GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

TWEIDE STUK.

VIII.

Voorwaar zeg ik u, onder degenen, die van vrouwen geboren iijn, U niemand opgestaan meerder dan Johannes de Dooper. Doch wie de minste is in het koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij. Matth. II : ii.

Als het ivezen komt, verdwijnt vanzelfde vooruitgeworpen schaduw. Na Golgotha is geen offerande van ram of var meer op het altaar des Heeren denkbaar. Nu de Christus, die zelf onze Hoogepriester is, en in wiens mystiek Lichaam God de Heilige Geest woning maakte, het altaar in het heiligdom daarboven bedient, is er geen tempel en geen heilige der heiligen op Sion meer bestaanbaar. Het voorhangsel is gescheurd van boven tot beneden met een scheur die nooit meer kan, en zelfs nooit mag worden geheeld. Immers elke poging om eenigcn dienst der schaduwen te herstellen, nadat de Christus gekomen is, staat met verloochening van den Christus en loochening van de waardij zijner eenige offerande gelijk. Zoolang de man op zee is, mag de visschersvrouw haar kind op het portret van vader wijzen, maar als de schipper weer aan wal is, wijst ze haar kind oj> vader zelf. Dan hem voorbij te gaan, om op zijn schaduwbeeld te wijzen, ware krenking der liefde of daad van waanzin. En daarom hebben onze vaderen er steeds op gewezen, dat wie, na Christus' verschijning, nog aan de schaduwen en ceremoniën, nog aan tijden en plaatsen blijft hangen, niet slechts dwaalt, maar aan de ccrc van den Christus te kort doet. Juist zooals de apostel dit kwaad scherp en zonder sparen bestreed in de schaduw-vereerders van zijn dagen, zoo tastten ook zij dit zelfde kwaad in de ceremoniedienaars van hun dagen aan. En ook ons blad hoopt tot den einde toe in de bestrijding van dit kwaad getrouw te worden bevonden. Niet de volken zijn er om Israël, maar Israël is ter wille van de volkeren, in he%, groote drama der wereldgeschiedenis, een tijdlang als ingeschoven geweest. Israël heeft en houdt zijn betcekenis totdat het Koninkrijk der hemelen komt. Maar nauwlijks is de komst van dat Koninkrijk der hemelen dan ook aangekondigd, of de taak, die aan Israël was toevertrouwd, neemt een einde. Iets wat Jezus het scherpst uitsprak, toen hij Johannes den Dooper > meer dan een profeet", ja den grootste noemde die onder Israël uit vrouwen geboren was, maar er onmiddellijk op volgen liet, dat deze grootste onder de grooteren in Israël nog altoos lager stond dan de minste en laagst geplaatste in het Koninkrijk der hemelen.

Israël zag dat niet in en begreep het niet. Israël droomde, dat het zelf Gods Koninkrijk was, en waande deswege dat de Heidenen door den proselietendoop in Israël moesten overgaan. Zelfs de discipelen konden het zich aanvankelijk maar nooit anders voorstellen, of Jezus was gekomen, om aan IsraëlhcX. Koninkrijk weder op te richten. Het is voor Jezus een lijden op zichzelf geweest, altoos weer zijn jongeren op dat Koninkrijk van Israël, in Joodschen zin genomen, te hooren terugkomen. Maar Johannes de Dooper sloeg van meet af aan dien ijdelen Joodschen waan den bodem in. Niet de Heidenen moesten door den schijndoop in Israël overgaan, maar Israël zelf moest, met de Heidenen, door den waren Doop overgaan in het Koninkrijk der hemelen. Het stond niet zoo, dat Israël was waar het wezen moest, en dat de volkeren zich moesten bekeeren tot Israël; neen, Israël zelf moest zich bekeeren, Israël zelf moest gedoopt worden, Israël zelf moest ophouden Jood te zijn, en ingaan in het Koninkrijk der hemelen. De besten uit de Joden moesten hetzelfde doen wat de heidensche krijgslieden hadden te doen: zich te bekeeren, en zich te laten doopen, om alzoo uit het Koninkrijk der schaduwen, in het wezenlijk Koninkrijk, in het Koninkrijk der hemelen over te gaan. De vleeschelijice afkomst uit Abraham bracht geen voorkeur. Er was bij God geen aanneming des persoons. Ook uit deze steenen kon God Abraham kinderen verwekken. En de uitkomst was dan ook, dat er toentertijd honderden en duizenden Joden uit alle steden en vlekken, zoo in Palestina als in de verstrooiing, tot Christus bekeerd zijn; dat deze groote massa van bekeerde Joden toen in de Christelijke kerk is opgenomen; maar dat deze in volgende geslachten zoo volkomen hun Joodsche afkomst vergeten hebben, dat na verloop van eenige eeuwen niemand meer wist te zeggen, of iemand oorspronkelijk tot de Joodsche natie of in zijn vaderen tot de volkeren had behoord.

