GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Humaan en humanistisch.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Humaan en humanistisch.

17 minuten leestijd

Aan geen boek viel, voorzoover wij' weten, nog de eer te beurt met een eeuwfeest te worden bekroond.

Daarom is, wat de vorige week bij de De-Grootherdenking plaats vond, iets unieks.

De huldiging toch gold niet den persoon, maar den schrijver van het vermaarde w*erk „Het recht van oorlog en vrede".

Het was drie eeuwen geleden sinds dat boek verscheen.

De denkbeelden, daarin ontwikkeld, spreken den mensch van vandaag sterker toe dan dien van voor drie honderd jaar.

Destijds droeg men den oorlog als een risico-, dat het samenleven der volkeren nu eenmaal meebracht en waartegen toch niets te beginnen viel.

In onzen tijd echter, waarin men naar rechtsmaatrcgelen zoekt om oorlogen te voorkomen, wordt het werk van De Grooit hooger getaxeerd dan als het spel van een meestercboomer.

Fijn ontwikkeld rechtsgevoel enr hooge zedelijken moed waren vereisoht om een boek te public'3eren, dat toen een illusie scheen te verkondigen.

De idee van een volkenrecht, door anderen reeds uitgesproken, kreeg daarin een gestalte, als zij' nog niet had bezeten. Had die gestalte toen nog veel geheimzinnigs, thans is zij', , het nuchter oog naderbij gekomen.

En wie zich nu iil 'de vraagstukken van het volkerenleven verdiept, kan zijh bewondering niet verbergen voor den ver dragenden zienersgeest van Hugo de Groot, gelijk die in zijn „Het recht van oorlog en vrede" tot uiting komt.

Er is voorzeker veel in dit werk, dat niet kan gehandhaafd.

De minister van Justitie, Mr J. Schokking, deed dat in zijn rede bij de huldiging voortreffelijk uitkomen.

Zocht De Groot de basis voor het volkerenrecht in het natuurrecht en warde hij; publiek-en privaatrecht dooreen, inzoover hi| de zedewet, aan het individu gegeven, ook toepasselijk verklaarde voor de overheid, deze gedachten moeten dkjor ons afgewezen.

Wat daarentegen onvergankelijk is in dit boek, is het humane.

Het ademt eerbied voor het menschelijk© leven en het menschelij'ke rechtsgevoel.

En als zpodanig verdient het de waaixleering ook van den Calvinist.

De Calvinistische levensbeschouwing heeft, wat men ook lasteren moge, veel meer ruimte voor het humane dan elke andere, inzondarheid dte evolutionistische.

Want de Calvinistische eert in den mensoh den beelddrager Gods, de evolutionistische ziet in hem den beelddrager van het dier.

Wanneer het dan ook om het humane gajait, ziet men het Calvinisme onder. alle geestelijke stroomingen bovendrijven.

Het Calvinisme zal krachtens zij'n oorsprong en inhoud het humane steeds beschermen, "bepleiten, bewonderen.

Het zal het bewonderen, waar het hë^ook aajitreft.

Daarom leggen we de krans onzer bewondering gaarne bij de andere bloemkransen in de Nieuwe Kerk te Delft voor den auteur van „Het recht van oorlog en vrede".

En waimeer ooit Calvinisten in waardeering voor het humane tekort schoten, waren ze niet ten volle Calvinist, had het Calvinisme hen nog niet voldoende doortrokken.

Toch behoort hieraan dadelijk iets te worden toegevoegd.

N.l. dat het humane vaak wordt opgediend op humanistischen schotel.

En even heilig als ons het humane is, even vijandig is ons het humanisme.

Het humanisme eert maar niet het menschelijke, doch vereert het.

Dat nu gedoogt het Calvinisme nooit.

Menschen-of menschelijkheidsvereering is een gruwel in zijn oog. '

Het humanisme stelt in den levenscirkel dèn mensch in het midden.

Of in den verzwakten vorm van het semi-humanisme, waarin het zich in christenlanden veelal deed kennen, trok het twee cirkels, een, waarvan God en een, waarvan de mensch het middelpunt vormde.

