GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET BOEK VAN DE WEEK

9 minuten leestijd

Rondom de Kuyper-litteratuur.

V.

Wij komen thans tot een zeer belangrijk punt in de kwestie die ons bezighoudt, n.l. de verhouding van de Kerk tot den Staat, zooals die naar Groens overtuiging behoort te zijn.

"Wanneer men omtrent dit punt Groens opvattingen wil onderzoeken, moet men zich niet in de war laten brengen door leuzen als: „vereeniging van Kerk en Staat", of „scheiding van Kerk en Staat". Men kan Groens beschouwingen met dergelijke simplistische termen niet juist en nauwkeurig aanduiden. Beide leuzen immers komen bij Groen voor en worden door hem verdedigd. Wil men weten wat hij ermee bedoelt, dan is het noodig, , zeer nauwkeurig na te gaan, wat Groen in een bepaald geval onder „scheiding" of „vereeniging" verstaat en wat hij met het woord „kerk" aanduidt. 1)

Het zal dus zaak zijn eerst de gedachten, de beginselen van Groen omtrent dit punt na te gaan. Heeft men die eenmaal gevat, dan kunnen termen geen misverstand meer wekken.

Groens levens worsteling heeft voor een groot deel bestaan in een verdedigen van wat hij noemt „het recht der gezindheden". 2) Groens opvattingen omtrent dat recht bepalen ook zijn visie op het probleem van de verhouding van Kerk en Staat.

In het Nederlandsche volk ziet Groen verschillende „gezindheden" als de Roomsche, de Hervormde (of Gereformeerde), de Israëlietische enz. De natie is samengesteld uit of, anders gezegd, verdeeld in die gezindheden. Die gezindheden, door Groen ook wel kerken genoemd, zijn in de sfeer van den Staat allereerst „zelfstandige en onafhankelijke corporation". 3) Het zijn voor alles „particuliere vereenigingen, die in haar zelfstandigheid en regten moeten worden beschermd; geen onderdeden, geen organen van den Staat." *) Daaruit vloeit voort lo. dat de Staat geen enkel jus in sacra bezit (d.w.z. geen enkel recht om in de kerk te beslissen over interne, kerkelijke aangelegenheden als leer, kerkinrichting, tucht enz.); 2o. „dat aan de Kerk als zelfstandige corporatie, toegekend wordt wat tot haar bijzondere administratie en eigen zaken behoort; dus vrijheid van b ij z o n d e r o n d e r w ij s, en de volkomene onafhankelijkheid der diakonieën"; 3o. „dat deze corporatiën, even als alle andere, regt hebben op de bescherming welke van Gouvemementswege aan alle personen en aan alle corporatiën in den Staat toekomt; dat ze aan de Kerk, ook weder gelijk aan alle andere corporatiën, moet worden verleend, naar gelang van haar eigenaardigheid, van hetgeen eene Kerk karakteriseert." °)

Indien deze zelfstandigheid en dit recht der Kerk worden erkend en geëerbiedigd, is naar Groens overtuiging reeds veel gewonnen. Een der punten, waarom Groen de grondwetsherziening van 1848 waardeerde, was juist omdat zij de volledige erkenning van deze zelfstandigheid bracht. „Al hetgeen door de Grondwet van 1848 op die wijze is tot stand gebragt, stel ik op hoogen prijs."")

In dezen nauwkeurig omschreven zin, juicht Groen de Scheiding van Kerk en Staat toe. „Wanneer men spreekt van het losmaken der banden tusschen de Gezindheden en den Staat, en daarmede te kennen geeft dat die vrijheid, die onafhankelijkheid voorlaan ter goeder trouw, met onbekrompenheid, zal worden geëerbiedigd, is losmaking wenschelijk en noodig en moet zoo spoedig mogelijk worden tot stand gebragt."')

Deze zelfstandigheid der Kerk, als particuliere vereeniging, hoe noodzakelijk ook, is voor Groen evenwel niet voldoende. Even sterk als hij déze onafhankelijkheid eischt, even sterk wijst hij af de beschouwing, die de kerk ALLEEN en UITSLUI­ TEND als particuliere vereeniging in den Staat beschouwt. Groen verlangt de erkenning en de bescherming van de Gezindheden niet enkel als privaatrechtelijke, maar vooral als publiekrechlelijke corporatiën.*)

Wat bedoelt Groen daarmee?

