GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

DE UITBOUW DER BELIJDENIS.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE UITBOUW DER BELIJDENIS.

10 minuten leestijd

In liet verslag, dat ik in de eerst© nummers van ons blad over d© Generale Synode .gaf, heb 'ik reeds met een eiikel woord gesproken over ide beslissing, die genomen is inzake do voorstellen rakende onze Belijdenis^ en tevens iets medegedeeld uit het rapport, , dat Prof. Bavinclc namens de desbetreffende Commissiei, op de Synode heeft uitgebracht. Ik kón ert toen slechts weinig van zeggen, omdat ik het rapport niet voor mij' had, maar nu dé acta verschenen zijn, en ook het bedoelde stuk van prof. Bavinck publiek geworden iSj wil ik op deze .belangrijke quaestie even .terugkomen.

Daarbij geef ik, zij het dan verkort, den inhoud van het rapport weer, want er zijn zeer velen, die zich de acta niet aanschaffen of kunnen aanschaffen, en het zou jammer zijn, wanneer dit kostelijk document in beperkten kring bekend bleef. Het ware misschien te overwegen of verschillende zeer gewichtige Synode-stukken niet afzonderlijk konden uitgegeven worden, en op deze wijze een breedere, en veel broedere kring van lezers bereikt wterd. Doch nu ter zake.

Het rapport deelt eerst mede welke voorstellen door de oniderscheidene Synodes en de Kerk van Overtoom gedaan zijn, en constateeit, dat van een gravamen tegen eenig artikel der Confessie met geen enkel woord sprake is. Allen willen de drie Formulieren van Eenigheid als accoord van Kerkelijke gemeenschap handhaven. Allen begeeren zelfs .een on ver zwak te hajijdliaving der bedoelde symbolen, en dat deze stemmen uit de Kerken geen leeg© klanken geweest zijn, en het rapport dit naar waarheid kon vaststellen, blijkt'wel uit het feit, dat zelfs Dr. Buizer in zijn gravamen vrijwel alleen stond; , en niemand officieel zijn gevoelen deeldie.

„Maar, , zoo luidt het rapport, deze onverdeelde instemimiiig met de belijdenisschriften maken' het feit te opmerkelijfcer, dat schier alle Particuliere Synodes met kracht aiaindringen op ee: ne naderei formuleerinig en duidelijker omschrijving, op eene luitwerkiiig en aanvulling van' sommige artikeleinl des geloofs. Eni , zij betoogen de noodzakelijkheid tvioor , z; ulk eene ont^vikkeling| en uitbreidiing' imeij deo ernst der tijden, waarin wij leven, met de velerlei oude en nieuwe dwajingeny die voortdurend opkomen en' steeds verder om izich heen' grijpen, ein_ ook met hot feit, dat de belijdenisschriften reeds drie en meer dan drie eeuwen oud zijn, in al dien tijd geen wijziging of verdere ontwikkeling hebben ontvangen, tei-wijl het belijdende inzicht ini de waarheid in die eeuwen niet onbelan'grijfce vorderip)gea> heeft gemaakt".

Hier constateert hfet rapport een opmerkelijk verschijnsel. • I •

Wel willen de Kerken de oude Belijdenis handhaven, en wel erkennen-zij, dat die Belijdenis ten volle met de Schrift overeenstemt en haar waarheid recht vertolkt, doch aan die erkentenis paart zich terstond een andere. Alom is onder ons gevoeld dat op sommige punten nadere formuleering noodrg is. Bijha alle particuliere Synodes hebben verklaaiid': wijj hebben precieser uitspraak noodig, want wiji staan voor' gansch andere problemen, en het j, belijdend inzicht" is ook voortgeschreden, en deze ertentenis: en al deze getuigenissen zijn het duidelijkst bewijs dat in onze Kerken niet de versteende orthodoxie de overhand heeft.

Hier is leven en beweging.

Hier heerscht geen tevredenheid met het oude, omdat het oud is, ' en geen conservatisme, dat Üe oogen sluit voor d© nooden van onzen tijd. Hier is niet, gelijï onsl wel eens verwetiea wordt, een doof oor voor de-vele vragen, die uit de beroering onzer dagen oprijzen, maar de ooxen en de oogen zijn geopend, en er is ©en sterke, algemeen© drang naar klaarder omschrijving van de waarheid op die punten, die tegenwoordig vooral in 'het geding zijn.

Zulk een. drang moet ons verblijden.

Die levensuiting en al dat vragein toonen, dajt; we nog niet in de schaduw der versteening )3n verkilling neerzitten, en op dit*feit mag, - vooral waar van de overzij, ', steeds het te_gendeel beweerd wordt, wel eens alle aandacht gevestigd worden.

Wat is nu op die vragen om nadere formuleering het antwoord geweest?