Het Calvinisme .kent slechts één levenscirkel, waarin God met Zij'n openbaring den gaaischen omtrek bepaalt en beheerscht.

Daarbij komt, dat de mensdielijkheidsvereering het humanisme er toe brengt de zonde in dien mensch te verkleinen, te herleiden tot tekortkoming of gebrek of haar te loochenen.

Geen wonder, dat dat steeds het Calvinisme met zijn streng zonde-begrip tegenover zich vond.

Het Calvinisme ziet in het humanisme een voortdurende bedreiging.

Het heeft in de geschiedenis duur leergeld betaald.

Gelijk door ons bij een andere gelegenheid werd betoogd, is het Calvinisme in de 17de en ISde eeuw hier te lande teruggedrongen, omdat de Calvinisten tegen - het humanisme niet genoeg op hun hoede zijn geweest.

Vergeten mag dan ook niet, dat Hugo de Groot, zelf humanist, dat humanisme in de hand heeft gewerkt en dat ook in zijh werk „Het recht van oorlog en vrede" het humanisme te proeven is.

Hoezeer we dan het humane in zijn boek waardeeren, het humanistische daarin kunnen we niet anders dan veroordeelen.

Zoo staan we ook tegen verschillende verschijkiselen onzer dagen.

Het anti-humane van den gruwelijken oorlog met zijii voorbereiding en zijn nasleep ; zoekt men in evenwicht te houden door humanistische theorieën.

Onze tijd slingert tusschen deze polen heen en weer.

Hij is ontzaglijk wreed en idealistisch week.

Het uitleven van lagere instinkten tracht hij! te verzoenen door het prediken van het humanistisch evangelie.

Baardoor wordt een moeilijke schiftingsarbeid ons opgelegd.

Steeds weer hebben we het humane van het humanistische af te zonderen.

We moeten er tegen opkomen, als men beweert, dat het humanisme alleen het humane tot zijn recht laat komen. Dat is volstrekt niet het geval. Het Calvinisme laat het veel beter recht wedervaren.

Anderzijds mogen we ook het oog niet sluiten voor het humane in het humanisme. Doen we dat, dan Jagen we onszelf in een Iroek, waar we niet thuishooren.

Om dit eens met een voorbeeld te illustreeren.

Het kerkelijk congres te Stockholm is een zuiver humanistische uiting. Als zoodanig hebben we dan ook de ernstigste bezwaren er tegen ontwikkeld. Maar het .., humane, dat daar te voorschijn treedt, wordt door ons naar zijn waarde geschat.

Het humane hopen we op te sporen, waar het zich ook verbergt; willen we helpen bevorderen, waar we maar kunnen; moet door ons worden nagestreefd in elke positie, waarin we ons bevinden.

Maar het humanistische moet door ons in onderscheiden geestesrichtingen onzer dagen worden blootgelegd en zonder verschoonen bestreden.

Mogen we in het vervullen van deze dubbele taak trouw worden bevonden.

Eer van de overzij'de oogsten we er niet mee in. Doch we drukken daarmede de voetstappien van Christus.

Ethische nljleii.

Het is werkelijk onze schuld niet, dat we weer iets naar aanleiding van de kwestie-Geelkerken moeten schrijven.

De kwestie zelf laten we, gelijk we reeds eer te kennen gaven, rusten.

Wij blijven op het standpunt staan, dat we ons in de materie daarvan niet hebben te mengen voor de kerkelijke vergaderingen uitspraak hebben gedaan.

Ma, ar we mogen niet nala, ten het schild op te heffen tegen de pijlen, welke van modernistische! en ethische zijde in de richting onzer kerken worden afgeschoten.

Eerst hebben in de liberale pers de modernisten hun pijlkoker aangesproken.

Thans doen het de Ethischen.

Het verdient daarbij opmerking, dat daarbij zoo^ wel Modernisten als Ethischen meestal van de gedachte uitgaan, da, t Dr Geelfcerken inderdaad' leert, waarvan hij werd beschuldigd.

Is van deze gedachte de wensch niet de vader?

