GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Kerk.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Kerk.

17 minuten leestijd

LXII.

Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen. Rom. XI:36.

Niet minder opmerkelijk is het optreden onder onze predikanten geweest van den Schotschen geleerde Alexander Comrie. Ook van dezen buitenlandschen Godgeleerde zetten de overleveringen zich nog steeds voort. Toch treden de volgelingen van Comrie in een geheel ander karakter op, dan zij die in Zeeland en elders nog de traditiën van Labadie in stand hielden. Om Labadie schaarden zich de mystieken, die bedacht waren op het ontvangen van teederder inwerking van den Heiligen Geest, en zich met het oog hierop liefst van de menigte der belijders afzonderden. Labadie zag zich dan ook ten slotte genoodzaakt met de globale kerk te breken, zich in een separatistisch kerkje terug te trekken, en een bezielder mysticisme te laten doorwerken, dat zich in de groote schare van de Staatskerk steeds meer verloochend zag; en in dien toenmaligen geest werkt dit Labadisme in meer dan ééne provincie van ons land ook .nu nog altoos door. En al moge het nu zijn dat ook Comrie en zijn volgelingen door hun bezield optreden zekere scheiding tusschen de gewone kerkbelijders in het leven riepen, toch vertoonde de afzondering bij Comrie en zijn aanhangers een geheel ander karakter. Niet de mystieke bezieling bracht hier de scheiding, doch veel meer, zoo niet eeniglljk, de trouw, waarmede men aan de Bslijdenis der Vaderen vasthield.