De in Nederland bestaande gezindheden hebben een openbaar, een historisch, en, daar aan alle bestaande gezindheden door de Grondwet gelijke bescherming is toegekend, óók een grondwettig aanzijn. De gezindheden zijn niet in den Staat „toegelaten" en aan den Staat onderworpen. „Gezindheden zijn niet aan het goedvinden van wetgever of grondwetgever onderworpen. Dit is het revolutionaire beginsel... Volgens dit denkbeeld, is er geen regt dan hetgeen de wetgever of grondwetgever schept of genadig behoudt. De Gezindheden hebben hier te lande een historisch bestaan, zij zijn niet getolereerd bij de genade der Grondwet."') De gezindheden liggen op één niveau met den Staat. Het zijn „corporatiën, vereenzelvigd met den Staat en met de Natie; corporatiën die niet alleen mogen, maar moeten worden gekend, in al wat de Godsdienst zijdelings of regtstreeks betreft."") „Dan eerst zal men tot een behoorlijken toestand geraken, wanneer men, bij gelijkstelling der Gezindheden, haar collective n invloed waardeert, haar onbetwistbare regten ontziet; in dien zin en geest, het nut en de onmisbaarheid der wederzij dsche betrekking van Kerk en Staat in het oog houdt." ii)

„Indien ge het regt van de Gezindheden, ter regeling van de openbare instellingen, waar Godsdienst te pas komt, niet aanneemt, huldigt ge het revolutionair systeem van den absoluten Staat, die eene eigen Godsdienst heeft of zich aan ongodisterij overgeeft en wiens vrijgevigheid zich bepaalt tot het toelaten van hetgeen, in den beperkten kring van bijzondere mrigtingen, aan den Staat niet hinderlijk is. Dan hebt ge een Staat die de Gezindheden duldt en op de inrlgtingen door de Natie bekostigd, aan de bevolking toedient godsdienstige begrippen, namelijk die de Regering voor genoegzaam en onschadelijk houdt. Deze godsdienst kan ieder oogenblik veranderen, naar goedvinden van het Gouvernement. Ge hebt dan, ten slotte, eene burgerlijke of maatschappelijke of politieke godsdienst van Staat, gerigt tegen al hetgeen waarop door de Gezindheden, waarin de natie verdeeld is, prijs gesteld wordt." i^)

In Nederland moet dus de Staat waken over het eigen recht der Gezindheden. Hij moet dat recht eerbiedigen. Bovendien moet de Staat zorgen, dat de eene Gezindheid de andere niet verdrukt. De Staat moet eventueel zoowel roomschen overmoed keeren als ook waken tegen Groen en zijn vrienden, indien zij art. 36 der geloofsbelijdenis met andere dan geestelijke wapenen zouden ten uitvoer willen leggen, i^)

De openbare instellingen, waarbij Groen dan vooral de Gezindheden recht van meespreken wil geven, omdat daar „Godsdienst bij te pas komt" zijn b.v. onderwijs (zoowel lager als hooger), h u w e 1 ij k, eed en a r m w e z e n. i*)


1) Men vergelijke uitspraken als: „Vereeniging van Kerk en Staat is het beginsel" „Elke Godsdienst, en de christelijke vooral, geraakt in strijd met een Staatswezen dat zich boven de Godsdienst verheft. De conditio sine qua non der verdraagzaamheid is juist eene heerschende Kerk", Grondzvetsherz. en P-ensgesindhcid, p. 387. (De laatste uitspraak citeert Groen op die plaats uit zijn Beschouwingen I, p. 204, beter bekend als: Proeve 'over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd; Leiden 1834, eerste druk). Hier is Kerk identiek met Godsdienst en dan natuurlijk de christelijke Godsdienst. Groen spreekt evenwel ook van een „scheiding van Kerk en Staat, die, tvelbegrepen, gok door ons begeerd wordt." Ter nagedachtenis van Stahl; IV, V; sindsdien herhaaldelijk door hem geciteerd. Ook spreekt Groen van de afschaffing van de •heerschende kerk als van een scheiding van Kerk en Staat. „Gij vergeet dat de Scheiding van Kerk en Staat sedert 1795 volbragt is." Grondwetshersiening en Eensgezindheid, p. 408. „Scheiding van Kerk en Staat, voor ons, beteekent dat er in Nederland niet meer, gelijk vóór 1795, eene heerschende Kerk !s"; Narede enz. p. 14. Met deze scheiding gaat Groen ook accoord. Vergelijk wat verder in dit artikel over de kerk als particuliere vereeniging in haar zelfstandigheid t.o. den Staat IS gezegd en ook de laatste zin van dit artikel.