Ligt hier achter niet de hoop', dat het ethisch beginfeel ook de Gereformeerde Kerken is binnengeslopen en daar ongemoeid zal worden gelaten?

Men schijnt niet te kunnen wachten tot de kerkelijke procedure is afgeloopen.

Wanneer de kwestie op volkomen bevredigende wijze zou worden opgelost, wat we vurig wenschen, zou de teleurstelling bij Ethischen en Modernisten groot zijn.

Een van de pijlen, die op' onze , kerken worden gericht, is gedoopt in de bijtendei aantijging van „ketterjacht".

Maar, indien één geval weinig van een jacht weg heeft, dan zeker dit.

Als men de kwestie van haar formeelen kant bekijkt, zou men haast vragen of het „wild" niet op „jacht" is.

Dit viel ook „Uitkijk" in het „Friesch Dagblad" op.

Deze schreef:

We denken er natuurlijk niet aan in d i t blad ons in de zaalc zélve te mengen; dat hebben classis en synode te doen.

Wèl moet ons iets van 't hart over den vorm.

Vooral, nu de verheugde uitgever van dr G.'s brochure constateert, dat er een ware „Hebzucht" in 't vaderland is, om die brochure te bezitten.

En dan bevreemdt ons dit zéér:

Dat in het geref. kerkverband, gelijk hier geschiedt, telkens de predikant aan de classis de leiding uit handen tracht te nemen.

Niet de classis besloot of er iets en wat er gepubliceerd zou worden, maar de predikant.

Zonder toestemming te vragen.

Stel u eens voor, dat een lid der gemeente die voor zijn kerkeraad geroepen was en daar in besloten-vergadering enkele vragen te beantwoorden kreeg, die morgen in het plaatselijk dagblad zetten liet! Ik geloof dat hij den eersten trap van censuur kreeg wegens gerinigschatüng van de regeering zijner Kerk.

Nu kreeg dr G. nieuwe vragen.

Om op korten termijn te beantwoorden.

Kan niet, — hij moet met vacantie.

Dus moet de classis wachten .... alsof, wanneer b.v. h u i s e 1 ij k c omstandigheden hem dwongen, dr G.'s vacantie ook niet wat verzet en uitgesteld worden zou.

En dan dat allerlaatste woord!

'n Historisch woord uit do 17e eeuw.

Als dl' G. terug is, wil hij over die nieuwe vragen wel met de classis , , handelen".

Dat zeiden tal vau predikanten in de 17e eeuw ook. Ze wilden wel ovci' de geschillen met de heeren van de classis, als in een soort conferentie „handelen", — maar ze willen niet zich verantwoorden.

Eu dat toch wordt van dr Geelkerken door de , , meerdere vergadering" gevraagd, tenminste dat is mijn simpel leekenoordeel.

leder onbevooroordeelde zal moeten tOQstemmen, dat .ppgej.Tagd worden iets anders is.

En loch geeft Dr de ''rijer, Ncd. Her/, predika-nt te Amsterdam hem als 0en opgejaagde t'sliei.

In „Stemmen voor Waarheid en Vrede" oordeelt deze o.m.:

„Er is internationaal op dit oogenblik een neiging tot confessionaJisme. Na de beroering tusschen 1910 en 1920 wil men rust. Scopes in Amerika, die formeel veroordeeld werd te Daytou in Tennessee, omdat hij de evolutie leerde in strijd met de staatswet; zijn jury bestaande uit tien boeren, een kantoorbediende en een fruitljeler; de geheelo mise-en-scènei, die gelijk is aan den worstelstrijd van D'empsey en Carpentier iri 1921: het is uiterlijk wel heel anders als de classis Amsterdam en de opgejaagde, en nog jgeen' kamp gevende man uit Amsterdam-Zuid. Maar het verschil is zoo groot niet. In de diepte is het de strijd van D«scai-tes en Voetius. De strijd van scholastiek en onafhankelijke wetenschap. De vragers zijn voor-kantiaansch. De antwoorden zijn na-kantiaansch. Ce vragers willen door dr 'Geelkerken niet in den hoek van bet naief-realisme geschoven worden (al wil de menigte achter hen dit vermoedelijk wel). 'Maar evenzeer weigert dr Geelkerken verwezen te Avorden naar het land van de negatie der Goddelijke openbaring. De vraag, waar men tot helderheid over zal moeten komen is deze: is er in de gereformeerde kerken plaats voor Jieide mentaliteiten, de scholastitische èn die van den wijsgeerig geschoolden theoloog, die de methode en de resultaten der negentiende eeuw met een eerlijk geweten en als eerlijk discipel van Jezus Christus in zich heeft opgenomen? Bryan, die den 27en Juli, vlak na zijn triomf in Dayton stierf, antwoordt op deze vraag: „neen! Alleen voor de-eerste houding is er plaats in de gereformeerde kerk". Wij volgen ongerust over dr G's lot het verdere verloop van de monkey trial in Neder-, land."

