GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

5 minuten leestijd

AAN VRAGERS,

Men leest in Richteren 12 vs. 14, dat de mannen van Gilead streden met de mannen van £fr«Itn, Waren het dan niet allen Israëlieten ?

W, B.

Het beloop der geschiedenis geeft het antwoord. De richter Jeftha woonde in het oosten des lands, het over-Jordaansche, in Gilead, De Israëlieten aldaar, waartoe ook hij behoorde, geraakten in oorlog met de Amonieten die echter door de mannen van Gilead onder aanvoering van Jeftha verslagen werden. Hij werd het hoofd des volks, gelijk wij lezen in Richt, ïi VS, 11:

„Alzoo ging Jepfiha met de oudsten van Giiead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha Sprak alle zijne woorden voor het aangezicht des Heeren te Mizpa".

Na lag aan de overzij der Jordaan dicht bij Giiead de stam Efraim, Deze trachtte er steeds naar de eerste plaats te bekleeden. Trouwens Jozua, de groote aauvoerdet des volks, was een Efraimiet geweest, en later vinden we da Efraim zich verzet tegen een heerscher uit Juda, uit Davids huis. Ephraim benijdde Juda.

Nu lezen we in Richt, 12 vs. 1, 2, 3: „Toen werden de mannen van Efraim bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zi zeiden tot Jeftha: Waarom zijt gij doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? Wij zullen uw huis, met u, met vuur verbranden. En Jeftha zeide tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hunne hand niet verlost. Als ik nu zag, dat gij niet verlostet, zoo stelde ik mijne ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en de Heere gaf ze in mijne hand; waarom zijt gij dan te dezen dage tot mi opgekomen, om tegen mij te strijden? "

Hieruit blijkt, dat de mannen van Efraim afgunstig waren wijl Jeftha zonder hun hulp een groote overwinning op de Amnonieten had behaald. Blijkbaar gunden zij hem de eer niet, en vreesden ook dat hun aanzien en macht daaronder lijden zou. Jeftha wijst er hen zeer terecht op, dat hij hen wel te hulp had geroepen, maar zij niet gekomen waren, en hij den strijd dus met zijn volk alleen had moeten wagen. Er was alzoo geen reden om hem nu vijandig te behandelen. De Eframieien echter lieten zich niet gezeggen, en zoo ontstond de strijd in VS. 4 vermeld, waarin Hebreen tegen Hebreen streden, en die van Efraim verslagen werden.

Een tweede vraag luidt: Hoe zijn de Joden eigenlijk onder het gezag van de Romeinen gekomen, daar zij toch een vrij volk waren?

Na den terugkeer uit de ballingschap van Babel, stonden de Joden achtereenvolgens onder de Perzen («ie Ezra, Nehemia en Esther), daarna onder de Grieken, de Egyptenaars en de Syriërs. , Van de dwingelandij dezer laatsten vochten aij zich vrij in het midden der tweede eeuw vóór Christus, Er ontstond weer een zelfstandig Joodsch rijk, waarover het bekende geslacht dei Makkabeën regeerde. Ia de Schrift wordt dit tijdperk niet vermeld.

Na bieidde het Romeinsche rijk, dat ruim zeven eeuwen vóór Christus was gesticht, allengs zijn grenzen naar Oost en West uit, In he Oosten was het reeds doorgedrongen totKlein-Aïië en stelde daar perk aan de veroveiicgsasucht der Syriërs, die tenslotte ook voor Rome moesten bukken.

j In het begin der eerste eeuw vóór Christus, ontstonden oneenigheden tusschen de leden van het geslacht der Makkabeën. Sommige dezer waren onvoorzichtig genoeg om de hulp der Romeinen in te roepen, ten einde zoo hun zin krijgen. De Romeinen nu waren dadelijk bereid te doen wat van hen gevraagd werd, doch toen men hen eenmaal had ingehaald, raakte men hen niet meer kwijt.

Het Romeinsche rijk heette toen nog een republiek, doch feitelijk waren er twee personen oppermachtig. De eerste was Caesar, dezelfde die ook ons land bezocht heeft, en die meest iti het Westen optrad. De andere was Pompejus, die in het Oosten heerschte. Pompejus nu kwam in Judea, maakte zich meester van Jeruzalem, en de Romeinen kregen het oppergezag over het land, al bleef er nog een Makkabeër regeeren. Een aanzienlijk Edomietisch geslacht, dat de Romeinen geholpen had, werd nu door dezen op den voorgrond geplaatst, 't Was het geslacht der Herodessen die, toen de Makkabeën door allerlei oorsaken wegvielen, ten slotte de regeering in handen kregen. Ook hun geïag had echter meer schijn dan wezen. De Romeinen bevestigden hun eigen gezag meer en meer. Het land Kanaan, nu Judea geheeten, d, i, land der Joden, werd een deel van het wingewest of de provincie Syrië, Over Syrië was een stadhouder gesteld, die een onder-stadhoudei had in Judea, Een derzulken was Pontius Pilatus. De Herodessen mochten zich alleen met een deel der binnenlandsche zaken bemoeien, maar b. v. geen legers onderhouden of oorlog voeren. Ia werkelijkheid berustte de macht bij de Romeinen, die tenslotte aan heel den Joodschen staat een einde hebben gemaakt.

G, B, heeft in een vers van Beets gelezen dezen regel:

„Nu laat hem oome Crucqius",

en vrassgt wat dit kan beduiden.

Het hier bedoelde vers is ia der tijd gemaakt op de droogmaking van het groote Haarlemmermeer, nu een zestig jaar geleden. Toen na lang beraad daartoe eindelijk was besloten, werden drie groote stoomgemalen gebouwd op verschillende plaatsen, teneinde zoo den ontzaglijken plas leeg te malen.

Deze drie stoomwerktuigan heeten de Crucqius, de Leeghwater en de Lynden. Daar de vrager te Amsterdam woont, kan hij de Lynden gemakkelijk eens gaan zien, want die ligt aan de ringvaart, voorbij Sloten, een goed uur van Amsterdam. Ook nu het meer droog is, zijnde stoomgemalen nog altijd noodig om het water op peil te houden, en het vóór 60 jaar verrichtte in goeden stand te doen blijven.

Wat „laat" betreft, dit komt van „laten" vaak gebruikt voor „aderlaten" d, i. bloed aftappen. „Oome Crucqius" tapte het meer water af, liet het als 't ware een aderlating ondergaan.

HOOGENBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 september 1911

De Heraut | 2 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 september 1911

De Heraut | 2 Pagina's