Wel, in d© eerste plaats merkt het rapport op, dat een generale herziening dier belijdenisschriften, welke ook door geen enkele Synode of Kerk begeerd wordt, niet gewenscht en niet noodzakelijk is. In de eerste plaats ; iiet, omdat onze Kerken, ; zonder onderséheid, onverzwatte handhaving begeeren, en het derhalve fiegen den wenseh der Kerken zou ingaan, tot ©en algemeene Jievisie tei besluiten, en in de tweede plaats is deze noodzaak niet aanwezig, omdat de Belijdenis op zichzelve niet in het geding is. Het zou een gansoh ander© quaestie zijn, wanneer hei\ eene artikel gegrond© bezwaren ontmoette, en een ander onduldbare leemten bevattei, of wanneer uit den boezenl der Kerken vele en ernstige gravamina tegen onderscheiden© uitspraken gerezen waren.

Dan zou een generale revisie noodig wezen. Dan kon het oud© niet worden gehandhaafd. Maar hiervan is thans geen sprake, en daarom zegt hef rapport ook:

„Voor de Generale Synode .zou het daarom ondoenlijk .zijn, aan te wij, zen, op welke concrete punlten de belijdenisschriften wijziging' behoiefden^ of izelfs, welke artikelen^ zinsneden of uitdrukki'ng^ni in die belijdenisschriften voor het overwegen eener wijziging in aanmerking dietti'den; te bomen. Dte Generale Synode .zou düs aan Qene daarvoior benoemde Commissie niet anders dan een generaal miandaat, om izoo tei zeggen een blank crediet kuniaeni geven. En hiervoor staat de confessie eener Kerk, die een geloofsgetuigenis is, en ook door haar oudheid eertoaiardig is, veel te hoog. Geen besohuldiging mag' tegen haar aanvaard worden, welke in a^emeehë, vage bewoordingen is vervat. Wie haar aanklaagjt, moet duidelijk . aamvijzen, wiaartegen hij zijn bescMiIdiging richt, en de|Ze ook met de noodige bewijzen staven.

Daarmede is onze Confessie niet onfeilbaar verklaard.

Daarmede wordt ook allerminst iederö herziening afgewezen.

De wijziging van art. 36 legt voldoende bewijs af van den reformatorischen geest, die in onze Kerken h©ers0ht, en wij] zijn wars van alle oonf^fessionalisme, dat de symbolen voor onschendbaar acht. Het rapport geeft aan deze opvatting de juiste uiting, wanneer het verklaart:

„Hiermede is echter volstrekt niet beweerd, dat in oinze belijdenisschriften, die meinscheniwerk zijni en steeds onderworpen en toetsbaar izijln aan de H. Schrift, niet formnleeringen en' uitdrukkiingent voorkomen, die min 'of moer veroluderd zijn, en die, indien jze in onzen tijd waren opgesteld, niet anders izoiuden luiden. Ook is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat de teksten der Schrift, in de belijh denissc'hriften aangehaald, door andere met meer bewijskracht te vervangen (sonden zijn. Maar deze kleine gebreken en awakheden zijn niet van die.pi 'aard, dat izij eien gegrond bezwaar zouden kunnenl uitmaken tegen onverdeelde instemmi-ng. met al die artikelen des. geloofs, welke in de belijdenisschriften begrepen izijn".

Aanvaarding der Confessie en verzoek om nade: r!6 omschrijving kunnen dus samengaan. Handhaving en zelfs onverzwakte handhaving sluit de juistenei formuleering van enkele hoofdwaarheden niet uit, , en voor dit laatst© .is er alle reden. De tijden zijn veranderd. De geesten openbaren zich gansch an­ ders dan voor drie eeuwen. Wij' staan voor geheel nieuwe problemen. Er zijii gansch andere dwalingen, die Christus Kerk' bedreigen. Wij moeten tegenover andere theorieën ons verklaren, dan onze vaderen, en het belijdend inzicht heeft al die eeuwen ook niet stilgestaan, doch is verhelderd gevforden )en heeft zich steeds b-eter ontwikkeld.

Daarom is duidelijker omschrijving iioodzakelijk. „Uitbouw" der Belijdenis is broodno-odig.

Dus geen j, ni©uwbouw", alsof de .muren niet deugen en-het fundament onbetrouwbaar is; oolc geen „verbouw", alsof het oude in dezen vorm onbruikbaar. en zelfs ongewenscht is geworden, en we met onze Confessiei verlegen zitten, maar „uitbouw", en dan op denzelfden grondslag en ia dezelfde lijnen, die thans onze belijdenisschriften beheerschen.

Echter is op alle punt©n die „uitbouw" niet noodig. Er zijn artikelen, di© duidelijk en breed genoeg zijn. Er zijn ook punten, die thans niet bestreden worden. , :

Maar in som-mige stukken is klaarder formuleering dringende eisch, en het rapport beeft met name drie artikelen genoemd. Het eerste is .dat van de inspiratie der Schrift, en niemand zal durven te b©weren, dat dezel quaestie niet actueel is en 'niet tot meerdere duidelijkheid behoeft gebracht te worden. Het proces-Netelenbos heeft voldoende aan het licht gebracht, van welke diepe en verstrekkend© beteekenis bet Schriftstandpunt is, , en hoe noodig het is, dat onze Kerken zich op dit punt duidelijk uitspreken.

