GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Ais een brandend vuur.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Ais een brandend vuur.”

9 minuten leestijd

Dies zeide ik: Ik zal zijner niet gedenken, en niet meer in zijnen naam spreken. Maar liet werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in: mijne beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, ' maar kon niet. Jeremia 20: g.

sWaren onze harten niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg" ? Aldus vroeg Kleopas aan Lukas, toen ze op den taaschmorgen van het dorpje Emmaus terugkeerden naar Jeruzalem. En met dat sbranden" van het hart bedoelde hij, dat het hart hun warm was geworden, dat het hart hun in gloed was gezet, dat er een prikkel, een drang was gaan werken, die hun geen rust liet, en dat dip sterke actie op hun hart was uitgegaan van Jezus.

Hun Jezus, hoezeer ook noch door Lukas noch door Kleopas herkend, had die vonk en door die vonk dien gloed in hen ontstoken. ^Brandende van nieuwsgierigheid", is de aan dit verhaal ontleende zegswijs, die nóg onder ons gangbaar is, ook al tast en voelt wie nadenkt, dat snieuwsgierigheid" het woord 'niet is, om uit te drukken wat de Emmaüsgangers innerlijk verteerde.

Wat zij onder hun voortwandelen en spreken met Jezus ondervonden hadden was de werking op hun hart van een heerlijke, geheimzinnige macht, een werking die ze eerst van achteren begrepen, en die toch zóó sterk was, dat ze er geen weerstand aan konden bieden.

Iets zoöals Jacob het ervoer toen hij uitriep: sGewisselijk, de Heere is aan deze plaats en ik heb het niet geweten."

Of sterker nog, zooals Jeremia het ten slotte voor zijn God moest bekennen. sHet v»-erd als een vutiir^ een brandend vuur, besloten in mijn beenderen, en ik' bemoeide mij om het te verdragen, maar ik kon niet."

En nu vergeten we in het minst niet dat dit bij Jacob, bij Jeremia, en zoo ook bij Kleopas gansch buitengewone ontmoetingen gold, zooals die ons niet voorkomen.

In letterlijken zin passen alzoo deze sterke

uitdrukkingen van een svuur dat in het hart Ijrandt" op ons in ons gewone leven niet.

Als het eens in ons hart toeging, zooals Jeremia het doorworstelde, zou er heel iets anders te zien komen.

Maar toch sluit dit allerminst uit, dat zulk een drijven en persen van God in het hart ook nu nog aan Gods heiligen bekend is.

Sterker nog, dat wie aan dit »drijven van God in zijn hart" vreemd is, den verborgen omgang van het kind met zijn Vader die in de hemelen is nog nauwlijks kent.

Een veder die aan de lucht is blootgesteld, gaat op en neder al naar de adem van den wind haar her-of derwaarts beweegt, en zoo ook moet de verloste ziel voor haar God zijn, zich ombuigende naar deze, of overbuigende naar gene zijde, al naar de adem des Heeren haar drijft.

Gevaar schuilt hier ontegenzeggelijk in, omdat, de misleide ziel zoo licht voor een drijving van Gods Geest kan aarzien, wat opkomt uit haar zelve of in haar kwam vau menschen ot zelfs van Satan.

Het uiterste der voorzichtigheid is hier geboden, Opdat de omgang met uw God, het heiligste wat ge hebt op aarde, u niet door zelfbedrog tot een valstrik worde.

De verslagenen door een valsche, ingebeelde mystiek zijn velen.

Maar om het gif dat kan insluipen neemt ge geen verstandeloos besluit om nimmermeer spijze te nuttigen. Slechts maant het u tot toezien op uw spijze en tot keur.

En zoo nu ook mag om het gif der valsche mystiek de verborgen omgang met uw God niet verlaten worden. Integendeel het zoeken van dien omgang, het jagen naar die zalige gemeenschap met het Eeuwige Wezen, blijft op de verlosten des Heeren met onweerstaanbaren drang werken. Slechts zijn ze tegen zelfbedrog en verleidende inbeelding op hun hoede.

Uiteraard kleven ze aan het Wcord.

Zonder dat Woord, zou hunner het drijven op de golven der levenszee zonder kompas zijn. Neem dat Woord van hen weg, en geen lamp die meer hun voet bestraalt, geen licht dat meer voor hen uitschijnt op hun pad.

Uit dat Woord vloeit als uit de eenige Bron al hun wijsheid.

Maar die heerlijke werking gaat voor hun ziel nooit van dat "Woord als boek uit. In en door dat Woord moet steeds God, de Heilige Geest hun toespreken. Eerst als Geestesglans dat Woord beschijnt, begint dit juweel voor hun zielsoog te flonkeren.

Als het bij het lezen niet is, of God zelf in en door dat Woord hen toespreekt, pakt het hun ziel niet, en doortintelt dat Woord hen niet met heiligen gloed.

Dat Woord is hun niets dan omdat het voor hun besef het Woord van hun God is. Dat Woord is en blijft instrument, en niet ora dat Woord maar om den levenden God is het hun te doen. Eens als ze sterven nemen ze van die Heilige Schrift voor altoos afscheid, maar wat hun dan eeuwig blijft is hun "Vader en hun God. I

Boeken-religie is geen religie, en woordenvroomlieid verwarmt het hart niet.

In alle religie gaat het de ziel om den almachtigen, den levenden, den alomtegenwoordigen God, Schepper van honnel en aarde, Verlosser uit de banden des doods en Heiligmaker van het naar heiligheid dorstend gemoed.

Een gebed buite]> dien l^vendeii God gebeden, is geéu bidden. Lofzingen, - , dat de lippen lofklanken uitstorten, maar de ziel buiten aanbidding blijft, is geen loven.