Hoog tijd nu is het, dat dit door de Christelijke kerk weer duidelijk worde ingezien. Het weeropkomend Chiliasme is niet maar een exegetische dwaling, maar randt degeheele ordinantie voor het heil in Christus aan; sluit het oog voor den samenhang tusschen het werk der schepping en der herschepping; zet het particularisme weer op den troon, waar alleen het universalisme heerschen mag; dreigt de Christelijke religie weer als sekte te nationaliseeren, in stee van in haar het heil der wereld te begroeten; en staat meer dan iets aan de waarachtige bekeering der Joden in den weg, in zooverre het hun nationaal gevoel onevenredig prikkelt, en de bekeerde Joden onder ons belet tot volle bekeering door te breken. Ook van den Jood toch geldt het dat hij er daa eerst is, als hij roemen kan: > Niet meer de Jood leeft, maar Christus leeft in mij, en wat ik nu leef, dat leef ik niet meer als Jood, maar door hem die mij met zijn bloed gekocht heeft." Het eenige reëele punt in al deze droomerijen ligt uitsluitend daarin, dat Israël reëel een plaats onderde volkeren heeft verkregen, en deze plaats behoudt. Een punt dat later iets breeder zal besproken worden; maar waarvan hier toch zooveel zij uitgesproken, dat deze realiteit er toe leiden moet, niet om de volken in Israël, maar om Israël, als één der volken, onder de volken te doen opgaan; en dat naar Christus' eisch elk bekeerd Jood hiervan te zeggen heeft: »Heerc, geef ons onder de volkeren de laagste, de minste, de laatste plaats, want meer dan eenig volk heeft mijn volk zich aan uw lieven Zoon vergrepen en uw kerk ten bloede toe vervolgd"; opdat de Heere hem dan antwoorde, dat niet om der Joden verdienste, maar om de onberouwlijkheid zijner verkiezing, Israël niet meer apart, maar onder de volken gerekend, eeuwiglijk eens de plaats zal bezitten, die het duizendwerf heeft verbeurd, maar die door zijn verkiezende genade, reeds blijkens de wonderbare geboorte van Izak, van alle eeuwigheid bepaald was.

Niet de volken zijn er om Israël, maar Israël is er om der volkeren wille. Ga van deze grondwaarheid nooit af. Zie, indien de toeleg en de bedoeling des Heeren geweest ware om vóór alle dingen het isolement van Israël te zoeken, en Israël buiten contact met de volken te houden, zou het dan ook maar denkbaar zijn geweest, dat deHeeie, wiens heel de wereld is, de landstreek van Palestina voor Israël had uitverkoren, en op Sion de plaatse zijner rust had gezocht? Wilt ge een stam, een natie, een volk isoleeren, dan moet ge het doen wonen op een afgelegen eiland, in een hooge bergstreek, of aan een van de einden der aarde. God bezat op deze aarde eilanden in overvloed, groot genoeg om heel het volk van Israël te herbergen; eilanden die vooral destijds toen de scheepvaart op zee nog zoogoed als geene was, het Joodsche volk volkomen konden geïsoleerd hebben. Ook op hooge bergvlakten, als in Pamir of Kashmir, zou Israël zich geheel afgescheiden van de overige volken hebben kunnen ontwikkelen, gelijk er nu nog natiën in deze hooglanden van Azië zijn, met welke in den loop der eeuwen door de overige volken zoogoed als geene gemeenschap is gepleegd. En zelfs al had de Heere voor dit isolement noch een eiland noch een bergvlakte willen uitkiezen, dan had Hij Abraham uit Ur der Chaldeën eenvoudig oostwaarts in plaats van westwaarts behoeven te laten trekken, om in het land waar sinds de Chineezen vasten voet kregen, het Joodsche volk eeuwenlang buiten allen omgang met de overige volken te doen voortbestaan.

