GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het slot van

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het slot van

15 minuten leestijd

Amsterdam, 23 December 1909,

Het slot van het rapport der deputaten in zake de predikantstractementen luidt aldus:

En ditzelfde geldt ook van nog een ander middel, dat wel eens is voorgesteld, nl. dat eene meerdere vergadering, liefst de Generale Synode, voor de predikautstraktementen een zeker minimum zou vaststellen, en de Kerken zou dwingen zich daaraan te houden, door te bepalen dat wanneer men bij eene beroeping daar beneden bleef, de vereischte Classikale approbaten zou geweigerd worden. Zonder twijfel mag een Classe of Synode wel uitspreken, wat zij voor alle ; de tot haar behoorende Kerken als minimum noodig acht; waarbij echter nog de vraag is, of dat over het geheel in het belang der zaak zou zijn, daar men dan toch natuurlijk als maatstaf zou moeten nemen wat het kleinste predikantsgezin, ter plaatse waar de levenswijze het goedkoopste is, zou noodig hebben. Maar al zou men zulke uitspraak ook gewenscht achten, zij zou toch in geen geval aan de Kerken als een voorschrift kunnen worden opgelegd. Wat reeds in de vorige alinea over de bevoegdheid van de meerdere vergaderingen herinnerd werd, is ook hier van toepassing: aan de verklaring die zij met betrekking tot predikantstraktementen uitspreken, kunnen zij de Kerken niet binden. En nog veel minder zouden zij de bedreiging daaraan mogen vastmaken, dat zij iedere beroeping, waarbij voor het traktement een lager bedrag gesteld was, zouden beletten of krachteloos maken, door alsdan de vereischte medewerking te weigeren. Immers, naar den eisch van Gods Woord moet, zoo het ook maar eenigzins mogelijk is, in elke geordende kerk een Dienaar des Woords zijn. Natuurlijk moet zij dan ook zorgen voor zijn onderhoud. Maar wanneer naar kerkeraad hiervoor nu het noodige slechts ten deele kan bijeenbrengen, en er is een predikant, die zich gedrongen voelt haar toch te helpen, zij het ook met offers, die hij zijnerzijds kan en wil brengen, met welk recht zou dan eene Classe dat ver bieden, ja met welk recht zou zij te dien aanzien ook maar eenige zeggingschap uitoefenen ? Zonder twijfel hebben zij bij beroepingen een zeker zeggenschap. Zij hebben toe te zien, dat geen predikant worde toegelaten, die niet zou beantwoorden aan de in onze Kerken gestelde eischen, en zij hebben te dien aanzien zelfs een beslissend oordeel. Maar dit heeft zijn grond in het kerkverband zelf, aangezien de toelating voor het gansche kerkverband geldt; en daaruit zal wel nooit zijn af te leiden, dat wanneer de beroepen predikant aan de eischen voldoet, toch, van wege het traktement waaromtrent hij met de Kerk is overeengekomen, zijne toelating zou te weigeren zijn.

