GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

WAARAAN HANGT MIJN ZEKERHEID ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAARAAN HANGT MIJN ZEKERHEID ?

6 minuten leestijd

Enkele weken geleden schreef ik in deze rubriek een artikel over de beteekenis, de waarde van den Doop voor heel mijn leven.

Ds v. d. Zaal, predikant bij de Christelijke Gereformeerde Kerk te Ulfum bespreekt dat stuk in het orgaan van den Bond van Christelijke Gereformeerde Mannenvereenigingen, „De Saamwerker". •

Ik had o.a. dit geschreven: „Die Doop moet voofU zijn levend, al den da^ rentegevend, kapitaal. Zoo moet ge met uw Doop bezig zijn.

Op een oogenblik (en dat gebeurt toch telkens) ziet ge voor U liggen de boosheid van uw leven. Gij ziet uw zonden, niet alleen van den laatsten tijd, .maar van geheel uw leven. De zonden van uv^ jeugd; uw Verborgen zonden; uw openbare zonden; gij wordt er door ontroerd. ^

Denkt dan aan uw Doop, luistert naar de spraak van God in die sprankelende druppels.

„Zie", zegt de Heere, „zooals hier uw lichaam mat water ge\7asschen wordt, zoo reinig Ik U van al uwe zonden. Ik wasch U rein. Ik doe weg al uw boosheid. Alles, alles, hoe zv/art, hoe vuil. Alsof ge nooit zonde had gedaan. Blank als een bloem".

Dat is 200 machtig vertroostend, dat drijft esn zucht van verlichting uit het hart. Dat doet ons herademen. O ja, het is erg, zoo erg met ons, maar God maakt het in orde, om Christus wil. Wij behoeven niet meer bang te zijn om de wille van die zonden; afgewasschen, rein".

Zoo schreef ik. En wat zegt Ds v. d. 2aal daar nu van? Dit: „Hier wordt geen onderscheid gemaakt tuEschen de belofte en , de geloovige aanvaarding daarvan. Dus komt de gedachte op: „Wordt het zóó bedoeld: elke gedoopte mag het zeker Vv^eten; hem is - de belofte gegeven door God, Die niet liegen kan, ^dat Kij hem Zijn heil heeft gegeven? Hij bezit dus tengevolge van die belofte dat heil? In nood heeft hij alleen maar aan < iie schat te denken en hij kan zich weer rijk v/etsn, al gevoelt hij zich arm en ellendig door de zonden?

Dan zou het zoo staan: „Bij de Gereformeerde Synode is het zeer w a a r s c h ij n 1 ij k, dat alle gedoopten v/edsromgeboren zijn. Bij Ds van Dijk is dit zeker krachtens Gods belofte. De Synode houdt ze voor wederomgeboren, bij Da van Dp: z ig n ze het". (Spatieeiing van mij, v. D.).

Tot zoover Ds v. d. Zaal. Hij zegt dankbaar te zullen zijn voor een duidelijk antwoord van mij. Welnu, ik wil trachten hem dat te geven en wel als volgt. Natuurlijk denk ik er niet aan te leeren, dat alle gedoopten krachtens Gods belofte wedergeboren z ij n. Ik meen, dat ik dit wel zoo vaak en zoo duidehjk heb gezegd, dat ieder, die leest, wat ik schrijf, bij voorbaat kan weten, dat ik dat zeker nooit bedoel. Hoe zou iemand, die, helaas, ziet, dat zoovele gedoopten nooit tot het geloof komen, en die tegelijk belijdt de volharding der heiligen, iets dergelijks ooit kunnen zeggen.

Ik weet, dat geen gedoopte zalig wordt, die niet in het geloof de belofte, die hem in den Doop werd verzegeld in het geloof aanvaardt.

Maar over aanvaarding van de belofte door het geloof ging het immers juist in mijn schrijven.

Volgens ons Doopsformulier betuigt en verzegelt God de Vader mij door den Doop, dat Hij mij tot Zijn kind en erfgenaam aanneemt; de Zoon verzegelt ons, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden; de Hsilige Geest verzekert ons, dat Hij in ons wil wonen en ons tot lidmaten van Christus wil heiligen,

Dat heeft de getrouwe God des Verbonds toch gezegd, daar kan ik toch op aan?

Wanneer daar nu een mensch is, die zijne zonden ziet en daardoor ontroerd en bevreesd wordt, dan mag hij zich tooh' op die belofte verlaten, dan mag hij zich daarin toch verheugen?

En a.'.s hij dat doet, dan kan hij niet omkomen; wantdoor zich in die-belofte teverheugen grij.pt hij ze immers in het geloof aan en wordt zij aan hem vervuld?

Als ik Ds V. d. Zaal goed begrijp, dan zou hij willen hebben, dat een mensch eerst van zijn wedergeboorte verz-ekerd moet zijn om er van verzekerd te mogen wezen, dat 't heil, waarvan de Doop spreekt, voor hem is. Maar dat is niet juist — God geeft Zijn heil in de belofte niet aan wedergeborenen, maar aan Zijn bondelingen. En het feit alléén, dat God mij de belofte geeft, geeft mij het recht om de hand op dat heil te leggen en er mij in te verheugen — En, nog eens, doordat ik dit doe is de belofte aan mij vervuld.

Mijn zekerheid hangt alleen aan Gods belofte; op die belofte alléén mag ik mijn zekerheid laten rusten. Op niets anders; ook niet op mijn wedergeboorte.

Als ik dat doe schuif ik weer iets tusschen mij en de belofte in en ben ik de zekerheid kwijt geraakt.

Als Ds V. d. Zaal de quaestie stert zooals hij doet, dan blijkt daaruit, dat hij denkt in de categorieën van de Synode van de Gereformeerde Kerken.

De Synode zegt: „wat heb ik aan het heil in de be-lofte; wat ik noodig heb is het in de wedergeboorte gerealiseerde heil. Daarom moet de Doop, zal hij iets beteekenen, zijn een verzegeling van dat gerealiseerde heil".

Ds V. d. Zaal zegt: „ja, de Doop verzegelt de belofte, maar zal ik mij in die belofte mogen verheugen, dan moet ik wedergeboren zijn". ,

In beide gevallen miskent Aen de werkelijklieid vaa de genade, zooals die in de belofte tot den bondeling komt.

Aan die belofte meent men niet genoeg te hebben. Men zoekt het in wat men dan noemt de r e a 1 i s e e-r i ri g van de genade in den mensch.

Maar dat is noch de taal van de Schrift, noch die van de belijdenis of van het Doopsformulier.

Lees toch eens het Doopsformulier. , , En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen noch in de zonden blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig Verbond der Genade met God hebben".

Altijd weer die onmiddellijke greep naar de belofte, naar het Verbond. Wij moeten daar niet tusschen schuiven dat geredeneer over de wedergeboorte. Noch op de ééne, noch op de andere manier.

„Ik beloof het u" zegt God, dat moet u genoeg zijn om er u op te verlaten en er u in te verheugen.

Of dan de mensch niet moet wedergeboren worden? Dat zegt de Schrift duidelijk genoeg. Maar, mij vastgrijpende aan de belofte en mij daarin veriheugende, openbaar ik de wedergeboorte en naarmate ik dat meer doe zal die wedergeboorte bij mij krachtiger zijn en heerlijker.

Ik hoop, dat Ds v. d. Zaal dit antwoord duidelijk vindt en dat hij gevoelt, dat in zijn aanpak van het probleem nog iets is overgebleven yan het synodale zuurdeeg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

WAARAAN HANGT MIJN ZEKERHEID ?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1947

De Reformatie | 8 Pagina's