Feitelijk daarentegen vindt ge van dat alles vlak het tegendeel; en zonder overdrijving mag gezegd, dat God de Heere aan Abraham juist die landstreek aanwees, die het minst geïsoleerd, en het meest met de volken der aarde in gemeenschap was. Metterdaad, als ge aan een kenner der historie de vraag voorlegt: Welk punt van deze aarde was destijds het punt waar de levenslijnen der meeste volken elkander kruisten? - ^ dan zou geen plek aanwijsbaar zijn, die aan deze vereischten in stelliger zin voldeed, dan juist Palestina.^ Zoolang Amerika en Australië nog niet meetelden, had men in de bekende en bewoonde wereld slechts met drie werelddeelen te doen, t. w. met Azië, met Afrika en Europa. Van elk dier drie werelddeelen telde intusschen slechts een betrekkelijk klein deel mee. Westelijk Midden-Azië, zuidoostelijk Europa, en noordoostelijk Afrika. Die drie naar elkan­ der toegekeerde brokstukken van de drie eenige destijds bekende werelddeelen, lagen aan de Middellandsche zee naar elkander toegekeerd. Wat men toentertijd »de bekende wereld" rekende te zijn, werd gevormd door één groot water dat in het midden lag, de Middellandsche zee, en om die zee lagen drie groote stukken Jands: West-Azië, Zuid-Europa en Noord-Afrika. Ook elders leefden wel menschen, maar binnen de aangewezen grenzen bewoog zich de groote, machtige levensstrooming van ons menschelijk geslacht: de Aramaeën, Arabieren en Perzen in Azië, de Egyptenaren in Afrika, de Romeinen en Grieken in Europa. De overige stammen en natiën waren er wel, maar oefenden geen invloed, en tellen niet meê. En vraagt ge nu waar het punt, middenin die beperkte wereld van die dagen was, waar deze drie hoofdstroomingen, die Aziatische, die Afrikaansche, en die Europeaansche elkaar ontmoetten, sneden en [kruisten, niet op één oogenblik, maar gerekend over de bijna twintig eeuwen die tusschen Abrahams roeping en de geboorte van den Christus te Bethlehem verloopen zouden, dan vragen we in ernst, of er een ander antwoord, dan Palestina mogelijk zou zijn. Het was door Palestina dat de groote heirwegen liepen, die Azië met Afrika verbonden; het was het bezit van dat land, dat de groote mogendheden van Azië en Afrika aan elkander betwistten; en het was over de zee, die Palestina's kust bepaalde, dat beide werelddeelen gemeenschap hadden met wat de Schrift »de eilanden" noemt, en hetgeen de historie kent als Griekenland en Rome.