Onder alle lectuur en lof en smeeking moet de liefde dringen, moet er een uitgang van het hart in zielsbegeerte naar het Voorwerp van onze eeuwige liefde zijn. En eerst waar die liefde zoekt en niet rusten kan eer ze haar God gevonden heeft, is de vroomheid door de verborgenheid der godzaligheid, door het mysterie der religie in u werkende.

_ Zoolang dit nu, voor uw besef, een drang is, die van tiwe zijde komt, maakt die drang uniet gelukkig.

Dan spreekt er nog alleen het heimwee van den balling in. Een onbestemd verlangen, dat onbevredigd blijft.

Want het is wel waar, dat swie zoekt vindt, " maar niemand vond ooit omdat hij zocht. Al t uw vinden komt slechts van de u opzoekende^ u ontmoetende, u verrijkende liefde Gods, Juist zooals bij Emmaus.

Lukas en Kleopas zochten hun Jezus, maar dat ze hem vonden was alleen, omdat Jezus zelf bij hen kwam en zichzelven onder het breken des broods aan hen ontdekte.

Vooral bij Jeremia kwam dit sterk uit. liij immers zocht zelfs niet. Integendeel hij ontvluchtte zijn God, en zocht aan het drijven van zijn God te ontkomen, toen de Heere hem ten leste kiein kreeg, en Jeremia zijn ziel wel moest ontslaiten, en toen ja erkende dat het vuur in zijn hart, de gloed in zijn ziel door Gods eigen hand ontstoken was.

En eerst waar dat besef ook in u komt, is er zaligheid, is er de genieting eener zielvermeesterende liefde.

Dan kent gij den Heere.

Ea_ dan is het, ja, waarlijk, zijn werking' in uw binnenste, zijn persoonlijke bemoeienis met u. Dat ge niet meer vraagt, of God er is, en luaar uw God is, maar dat ge weet en voelt en ontwaart: Ddar is Hij, daar werkt en dringt Hij, ddar^van binnen in mijn eigen ziel.

Da tempeldeur van hét hart is dan ontsloten, en God Almachtig is tot de plaatse zijner ruste in uw eigen hart ingegaan.

Dan gaat vanzelf uit die Sions-zaal van binnen het lied der aanbidding op, en wordt het oft"er van lof en liefde gemengd' op zijn altaar. Een zieleweelde om niet onder woorden te brengen.

Een heilige wellust om niet uit te spreken. Een hemelsche gewaarwording die u de wereld te rijk maakt.

En dan komt bij den God van binnen de God van buiten^ want die God die bij u inkeert om bij u te overnachten, is ook diezelfde God, die door zijn voorzienig bestel, uw lot beschikt, uv/ leven leidt, u met zijn stok en staf vertroost als de God svan buiten" die u ten Herder wil wezen.

Eerst zaagt ge dat zoo niet. Ge dacht veeltijds uw leven in uw eigen hand te hebben. Ge waandet af te hangen van allerlei omstandigheden, overgegeven te zijn aan allerlei gril en wilkeur van menschen, en ter prooi te staan aan-het booze opzet van Satan. En dan soms ja, een enkel maal, als het water aan de lippen Icwam, die God die anders van verre stond, u ie hulpe komende.

Maar nu vielen u de schellen van de oogen.

Nu ziet ge uw God overal, uw God in alles, uw God uw zitten en uw opstaan omringend, u bezettende van achteren en van voren.

Neen, zelf vermoogt ge niets, en omstandigheden hebben geen macht, en geen mensch beschikt anders over u dan in schijn, en Satan, wat vreeselijk wezen hij ook zij, blijft toch een creatuur dat zonder Gods wil zich niet roeren noch bewegen kan.

En zoo komt ge dan tot ]een heel ander leven, tot een gansch andere existentie, tot een geheel ander «bevinden" en ontwaren.

Nu is het, van den morgen dat ge opstaat tot den]'avond als ge u ter ruste legt, altoos uw trouwe Herder die voor u uitgaat, die bij u is, die u aan zijn hand leidt, en die voortaan onafscheidelijk van uw lot en leven is geworden. Waar ge ook nederzit of gaat, altoos uw God om u en nabij u. Met wien ge ook samen zijt, altoos uw trouwe God de derde in het gezelschap. Al uw spreken een spreken voor zijn oor, uw schrijven een schrijven voor zijn oog. Uw gaan een voortschrijden op het pad, een drukken van de voetstappen, die Hij er in gezet heeft.

Dat noemden we uw God buiten u.

En als nu die Öod buiten ti mag saamstemmen met dien God in u^ zoodat én lot én zielsleven beide in zijn hand zijn, en van oogenblik tot oogenblik door zijn heilige tegenwoordigheid beheerscht worden, dan ja wijkt de koude van het zelfzuchtig hart, en verdooft het vuur van den valschen gloed, om alsnu ^rt? «dende in uw hart te maken den gloed eener heilige liefde, die van God komt en naar God u optrekt, en u met zijn verborgen omgang omsnoert.

Een zaligheid, waaraan ge dan wel bij oogenblikken weer ontzinkt, door nevelen die voor uw zielsoog trekken, of door zonden die uw hart ontzetten. Maar die nevelen vaagt diezelfde liefde van uw God straks weer van u - weg, en die zonden verzoent Hij, om u ijlings weer het zalig besef van zijn vertroostende nabijheid, van zijn heiligende gemeenschap, van zijn zielverkwikkenden omgang te hergeven.

En zoo wordt werkelijk uw leven een geheel ander leven, uw bestaan een geheel ander bestaan.

Vroeger wel een God van verre, maar nu een God van nabij en tot binnen in u.

Immanuël.

God met ons!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1895

De Heraut | 4 Pagina's

„Ais een brandend vuur.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1895

De Heraut | 4 Pagina's