Het is juist integendeel de roeping der Classen, om er bij vacante Kerken steeds op aan te dringen, dat zij, zoo het ook maar eenigszins mogelijk is, spoedig een beroep uitbrengen. Dit te doen is aan iedere Kerk van Godswege opgelegd. En wanneer dan eene Kerk, door medewerking van een predikant, hieraan kan en wil voldoen, dan mag zeker geene Classe haar willen dwingen, aan Gods Woord ongehoorzaam te zijn; trouwens, een dwang waaraan Gerefor meerde Kerken zich ook niet zouden onderwerpen. In alle die overwegingen ligt nu zeker niet opgesloten, dat het in het algemeen een gewenschte toestand zou zijn, wanneer predikanten, die eigen middelen hebben, zelven geheel of ten deele voor hun eigen onderhoud zorgden. Het kan en het mag bij eene Kerk, die inderdaad arm is. Alsdan kan haar predikant de verplichting, die op de gemeente rust, zelf tot op zekere hoogte voor zijne rekening nemen. Maar anders zou het zeker niet in het belang van de gemeente zijn, dat hij haar aan het besef van die verplichting ontwende, haar fi aandeel als het ware van zich afhankelijk maakte, en misschien oorzaak werd, dat zij meer ging hechten aan het stoffelijk voordeel, dat haar predikant haar gaf, dan aan de geestelijke goe deren, op wier mededeeling het toch eigenlijk aankomt. Intusschen, dat staat ten slotte, bij ieder voorkomend geval, geheel ter beoordeeling van een predikant zelven. De Classe kan, zoo dit wenschelijk schijnt, hem van tevoren waarschuwen, dat hij, op een laag traktement een beroep aannemende, dit niet doen moetin de verwachting dat er wel suppletie komen zal van de andere Kerken. Maar zij moet er zich bij neerleggen, wanneer de zaak toch doorgaat. Van dwang kan en mag hier geen sprake zijn.

Van de bovengenoemde wegen, die tot verbetering van de predikantstraktementen wel eens zijn voorgesteld, moet dus gezegd worden, dat zij geen van alle door onze Kerken kun nen worden ingeslagen, of ook maar eenigszins leiden kunnen tot het voorgestelde doel. Ja, meer nog: elke poging, die in ééne van die richtingen werkzaam is, moet juist integendeel van dat doel afleiden. Reeds het uitspreken van die plannen en denkbeelden, ofschoon het natuurlijk met' de beste bedoelingen geschied is, heeft met anders dan schadelijk kunnen werken, want vanzelf is dat tot verzwakking van eiken aandrang, die gericht wordt tot de gemeente zelve. Altijd en bij ieder zal, ten alnzien van eene roeping wier vervulling moeite en offers kost, de opgewektheid, om er naar behooren aan te voldoen, min of meer verfl»uwen, wanneer hem wordt voorgesteld, dat die verphchting eigenlijk geheel of ten deele op anderen rust of op anderen kan gelegd worden. Laat onze Kerken dus geheel daarvan afzien, om dan des te beter te letten op hetgeen naar den eisch der Schrift hare eigene roeping is Dat is hier de hoofdzaak. Waar die roeping slechts een weinig gevoeld wordt, kunnen pogingea tot verbetering ook niet baten. Maar ook, omgekeerd, zal er op de meeste plaatsen goede vrucht gezien worden, wanneer het besef van die roeping kan versterkt worden, zoodat in een ruimen kring dat besef waarlijk leeft en werkt.

Dit is uit den aard der zaak niet in alle alle Kerken op een enkel oogenblik tot stand te brengen, en het kan ook niet verkregen worden alleenlijk door het besluit van eene kerke lijke vergadering. Maar toch is en blijft dit de zaak, die hier op den voorgrond moet staan. Tot verbetering van de predikantstraktementen IS het eigenlijke middel, het middel dat aan alle andere, als zij iets zullen baten, ten grondslag moet liggen, dat te dezer zake de eisch van Gods Woord aan de gemeente worde voorgehouden, en dat die eisch gedurig en met ernst bij haar worde aangedrongen.