Gaat nu wie schuilen en zich isoleeren wil niet op de marktplaats zitten, waarop de hoofdstraten van een stad uitloopen, en gaat niet zwalken in het Kanaal wie ver van de drukke vaart wil spelevaren, dan spreekt het toch vanzelf, dat de plaatsing van Israël niet op een vergeten eiland, niet op een geïsoleerd bergplateau, en niet aan een uithoek der aarde, maar juist vlak in het middenpunt der toenmalige wereld, midden op de heirwegen der volken, op het punt waar al het rumoerig leven der toenmalige volken saamvloeide, nooit Israels isolement kan ten doel hebben gehad, maar juist omgekeerd de strekking en de stellige bedoeling verraadt, om Israël daar te plaatsen, waar het wonen moest, om het heil der volken te kunnen bedienen, — Thans is de stroom der volkeren geheel verlegd. De Fellahïn in Egypte zijn Engelands buit. Babyion en Ninevé liggen verwoest. De Grieken zijn niets meer. Wat eertijds het land van Rome was, is nu het minste onder Europa's groote staten. Geheel de bedding van het leven der volkeren is verlegd. Voor Europa is het zuiden thans onbeduidend, en ligt in het noorden de levenskracht. In Azië is Turkije een land dat inzinkt, en Ugt de sleutel thans veel meer in China en Japan. In Afrika is de Transvaal en heel het zuiden thans veel belangwekkender dan het land der Pyramiden. Amerika is als nieuwe wereld er bijgekomen. Australië vraagt om een toekomst en grijpt er naar. Moest dus thans nog voor het volk van Israël een plaats worden uitgezocht, die in aard overeenkwam met de plaats dié het destijds van God ontving, dan zou het natuurlijk niet in het nu doode slop van Cyprus en Palestina, maar in het hart van Europa moeten geplaatst zijn. — Denk dat nu wel in, en blijf niet als de onnadenkende knaap, geheel onhistorisch aan oude namen hangen, en ge zult kunnen bevroeden, hoe ongerijmd, hoe tegen alle rede en |historie ingaande het is, nu nog van Palastina te droomen, als kon dit thans nog het hart, het middenpunt, de wereldmarkt der volken zijn. Zij, die in Engeland propaganda drijven voor de meening, dat het Engelsche volk eigenlijk de verloren stam van Simeon is, en dat alzoo in het Engelsche volk de Joodsche glorie van oud-Israël herleeft, toonen dan althans nog eenig beter begrip van de staatkundige verhoudingen en de geschiedkundige veranderingen te hebben.

Doch hoe dit ook zij, het feit blijft, dat Israël juist daar door God geplaatst is, waar het onder de toenmalige omstandigheden moest wonen, om te bestaan voor de volken, en de volken te kunnen dienen. Zooals de engelen dienende geesten zijn, door God uitgezonden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen, zoo ook is Abraham, en in hem zijn volk uitgezonden, om op dit gewichtige punt de geestelijke wacht der toenmalige volken te betrekken, opdat het die volken, en in die volken de wereld geestelijk dienen zou. Sem moest hier, én nergens anders zijn tente opslaan, opdat het Japhet zou kunnen zegenen. Aan de aldus te verstane roeping van Israël beantwoordt dan ook én het uitgangspunt, én het verloop, én de uitkomst van Israels historie als volk. Als het geroepen wordt, heet het tot Abraham: > In u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden." In zijn historisch verloop is het in gedurige aanraking, achtereenvolgens met alle destijds toongevende volken, met de Assyriërs, de Babyloniërs, de Perzen, de Egyptenaren, de Grieken en de Romeinen; en in zijn uitkomst, ziet ge den zegen van Israël op de volken overgaan, en Israël zelf, niet als natie, maar als volk zoogoed als plotseling en voor altoos verdwijnen. Het komt op met de missie om de volken te zegenen, het leeft in gestadig en rusteloos contact met al de volken die meetellen, en als het zijn vrucht voldr»gen en zijn Messias voortgebracht heeft, scheurt het voorhangsel, de tempel wordt afgebroken, Jeruzalem wordt verwoest, en Israels volksstaat wordt voor altoos vernietigd. Het is er om de volken, het leeft met de volken, het verdwijnt z'W^ de volken.

