdanen alles is, alles inheeft, en alles bestuurt, is het Koninkrijk der hemelen in zijn volkomenheid geopenbaard.

Ligt nu alzoo de zake van dit 9 Koninkrijk der hemelen", dan zult ge ook verstaan, wat de bede: »Uw Koninkrijk kome" inhoudt. Het is drieërlei: i". Regeer mij alzoo door uw Geest en Woord, dat ik mij langs zoo meer U onderwerpe. 2". Bewaar en vermeerder uw kerk. En 3°. verstoor de werken des Duivels. Drie beden, waarin de ééne bede om het Koninkrijk zich geheel natuurlijk en als vanzelve splitst. Ge behoort zelf tot dat Koninkrijk, maar moet er nog steeds meer en beter onderdaan van worden. Dat Koninkrijk wordt instrumenteel door de kerk op aarde gebouwd, en daarom moet die kerk bloeien en kracht oefenen. En eindelijk de komst van dat Koninkrijk wordt door Satan tegengehouden, en daarom moet het geweld van Satan verbroken worden. Als dit Koninkrijk van God dieper wortel schiet in het hart der geloovigen, als de kerk het krachtiger voortplant, en als Satans tegenstand gaandeweg meer gebroken wordt, dan, maar ook dan alleen zijn alle. voorwaarden vervuld, die de zekere komst v|m dit Koninkrijk in zijn volkomenheid wa^i'borgen.

En daarom bidt nu Gods 1 ind. D. w. z. Gods kind begeert dit Koninkrijk. Hij heeft er lust aan. Hij treurt als het toeft. Hij juicht als het komt en zich uitbreidt. En wijl-hij weet, hoe weinig hij zelf hiertoe aandroeg, ja hoe hij zelf het nog veelszins in zijn komst tegenhoudt, daarom neemt hij zijn toevlucht tot den almachtigen God, om van Hem af te bidden, dat Hij het krachtiger brenge en doe doordringen, in hem, door zijn kerk, en ten spijt' van Satan. Op het uitgangspunt valle 'hier dus volle nadruk. Wie het Onze Vader, en in dit Onze Vader de bede »Uw Koninkrijk kome" bidt, die heeft dat Koninkrijk lief, en diens hart gaat er naar uit; die roept het in; die begeert met heel zijn ziel, dat het moge komen, steeds rijker, steeds machtiger, steeds heerlijker, met steeds Goddelijker luister. Deze bede kan dus uit uw hart niet opklimmen, tenzij eerst in uw hart de vijandschap tegen God in liefde voor God zij omgezet. De onbekeerde, die hier nog tegenover staat, en nog in de duisternis wandelt, kan zoo niet bidden. Zóó bidden kan hij alleen, die uit het rijk der duisternis overgezet is in het Koninkrijk van den Zoon der liefde. Alzoo om voor het Koninkrijk te bidden, moet ge zelf tot dat Koninkrijk behooren, er zelf een deel van uitmaken, er in staan, er in leven. En is het nu zoo, dat ge er in overgezet zijt, en alzoo het Koninkrijk van God uiv rijk geworden is, zijn volk uw volk, en zijn Koning utv Koning, dan is ook in dat Koninkrijk uw vaderland, waaraan uw hart behoort, en dan bidt, dan smeekt ge het van uw God af, dat Hij dit heerlijke Koninkrijk steeds meer doe komen.

Doch juist in verband hiermee doelt die bede dan ook allereerst op onseelven. Immers de toestand is deze, dat in Gods kind zoolang hij op aarde is, nog tweeërlei macht blijft worstelen. Hij is overgezet in het Koninkrijk, maar in hem woelt en werkt nog inwonende zonde, die dat Koninkrijk niet bouwt, maar atbreekt, niet stevigt, maar verzwakt.

