GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft.“

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft.“

8 minuten leestijd

Die zelf onze zenden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door wiens striemen gij genezen zijt. t Petrus 2: 24.

Het lijden onzes Heeren Jezus Christus is één, maar toch drieërlei in aard geweest: Lijden in het lichaam, lijden naar de ziel, en lijden door den geest.'> )

Richte in deze weken, aan het lijden van den Man van smarte gewijd, onze overpeinzing zich achtereenvolgens op elk dier drie.

1) Niet alsof de mensch uit drie deelen bestond. De geest is niet een derde iets naast de ziel, maar werkt in en uit haar,

„ Vlesch geworden" is het Eeuwige W oord dat bij God en God was, en reeds in die Vleeschwording voelt ge de vernedering. Reeds, zoo ons verhaald werd van het Paradijs, maar te sterker, nu dit „vleesch worden" van het Woord plaats greep te midden van ons in zoude verzonken leven, in een wereld nog altoos gedrukt door den vloek. Ook de mensch zelf was daardoor op verre na niet meer, wat hij eens was toen God hem schiep. Kind der ellende, was hij slaaf van zonde geworden. Dit had zijn ziel, maar ook zijn vleesch, ook heel zijn uitwendig aanzijn aangetast. En aan dat kind der ellende sloot de „Zoon des menschen" zich aan. Het Eeuwige Woord is niet maar mensch, neen, de Zone Gods is vleesch geworden. En tot in dat „vleesch" spreekt de zelfvernedering zich uit. Het is alsof ge, om de ellendigen op een eiland van melaatschen te hulp

te komen, zelf in hun melaatschheid in moest gaan en hun vreeslijk lot moest deelen. En zoo is de Zone Gods tot ons gekomen, in ons verzwakt en ontadeld geslacht ingedrongen, en toog hij, om ons van ellende te verlossen, het kleed van onze ellende aan.

Daarom is dat aannemen van óns vleesch, van ons lichaam, niet bijkomstig, maar legt de Schrift er telkens nadruk op. „Hij heeft onze zonden in zijn lichaam gedragen op het hout." Reeds van de harp van den Psalmist weerklonk het: „Gij hebt mij het lichaam toebereid."De verlosten „zijn geheiligd door de offerande des lichaams van Jezus" , , Des vleesches en des bloe der kinderkens is hij deelachtig geweest." In zijn stervensnacht sprak uw Heiland: „Dit is mijn licJiaam, dat voor u gegeven wordt." Van den „tempel zijn lichaams" voorzei Jezus èn het afbreken èn het weer opgericht worden. En na zijn verrijzenis nam hij den vinger van Thomas, en deed hem de wonde voelen, hem toegebracht in 't lichaam.

En dat moest zoo. Engelen zijn enkel geesten. Ons menschsn schiep God siel èn lichaam. Een innerlijk en uiterlijk bestaan te hebben, is onzes wezens aard. Niet nu alleen, maar eeuwig. En óók, in het licham rees de zonde op, en allereerst in ons uitwendig bestaan naderde ons de vreeslijke vloek. Redding buiten ons lichaam om was alzoo ondenkbaar. Immanuel die ons verlossen zou, moest dies des vleesches en des bloeds der kinderkens deelachtig worden. Toenadering in den geest, nadering tot onze ziel, was er ook in het Oude Verbond geweest. Maar dit alles was niet dan voorspel. Het was de redding zelve, het was het wezenlijke en werkelijke nog net. En daarom moest Jezus' verschijning niet enkel met lijden eindigen, maar aanstonds met lijden beginnen. Het Woord werd vleesch. En bet kindeke lag in doeken gewonden in de kribbe. Niet in 'skonings paleis, maar in den stal van een Bethlehemsche herberg.

Reeds in dat lijden, in dat aannemen van onze ingezocken natuur en van de armoede des levens, ging uw Jezus in om uwentwil. Niet dat hij de krankheid leed, die wij soms lijden. Zonde en krankheid bleven van Hem geweerd. Maar wel ging hij in de noodén des levens in. Het kleed is om der zonde wil, en het kleed des menschen heeft ook uw Jezus aangelegd, tot men het hem op Golgotha uittoog. Hem heeft vermoeidheid vervolgd, honger gekweld, dorst gepijnigd. En al de jaren zijns levens op aarde dieif hij het lichaam der heerlijkheid dat zijns had moeten wezen, om zich te voegen in het lichaam van lagere orde, het lichaam van onze vernedering. Dat lichaam zelf is hem één lijden geweest. Op Thabor blonk even de heerlijkheid door. Maar straks week de glans en hernam de dofheid der vernedering de overhand. Tot het eerst na het Kruis, door den dood, tot de verheerlijking kwam.

Neen, het lijden ving niet eerst aan, toen hij Gethsémané binnentrad. „ '^.l de dagen zijns levens" heeft hij om onzentwil het lijden gedragen. En wederliefde voor zijn Goddelijke liefde moet u ook in dit lijden met uw menschelijk medegevoel doen indringen. Ge moet verstaan wat het is voor een Koningszoon, dragende het slavenklecd ia de wildernis dezer wereld te verkeeren.