Wat nu het middenstuk van deze drie, t. w.: het contact met de volken, aangaat, hiervoor is het bewijs, voor zooveel het leven der patriarchen en der volksformatie onder Mozes betreft, reeds door ons geleverd. Letten we thans op de historie en de profetie. In de historie van Israël stelt men het zich vaak voor, alsof Israël vanouds, en al de dagen, was, wat het bleek te zijn in de dagen van Johannes den Dooper en Jezus, een natie, die, afgescheiden van de volken, houw en trouw stond aan den dienst van Jehova. Geheel die voorstelling is intusschen met de gegevens der historie in strijd. Integendeel tot op de Babylonische ballingschap is de schare der geloovigen in het Joodsche volk meestal klein, in heel de Tien stammen soms tot zeven duizend personen weggesmolten, en in de dagen van Jesaia ingekrompen tot een kleine groep van Godgetrouwen. Het volk van zijn massa daarentegen houdt de booze hand aan allerlei afgoderij. Tien van de twaalf stammen vervallen tot openbaren beeldendienst, straks tot den dienst van Baal. En in Juda en Benjamin is het zoo weinig pluis, dat reeds Salomo pagoden en kapellen voor allerlei afgoden laat bouwen; dat slechts een enkele koning den moed heeft, om openlijk de afgoderij aan te tasten; en dat in Jeruzalem een tijd gekend wordt, dat schier elke afgod tot binnen de muren der heilige stad zijn altaar heeft, en het land bedekt is met afgodische kapellen en afgodische altaren op de hoogten. Eerst wie met dit ontzettende feit rekent, verstaat den schreienden zielskreet van Gods vromen die in de psalmen lucht zoekt, begrijpt het lijden der profeten, en ontvangt een met de werkelijkheid overeenstemmenden indruk van wat de worsteling van de Godgetrouwen in Israël is geweest. Als tot Jesaia het bevel uitgaat: »Bind het getuigenis toe, verzegel de wet onder mijne leerlingen" (8: i6), wordt de scheiding tusschen het afgodische volk en de kleine groep der godzaligen profetisch voltrokken. Eerst daarna kwam de zuivering in de Babylonische ballingschap; en wat daaruit terugkeerde was volstrekt wzV^ heel het Joodsche volk. Dat volk is nooit teruggekeerd, dat bleef hangen in oostelijke streken. Neen, wat terugkeerde, was een betrekkelijk klein aantal Joden, dat alle afgoderij had afgezworen, nu onverbrekelijk aan den Jehova-dienst kleefde, en waaruit die nieuwe volksstaat geboren is, dien we in Jezus' dagen in Jeruzalem en Palestina vinden.

Bij de oude voorstelling nu, alsof Israël al die eeuwen in afzondering en isolement had geleefd, is dit booze feit van de heerschappij der afgoderij in Israël tien eeuwen lang eenvoudig onverklaarbaar. Ziet ge daarentegen, dat Israël door God geplaatst was op het kruispunt van de heirwegen der volkeren, dies aldoor rusteloos en gestadig met de volken in aanraking kwam, en dat de draden van zijn eigen volksbestaan gedurig met die der volkeren werden dooreen gevlochten, dan verstaat ge het, hoe Israel's geloofsworsteling juist daaraan gekend moest worden, of het, met de volken in gestadig contact, nochtans geestelijk het heilige pand zuiver, eens dien volken ten zegen, zou weten te bewaren. Dan begrijpt ge de ongemeen sterke verzoeking, waaraan Israël was blootgesteld. Dan verstaat ge hoe zelfs een Salomo reeds bezweek. Dan kunt ge er in komen, hoe gij, voor gelijke verzoeking geplaatst, als Israël zoudt zijn bezweken. En ds ge dan, door al die breede stroomen van Israels zonden heen, nochtans in het eind uit dat zelfde Israël den zegen voor de wereld ziet voortkomen, dan aanbidt ge te dieper uit het hart de wondere, de almogende kracht van Gods verkiezende genade, die in weerwil van dit alles, toch ten leste Israël zijn roeping volbrengen laat.

Feitelijk is heel Israels historie dan ook één rusteloos in aanraking komen met de volkeren-^van rondom, en zulks in drie sferen. Ten eerste met de verboden sfeer van de heidenen die het in zijn eigen land had overgelaten, tegen Gods uitdrukkelijk bevel. Ten tweede met de sfeer der Moabieten, Edomieten, Philistijnen enz. die zijn engeren levenskring omgaven. En in de derde plaats met de wereldmonarchieën, die achtereenvolgens in het oosten van Azië te Nivivé, te Babyion en in Perzië opkwamen, zich vormden in Egypte, of daarna uit Griekenland en Rome zich op Azië en Afrika wierpen. De handel toont hetzelfde contact. Over Palestina's gebied trekken de karavanen uit het oosten naar het westen en zuiden, en reeds Salomo dreef scheepvaart op verren afstand. De tempel wordt door Hiram uit Tjrrus gebouwd. De koningin van Scheba komt met vorstelijke pracht te Jeruzalem, om Salomo te bewonderen. Nergens hermetische afsluiting. Overal veeleer aanraking en alzijdig verkeer.