Dat is dan de roeping, allereerst van de Dienaren des Woords, die immers het geheele Woord te bedienen hebben; aan de jeugd op de catechisatiên, en aan de geheele gemeente bij hare openbare samenkomsten. Zonder twijfel heeft juist deze onderwijzing voor predikanten hare eigenaardige bezwaren; en daarom is zeer begrijpelijk, zelfs in zeker opzicht, eervol, dat zij het hier bedoelde gedeelte der Schrift doorgaans laten rusten. Inderdaad moet erkend worden, dat het thans een eenigszins zonderlingen, misschien zelfs ongewenschten, indruk zou maken, wanneer nu en dan eene preek gehouden werd, die inzonderheid met dit onderwerp zich bezig hield, gelijk b.v. in de preeken van Calvijn herhaaldelijk het geval is. Maar wie, ook bij het besef van velerlei tekortkoming, toch de bewustheid [heeft, dat hij inderdaad aan zijn dienst zich toewijdt en dat hij met den Apostel kan zeggen: „Ik zoek niet het uwe, maar u", die zal ook bij dit onderwerp het Woord wel bedienen kunnen, eener zijds met voorzichtigheid, wijsheid en tact, en steeds in verband met de hoofdzaak van het Evangelie, maar ook anderzijds met vrijmoedigheid. Misschien zou het bezwaar ook wel grootendeels ondervangen worden, wanneer men bij de prediking meer te werk ging naar hetgeen in de eeuw der Reformatie vaste gewoonte was en door Calvijn in geheel zijn diensttijd steeds betracht is, nl. niet te preeken over teksten, die men week aan week zelf uitkiest, maar geheele Bijbelboeken achtereen te behandelen. Natuurlijk mag men dan de gedeelten, die op het hier bedoelde onderwerp betrekking hebben en die zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament gedurig voorkomen, niet overslaan. Ook te dezen aanzien laat men dan vanzelf het Woord Gods tot zijn recht komen.

Eu voorts hebben ook de ouderlingen hier eene roeping, wanneer zij door hun ambt met gemeenteleden in aanraking komen, met name bij huisbezoek. Zonder twijfel moet hun dienst werk steeds gericht zijn op de eere Gods, op de stichting der gemeente en cp de bevordering van geloof en bekeering, en heeft he: juist daardoor een geestelijk karakter. Maar dat wil toch niet zeggen, dat dus alle zorg voor hetgeen de kerkedieost nu eenmaal noodig heeft, aan hun ambt geheel vreemd zou zijn. Immers, voor de kerk heeft God zelf zulke zorg met haar geestelijk belang nauw verbonden, evenals in het natuurlijke de ziel en het lichaam. Wat dit laatste betreft, mag zeer zeker niemand de behoeften der ziel om der wille van het lichaam verwaarloozen; maar hij mag evenmin in het tegenovergestelde uiterste vervallen. En zoo zou ook op kerkelijk gebied eene soort van overgeestelijkheid met de ordinantie Gods in strijd zijn en juist daardoor inderdaad ongeestelijk worden. Op een eisch der Schrift de gemeente te wijzen, kan wel nooit geacht worden met het ambt der ouderlingen eigenlijk niet overeen te komen, allerminst wanneer het een eisch is, die jaist op de kerk betrekking heeft. Dit te doen hoort, integendeel, ook tot hunne roeping.

Of het raadzaam is, dat een kerkeraad, om voor het hier bedoelde belang de medewerking der gemeente te verkrijgen, alle hare leden, of wel hare mansleden, tot eene samenkomst uitnoódigt, is eene vraag, waarop zeker niet voor alle Kerken hetzelfde antwoord te geven is. Er zijn plaatsen, waar men zulke samenkomsten zonder eenig bezwaar zou kunnen houden, en waar zij zelfs zeer goede vrucht zouden opleveren. Maar er zijn ook plaatsen, waar veeleer het tegendeel geldt; met name, waar te vermoe den is, dat de beraadslaging zich niet tot de zaak op zichzelsre bepalen zou, maar bij sommigen ook wel gaan zou over den persoon en het werk van hun dienstdoenden predikant; of wel, waar op het punt van kerkinrichting en kerkregeering een zeker independentisme niet vreemd is, en daardoor zulke samenkomsten wel eens beschouwd worden als formeele kerke lijke vergaderingen, die als zoodanig bevoegd zouden zijn, niet alleen om over kerkelijke zaken te beraadslagen, maar ook om daarover bij stemming een geldig en voor den kerkeraad bindend besluit te nemen. Natuurlijk moet een Gereformeerde kerkeraad bij alle belangrijke aangelegenheden, en met name bij eene zaak als hier bedoeld wordt, altijd rekening houden i|iet de inzichten en de wenschen der gemeente leden, en daarom geen besluit nemen, dat hun als het ware van buiten zou worden opgelegd. Maar op velerlei wijze kan hij met hen voeling houden of de gemeente hooren; en wat te dien aanzien de beste weg is, kan alleen plaatselijk worden uitgemaakt.