Comrie's persoon en optreden daarentegen kenteekent zich het zonderlingst en het meest doortastend bij de eerste ontmoeting, die hij omstreeks 1728, laat in den avond, met een boer van Woubrugge had. Wel is het bekend, hoe er in 1892 in de dis'sertatie van den tegenwoordigen hoogleeraar aan de Theol. School te Kampen, Prof. Dr. A. G. Honig, zekere twijfel geuit werd, of het verhaal omtrent Comrie's ontmoeting op dien gevaarlijken avond wel geheel juist is weergegeven, maar al danken we voor die opmerking, en al geven we toe, dat hier in de plaatsaanwijzing een vergissing kan zijn ingeslopen, toch blijft het verhaal zelf zich in hoofdzaak uit eigen aandrang handhaven. Althans wat ons overzicht in de Catholic Presbyterian ten beste gaf, kan zeer wel in de plaatsbepaling wijziging toelaten. De dissertatie van den tegenwoordigen Kampenschen hoogleeraar Dr. A. G. Honig draagt den titel van Alexander Comrie, en is buiten alle tegenspraak het keurigste en volledigste geschrift dat over Comrie dusver het licht zag. Het telt niet minder dan 355 bladzijden. Bovendien, niet enkel in de uitvoerigheid ligt de rijke beteekenis van dit wetenschappelijk werk, maar veel meer nog in de groote nauwkeurigheid, waarmede het bewerkt is. Daar schrijver dezes zelf de promotor van dezen geducht gewapenden doctorandus was, kon hij tot in bijzonderheden nagaan, langs wat nauwkeurige wegen de aanstaande Doctor zijn kennis verzameld had. Er rijst dan ook niet de minste twijfel, of het wetenschappelijk werk van Dr. Honig, dat in deze dissertatie het licht zag, bekleedt den hoogsten rang onder de uitgebreide litteratuur, die met Comrie's optreden in aanraking werd gebracht. Het is bijna niet te overtreffen noch in volledigheid noch in nauwkeurigheid. Zelfs zou men op enkele punten kunnen beweren, dat Dr. Honig naar te sterke volledigheid van bewijs-levering gestreefd heeft, en te dier oorzake vaak in twijfel liet, wat hij toch later zelf ons gereedelijk zou hebben toegestemd. Dit geldt zelfs van zijn opmerking, dat enkele geloovige ingezetenen van Woubrugge thans niet zoo onweersproken toegeven, dat Comrie na een kleine schipbreuk naar Wopbrugge verdoolde, en in verband hiermede van meet af zoo nauw aan dit dorp verbonden werd. Het spreekt wel van zelf, dat Comrie toen ter tijde nog geenszins in de Gemeente van Woubrugge als man van gezag optrad, en nog geheel op den achtergrond bleef in den engeren kring, die zich zijner aantrok, en die' voor zijn overgang tot de Theologische studie besliste. Wij althans zouden uit deze toenmalige onbekendheid van de bevolking van Woubrugge met Comrie's speciale lotgevallen niet durven afleiden, dat het verhaal dat hij zelf later voor zijn overgaan uit den Koopmansstand naar de Theologie gaf, verzonnen zou geweest zijn. Daarvoor is het veel te uitvoerig en veel te nauwkeurig door hem zelf toegelicht. In hoofdzaak echter stemt wat Dr. Honig over Comrie's levensloop, studie en latere carrière gaf, bijna geheel met onze voorstellifig in de Presbyterian Review overeen, zoodat we, demogelijkheid van kleine afwijkingen altoos toegevende, ook in de Heraut aan wat we eertijds in het Engelsche tijdschrift gaven, meenen te kunnen vasthouden. Persoonlijke herinneringen uit onze jeugd kunnen zeer licht later in onze voorstelling een enkel jaar opschuiven. Zonder aarzelen geven we daarom toe, dat dit ook bij Comrie zoo kon geloopen zijn. In hoofdzaak echter komt 't geen de Presbyterian Review gaf en hetgeen thans Prof. Dr. Honig zoo veel rijker ons bood, geheel op 't zelfde neer. We vingen daarom ook hier aan met te wijzen op de sterk sprekende ontmoeting die Comrie, vermoedelijk in 1728, en anders een jaar later, niet dien boer in Woubrugge had. Comrie zocht toep in den laten avond een onderkomen, na het ongeluk, dat hij met het kleine vaartuig had gehad, en met de verwijzing hiernaar wenschen we ook thans, evenals in het Engelsche tijdschrift, onze toelichting te beginnen. Deze boer van Woubrugge, op wien Comrie zich beriep, had op dien avond, toen Comrie dat boot-ongeluk had, zijn huis reeds gesloten en zag uit het geopende venster toe, hoe Comrie door het hek kwam en op zijn huis aanliep. Hij vroeg hem aanstonds wat hij zoo laat op den avond wilde^ en de bezoeker antwoordde hierop in gebrekkig Hollandsch, dat de late avond hem verrast had, en, dat hij bij het mingunstige weder dringend vragen dorst, of hij dien naèht in 's mans hofstede slapen mocht. De indruk dien deze boer van Comrie's persoon ontving, was derwijs gunstig, dat hij aanstonds doortastte en niet aarzelde de huisdeur voor den onverwachten gast te ontsluiten. Hij bracht hem daarop in een slaapkather die vlak naast zijn eigen slaapkamer lag, en bracht hem daar licht en het noodige avondeten. Voor wantrouwen was op zichzelf geen plaats, maar wat hem behoedzaam deed zijn was het gebrekkige Hollandsch, dat deze, gelijk later uitkwam, Engelsche gast sprak, als ook de volstrekte onzekerheid wal' juist op zoo laten avond dezen wandelaar naar zijn erv& had geleid. Die aarzelende indruk echter verdween op eenmaal geheel, toen hij, na den vreemdeling goeden nacht te hebben gewenscht, en zich in zijn eigen slaapkamer te hebben teruggetrokken, door den dunnen muur heen, den jongen man op eenmaal tot het uiten van een innig en teeder gebed hoorde overgaan, en uit dat gebed, door den dunnen wand, zelfs de bede opving, dat, indien zijn onverwachte gastheer allicht geen bekeerd man lüocht zijn, het Gode behagen mocht hem tot geestelijken ommekeer te brengen. Dit greep den boer zoo overmeesterend aan, dat hij zelf zijn bed verliet, ook zijnerzijds op de knieën viel, en God dankte voor zoo wondere oproeping tot bekeering.