Onze overzetting in het Koninkrijk der hemelen geschiedt door de wedergeboorte; een genadedaad Gods waaronder we geheel lijdelijk verkeeren, maar die juist daarom nog enkel potentieel is. Dit wil zeggen, dat in de wedergeboorte wel alles naar het vermogen in ons vernieuwd wordt, maar nog geenszins naar de uitwerking in onze neigingen, ons verstand en onzen wil. Daardoor nu blijft levenslang en tot onzen dood toe, die moeielijke worsteling tusschen den ouden en den nieuwen mensch in ons standhouden. De nieuwe mensch is in het Koninkrijk, de oude mensch staat er, ook in onzen eigen persoon, nog tegenover. Zoo zijn we tweeslachtige wezens. Naar onzen nieuwen mensch heeft de Koning van dit Koninkrijk al onze liefde, maar naar onzen ouden mensch pogen we telkens nog dezen Koning te weerstaan, ons te onttrekken aan zijn wetten, en zijn heerschappij van ons af te wenden. Naar onzen nieuwen mensch roepen we al den dag en al den nacht: De Koning leve ! • maar naar onzen ouden mensch luidt jiog'altoos het booze roepen: We willen niet dat deze Koning over ons zij! Wie aanbidt, ook in het Onze Vader, is niet onze oude, maar onze nieuwe mensch. Het is onze nieuwe mensch die bidt tegen onzen ouden mensch, en daarom smeeken we dan: Regeer Gij ons alzoo door uw Geest en Woord, dat we ons allengs zoo meer aan U onderwerpen, en steeds meer ware onderdanen vz-nXj als onzen Koning worden mogen. Het is een bidden tegen ons zelven in. Een bang zijn voor zich zelf en van zich zelf. Een inzien, dat we op ons zelven niet vertrouwen kunnen. Dat we welbezien zelf nog onze eigen vijand zijn. Dat we dus hooger bescherming tegen onszelven noodig hebben; en nu tot God de vlucht nemen, of Hij ons door zijn Geest en Woord tegen ons zelven beschermen wille, van onszelven wille aibrengen, en over onszelven doen triomfeeren.

Het wezen der zonde is, dat we ons zelven willen regeeren; daartoe Gods regiment over ons verwerpen, en een eigen koninkrijk voor ons zelven pogen op te richten. En dit gif der zonde werkt zoo fataal, dat Gods kind zelfs uit de dingen des Koninkrijks niet zelden zich een eigen koninkrijk poogt te vormen. Een eigen koninkrijk zoekt ons zondig hart uit alles te maken. Van zijn denken, van zijn gemoedsleven, van zijn huisgezin, van zijn beroep en invloed in de maatschappij, van zijn geld en van de eere die hem geboden wordt. Iij dat alles poogt hij van nature zelf te regeeren, zelf koning te zijn, zelf heer en meester te wezen. En is hem dit gelukt, dan is die kring, dat gebied, dat erf, waarover hij zeggenschap heeft, zijn kleine Babyion, dat hij zich gebouwd heeft, en waarop hij zich alsdan verheft. Eïi deze drang nu, woelt zóó gevaarlijk op den bodem van zijn hart, dat Gods kind, ook als hij heel zijn leven opzettelijk in den dienst des Koninkrijks mag besteden, zich vaak zelfs dan niet ontziet, om ook uit de dingen zijns Gods een koninkrijk voor zich zelven te maken. Hoor maar de klacht uit de historie aller eeuwen over voorgangers der gemeente, die uit hun dienst, uit hun prediking, uit hun ijveren en uit hun toewijding toch weer' eigen roem, streeling van eigen eer, verheffing van eigen naam en positie zochten. Zie het aan zoo menigeen, die ook in lager ambt geplaatst, toch op dit ambt zich verheft, en er niet zijn God maar zichzelven in zoekt. Raadpleeg eens onze oude regentenkamers in weeshuizen en stichtingen voor ouden van dagen, en vraag u af, wat die wapenschilden aan den wand u anders zeggen, dan dat deze regenten in hun trots den Regent in de hemelen vergeten hadden. En thans, nu de philanthropie vrijer vormen aannam, zie ook nu maar rond, hoe menige stichting den gelukkigen stichter tot zelfverheflSng en hoogheid gebracht heeft. Altoos weer dat kleine Babyion, dat Babyion dat ik gebouwd heb.