En... da^i zijn hier de vraagpunten vele.

Ik noem slechts d© organisch© en mechanisch© inspiratie; de verhouding tot de critiek; de Schrift en de nieuwere wetenschap; de verhouding van Schrift en ervaring; d© grondi des geloofs en , d© Schrift; het Gr©tuigenis des Heiligen Geestes fenz. enz., en men gevoelt terstond, dat, ja, wat in onze Belijdenis art. 2 ©.v. zeggen, volkomen waar is, maar onze Kerken zióh van haar gtandpunt toch sciherper rekenschap hebben t© geven.

Op dit terrein moet meer klaarheid komen.

Alles roept om scherper formuleering, en wij' mogen allerminst in gevaarlijke en oneerlijke struisvogelpolitiek d© oogen sluiten, en doen alsof er geen moeilijkheden zijn, maar wij zullen oprecht de versohillende vragen onder oogen zien, en trachteai tot zuiverder belijden tel gerakfen.

In de tweede plaat» zal aan de orde komen het leerstuk van d© Berk, dat ook meerdere ver^klaring behoeft. Uit hek gravamen van Dr. Buizer, "dat de Synode ong^rond heeft verklaard, en uit het debat, idat daarover! gevoerd wel^, is ongetwijfeld duidelijk geworden, dat wij ons ten" opzichte van het kerkelijk vraagstuk wel eens nader mogen uitspreken. Onze vaderen, hoewel zij' nimmer van eea alleen-zaligmakende Eerk hebben gesproken. Stonden er toch anders voor dan wij', en de steeds meer zich uitbreidende pluriformiteit der Kerk' dwingt ons dit leerstuk zuiverder, en meer in overeenstemming met de tegenwoordige tijdsomstandigheden te vertolken.

Dit geldt ook voor het derde puAfe^

Over de verhouding van Kerk en Staat en }iet ambt der Overheid inj art. 3& , zijn na de beslissing van Utrecht in 1905, de meeningen ndg niet tot de rust den overeenstemming gekomen, en het is goed, dat wij', vporal in dezen tijfl, deze quaestie oios helder indenken.

'Op dit drievoudig terrein zal de uitbouw plaats vinden.

D© artikelen in onze Belijdenis, die o> p deze punten betrekking hebben, zullen nader w-orden verklaard, en, zoo eindigt het rapport de bespreking van deze quaestie:

„Van al deze artikelen mag vrijmo-edig en zonder vrees voor tegenspraak worden uitgesproken, i diat ihumne bespreikinig in de bolijdendsschriften niet j meer Maat o-p de hoogit© en niet meer bsantwooirdfc : : a, aH de behoefte van dezen tijd. Z-jJ vertolken niet

duidelijk en volledig liet gevoelen meer, dat daar-' omtrent tegenwoordig over hot algemeen in do Kerken leeft".

In die leemte besloot-de' Synode te voorzien. 'Zij benoemde een eommissie van zes personen, 'die geen gemakkelijke maar tocb een dankbare taak krijgt, omdat haar arbeid tegemoet komt aan •do reformatorische begeerten, die in onze Kerken leven, ©n, onder Gods .zegen, er tos bij' kan dragen om .de Kerken en haar Belijdenis, dogmatisch, : een groeten stap' verder te brengen.

Dat hebben we noodig.

Niet omdat we op' het terrein van bet dogma zoover ten achter zijn, of in de ïormuleeTing der wjiarheid ons over velerlei gebrekea en fouten moeten beschuldigen, want, al kennen ook wij ten Öeele, en al zal onze vertolking' nooit adaequaat zijn aan de volheid der waarheid zelve, en ver daarbeneden blijven, wij^ blijven in onze belijdenis nog de zuiverste weergave dier waarheid zien.

Maar we moeten rekenen met onzen tijd.

Wij hebben een antwoord te geven op de vragen, die zich thans opdringen, pn waarmede onze 'Confessie niet rekent en niet lekenen kon, en het zal kostelijk wezei\ wanneer de met spanning - verbeide uitbouw ons tot meerdere klaarheid brengt. Dan zal onze JBelijdenis nog beter kunnen beantwoorden aan haar ideaal, , om ie zijn „de waarheid 'Gods^ gelijk zij-in het bewustzijn der gemeente is opgenomen en door haar in haar eigen taal wordt beleden", en dan zullen onze "Kerken, , als belijdenis-Ikerken, des te beter haar roeping vervullen, om in deze wereld te dienen als een-pilaar en vastigheid der waarheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920

De Reformatie | 8 Pagina's

DE UITBOUW DER BELIJDENIS.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920

De Reformatie | 8 Pagina's