GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Geestelijk voedsel — on-Geestelijk eten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijk voedsel — on-Geestelijk eten

9 minuten leestijd

Want ik wil niet, broeders, dat U onbekend is, dat onze vaders allen onder de wolk waren en allen door de zee gingen en allen in Mozes gedoopt werden in de wolk en in de zee en allen dezelfde geestelijke spijze aten en allen denzelfden geestelijken drank dronken. Want zij dronken uit een geestelijke rots, die volgde. Die rots nu was de Christus. Maar in het meerendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad, want ze werden neergeveld in de woestijn. 1 Kor. 10 : 1—5.

Het stond niet best met de korinthische gemeente. Zonden van allerlei soort tierden welig in haar. En het leven des geloofs verloor daardoor zijn kracht en fleur. Er was zelfs een zeer reëel gevaar van algeheelen afval. Daarom gaat Paulus zijn korinthische „kinderen" vermanen. En hij doet dat door hun het schilderij van een episode uit de geschiedenis van het oude Israël voor te houden.

Voor wie de Schrift een beetje verstaat is deze handelwijze van Paulus niet vreemd.

God houdt ons immers in zijn woord steeds voor oogen dat van Adam tot in de eeuwigheid één, ondeelbare, in wezen steeds zichzelf gelijk blijvende, kerk door Christus wordt vergaderd. Die kerk heeft één God, één Christus, één Geest. Tot haar komt éénzelfde machtig genadewoord. Ze wordt verlost uit de macht van éénzelfden Satan, éénzelfde zonde, éénzelfden dood. En tot haar worden vergaderd menschen, die in wezen altijd aan elkaar gelijk zijn: zondig, verdorven, geneigd tot alle kwaad.

Omdat de kerk zoo een eenheid vormt treden in haar leven steeds dezelfde verschijnselen op. Ze worstelt door alle eeuwen met dezelfde zonden, valt in dezelfde strikken, beleeft gelijksoortige ellenden en verlossingen. Het is altijd weer: zonde, afval, redding door Gods almachtige genade. Zeker, de situaties veranderen permanent en zijn nooit gelijk. Het decor is, om zoo te zeggen, altijd wisselend. En er is in en door alle gebeurtenissen heen ook de opgang en de doorgang naar de voleinding. Maar tegelijk is er toch ook steeds dat gelijke: dat altijd weer, tot vermoeiens toe, weerkeeren van dezelfde misère en dat altijd weer, al meer verbazende, uitgered worden uit allen nood door den levenden God.

Omdat zoo de gang der kerk door de eeuwen is, kan — en moet! — wat vroeger geschiedde een prediking, een roep, een kreet, een jubel worden voor de kerk in later tijd. De zonde die ze eenmaal deed en Gods gericht dat eenmaal in haar brandde blijven haar roepen om alle zonden te haten. En de lichtende verlossingsdaden des HEEREN, die zich stralend afteekenen tegen den donkeren horizon van het verleden, roepen haar toe God, God alléén, aan te hangen en lief te hebben.

Welnu, in het brieffragment, dat we hierboven afdrukten, heft Paulus een brok verleden op als een prediking in en voor het heden.

De Korinthiërs leefden namelijk precies zoo als de Israëlieten, toen dezen uit Egypte door de woestijn naar Kanaan trokken. In den grond der zaak was hiin levenshouding, hun levensstijl geheel gelijk aan die van hun vaders in de woestijn. En nu roept Paulus hun met alle kracht toe, dat, indien dat zoo blijft, ook de ontzettende katastrofe, waardoor het Israël, dat uit Egypte ging, onderging, ook de kerk van Korinthe teisteren zal.

Hoe stond het dan met de Israëlieten' in de woestijn ? Paulus geeft daarvan een duidelijke teekening.

De Israëlieten — zoo schrijft hij — waren allen onder de wolk. Ze gingen allen door de Roode Zee. En ze werden zoo allen in gemeenschap met, onder de leiding van, Mozes in de zee en in de wolk gedoopt.

Dat alles was iets heel groots.