Gelijk men ziet is Dr de Vrijer met zijn pijlen niet zuinig.

Hier wordt nog al heel wat den Gereformeerden Kerken ten laste gelegd.

Vooreerst konfessionalisme.

Bedoelt Dr de V. daarmede, dat onze kerken geen inbreuk' op haar koiofessie dulden, zoo kunnen we hem dit gereedelijk 'toegeven.

Daarin stellen zij' haar eer.

Als Dr de V. zich eens moeite gal het kaaakter van een belijdende kerk in te denken, zou hij haar dat onmogelijk euvel kunden duiden.

De belijdenis geldt daar als akkoord van gemeenschap.

Wie zich niet langer in de belijdenis kan vinden, dient eerlijkheidshalve met die kerk te breken.

En wanneer iemand een gevoelen is to'egedaan, dat niet met die belijdenis strookt — nog eens, wijl hebben Dr G. niet op het oiog — maar hij meent, dat dit wel het geval is, dan zij'n de kerkelijke vergaderingen verplicht zijn afwijking, zoo die eenigszins ernstig is, te konstateeren en, kan hij niet worden overtuigd, dan kan hij niet langer als lid, nog minder als ambtsdrager worden gehaardhaafd.

Alle verwondering daarover is buiten dé orde.

Verstaat Dr de V; echter onder ko^nfessionalisme, wat wij' er onder verstaan, n.l. een va.sthonden aan de belijdenis, zonder dat gedurig haar gegrond zijn op Gods Woord onderzocht wordt, dan is beschuldiging onverdiend. De Gereformeerde Kerken laten appèl van de belijdenis op de Schrift ten allen tijde , toe.

Maar Dr de V. zal wel de eerste opvatting zijn toegedaan.

Is dit zóó, dan bewijst dit weer, hoe moeilijK een ethisch .theoloog zich in het Gereformeerde kerkbegrip verplaatsen kan.

Hij' zal er echter vrede mee moeten nemen, dat wij ons zijn kerkbegrip niet laten opdringen.

Zoekt Dr de V. door de vergelijking van de kwestie-Geelkerken met de „monkey trial" in Amerika de zaak niet eenigszins in het belachelijke jte trekken ?

Wij weten, dat de zgn. apenproees bij velen den spotlust heeft opgewekt.

Wanneer men zulk een kwestie door een rechtbank wil laten uitmaken — wa, t ook in Amerikai niet is geschied — keuren we dat af.

Materieel echter staan we geheel aan de zijde van Bryan.

En zou de kwestie-Geelkerken op' één lijn moeten worden gesteld met de afstammingstheorie, we zouden Dr de V. laten spotten, zooveel hij' wilde, maar met pijlen van spot zou hij ons nooit va, n ons standpunt kuimen verjagen.

Deze vergelijking is stellig al bijster ongelukkig.

En Dr Geelkerken zal de eerste zijn om te verklaren: non tali auxilio, van zulk een hulp ben ik niet gediend.

Met 'deze pijl wondt Dr de V. den man, met wien hij meermalen in de Koepelkerk optrad.

Bijster vriendelijk is dit niet.