Dit kon te minder verwonderen, daar Woubrugge juist in de dagen waarin dit voorviel, een geestelijken ommekeer ondergaan had door het optreden van Van Noorden, een meesterknecht, die in Woubrugge was komen dienen, en acht jaren achtereen had beproefd den geest in dit dorp wakker te schudden en te bezielen. Eerst had hij hierbij niet het minste succes, maar toen de acht jaren om waren, raakten op eenmaal de eerst slapende geesten wakker, en schonk de Heere hem de schier hemelsche genieting, dat soms inwoner na inwoner van hetzelfde huis tot hartgrondige bekeering kwam. Dr. Blom, die als predikant in Woubrugge stond, was zelf een vroom en godsdienstig man, maar toch zonder hooger aandrift. Nu echter een bezielde geestelijke werking schier allerwegen in zijn dorp doorbrak, gevoelde hij toch aanstonds ook zelf zich hierin te moeten mee bewegen, en al hinderde het hem wel eenigszins, dat niet van hem zelf, maar van dezen meesterknecht zoo onverwacht deze geestelijke werking uitging, hij overwon toch al spoedig zijn hinderlijk gevoel en sloot zich bij Van Noorden aan, en zoo deed zich spoediger dan iemand had durven vermoeden, het gelukkige verschijnsel voor, dat er geestelijke warmte in heel het dorp zich openbaarde, en Woubrugge en heel de omtrek als een dorp van bezielde vroomheid bekend stond. De boer bij wien Comrie onder dak kwam, en die zelf nog een te zeer aarzelend geestelijke opvatting had, kon daarom, toen hij Comrie in zijn slaapvertrek zoo vurig, en zoo vurig ook voor hem, zag bidden, niet anders dan diep geroerd worden, en toen hij in den morgen Comrie weder zag, drong alles hem om Comrie te bewonderen.

Reeds vroeg in den morgen voelde Comrie zich gedrongen, om zijn persoon, en zijn geheele positie in dit land, nader aan zijn gastheer bekend te maken. Comrie zelf geeft ons aan, in wat vorm en opwat wijze hij dit deed. »Mijn lieve vriend», zoo sprak Comrie hem toe, gelijk van zelf spreekt, was ik naar Woubrugge gekomen, om kennis te nemen van het werk Gods in deze streken. Ik ben geen kind van dit land, maar een Schotsman. Mijn naam is Alexander Comrie. Ik ben geboren den 16en Dec. 1708, en nu drie jaren geleden zond mijn vader mij naar Amsterdam, om voor koopman te worden opgeleid. Drie sombere jaren bracht ik met dat doel op een Amsterdamsch kantoor door. Voor enkele weken maakte ik in de Kerk kennis met een oud vroom man, die mij verhaalde van de geestelijke opleiding die in Woubrugge openbaar was, en mij aanried zelf eens naar die streken te gaan en er met enkele vrome boeren over wat er plaats greep te spreken en van gedachten te wisselen. Op mijn tocht daarheen had ik het ongeluk, dat de beurtschipper, met wien ik van Benthuizen afvoer, dóór een rukwind alle stuur over zijn schip verloor, dat ten leste omsloeg, zoodat ik met de overige passagiers in het water terecht kwam en niet dan me|: moeite en kletsnat den wal bereikte, en zoo .naar Woubrugge door kon gaan. Zoo kwam ik hier vrij laat aan, en nu trok mij het licht van uw v/oning reeds in de verte, en zoo begaf ÏK mij, op dat licht af, naar uw woning. En nu van achteren voel ik mij zoo innijr gelukkig, dat ik niet alleen nachtrust bij u vond, maar ook een geestelijken zegen aan mijn gastheer mocht brengen." Comrie vroeg hem toen om introductie bij de toonaangevende lieden van het dorp, en zoo werd hij reeds den eigen morgen voorgesteld aan den heer van het dorp, den heer Amald de Sterke, die saam met den heer Cornelius van Schellingswoude, eenige jaren geleden het heerschap van het dorp had aangekocht. Van Schellingswoude had acht kinderen, en van dezen waren reeds zes tot bekeering gekomen. De heer de Sterke vond 't aanstonds pure wegwerping van geestelijke kracht, om zulk een' uitstekend en kundig jong Schot in een Amsterdamsch kantoor te laten opgaan. Dit mocht niet, en dit zou niet. Comrie was een man om in 's Heeren Kerk mede te bouwen aan de zuivering van het geestelijk leven, en zoo toog hij reeds den volgenden morgen met Comrie naar Woerden. Daar toch stond destijds Ds. Ant. Tarre, een neef van den heer de Sterke, en met dezen wilde de heer Sterke geheel het plan regelen, om Comrie zijn kantoor te doen verlaten, en hem op den weg der Theologische studie te leiden. Spoedig was men het er dan ook over eens, dat Comrie aanstonds zijn kantoor verlaten zou, en nog een jaar Gymnasiale studie zich zou inprenten, om daarna, zoo 't bleek te kunnen, zonder verder verwijl naar de Academie, en wel die van Groningen, te worden overgebracht. Comrie gevoelde zich door deze beschikking zóó rijk en gelukkig dat hij destijds reeds de altoos onvoorzichtige belofte deed, om, was hij eenmaal prediker geworden en was Woubrugge hem als standplaats aangewezen, alsdan nimmermeer dat dorp te verlaten maar er zich voor levenslang aan te verbinden.