Door het bovengenoemde moet gezorgd worden voor den grondslag, die bij alle actie tot verbetering van de predikantstraktementen voor een goeden uitslag onmisbaar is. En voor bepaalde maatregelen, die daarbij te nemen zijn, is het dan de kerkeraad, die, als het bestuur der gemeente, ook te dezer zake de noodige leiding moet geven; wel in overleg met de ge meenteleden, en soms, waar dit noodig is, op hun aandrang, maar toch altijd zóó, dat hij zelf de beslissing neemt. Waar hij, gelijk bijna overal zeer terecht geschied is, voor de kerkelijke administratie eene Commissie van beheer heeft ingesteld, moet hij natuurlijk bij de bedoelde maatregelen met haar samenwerken, overeenkomstig de regeling, die hij voor zulk eene commissie gemaakt heeft, en op de wijze die hij het meest doeltreffend acht. Maar toch, altijd blijft de kerkeraad zelf ten slotte verantwoordelijk voor hetgeen te dezer zake besloten wordt. Nu zijn er zeker Kerken, die inderdaad zóó klein zijn en zoo weinig draagkracht hebben, dat zij hare inkomsten op het oogenblik nog niet kunnen vermeerderen of zelfs nog niet eens tot eene beroeping kunnen overgaah; en ook zijn er Kerken, waar het traktement niet lager is dan het daar ter plaatse vereischte minimum, en waar door bijvoeging van kindergeld ook gerekend is met de talrijkheid van het predikantsgezin. Maar in verre de meeste Kerken is dat anders. En in deze moet de Kerkeraad dus, om aan den eisch van Gods Woord te voldoen, de zaak ter hand nemen.

Voor de wijze, waarop dit het best zou kunnen gedaan worden, is uit den aard der zaak hier geen advies te geven, dat tot bijzonderheden afdaalt, daar de plaatselijke toestanden hiervoor veel te verschillend zijn. Zoo b.v. is wel in het algemeen raadzaam, dat de predikant, ook al is hij voorzitter van den kerkeraad, toch persoonlijk geen deel neme aan de hier bedoelde werkzaamheden; maar het kan toch zijn, dat dit hier of daar goed kan werken .en zelfs wordt gewenscht; en dit moet dan 'plaat selijk beoordeeld worden. Desgelijks hangt het van omstandigheden af, of de kerkeraad, voor de voorbereiding en uitvoering van de te nemen maatregelen, al dan niet, eene commissie zal instellen en instrueeren; en, indien hij dit nuttig acht, hoe zulke commissie dan is samen te stellen, hetzij uit kerkeraadsleden, of ook uit leden der Commissie van beheer, of ook met bijvoeging van andere gemeenteleden. En, gelijk reeds boven herinnerd werd, is ook op de vraag, of de zaak het best te behartigen is door eene samenkomst met gerafenteleden, dan wel door bezoek aan de huizen, niet in alle Kerken het-1 zelfde antwoord te geven.

Met betrekking tot alle Kerken kan slechts op enkele punten de aandacht gevestigd worden. En dan zal wel, in het algemeen, zonder twijfel het volgende gelden. 0/eral stelle men zich als einddoel, om te komen tot het minimum, dat ter plaatse voor het levensondeihoud van een predikant wordt noodig geacht.