En daarom nu komen er in het leven van Gods kind oogenblikken, dat de Heilige Geest hem deze zonde ontdekt, hem deze zonde verwijt, en er hem van afmaant, en innerlijk in zijn ziel het stil verlangen opwekt, om van elk eigen regiment af te worden gebracht, om alleen door zijn God geregeerd te worden. Eerst, wil elk onzer zelf regeeren, maar de Heilige Geest doet ons het schoon en zoet inzien, van geregeerd te worden. »De koningen der aarde voeren heerschappij, maar alzoo, zei Jezus, zal het onder u niet zijn. Veeleer die aller dienaar zal wezen is aller heer." Dat gelooft men dan eerst niet, daar wil men dan niet aan. Maar nu komt de Heilige Geest ons overtuigen, en doet ons inzien en beseffen, dat door God geregeerd te worden, zooyeel hooger staat, zooveel rijker is, en zooveel gelukkiger maakt. Eerst wil men niet dat God over ons regeere, men kant er zich tegen aan, en sticht zijn eigen regiment. Maar als de Heilige Geest ons nu doet inzien, hoe, zoolang wij aan het roer stonden, het scheepke al meer afdreef, al meer lek sloeg, en al ernstiger gevaar loopt, om te zinken of op de rotsen te stooten, dan komt ongemerkt het oogenblik, dat we zelf bang worden, om die roerpen langer in eigen hand te houden, en naar God opzien, of Hij weer het roer van ons scheepke mocht hernemen. God, ik kan niet regeeren, ik bederf, ik verstoor het al, o, kom Gij weer tot mij, en regeer Gij in mij, regeer Goddelijk in mijn binnenste, en richt mijn wegen door uw Geest en door uw Woord. En als het ons dan gebeuren mag, dat God de Heere die bede verhoort, en we' merken dat het scheepke weer koers krijgt, dat het vooruitkomt, en dat kennelijk de adem des Heeren in de zeilen blaast, dan dankt en jubelt onze ziel in ons, zoo zalig als de ervaring is, om door onzen God geregeerd te worden.

Ook hierbij echter zij geen misverstand. Er zijn namelijk niet weinig vrome en teedere kinderen van God, die smachten naar een louter mystiek regiment van hun God over kun bestaan en hun daden. Ze bidden, of God hen leiden en regeeren wil, en nu gaan zij stil huns weegs in het zoet vertrouwen, dat nu de leiding ook wel komen zal, en zooals het dan loopt, zoo wanen ze dat God hen dan geleid heeft. En zeker hier ligt een waarheid in. Er is ook een voorzienige leiding van ons levenslot, een voorzienige leiding van onzen gang op ons levenspad, en ook is er een alomtegenwoordige nabijheid onzes Gods, waardoor we innerlijk naar het ééne getrokken, en van het andere afgetrokken worden. Zelfs in onze. droomen, door onze ontmoetingen, door een opgevangen indruk kan God de Heere onzen gang besturen. Ja, arm is het geestelijk leven van Gods kind, dat nooit de merkbare teekenen van deze leiding zijns Gods bespeurd heeft. Maar, en hierop dient gelet, leiden is iets anders dan regeeren. Er is zeer zeker ook een mystieke, wondere leiding in het leven van Gods kind, maar afgescheiden hiervan is het regeeren. Wie geregeerd wordt komt als onderdaa^i voor, en heeft als onderdaan zijn God te gehoorzamen. En dit regiment nu gaat, naar den aard van elk regiment over rnenschen, door een geopenbaarden wil, door een ons kond doen van zijn wil, opdat wij dien wil, zonder tegenstreven, volbrengen zpHden. Op dit [laatste pynt gaan , we, hier nu nog..niet in. Dat komt eerst bij de volgende bede ter .sprake. Hier wordt nog niet gehandeld van de kracht waardoor we gehoorzanicn, maar alleen van de regeering onzes Gods in ons hart. EJI daarom wijst de Catechismus zoozeer terecht in de eerste plaats op het geregeerd worden door het Woord en eerst in de tweede plaats op het geregeerd worden door den Geest. Geen dwaselijk mijmeren, wat de Koning toch willen zou, als de Koning ons zelf in zijn Woord zijn wi\ geopenbaard h^efi. En daarom »tpt dat Woord en het Getuige--? iw" blijft ook hier de trekking der ziel; anders kan er geen betere dageraad over ons opgaan. Nu kan dat Woord buiten ons liggen, dat het ons niet toespreekt in zijn Goddelijke autoriteit en majesteit. Het kan dood voor ons zijn, dat het ons niet aangrijpt en niet in de ziel dringt, als de over ons heerschende wil van onzen God. En wat niu het kind van God hier afbidt, is juist, dat het zijn God genadiglijk believen m^ge, hem dat Woord met zooveel gezag en zulk een overwinnende autoriteit in de ziel in te prenten, en het in de ziel door den Heiligen Geest zóó krachtig en levendig te maken, dat hij werkelijk in dat Woord den teugel gevoelt, waarmee zijn God zijn gang en al zijn schreden op den leyensw^ bestuurt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 januari 1894

De Heraut | 4 Pagina's

De eerste Bede.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 januari 1894

De Heraut | 4 Pagina's