Op 8 Sept. van het volgende jaar bleek Comrie in zijn voorbereidende studie reeds ver genoeg gevorderd te zijn, om zich in het Groninger Studentenalbum te laten inschrijven. De Studenten-almanak van Groningen gaf in 1857 geheel de lijst van de inschrijvingen in het Album uit, en hierdoor werd van zelf grootere bekendheid ook aan Comrie's inschrjving gegeven. Comrie trok niet naar Leiden, maar gaf er de voorkeur aan, de colleges in Groningen te volgen, en volgde hierin uiteraard het advies, dat hem door zijn geestelijke leidslieden gegeven werd. Kort voor dien tijd waren te Groningen in de Theologische faculteit Antonius van Driessen en Cornelius van Velzen als hoügleeraren opgetreden, en deze vooral trokken Comrie aan. Beide hoogleeraren toch hielden zich niet alleen op de rechte paden, maar toonden van meet af den moed te bezitten, om de onvaste collega's Prof. Dr. Roëll en Prof. Dr. Venema tot de orde te roepen. Uitsluitend de colleges van Van Driessen en Van Velzen placht Comrie dan ook geregeld te volgen. Maar behalve tot deze twee hem sympathieke hoogleeraren in de theologische faculteit, gevoelde Comrie zich van meetaf niet minder sterk aangetrokken door de college's van Professor Johannes Barbeyracius in de Rechten en van de hoogleeraren Filburg en Rossale in de philosophie. Zoo bleef Comrie aan de Groninger Academie van 8 Sept. 1729 tot 10 Juli 1733, en gaf er toen de voorkeur aan in Leiden zijn studiën te vervolgen. Hier liet hij zich inschrijven voor de college's in de Dogmatiek van Prof. Dr. Van de Honert en Dr. Johannes Wessel, maar bovendien voor die van Prof. Schulte in het Hebreeuwsch, en dan nog zeer opzettelijk voor de philosphische colleges van Prof. Dr. Van Gravensande, Vooral Prof. Van Gravensande boeide hem, en slaagde er in, hem zoo sterk aan de stof van zijn onderricht te verbinden, dat Comrie zijn Doctorstitel niet in de Theologie zocht, maar in de Philosophie. Op S Oct. 1734 verdedigde hij voor het verkrijgen van dezen Doctorstitel een dissertatie, dié tot titel droeg: issertatio de moralitatis fundamento et natura virtutis, wat beduidt: gt; Proefschrift over den grondslag van de zedekunde en over de natuur van de deugd.« Bijna vlak hierop volgde zijn beroeping naar Woubrugge. Reeds drie maanden geleden was de vrome predikant. Ds. K. Blom, overleden. Dit afsterven van den leeraar, dat schier samenviel met Comrie's promotie, vestigt aanstonds aller aandacht op Comrie, als zijnde nu voor Woubrugge de meest gewenschte predikant. Aanstonds werd Comrie dan ook door den Kerkeraad en door de Landheeren aangezocht, om de nu ledige predikantsplaats te willen innemen en zulks wel onder de vroeger gemaakte afspraak, dat het een bekleeden van het ambt voor levenslang zo-u zijn. In Febr. 1735 werd de beroepsbrief hem toegezonden. Hij werd kort daarop bevestigd door zijn vriend Ds. Holtius van Koudekerk, en 's middags hield Comrie zijn intrede over Zach. VI:15. Aan het verlaten van Woubrugge dacht hij nimmer. Eene o. i. minjuiste opvatting van zijn ambtelijke positie weerhield hem van elke verhuizing' naar grootere gemeenten, ook al werd hij herhaaldelijk elders beroepen. Comrie achtte zich door zijn gemaakte afspraak sterk gebonden, om alle-beroep naar elders af te wijzen. Van 1735 tot 1773 hield hij dezen dienst vol. Doch langer niet. Zijn geschokte gezondheid noodzaakte hem toen zijn ambt neder te leggen. Hij trok zich toen terug naar Gouda, ' vermoedelijk om betere medische hulp te vinden. Toch baatte dit hem niet. Zijn laatste ure was te zeer nabij, en reeds op 10 December van het volgend jaar volgde zijn begrafenis. Op 66 jarigen leeftijd ging Comrie de eeuwigheid in. Van een grafmonument had hij verzocht verschoond te blijven, en dat te meer daar hij geen weduwe noch weezen naliet. Wel was Comrie in 1736, een klein jaar na zijn aanvaarding van het ambt, gehuwd met Johanna van der Heyde, een ongemeen vrome jonge dochter uit die dagen, maar reeds in 1738 ontviel deze vrouw hem door den dood, en aan een voor de tweede maal huwen dacht een man als Comrie niet. Hij ontving van deze jonggestorven vrouw een dochter, maar de schaarsche berichten omtrent Comrie's private leven laten ons geheel onzeker over wat uit deze eenige dochter geworden is. Misschien ontviel zij hem vroeg.

