GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen

6 minuten leestijd

VAN DE OUDEN VOOR DE JONGEN.

II.

Dat de jeugd in die tijden dikwijls niet beleefd was en zich onbehoorlijk gedroeg, blijkt wel uit de vele moeite die gedaan werd, om haar anders te maken. Tegenwoordig valt er ook-over vele kinderen in dat opzicht meer te klagen dan te roemen, maar vóór eeuwen hadden zij althans ook een slecht voorbeeld in vele ouderen.

Dit wordt duidelijk als men leest welke vermaningen aan de menschen moesten worden gegeven. In een Nederduitsch boek dat »Tafelregel'l heet staat: sMen moet de kersen niet met de pitten opeten. Ook mag men niet met de handen zout liit het vaatje nemen." Men moet daartoe, zegt een non, in een boek uit het jaar 1471, het mes gebruiken. Doch een ander schreef: »Ik heb nog liever de hand dan het mes van een gast. Want misschien heeft hij met dat mes pas een kaas »gevild".

Dat nu de gasten soms heel raar deden leert een oude kroniek die vertelt van eenige nog wel aanzienlijke heeren, die bij een feest, kersen etende, elkaar de pitten naar 't hoofd wierpen. Maar, zegt de man die 't verhaalt er bij: Deze geschiedenis heb ik alleen vermeld en aangehaald opdat de nakomelingschap mocht zien, hoe vertrouwelijk en vriendelijk onze voorvaders elkaar behandelden."

Nu, daar is wat van waar, maar toch zou ik memand raden om, als' hij eens een leest bijwoont, die vertrouwelijkheid nu na te doen Want deze of gene kon zoo'n beschieting met kersenpitten wel eens kwalijk nemen.

Er gebeurden echter wel erger dingen. Wat b.v. moest men doen als een stuk vleesch op den grond valt ? Iets ter waarschuwing, en wat men niet moet doen leest men in het verhaal van een domheer, die naast den bisschop aan den maaltijd zat, toen er een stuk vleesch viel. De domheer greep zijn mes en wilde het stuk daarmee haastig oppikken. Maar ongelukkig stiet hij zóo driftig toe dat hij den bisschop in den voet stak. Zoo had hij dan toch vleesch geraakt, maar het verkeerde.

Een andermaal komen eenige heeren van de o jacht en zetten zich aan tafel. Ook nu viel een w stuk vleesch wat nog al dikwijls scheen te ge­ w beuren. »De honden! de honden!" roept de o gastheer, bevreesd dat die beesten, welke in de L zaal rondliepen het gebraad zouden pakken. «Maak u niet ongerust" sprak toen een der e heeren, > ik heb er mijn laars op gezet."

Nu, als 't zoo aan tafel toeging, dan begrijpen we ook dat de menschen moesten vermaand worden om »als ze uit een fiesch drinken niet te slurpen." Ja zelfs staat er: »Men moet den mond niet met het tatellaken of met de hand afvegen, niet als een dier met groot geluid eten en ook het brood bij 't afsnijden niet tegen de borst drukken."

Soms echter was de raad lang niet fraai, b. v. in een boek uit het jaar 1492 leest men: »Als gij met iemand een visch deelt, geef hem dan het stuk, waar een graat in zit; hij denkt dan het grootste te hebben en heeft toch niet het beste". Ook slim, maar nog zoo kwaad niet, is_ wat het Nederduitsche boek zegt: »AIs gij niet bij den wijn kunt die op tafel staat, vraag er dan niet bepaald om, maar zeg iets, dat er aan doet denken, b. v. »Wat zijn die visschen toch gelukkig; zij kunnen altijd hun dorst lesschen". Toch is, dunkt mij eenvoudig, bescheiden vragen beter. In hetzelfde boek staat, dat men altijd wat op zijn bord moet laten liggen. Denkelijk voor de kat of voor de hond.

Tegenwoordig zullen wijze en geleerde mannen l zeker wel geen boeken schrijven over de beleefdheid en welvoegelijkheid; doch vroeger wel. Erasmus, die toch tot de grootste geleerden van zijn tijd behoorde, schreef zulk een boekje voor g prins Hendrik van Bourgondië, om hem te leeren hoe een vorst zich dient te gedragen. w Daarin staat b.v.:

fBij tafel moet men met ontbloot hoofd zitten, althans zoo 't landsgebruik dat niet verbiedt. Men moet voor zich hebben rechts van het bord, het glas en het mes; links het brood. Dit mag men niet breken, maar moet het snijden." Verder staat er ook nog in: sDe vingers in de soep te doopen is zot."

Heel natuurlijk, zouden we zeggen, maar 't was toen een tijd, waarin men zelfs nog moest voorschrijven: «beenderen en overgebleven spijzen, mag men niet op den grond werpen" en dergelijke dingen meer.

(Wordt vervolgd).

De barmhartigheden des goddeloozen.

Barmhartigheid te bewijzen is een kunst, die niet iedereen verstaat. Oordeel zelf, of boer Jansen die kunst verstond.

Jansen kreeg op een kouden regenachtigen winterdag bezoek van een armen dorpsgenoot, die hem, behalve een boodschap van den burgemeester, zonder bijbedoeling zijn eigen nood bekend maakte. Jansen hoorde stilzwijgend het verhaal van den ongelukkige aan, en iging daarna met hem naar den stal, waar hij bij een hoopje stroo bleef staan. In dat stroo lag een kalf van nog geen dag oud. »Dat kalf wil ik u geven, " sprak de boer, > als 'tu de moeite waard is het mee te dragen naar huis, want een mensch moet leeren door inspanning van krachten te bekomen wat hij noodig heeft." De arme dorpsgenoot hoorde vreemd op, bedacht zich even, en nam het kalf met dankbetuiging aan. Het beest werd hem om den nek gehangen met de pooten op zijn borst aaneengeregen, en met dien warmen halsdoek stapte hij onder smakelijk lachen der knechts de deur uit en het erf af.

Het was reeds donker; het pad was glibberig en een half uur lang. Het kalf richtte nu en dan den kop op, om te balken, en door deze beweging verloor de man soms het evenwicht en stond bijwijlen op handen en voeten. Met veel moeite bereikte hij eindelijk zijne woning. Hij kon geen woord spreken, toen hij binnenkwam, zoodat zijne vrouw niet weinig verschrikte, toen ze in plaats van de stem haars mans, het geluid van een kalf hoorde. De kinderen werden wakker, en konden vooreerst den slaap niet meer vinden. Toen allen van den schrik en de vermoeienis bekomen waron, dankten ze den goeden God, die den man bewaard en gesterkt had, en in hunne nooddruft had voorzien. Wat dunkt u van de liefddadigheid van boer Jansen ?

F.

J. B.

CORRESPONDENTIE.

A. U. Hoplieten is volstrekt geen drukfout voor: »hoplieden." Hoplieten waren bij de Grieken de zwaargewapende soldaten, die wapens hadden tot afweer en tot verdediging. Hoplieden vond men oudtijds in ons leger.

HOOGENBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 september 1894

De Heraut | 2 Pagina's

Voor Kinderen

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 september 1894

De Heraut | 2 Pagina's