GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

11 minuten leestijd

Iets over het Joodsche probleem.

II.

Antisemitisme in Europa. 1.

In de arlilielen twee en drie volgeu. enkelci gegerens over het Antisemiüsme in Europa. Onder .Antisemitisme verstaan wij de Jodenhaat ea de Jodenvei-volging bij de voliien, in wier midden zij wonen.

Maar zoo is het woord veel te ruim. Het Anüsomiüsme richt zich immers niet tegen alle volkoHj die volgens Gen. 10:21—31 van Sem aftomstig zijn. Het ageert slechts tegen een enlielen talc der Semieten, n.l. de Joden. Veel juister zou dan ook de naam A n t i j u d a ï s m e zijn, want daarin ligt duidelijk, voor ieder verstaanbaar, dat de vervolgiag zich tegen de Joden keert. Toch werd niet Antijudaïsm e, maar Antisemitisme de meest gebruikelijke term. Blijkbaar met de kennelijke bedoeling om te doen uitkomen, dat het verzet „niet tegen de Joden als zoodanig", maar vooral „tegen den verderfelijken invloed van het Semitisch© ras en van de Semitische wereldbesohouwing" ging. En „slechts in zooverre de Joden nog altoos de sïarste vertegenwoordigers van deze Semitische levensopvatting waren, keerde deze worsteling zich allereerst tegen' hen." (Dr A. Kuypei-).

Aanvankelijk hadden de Joden na de verstrooiing ill de Grieksch-Romeinsche wereld nog niet zooveel last. Him godsdienst v/erd als „religiO' licita", d.i. van staatswege toegelaten en geoorloofde godsdienst beschouwd. Rome was vrij verdraagzaam jegens andersdenkenden. In den eersten tijd' na de stichting der ApostoUsche kerken werden de Chris^ tenen als een nuanceering van de Joden beschouwd. Beiden mochten dan ook hun eigen godsdienst behouden. Maar op één voorwaarde, dat zij bereid waren, ook aan den Keizer goddelijke eere te geven, voor diens borstbeeld wierook te branden en bij diens genius te zweren.

Geen wonder, dat de Joden al spoedig den haat deï-Romeinen opwekten. Vooral hun streng monotheïsme, d.i. hun leer, dat Jehovah de eenige. Ware God is, was voor de Heidenen onverdraaglijk. Het hield' in, dat de afgoden der Romeinen geen goden waren. Daarbij kwam hun strenge afzondering, hun weigering om wegens hun spijswetten met de Heidenen te eten, hun bitter verzet tegen het Romeinsche gezag en hun weigering ^an den Keizer goddelijke eer te geven. Vandaar öe herhaaldelijk voorkomende botsingen tusschen * Joden en de Romeinen.