Enfwendt ge u nu van deze feiten der historie, naar den ideëeler toon, die uit het bewustzijn van Israël in de profetieën van psalmist en ziener u thans nog zoo bezielend en^l^vertroostend tegenklinken, dan vindt ge ook daarin de volkeren steeds met Israël"onder één gezichtspunt saamgetrokken. Zeker er loopt door psalm en profetie ook een scheidende trek. De waarheid stoot de leugen, de vreeze voor den eenig waren God den dienst van het creatuur af. En afschaduwend wordt in het beeld van Israël de scheiding tusschen het Koninkrijk van Christus en de koninkrijken der wereld geteekend. Die scheidende trek gaat zelfs zoo scherp mogelijk door. Zóó scherp en snijdend, dat het niet seherper kan. Maar onderwijl vindt ge nooit Israël alleen, maar altoos Israël met de volken onder één gezichtspunt vereenigd. Als God zijn oordeel aanvangt, wordt heel de aarde, worden de volken opgeroepen, om toe te luisteren. Van elk volk wordt geprofeteerd, dat het eens Gods lof zal zingen. > De volken, de volken altegader zullen U, o, Heere loven" is de grondtoon, die nimmer zwijgt. En wat zoo reeds in de psalmen klaarlijk uitkomt, spreekt nog sterker in de eigetdijke profetie. Heel Jona's profetie richt zich op Ninevé. Naar Ninivé gaat ook Nahums last uit. En schier alle groote profeten zien in hun visioenen volstrekt niet alleen Israël en Juda, maar soms meer nog de volkeren van het oosten en zuiden en westen ten tooneele verschijnen.

Dat bevredigt dan wel den particularistischen zin niet. Men zou enkel van Israël willen lezen, om dit voorts op zich zelf toe te passen. Men vraagt zich af, wat eigenlijk de gemeente van Christus aan die oude Godspraken over Moorenland en Moab, over Babyion, Egypte, over Syrië en Griekenland heeft. Maar nochtans heeft de Heere het alzoo gewild. En nu nog, en tot het einde der eeuwen, wil Hij het u door die u vreemde profetieën toonen, hoe zijn bemoeienis ten oordeel en ter redding volstrekt niet beperkt is tot dat kleine stuksken der wereld, waarvan Jeruzalem de hoofdstad was, maar zich uitstrekte, nog uitstrekt, en steedi uitstrekken zal, tot heel de wereld, tot al haar volken, omdat heel die wereld zijn creatuur en al dit volkerenheir zijn schepping is.

De blik des Heeren is niet eng noch nauw, maar altoos ruim en breed, engelijk Hij nu nog de kerk van Christus oproept, om in haar zendingsarbeid heel de wereld en alle volk te kerstenen, zoo ook toont Hij u, vanouds, hoe Hij zelf, ook waar Israël afgezonderd is als schaduw en type van wat komen zou, nochtans door Israël de wereld zoekt, in liefde naar heel die wereld uitgaat, en alle volk oproept om in te gaan in het Koninkrijk der hemelen. Natuurlijk blijft hieraan voor ons hetzelfde gevaar verbonden, waarin Israël bezweek. Binnen de kloostermuren is betrekkelijke veiligheid, het gansch afgesloten Israël in de Babylonische ballingschap bezweek niet voor afgoderij, en ook wie zich nu nog sectarisch op-en afsluit, staat formeel aan minder gevaar bloot. De bekoring van alle particularisme kennen we zeer wel. Maar zelfs die uitlokkende bekoring mag ons nimmer het pad van Gods heilige ordinantiën doen verlaten. En die ordinantiën ook over Israël zeggen het ons klaar en duidelijk, dat onze God niets minder dan de wereld opeischt, en dat naar alle volkeren de stem'; ; des roependen uitgaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's