GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

8 minuten leestijd

Naturalistische elementen in „Bartje”.

II.

In een vorig arLikel zagen we verband tusschen de o.i. on-Schriftuurlijke tendenz van dezen roman en de tot naturalisme voerende litteraire theorie, waardoor zijn auteur zich een eind weegs leiden laat. De theorie nl. dat de waarheid hem verbieden zou het leven anders te teekenen dan hij het had gezien; wat dan o.a. zeggen wilde: nagenoeg zonder den Christus.

De stelling nu, dat het individueele zien van den kunstenaar de maatstaf der literaire waarheid zou worden, kan moeilijk worden volgehouden door hem die dit de allesbeheerschende vraag acht voor zijn litterairen arbeid: hoe ziet, blijkens Zijn Woord, God de Heere het menschenleven? Ook bleef De Vries dit zijn voornemen niet gelrouw.

De zonde met haar nasleep van ellende trekt neer, ontadelt, ontluistert. Overal reden tot schaamte, tot verberging, naar de lichamelijke en geestelijke zijde onzer verdorven natuur. Zoo komt tot ons de eisch van aanvaarding, maar ook van verheffing, van strijd tegen de neerhalende machten, die onze menscheneer in het stof doen wonen. Naarmate die machten triumfeeren, winnen in ons leven terrein: grofheid, gebrek aan smaak, platheid, verruwing, schaamteloosheid. Op principieel verzet stuiten deze bij het door Christus gewerkt geloof; al leert ook reeds de „natuur" een onderkennen van het welvoeglijke (1 Cor. 11); al kan cultuur die beseffen voeden.

Tegenover die ontluistering, die vergroving en verwildering van het leven is, naar onze meening, in hoofdzaak drieërlei litteraire houding mogelijk.

Of wel men houdt zich, door zuiver humanistische beweegredenen geleid, bij voorkeur bezig met wat onder menschen groot en edel heet. De zonde, allhans in haar grover vormen, wordt dan niet uitgepenseeld. Het ongeciviliseerde, het onaanzienlijke en kleine wordt grootendeels buiten den gezichtskring gehouden. Dat is de p s e u d o-a r i s- tocratische gezindheid van het classicisme. „Ik haat alwat des volks is" verklaart het antieke Heidendom bij monde van Callimachus en het classicisme van den nieuwen tijd beleeft die leer op zijne wijs.

Er is een tweede houding mogelijk, die de depravatie van de menschelijke natuur ontkent; althans haar, 't zij min, 't zij meer brutale uitbeelding en onthulling recht, zoo niet plicht, acht van de kunst. Dit doet in beginsel de Romantiek, rauwer en meer consequent de naturalistische school. Deze geesteshouding noemen wij de naturalistische; ze is levens ps eudo-demo er a- t i s c h. V. Hugo is het, die in zijn baanbrekende Preface de Cromwell i) in een tropisch-weelderigen stijl de nieuwere theorie opstelt en aanprijst. Vatten we zijn gedachten kort samen. Het Christendom leidt de poëzie tot de waarheid. Alles in de schepping is nu eenmaal niet mooi. Het leelijke, wanstaltige, groteske, het kwaad^ de schaduw eischt een plaats op tegenover het schoone en verhevene, het goede, het licht. Zou dan de beperkte rede van den kunstenaar het winnen van de oneindige rede van den Schepper? Zal de mensch God gaan corrigeeren, de natuur verminkend en ontkrachtend? Neen, bestuurd door den geest der Christelijke melancholie en der filosofische critiek^), zal de poëzie de scliaduw huwen aan het licht, het groteske aan het verhevene, het lichaam aan de ziel, hetbeestaandengeest. Want het uitgangspunt der religie is altoos tevens uitgangspunt der poëzie. Dit is de geboorteure der Romantische litteratuur. Aldus Hugo. Waar hij afbuigt van de lijn der Schrift, is bij' den eersten oogopslag duidelijk: en wel als liij het leelijke en het booze verheft tot componenten van de goddelijke wereldliarmonie. Vandaar dat men van zijn Manicheïstische filosofie heeft kunnen spreken.»)

De Calvinistische litteratuur, welke den Christus belijdt, vernederd en gestraft om onze zonden, maar ook om onze rechtvaardigmaking opgewekt, kan noch de pseudo-aristocralische, classicistische geesteshouding aannemen, noch de pseudo-democratische, naturalistische.

Ze zal óók zich bezig houden met de zonde; met de ellende; met het volk en wat des volks is. Zonder nochtans een ongezonde voorliefde aan den dag te leggen voor wat arm is aan cultuur. Zóó, dat de zonde als wetsovertreding, met schroom en met reserve, wordt geteekend. Dat kieschheid en goede smaak den toon aangeven; dat het platvloersche en ordinaire geen beslag opi den lezer legt. Bovenal: zóó dat de Christus voor onze oogen verrijst als de Levensvernieuwer, die in het zwartste donker glansen van sdioonheid toovert.

Voldoet „"Hartje" aan deze normen, naar opzet en bedoeling? We meenen van niet. Men zal het ons echter ten goede houden, als we ter nadere adstructie meer aanduiden dan citeeren.

Het mag weinig kunstzinnig klinken, maar we wagen het er op: we betwijfelen het goed recht eener communis opinio, die voor romanschrijvers en - lezers de eischen van welvoeglijkheid en goeden smaak, welke in het Christelijke omgangsleven worden erkend, aanmerkelijk verzwakt. Niet om te zweren bij het „salonfahige" woord; dat heeft de Bijbel ons wel beter geleerd. Maar wat niet goed genoeg is voor den Christelijken omgangstoon, staat a fortiori te laag voor de litteratuur.