De vossen hebben holen en de vogelen des hemels hun nest, maar de Zoon des menschen had niet waar Hij zijn hoofd zou nederleggen. Geen plek, geen stuk van Palestina's heilige erve kon hij zijns noemen. Er was geen eigen bestaan, waarop hij teerde. Van gegeven goed heeft uw Heiland, als een bedelaarskind onder menschen, geleefd.

Hij kwam niet voor de hoogen alleen, me ar ook, ja vooral, voor de kleinen der aarde. En tot in hun armoede is hij ingegaan. In hun sober lot heeft hij gedeeld.

De ziel was en bleef groot, en zonk nimmer in. De geest schitterde in hem al de dagen zijns levens. Maar voor het vleesch, naar het lichaam, ^^waarin hij zich aan ons geslacht aansloot, was 'hij „de wortel uit een dorre aarde." Hij had „geen gedaante noch heerlijkheid." Hij was „veracht en als de onwaardigste onder de menschen."

En was zoo dat zijn in het vernederd lichaam op zichzelf één lijden al de dagen zijns levens, overmits nimmer, nooit, één oogenblik het besef, het klare bewustzijn van de heerlijkheid die hem toekwam, hem verliet, dat lichaam is meer nog het instrument geworden van het lijden, dat menschelijke boosheid hem zou aandoen.

Aan zijn geest kon de boosheid niet raken, tot zijn ziel had de boosheid geen toegang, maar het lichaam kon de menschelijke boosheid aantasten. Door dat lichaam hadden die kwaad wilden, vat op uw Heiland. En wat smart is er, die ze aan dat lichaam hebben gespaard, wat kwelling die ze aan dat lichaam niet hebben aangedaan!

Met steenen hebben ze naar hem geworpen om hem te treffen en te dooden. Banden hebben ze hem bij de poorte van Gethsémané aangelegd. Ze hebben met hun giftig speeksel hem gespogen op het gelaat. Ze hebben de ruwe hand opgeheven, en hun vuistslagen op hem doen neerkomen. Ze hebben hem hetspotkleed omgehangen, wreed hem de kroon van doornen in het hoofd gedrukt, en hem in soldaten^ overmoed gesard en getergd. Ze hebben hem gebonden aan den geeselpaal en striemend het geeseikoord op zijn ontblooten rug doen neerkomen. Zijn gewaad hebben ze hem uitgetogen. Hem uitgestrekt tegen den kruispaal. En toen hebben ze de ijzeren pinnen hem gedreven door hand en door voet. Om zelfs, toen hij gestorven was, hem nog met een speerstoot in de zijde het heilig lichaam te verwonden.

Overdrijving schaadt, en erkend moet, dat er onder de wolke van getuigen mannen en vrouwen zijn geweest, die nóg bitterder en wreeder gefolterd en g< ^pijnigdj zijn. Of leest ge niet in den Hebreërbrief van heiligen onder het oud Verbond, die in stukken zijn gezaagd en gesteenigd, en spreekt uw martelaarsrol niet van een sterven in de vlammen des vuurs?

De kruisdood was onnoemelijk wreed, maar er is nog wreeder! En toch leeft ge buiten uw Heiland, en leeft ge niet in zijn leven en in zijn lijden meê, zoo ge daarom den dood op het kruis onderschat. Of voelt ge dan het onme telijk verschil niet tusschen het lijden van den ongevoeligen ruwerd, en de smarten, uitgestaan door het overgevoelige van een teeder gestel? En bij wien was dat teeder gevoelige fijner ontwikkeld dan bij den Zoon des menschen? Moest hem elke ruwheid niet nog heel anders treffen dan eea Barabbas? Moest het innerlijke van zijn wezen hem elke aantasting van zijn lichaam niet dubbel smartelijk doen gevoelen? En zult ge dan zeggen, dat ge het lijden van uw Heiland verstaat, zoo ge met die dubbele trefkans van de boosheid die hem aangreep, niet rekent?

Had hij niet het vleesch en bloed der kinderen aangenomen, heel dat bittere stuk uit zijn lijden ware hem gespaard geworden. En ware hij niet Gods eigen Zoon geweest, nooit zou met dubbele pijn dat lichaamslijden doorworsteld zijn.

Maar Immanuel zocht u. U in uw menschelijk aanzijn. In uw menschelijk aanzijn, gelijk God 't naar ziel en lichaam schiep. En daarom trad hij niet terug, maar is 't Woord vleesch geworden, ds met al de bittere gevolgen des lijdens die dat vleesch worden na zich sleepte.

Naar ziel én lichaam wilde hij u redden, om eens ook uw vernederd lichaam aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig te doen worden.

En daarom ging hij in uw vernederd lichaam in, en leed wat in dat vernederd lichaam moest geleden worden.

Och, of dan, zoo roept de apostel uit, die trouwe Heiland door al Gods kinderen ook in hun lichaam mocht verheerlijkt worden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's

„Die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft.“

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 maart 1907

De Heraut | 4 Pagina's