2) Niet aanstonds heeft Groen den vollen rijkdom en consequentie van dit beginsel doorzien. In zijn oudere geschriften zijn uitspraken te vinden, die er op schijnen te wijzen, dat hij dit recht meer noodgedwongen aanvaardt dan van harte belijdt. Men vergete niet, dat de gelijkstelling der gezindten onder den invloed van het revolutie-beginsel was tot stand gekomen en Groen er dus allicht aanvankelijk wat huiverig tegenover stond. Men leze evenwel: „Van lieverlede(!!) evenwel heb ik geleerd o< 5i' Publiek regt der gezindheden beteekent", N. Ged. V, f? "- "Terugkeer tot de grondbeginselen (!!) van het Christehjk-historische Staatsregt, vooral ook tot het Publiek regt der gezindheden is het eenige redmiddel uit den desolaten toe- Mand", Ned. Ged. IV.

Twijfelt men of Groen in den aanvang van zijn optreden, dat publiek recht ook aan de Roomsche gezindheid wilde toekennen, in 1851 reeds was Groen van oordeel: „Bij eventuele Grondwetshersiening zouden wij het een jammerlijk overleg achten, wanneer in een verbreken van de gelijkheid der Gezindheden, steun voor het Protestantisme gezocht wierd" Narede van vijf jarigen. strijd, p. 26. Vgl. Noot 28 van dit artikel en art. Hl van deze serie.

3) Adviezen, II, (1857), p. 247.

4) Idem, p. 272.

5) Idem, p. 247/8; vgl. p. 260. Dikwijls wijst Groen met name het jus in sacra, uitgeoefend door de Overheid, af. „De Minister heeft verzekerd, dat het Gouvernement zich nooit zou laten bewegen om te interveniëren in hetgeen de kerkleer betreft; dat men zich onthouden zou van alles wat naar een jus in sacra gelijkt, en hij heeft vergeten dat niemand van dergelijke interventie meer afkeerig is dan wij; dat wij aan de Regering alle bevoegdheid om zich in de innerlijke belangen der Kerk te mengen, steeds hebben betwist." Idem p. 262. „Wij verlangen, zegt men, dat de Regering als geloof sregter optrede. Geenszins; de Regering erkenne slechts dat de kerk eene leer, eene historische en fundamentele, van de willekeur der meerderheid onafhankelijke, eigenaardigheid heeft." Idem p. 265.

6) Adviezen, II, (1857), p. 247.

7) Idem, p. 248.

8) Idem, p. 254, 260, 272, 275. „De Gezindheden zijn niet ENKEL particuliere Vereetügingen IN den Staat". Ned. Ged. IV, p. 377. Grotidwetsherz. en Eensgezindh., p. 391 v

9) Adviezen, II, (1857), p. 249.

10) Idem, p. 248.

11) Idem, p. 248, vgl. p. 272.

12) Idem, p. 249/250, p. 272, p. 276.

13) Idem, p. 249.

14) Idem, p. 251, 268. Vgl. Ter nagedachtenis van Stahl, p. 53: „In de openbare instellingen, voor zoover ze met de Godsdienst in verband zijn, het geloof der Natie; Ik kies tot voorbeeld de wetgeving omtrent het huwelijk, het onderwijs, en den eed."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1937

De Reformatie | 8 Pagina's

HET BOEK VAN DE WEEK

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1937

De Reformatie | 8 Pagina's