Vooral onder de regeering van Keizer Hadrianus, T H ^^' ^^^ ^^ botsing hevig. Lang hadden de oden in hun lot berust en Rome's juk met gelatenheid gedragen. Maar een zekere Rabbi Akiba woomde van een onafhankelijken staat. Het Jood- ^f volk moest zich met geweld vrijvechten. Zijn '^ige taal bezielde de massa: Duizenden waren tot een oorlog bereid'. Alleen ontbrak nog een bekwaam en machtig aanvoerder. Maar ook die stond op in een zekeren Bar-Koziba, een man met een vorstelijk voorkomen, die Indruk maakte. Toen Rabbi Akiba hem voor het eerst ontmoette, was hij' verrukt en riep hij geestdriftig uit: „Dit is de Koning, de door God gezonden Verlosser". Hiji zag in hem de vervulling van Num. 24:17: „Er zal een ster voortgaan uit Jakob" enz. en noemde hem Bar-Kochba, d.i. sterrenzoon. Spoedig bleek hij' „een valsche Messias" te zij'n. In gloeiende taal zette hij' de Joden tegen het Romeinsche gezag op. Met een leger van plm. 400.000 man verjoeg hij' de Romeinsche bezetting uit tal van steden. Drie jaren (132—135) hield hij den opstand vol. Zelfs nam hij niet alleen vele Romeinen, maar ook vele Jodenchristenen gevangen. De Romeinen behandelde hij welwillend, maar de Jodenclrristenen, die weigerden Christus af te zweren, en Bar Kochba als Messias te erkennen, werden gegeeseld. De Keizer begreep, dat hij den opstand alleen met tact en kracht zou kunnen bedwingen. Daartoe zond hij dan ook zijn bekwaamsten veldlieer Julius Sever^us naar Judea om Bar-Kochba tot onderwerping te noodzaken. Voorzichtig meed hij' een slag in het open veld. Door onverhoedsphe aanvallen uit zijn schuilplaats verzwakte hij diens leger. Langzamerhand veroverde hij alle steden, zoodat Bar-Kochba m.et zijn leger zich moest terugtrekken in de vesting Bothar, dicht bij Cesarea, aan de zee. Severus sloot ook deze vesting nauw in en sneed den toevoer van alle levensmiddelen af. Alleen door onderaardsche gangen werden er tij'delijk nog wat binnen gehaald'. Ruim een jaar duurde het beleg. Eindelijk moest hij, door honger, 'dorst en verraad gedwongen, de vesting over geven. Stroomen bloeds werden vergoten. Meer dan 500.000 Joden werden gedood. De gevangen mannen en vrouwen werSen te Hebron en Gaza als slaven verkocht. Andere overgeblevenen vluchtten naar het gebied van den Eufraat, naar Arabië, of ook naar Spanje, waar reeds Joodsche kolonies waren.

Dergelijke opstanden hadden er meermalen plaats, maar werden telkens onderdrukt en vaak in bloed gesmoord.

In de Middeleeuwen hadden de Joden in höt Christelijk Europa het meest te lijden tijdens de Kruistochten, 1096—1270. Deze werden ondernomen om het heilige land aan de macht der Mohammedanen te onti-ukken en de Chiistenen in Palestina tegen mishandeling te beschermen.

Reeds met den eersten Kruistodit, 1096, begon de lijdensgeschiedenis der Joden. Deze tocht werd van uit Frankrijk ondernomen. De Joden werden gedwongen zich te laten doopen en Christenen te worden. Zij die weigerden werden mishandeld en vermoord. Zoo te Rouen en te Metz. Nog vreeselij'ker was hun lijden in de Rijnstreek van Duitschland. Daar trok een afzonderlijke, ordelooze bende van Kruisvaarders door, onder leiding van een zekeren Gottschalk. Op onmenschelijke wijze hield hij huis. Ongeveer 12.000 Joden kwamen, zoogenaamd wegens hun kruismoord op den Messias, om. De gemeenten te Worms, Mainz en Keulen werden geheel uitgemoord. Enkelen namen, oprecht of in ischijn, het Christendom aan. Op hun verderen tocht naar Oostenrijk richtten zij te Regensburg en Praag dezelfde verwoestingen aan, totdat zij ten slotte door de Hongaren verslagen en uit elkander gejaagd werden. Enkele scharen van Kruisvaarders kwamen in 1099 te Jeruzalem en veroverden de stad. Zij dreven de Joden in de isynagoge en staken het gebouw in brand. Zoo eindigde voor de Joden de eerste Kruistocht.

In 1146 kwam de tweede Kruistocht. Ook die bracht de Joden veel ellende. Ieder, die aan 'den heiligen oorlog zou deelnemen, werd door den paus vrijverklaard van het betalen der rente aan zijn Joodsche schuldeischers. Gevolg was, dat de rente hun onthouden, hun kapitaal geroofd^ hun bezittingen geplunderd en hun eigendommen in brand gestoken werden. Ook dit geschiedde in Frankrijk en vooral in de Rijnstreek van Duitschland'. Vele Joden werden gedood. Gelukkig, dat sommige vorsten en bisschoppen hen beter behandelden dan bij den eersten Kruistocht. Koenraadf III wees hun o.a. Neurenberg tot toevluchtsoord aan; en de bisschop van Keulen stelde den burcht Wolkenstein voor hen open. Ook tijdens den derden Kruistocht, 1190, hadden de Duitsche Joden en vooral de gemeente te Worms veel te lijden.