Een beetje verward lijkt ons zijn betoog, waarin hij de tegenstellingen vóór-en na-Kantiaansch, Descartes en Voetius, scholastiek en theologie, die de resultaten der negentiende-eeuwsche^filosofie in zich heeft Qpgenomen.

Ligt dit aan ons, zoo zouden we g.aa.mei het verband tusschen het geloof, dat de slang werkelijk heeft gesproken en het leven vóór of na Kant wat nader zien aangetoond. De groote beteekenis van Kant is door ons, zonder Kant te beschouwen als de wijsgeer van het Protestantisme, meermalen uitdrukkelijk erkend. Maar dat het rekening houden met de Kantiaansche wijsbegeerïe noodzakelijk met zich zou brengen het spreken van de slang naar een andere werkelij'kheid te verwijzen, vermogen wij! niet in te zien. Kant's kritiek op het naïef realisme was van geheel anderen aard en raakt kwes. ties als deze in het geheel niet.

Wijl willen natuurlijk niet aannemen, da.t Dr de V. zoo maar eenige zware termen neerschreet i Daarom zou nadere uitlegging ons welkom zijin, j Mogen we hierbij' terloops opmerken, dat volgens j ons alle werkelijkheid ons begrijpen te boveia j gaat? Wij aanvaarden de werkelijliheid, maar ver-1 klaren kunnen we haar niet. Da^t eischt niet alleen ' ons filosofisch en theologisch, maar ook ons ge^ loovig standpunt. Ook de eenvoudige geloovige, i die aanneemt, dat de slang in het Paxadijfe werkelijk sprak, denkt niet aan een verklaring van dit feit. Door uit te spreken: ik geloof, belijdt hij, zonder misschien iets van Kant af te weten, dai het boven zijn begrijpen verheven is.

Dr de Y. h.laast deze kwestie geweldig op met ] filosofische Jucht. Maar één speldeprik doet die ] lucht er weer uitstroomen.

Een niet minder rampspoedigen greep doet hij, • door te zeggen: het is de strijd van Descartes en • Voetius.

De kleinzieligheden van vele Voetianen nemen ! we niet voor onze rekening. Evenmin elke argu-! mentatie van Voetius. Doch dat de strijd tusschen | hem en Descartes liep over 'de scholastieke me-' thode en de onafhankelijke wetenschap meenen we te moeten betwisten. Het was de strijd tusschen geloof en rationalisme en ofschoon wij' Voetius veel hooger aanslaan als theoloog en Tcanonikus , dan als filosoof, zoo had hij; het tegenover Des-- cartes, den vader van het rationalisme in den i nieuweren lijd o.i. toch aan het rechte eind.

Door Dr G. het rationalistische kabinet van ' Descartes te willen binnenschuiven, bewijst Dr de ' V. dezen al weder geen dienst.

Toch maakt Dr de Vrijer het nog schappelijk , ; vergeleken met Dr Stegenga.

Diens bestrijding in „Nieuwe Wegen" is al te i zeer aan fijnheid gespeend.

Men leze.