Hierbij worde steeds ook gerekend met de talrijkbeid van zijn gezin, zoodat aan het bedoelde minimum een zoogenaamd kindergeld worde toegevoegd. In enkele Kerken wordt dit nu reeds gedaan; o. a. zóó, dat voor ieder kind beneden de zes jiar / 25.— per jaar wordt uitgekeerd, van zes tot twaalf jaar / 50.—, en van dertien tot achttien jiar /loo—, of meer. Dit is dan voor het onderhoud en de opleiding zeker nog volstrekt niet voldoende; en waar het traktement reeds zeer laag is, zouden zulke cijfers wel verhoogd moeten worden. Maar wan aeer in die richting gewerkt wordt, is dat voor een predikant toch verlichting van zorgen. Het is tevens eene manier van traktementsverhoo gin^r, die meer dan eenige andere, ingang en mec'ewerking vindt bij de gemeente. En het is ook het meept in overeenstemming met den regel, die voor het onderhoud van kerkediena reu in de Schrift wordt gesteld.

Voorts is het zeker niet raadzaam, dat de medewerking der gemeente gevraagd worde door middel van contributiën of collecten, die be paalielijk voor het predikantstraktement zouden bestemd zijn; daar dit met de vereischte kieschheid niet zou overeenkomen, en ook op den duur tot moeielijkheden en onaangename verhou-iingen zou leiden. Inderdaad behoort het traktement toch ook tot de gewone uitgaven voor den keikedienst. En ten aanzien van dien dietst is dan wel aan te bevelen, dat, waar de gemeenteleden tot nog toe hiervoor niet bijdroe gen door middel van inschrijvingen tot een jiarlijksch bedrag, te dien einde eene plaatselijke organisatie worde in het leven giroepen, die ia staat stelt om de toegezegde contributën desverkiezende per kwartaal of per maand of per week te voldoen.

En ten slotte worde bij al dien arbeid steeds toegezien, dat verhoogde bijdragen voor den kerkedienst niet zóó gevraagd of gegeven wordeo, dat zij eene evenredige schade zouden toebrengen aan de inkomsten voor andere belangea, die ook door de gemeente verzorgd word-f n, met name aan de inkomsten voor de diakonie, voor het Christelijk schoolonderwijs en v3or de Zending, daar het anders feitelijk eigebUjk geen bijdragen zouden zijn van de gemeenteleden zelven.

Door dit woord van opwekking meenen de hiervoor benoemde deputaten gedaan te hebben, wat ia hun vermogen was. Thans staat het aan de Kerken, om te doen wat in haar vermogen is. £a dus staat het allereerst aan de keikeraden, die ook in deze zaak de gemeente te leiden hebben, om met ernst te overwegen, wat zij d'ïarvoor kunnen en dus moeten doen. Voor zooveel zij hierbij raad of steun noodig hebben, zal de Classe van hun ressort hen wel zooveel mogelijk daaraan helpen. En buitendien kunnen ook de Classen zelve de zaak nog bevorderen, wanneer zij over eenige maanden, b.v. ia de Clas.-ikale vergadering van April of Mei of Juni, haar opzettelijk aan de orde stellen, om alsdan te hooren wat iedere Kerk in het bijzonder heefi. mede te deelen, en om naar aanleiding van die mededeelingen, voor zooveel noodig, advici te geven of tot actie aan te sporen.

M > ge dan kunnen blijken, dat onze kerkeraden niet te vergeefs aan een eisch van Gods Woo d herinnerd zijn, en dat in Gereformeerde Kerken zulk een eisch vat en klem heeft op de c mscientie. Tegenover alle bezwaren, die te dezer zake kunnen oprijzen, mag ook thans nog geweten worden op de belofte, die reeds onder het Oude Verbond aan de gehoorzaamheid verbonden werd (Mal. 3 : 10): B engt alle de tienden in bet schathuis, opdat er spijze zij in mijn Huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen, ei Ik u dau niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zoodat er geene schuren genoeg wezen zullen."

De Deputaten voornoemd,

F. L. RUTGERS,

M. NOORDTZIJ,

M. VAN MUISWINKEL,

3 November 1909.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Het slot van

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1909

De Heraut | 4 Pagina's