Geen wonder, dat de Joden door deze marteflingen der Roomsche Kruisvaarders van het Chris^ tendom een afkeer kregen.

Met de Hervorming in de 16e eeuw kwam er gelukkig een andere beschouwing en vooral in de Calvinistische landen ook een betere behandeling der Joden.

Luther was aanvankelijk de Joden gunstig gezind. De Hervorming had de Christenen van het pauselijk juk verlost. Hij hoopte dat de Joden dit dankbaar zouden erkennen en zich nu ook tot Christus zouden bekeeren. Dat hij de mishandeling der Joden aflceurde blijkt dtddelijk uit zijn ^oek: „Dat Jezus Christus een geboren Jood is". Daarin dringt hij er met kracht op aan de Joden vriendelijk te behandelen: „Wanneer de Apostelen, die ook Joden waren, zoo met ons Heidenen gehandeld hadden, als wij Heidenen met de Joden 'doen, er zou zeker geen enkel Christen uit de Heidenen gekomen zijn. Indien zij dan met ons. Heidenen, zoO' broederlijk gehandeld hebben, dan moeten wij op onze beurt broederlijk met de Joden handelen, opdat wij eenigen uit hen tot bekeering mogen leiden."

Later kwam Luther tot andere gedachteuj omdat hij in zijn verwachtingen teleurgesteld werd. Daarvoor zijn een tweetal redenen. Vooreerst, dat slechts enkele Joden tot den Messias kwamen, maar de massa zich tegen Hem bleef verzetten.

En voorts, dat zij de zaak van het protestantisme zooveel mogelijk afbreuk deden, door hun actie om Christenen tot proseüeben te maken, die zich' lieten besnijden en den Joodschen Sabbat wilden herstellen. Vandaal" zijii boek: „Over Se Joden en hun leugens.", in 1543 versditenen, om tegen hen te waarschuwen. Willen de Joden voor Christus niet buigen, dan moeten ziji het oordeel dragen; en d]e Christenvolken mogen toezien, dat zij' het pand hun toebetrouwd, bewaren! In Luther's latere geschi-iften komen vele en ernsüge beschuldigingen tegen de Joden voor èn vanwege hun bedriegelijike praktijken èn vooral vanwege hun verwerping van < i'en Messias. Vandaar dat de Joden in de landen, waar de Luthersche reformatie plaats had mindel' vriendelijk behandeld werden dan in de landen der Calvinistische reformatie.

Calvijn's oordeel over de Joden is dan ook veel Igunstiger. Dit blijkt zeer duidelijli uit zijn verklaring van Rom. 9—11, waarin Paulus speciaal iover de Joden handelt. Nergens leest gij', dat € alvijn in verachtelijken of hafcelijken zin over de Joden spreekt. Overal waar hijl zich meer perteoonlijk over hen uitlaat verblijdt hij' zidh met ÏPaulus, dat God het volk der Joden niet geheel •verstooten heeft. Uit de vele bewij'zen noem ik slechts twee.

Eerst Rom. 11:32: „Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij Jhun allen zou barmhartig zijn."

In zijn commentaar schrijft hij': „Dat einde zal 'heerlijk zijn! Wie zelf in de hoopi op de eeuwige zaligheid staat, behoeft dus voor de overigen niet te vertwijfelen. Want lïöe het thans ook met ons gesteld moge zijn, eenmaal wai-en wij niet beter i& sai alle anderen. Heeft alleen de genade Gods ons uit het ongeloof gered, zoo kan dit ook biji de anderen geschieden. De Apostel schrijft den Joden geen andere schuld toe dan ook de lieiidenen. Zij' kunnen beiden zien, dat ook voor de anderen de deur des heils openstaat. Het is een en idezelfde genade Gods, die zalig maakt en deze kan zich aan beide volken mededeelen."