„Nu wil ik eens dit met nadruk zeggen, dat oen ' Christelijke wereldbeschouwing met geloof omtrent het spreken van slangen of ezels niets te maken heeft. Dergelijke verhalen, als ze ons in den bijbel worden meegedeeld, geven vaak op symboliekei of op dichterlijke wijze weer, wat er in de zielen der men-, acben, van wie ons wordt verhaald, is geschied, 1 En „ik" aarzel niet om een opvatting die alles werkelijk gebeurd wil hebben, dwaas te noemen; haast even dwaas als wanneer iemand . uit het Bijbelwoord „de hemelen vertellen Gods eer", dit wilde halen, dat de hemelen ons ook heusch xnet hoorbare stem en in het Hebreeuwsch, Gods eer verkondigen. Neen, dit alles heeft m.i. niets met Christendom, noch met wereldbeschouwing te maken, het zijn enkel de onmogelijke consekwentics eener onmogelijke Bijbelopvatting, die helaas als een nachtmerrie nog hangt boven een groot deel der orthodoxie, en waarvan zij mede door een eerlijk spreken van allen di© het beter inzien, dient verlost te worden. .Helaas zijn er velen die wel beter weten, maar niet durven spreken. Er zijn tallooze orthodoxe Christenen in ons vaderlanii, mi.sschien zijn ze wel onder de classikale rechters en onder de werkelijkheidsijveraars van bladen als „Het Zoeklicht" e.d., die heimelijk, in hun hart, zelf : aan het „werkelijk gebeurd" zijn twijfelen, maar men ^ dnrft er-niet voor uit te komen en de een wil het voor den ander niet weten, terwijl men oven-j !gens, juist om de onrust van eigen twijfel te ver-1 drijven, zoo hard roept, dat men het toch met alle ! kracht gelooven moet; psychologisch is een derge-I lijke activiteit dan heel begrijpelijk. JVIaar laten we 1 daar nu eens mee ophouden want de funeste gevel-| gen van een dergelijke struisvogelpolitiek, komen wel ] aan 't licht in een droeve ketterjacht als wij in j de zaalï Geelkerken aanschouwen, waarbij de „classis" | waarschijnlijk met Kajafas van oordeel is, dat ket | beter is dat een mensch voor het volk sterft, dan dat j het heele volk. ... tot zuiverder en vrijer denkbeel-| den komt. Och waar gaat deze heele zaak eigenlijk ; om? Meent men heusch op deze wijze het rijk van Christus te dienen? Ik kan het mij moeilijk denken."

Men moet het dus maar gelooven op' gezag van \ Dr Stegenga, dat het christendom met 't geloof „omtrent het spreken van slangen of ezels niets heeft te maken".

Dit is stellig wel wat veel gevergd.

Doch erger wordt het, waar Dr S. zijn pijl met het gif der insinuatie bestrijkt.

Volgens hem zijn er tallooze orthodoxe christenen in ons vaderland, die in hun hart a; an het werkelijk gebeurd zijn twijfelen, maar er niet voor durven uitkomen.

Sinds wanneer is Dr S. hartekenner geworden?

Venijnig heet het: „misschien zijn ze wel onder de classicale rechters".

Niet minder stuitend is de onderstelling, dat „de classis waarschijnlijk met Kajafas van oordeel is, dat het beter is, dat een mensoh voor het voft sterft dan dat het heele volk tot zuiverder en vrijer denkbeelden komt".

Waar kwade troyw ondersteld wo^rdt, houdt alle re deneeren op.

Met zoo iemand mag geen discussie worden aangegaan.

Wijl hopen, dat Dr S. zal inzien en erkennen, dat hij' tegenover onze kerken niet ridderlijk heeft gehandeld.

De pijl der msmuatie sprmgt altijd terug naar (den persoon, die hem afschoot.

Uit dit alles blijkt echter aa.ii welke bestrijding lonze kerken op dit oogenblik blootstaan.

Te pijnlijker doet dit aan, wa^r het komt uit %^n kamp, waarin naar we het liefst aa, nnemen vele ware christenen zich bevinden.

Prof. Mr W. Zevenöergen.

Daareven lazen we het bericht, dat de hoog-Iceraar Zevenbergen overleden is.

In hem verliest de Vri|e Universiteit een man met groo'te gaven.

Met verrassende snelheid verschenen de laatste jaren dege studiewerken van zijin hand.

Had hij' minder vlug gearbeid, wellicht waren enkele stellingen, welke groot opzien baarden, achterwege gebleven.

Dit neemt niet weg, dat, wat hij' ter perse lei, oetuigde van hoogen wetenschappelijken zin en van een zoeken naar nieuwe wegen.

Wij: menschen noemen het tragisch, dat zulk een veelbelovend leven nu reeds werd afgesneden.

Maar als Calvinisten aanbidden we He vrijimacht Gods.

De Heere vertrooste haar, die weder den weduw-, sluier moet omslaan met haia, r kinderen.

En het lot onzer Universiteit worde door ons opnieuw als in Zijn hand gelegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1925

De Reformatie | 4 Pagina's

Humaan en humanistisch.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1925

De Reformatie | 4 Pagina's