Wat zijn karakter betreft, bleef Comrie vrij van alle Clericalisme. Zelfs achtte hij zoo weinig de eenige onderwijzer op geestelijk gebied van zijn gemeente te zijn, dat hij op zeer ernstige wijze de leeken-prediking in zijn Kerk poogde te bevorderen. Met name wist hij van zijn Kerkeraad verlof te bedingen voor een kundig, ervaren en vroom lid van zijn gemeente, om op gezette tijden in predicatie voor te gaan. Hoe weinig ook-uit Comrie's verder optreden ter onzer kennisse kwam, zoo mag er toch zeer in 't bijzonder op gewezen, dat Comrie steeds den indruk maakte van een geboren en gezalfd bidder te zijn. De invloed, dien hij ten goede, en vooral in geestelijk opzicht, op zijn gemeente uitoefende, dankte hij zeer zeker ook in rijke mate aan zijn diepgaande prediking, maar toch werd nimmer verheeld, hoe vooral zijn bidden zijn gehoor aangreep. Zoq dikwijls er vrome vreemdelingen onder zijn gehoor kwamen, hoorde men schier altijd de dankbare en gewijde betuiging, dat het gebed zulke vromen schier nog meer dan de indringende predicatie hun geest had aangegrepen. Ten slotte mag hieraan nog toegevoegd, dat Comrie er een eigen wijze van huisbezoek op na hield. Het trof allermeest in dezen gevierden prediker om telkens voor de Bediening van het Heilig Avondmaal geheel Woubrugge rond te gaan, en alle leden zijner Kerk persoonlijk in hun woning toe te spreken. Hij gaf zich veel voor het huisbezoek, maar richtte het dan op zulk een wijs in, dat hij in een gezin dat hij bezocht, een geheelen middag of geheelen avond vertoeven kon, om met man en vrouw, met kinderen en dienstboden, diep op aller ziel ingaande, een geestelijke saamspreking te houden. In geheel zijn Kanseldienst stond-hij tot op verre afstanden in zoo hooge mate als een boeiend type bekend, dat uit alle streken in den na^^sten omtrek niet alleen, maar uit meer afgelegen dorpen en steden, eiken Zondag een niet zoo gering aantal van bezoekers zich naar Woubrugge begaf, om zelf getuigen te zijn van den geheiligden indruk, dien zijn Kerkedienst zoo des morgens als des middags placht te maken. Ook plachten, tot zeffs van verre, predikanten hem met een bezoek te vereeren, om den persoonlijken indruk van geheel zijn optreden te genieten. Al verheelden we dan ook niet hoe 't betreuren viel, dat een man als Comrie van 1735 tot 1774 in zoo klein dorp als Woubrugge bleef wonen en arbeiden, zoo mag toch anderszijds niet verzwegen, dat'Comrie's slijten van zijn leven in Woubrugge, een vrucht heeft afgeworpen, die, ware hij naar een groote stad overgegaan, vermoedelijk zou zijn uitgebleven. Zijn blijven in Woubrugge van 1735—1774 gaf aan Comrie zelfs een concentratie van kracht, die in staat was diep-in het hart van zijn hoorders in te dringen. De streek waarin hij optrad, was alleszins geschikt, om van niet zoo geringe afstanden de hoorders van elders onder zijn prediking te brengen. En waar gemeenlijk de dorpspredikant er zoo scherp op aast, om van zijn eerste dorp naar een stedeken en van het stedeken naar een grootere stad te mogen verhuizen, mag niet verheeld, hoe jammerlijk velen in die groote predikantsplaatsen schier zijn te niet gegaan, terwijl in Comrie zoo overduidelijk uitkwam, hoe een zich scherp concentreerende geest aan den zegen van zijn woord, ook al verwisselt hij niet van standplaats, zoo bijna niet na te speuren zegen verbinden kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 oktober 1920

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Kerk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 oktober 1920

De Heraut | 4 Pagina's