Want deze gebeurtenissen waren niet maar „historische feiten" zonder meer. Ze waren niet maar „tijdelijke weldaden" of „aardsche zegeningen". Het is immers heelemaal niet Paulus' bedoeling aan de Korinthiërs te vertellen, dat het volk Israël, tengevolge van de boven hun hoofden zwevende wolk, gedurende de woestijnreis geen last van de zon hebben gehad. Of dat zij, dank zij het pad door de Roode Zee, aan een totale vernietiging zijn ontsnapt!

Neen, dat doen zweven van een wolk boven het volk en het splijten van de Roode Zee zijn wonderen welke God verrichtte ten behoeve van zijn volk. Hij openbaart zijn verbondsgenade daarin. Zijn oneindige liefde voor de kinderen Israels glanst er in op. Ja, die wordt daardoor aangeboden en geschonken! Of, anders gezegd, deze wonderdaden zijn voor hen getuigenissen van Gods genade^). De HEERE betuigde en verzekerde immers daardoor, dat Hij Zichzelf aan Israël als den trouwen Verbondsgod had gegeven. En in deze verzekering lag de eeuwige zaligheid opgesloten^). O neen, die groote daden Gods bewerkten. niet maar een voorspoedig aardsch, en dus tijdelijk, leven. Neen, ze waren bovenal de bewijzen van het geestelijke leven ^). In de tijdelijke weldaden, welke God door deze wonderen schonk, verscheen Hij en gaf Hij Zich aan Israël als hun zaligmaker!

Maar Paulus heeft nog meer te zeggen.

Alle Israëlieten — zoo gaat hij voort — aten dezelfde geestelijke spijze en allen dronken denzelfden geestelijken drank. Het is duidelijk, dat Paulus, zoo sprekende, het oog heefl op het manna, dat de Israëlieten in de woestijn aten en op het water, dat God uit de rots liet stroomen. En hij duidt dan manna en rotswater respectievelijk aan als een geestelijke spijze en een geestelijken drank.

Deze typeering moet ons niet ontgaan!

Want ze zegt ons, dat het dagelijksche voedsel en de dagelijksche drank van de Israëlieten in de woestijn een geheel eigen beteekenis, functie en kracht bezaten. Geestelijk noemt de Bijbel immers alles wat als blijk van Gods genade in de wereld komt. Het is dat wat door den Heiligen Geest wordt gewerkt en gegeven en wat als zijn instrument door Hem wordt gebruikt. Kortom: het is dat, waarin de werkingen des Geestes openbaar worden.

Het manna en het water uit de rots waren dus teekenen, zegelen, dragers, van Gods genade! Ze waren de middelen, waardoor God zijn liefde, zijn gemeenschap, de vergeving der zonde en het eeuwige leven naar de Israëlieten toedroeg en aan hen wegschonk.

En als Paulus deze prachtige, diepe dingen heeft gezegd, vat hij alles kort en krachtig in dezen zin aldus samen: Want de Israëlieten dronken allen uit de geestelijke rots, die hen gedurende de geheele woestijnreis volgde. En die rots was — Christus

Met deze woorden verzekert Paulus nu dat het dagelijksche brood en de dagelijksche drank der Israëlieten in de woestijn ten slotte van Christus Zelf afkomstig waren. Hij gaf ze. En Hij gaf ze als teeken, als openbaring, als zegel van zijn genade en verlossing. Die genade, die verlossing zaten er om zoo te zeggen in. En ze werden daarin en daardoor aan de Israëlieten geschonken. Ja meer nog: in dat manna en dat rotswater gaf Christus Zichzelf met al zijn schatten en gaven*).

Is het niet volkomen schriftuurlijk, dat Calvijn in het gedoopt worden in de wolk en de zee, nu dat zulk een beteekenis heeft, den doop zag afgebeeld en dat hij in het manna en het water uit de rots het Heilig Avondmaal ontdekte?

Wanneer wij dit alles hebben gelezen hooren we als laatste het verpletterende woord: maar in het meerendeel van deze Israëlieten heeft God geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn!

Is dit woord niet verbijsterend?