Welnu, in dit boek slaat veel onsmakelijks, te grof om na te vertellen. Als daar zijn de verhalen over zekere lichamelijke functies van Bartje (37, 53, 86, 181). De Stoa eischte op dit gebied een onbeperkte vrijheid van spreken op. Met haar pantheïstische natuur-vergoding strookte volkomen de stelling: „niets gemeen, niets schandelijk om te zeggen". Men leze er Cicero maar eens op na. *) En aan deze leer „dat de wijze het ding bij zijn naam zal noemen" herinnert Anne de Vries ons maar al te onaangenaam. Ik denk aan de gore woorden en uitdrukkingen die hij, vermoedelijk terwille van de locale kleur en de sappigheid van het dialect, te karakteristiek achtte om ze ons te besparen (60, 61, 86, 100, 113 enz.); waarbij een enkelen keer de grens van het profane bedenkelijk dicht wordt genaderd (121).

Ik denk aan het weerzinwekkend tafereel van Bartje, omringd door de wegwerkers met hun vieze grappen. Aan het spuug-in-de-pan-verhaaltje, dat tot hel peil van antieke parasietenhistories zakt (PI ut arch us, de latenter viv. 1). Aan de onkieschheid, waarmede op de herhaalde zwangerschap van Bartje's moeder zijne en onze aandacht wordt geconcentreerd.

Ook 'het verregaand dialectgebruik ligt in de naturalistische lijn. Door de „waarheid" geëischt? We achten hel een fundamenteele dwaling, dat een auteur zoo dicht mogelijk conversatie_peil en uitspraak zou moeten naderen van de omgeving, waaruit hij zijn figuren heeft genomen. Een dwaling, die uit het oog verliest èn de gevolgen van den zondeval èn het onderscheiden karakter van gesproken en geschreven woord.

In en door de beweging van '80 heeft de naturalistische school, die in een Tiepaalde tendentie van de Romantiek zich vastbijt, en haar in deterministischen zin exploiteert, vat gekregen op onze Nederlandsche litteratuur. Bij onze geringe principiëele bewustheid op letterkundig gebied is het niet te verwonderen, als naturalistische uitloopers zich vertoonen bij auteurs, die de filosofische vooronderstellingen van de naturalistische school en de Romantiek op grond van Gods Woord zouden afwijzen.

Wie nu een voor ieder zichtbare barrière opgeworpen wil zien tusschen een nog geoorloofd realisme en een niet meer geoorloofd naturalisme, stelt de zaken verkeerd.

In de eerste plaats is dit niet mogelijk. En voorts, levend bij de Schrift zoeken we niet op de grenzen te wandelen. Zoolang afschuw van de zonde en vrees voor haar alles penetreerende en infecteerende werking de hand van den schrijver besturen, waagt hij het uiterste niet. Niet op hoe geringen afstand men de wereldsche letterkunde nog juist kan naloopen wordt dan de vraag, maar hoe God het wil.

De Schrift geeft richtlijnen. Zoo is een belangrijk begrip voor onze litteratuurbeschouwing gegeven in het Nieuw-Teslamenlische woord s e m- notes (semnos), waarop speciaal in de Pastorale Brieven wordt aangedrongen.*) Onze Statenvertaling heeft: eerbaar(heid), stemmig(heid), deftigheid, eerlijk. Misschien zouden we met de verlaling „waar dig (he id)" ons niet te ver van het origineel verwijderen.")

Nu gebruiken de stijlcrilici van Hellas (en Rome) dit woord ook gaarne, in prijzenden zin. Maar zie nu het onderscheid tusschen de pseudo-aristocratische gezindheid van de klassieken en de waarlijk aristocratische (tegelijk democratische), zooals de Schrift ons die leert. Een schrijver als Tacitus, voorbeeld van semnotès, acht woorden als „spade'' en „houweel" niet voornaam genoeg en omschrijft liever: instrumenten, waarmede men aarde schept of plaggen uitsteekt.') Hij houdt er dus niet van „to call a spade a spade", zooals de Engelschman het noemt. De Heilige Geest geeft ons een ander voorbeeld, ., blijkens het slot van Jesaja 28 en vele andere plaatsen. Niettemin dunkt ons de semnotès der Heilige Schrift een onverzoenlijke vijandin van de in „Bartje" gesignaleerde verschijnselen. Zij duldt geen dubbele welvoeglijkheidsnorm, een voor den omgang en een voor de litteratuur. Wanni een naturalistisch boek zich presenteert als „waat» willen we bedenken, dat Gods Woord de waarheii! onverbrekelijk koppelt aan wat rein is en ijefijii (Philipp. 4:8). Een door naturalisme geïnspireeri beschrijving, ze moge zoo scherp en suggestief ziji, als ze wil, is een door het vleesch bevlekte rok i nimmer schoon. Ook „Bartje" is onschoon, voot zoover het niet-Christelijk is en naturalistisch


1) Uitgegeven en van inleiding en aanteekeningen voorzien door M. Souriau, Paris 1897 (5e éd.).

2) Hugo bedoelt hier niet, althans niet speciaal, de nieuwe filosofie.

3) Zie Souriau, a.w., p. 138.

4) Ep. ad. Fam. IX 22: „Nihil esse obscenum, nihil turpe dictu".

5) Zie 1 Tim. 2:2; 3:4; 3:8; 3:11; Titus 2:2; 2:7; Philipp. 4:8.

6) Vergelijk b.v. Zahn-Ewald ad Philipp. 4:8: „die Erhabenheit über das „Gemeine" das ehrenwerte, edle, züchtige, gehaltene Wesen".

7) Zie Nor den, Antike Kunstprosa I, 331.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1936

De Reformatie | 8 Pagina's