En voorts, hoe hij de gemeente leert bidden in liet Formuliergebed na de prediking, dat in de „Liturgie van Geneve", 1543, is opgenomen: „Uw volk Israël heeft U vaak tot toom verwekt door zijn misdaden. Gij hebt naai- Uw redhtvaardig oordeel hen geslraft, maar wanneer ziji zich wedör tot U wendden, hebt Gij hen in erbarming aangenomen. Hoe la-enkeiid hun beleedigingen ook waren. Gij hebt, uit liefde tot Uw verbond, dat Gij^ met Uwe knechten Abraham, Izaak en Jakob gemaakt hadt. Uw roede en Uw vloek noig afgewend, zoodat hun gebeden door U niet afgewezen worden."

Zeel- waarschijnlijk is Galvijn persoonlijk niet in de gelegenheid geweest om zijn liefde tot de Joden te bewijzen. Volgens E. Doumergue woon- & en er in de middeleeuwen wel enkele Joden in Geneve, eerst onder de Gliristenen vermengd. Sinds 1428 in een afzonderlijke wijk, het Ghetto. Zij waren verworpelingen. Dikwijls werden zij' in !hun wijk des nachts door de burgers geslagen len geplunderd. In 1490 werden zij: op verzoek van den Raad door de bisschoppelijke vicarissen verplicht binnen tien dagen de stad te verlaten. Tij; dens Ca]^^jn was er dan ook geen Jodenkolonie en geen Jodenkwartier meer in Geneve. Van persoonlijk contact was er dus weinig of geen sprake. Trou'wens in heel Zwitserland woonden weinig Jioden. Van de 16e tot de 19e eeuw, in 300 jaren tij'ds, waren er slechts 30 Joden die Christenen werden.

'Niet alleen in Engeland, maar vooral ook in Nederland was Calvijn's invloed duidelijk merkbaar. Het Galvinisme leert beide de vrijiheid van consciëntie, en de vrijheid van godsdienst. Daar- (van profiteerden ook de Joden. In de Middel- •eeuwen kwamen sledits in enkele sitedten als Nijmegen, Zutphen, Arnhem, uit Duitsdhland gevluchte Joden wonen. Hun toestand was niet rooskleurig. Zij mochten alleen in den kleinhandel ©en levensbestaan zoeken. Van bloedige vervolgingen was echter geen sprake.

Na 'de doorwerking van de Hervorming werd toet anders. De Calvinistische beginselen vonden liier een vruchtbaren bodem. Prins Willem I, 1533—1584, verdedigde uit volle overtuiging het beginsel der godsdienstvrijheid. Onder zijn invloed werd in de Unie van Utrecht, de toenmalige grondwet, 'bepaald dat men niemand wegens zijb godsdienst mocht vervolgen of onderdrukken, 1579. Van toen af werd Nederland een toevluöhtsoord. Sinds 1590 kwamen er telkens Joden uit Portugal en sinds 1618 uit Duitschland en Polen naar Amsterdam. De meeste Portugeesche Joden waren rijk. Zij bevorderden met hun kapitaal handel en verkeer. De Duitsche en Poolsche Joden waren meestal arm. Maar ook zij' werden gastvrij opgenomen. Ook in andere steden als Rotterdam, Den Haag, Leeuwarden, Middelburg, Nijmegen e.a. vestigden zich de Joden. Wel kregen ziji geen volledige gelijkstelling met de overige bewoners, werden zij van de gilden uitgesloten en moichten slechts enkele bedrijven uitoefenen. Maar in hvm godsdienstoefening waren zij vrij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's