We hoorden Paulus met alle kracht zeggen: het gaan door de Roode Zee, het voorttrekken en leven onder de wolk, 't manna uit den hemel en 't water uit de rots zijn openbaringen, teekenen, zegelen, getuigenissen van Gods genade. Christus geeft ze en Hij geeft er Zichzelf in. Ze zijn instrumenten van den Heiligen Geest. En met bizonderen klem verzekert Paulus, dat allen — allen zonder eenige uitzondering! — die teekenen en zegelen hebben ontvangen. Vijfmaal achtereen zegt hij dat: allen, allen, allen....'.. En nu tóch de meesten verloren gegaan!

Wat moeten we nu zeggen?

Wat moeten we nu zeggen? Zullen we zeggen: ja, maar die teekenen en zegelen waren niets anders dan stoffelijke, aardsche dingen en beteekenden alleen maar wat voor dit, dat is: voor het tijdelijke leven?

Neen, want dan liegen wij! Dan spreken we de Schrift lijnrecht tegen. Die teekenen, we hoorden het, waren Geestelijk. Ze kwamen van en schonken tegelijk den levenden Christus!

Zullen wij misschien zeggen: ja, maar die teekenen en zegelen waren „eigenlijk" alléén voor de uitverkorenen, voor de geloovigen bestemd. Aan alle anderen werd niets anders dan een uitwendigheid, een looze gegeven ?

Neen, want dan liegen we ook! De Schrift spreekt er duidelijk van, dat allen gedoopt werden in de wolk en de zee en dat allen dronken uit de steenrots, die Christus was.

Zullen we dan soms zeggen, dat allen Gods genade zaligmakend ontvingen; dat allen mét de teekenen en zegelen ook de beteekende zaak deelachtig werden en «lus tijdelijk en eeuwig behouden werden?

Neen, want ook dan liegen wij. Paulus zegt het door den Heiligen Geest overduidelijk: In het meerendeel van die Israëlieten had God géén behagen.

Wat zullen we dan zeggen?

We zullen Calvijn naspreken als hij predikt: De Heere biedt wat. Hij afbeeldt zoowel den waardigen als den onwaardigen aan ^). In de sacramenten worden ons nooit alleen naakte teekenen vertoond. De beteekende zaak wordt ons daarin óók waarlijk gegeven. Want God is geen bedrieger, dat Hij ons met ijdele verdichtsels zou verlokken"). Maar — niet allen aan wie de sacramenten worden uitgereikt zijn bij machte ze te genieten. Ondertusschen verandert het sacrament zijn natuur niet en zijn kracht wordt niet minderd! Daarom was, voor zoover het God betreft, het manna óók voor de ongeloovigen een geestelijke spijze. Maar omdat de mond der ongeloovigen alleen maar vleeschelijk was, aten zij niet wat gegeven werd').

Wat God gaf was, is en blijft geestelij k!

Maar zoo heel vaak wordt het niet-geeste-1 ij k gegeten.

En dan is het einde: neergeveld worden!


1) Testimonla illis forent gratiae Dei.

2) Hoc tarnen erat principium, testari se et exhlbere illis Deum: sub quo salus aetema contlnetur.

3) Habuerunt etlam In ipsa spiritualls vitae argumentum.

4) Quum ergo figurae essent Christi, sequitur Christum illis fuisse annexum, non localiter quldem, nee naturali aut substantial! unione, sed sacramentali modo.

5) Nam dignis quidam et indignis offert Dominus quod figurat.

6) Nam si man spiritualis erat cibus, sequitur non flguras nudas ostentari nobis In sacramentis: sed rem figuratam simul vere dari. Neque enlm fallax est Deus qui figmentis inanibus nos lactet.

7) Sed non omnes fruendi sunt capaces. Interea nee saeramentum naturam mutat, nee quidquam de effieacia detrahitur. Proinde ex parte Dei manna etiam infidelibus esca erat spiritualis: sed quia Infidellum os tantum carnale erat, non edebant quod dabatur.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Geestelijk voedsel — on-Geestelijk eten

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's