GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HET WATERBAD-IN-(HET)-WOORD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET WATERBAD-IN-(HET)-WOORD

9 minuten leestijd

Opdat Hij haar zou heiligen, door haar te reinigen, door het waterbad-in-(het)woord. Ef. 5 : 26.

In het brieffragment, waaraan we den bovenstaanden zin ontleenden, spreekt Paulus over de heerlijkheid van het huwelijk. Het kan en mag niets minder zijn dan een weerspiegeling van de unieke en innige eenheid, welke er bestaat tusschen Christus en het door Hem verloste volk, dat den naam van „kerk" draagt. En omdat het huwelijk zoo iets groots kan en mag zijn, daarom moet het dat ook wezen.

Speciaal de mannen aansprekend, bindt Paulus hun op de ziel, dat zij hun vrouwen zullen lielThebben, precies zooals Christus zijn gemeente heeft liefgehad. Dat is een ontzaglijke eisch! Want het beteekent een roeping tot dienst, waarbij men zich radicaal en altijd moet verloochenen. Jezus Christus heeft zijn gemeente immers zóó liefgehad, dat Hij zich voor haar volkomen heeft overgegeven, opdat Hij haar door haar te reinigen zou heiligen.

Met een paar woorden teekent Paulus in dezen zin heel het werk van Jezus Christus.

Christus heeft zich voor zijn gemeente overgegeven. Dat noemt Paulus eerst. Want dat is ook het éérste in Christus' werk. Dat is wat Hij op aarde voor de zijnen deed. Van zijn geboorte tot zijn begrafenis heeft onze Heiland immers maar één ding gedaan. Hij heeft zich zonder onderbreken, en met alles wat Hij was en had, ten behoeve van zijn volk, overgegeven. Overgegeven aan vernedering, hoon, lijden, dood, eeuwige verdoemenis. Dat was het eerste dat Jezus Christus voor de verlossing van zijn volk moest doen. Dat was het fundament voor zijn verderen arbeid. Dat was het mogelijk maken van wat Hij in tweeder instantie voor de zijnen tot stand wilde brengen.

En dat tweede werk van den Christus noemt Paulus hier ook. Het is dat wat Christus ook thans nog m e t en i n de zijnen verricht. Het is het heilige n-door-reinigen. Het door middel van reinigen heiligen van zijn kerk.

Met deze woorden typeert Paulus de volkomen verlossing, welke Christus aan zijn volk schenkt.

Paulus noemt die op deze plaats kort en krachtig een heiligen. Dat wil zeggen: ze is een losrukken van Gods volk uit de strikken, de omknelling van zonde, wereld en satan, om het geheel en al over te geven en toe te wijden aan God. Het is een afzonderen van al de zijnen uit de menschheid die ondergaat, om ze over te dragen in Gods eeuwig koninkrijk. En deze heiliging, zoo verzekert Paulus tegelijk, volbrengt Christus door zijn gemeente te reinigen. Dat wil zeggen: door uit haar weg te doen, uit haar weg te wasschen, met zijn bloed, al haar zonde, haar zondeschuld en zonde-vuilheid.

Maar Paulus vertelt hier niet alleen wat Christus aan en in zijn kerk doet — hij zegt ons ook nadrukkehjk hoe onze Heiland dat werk tot stand brengt. We lezen immers, dat Christus zijn gemeente door reiniging heiligt, door het waterbad-in-(h et) - woord.

Wat Paulus met deze woorden bedoelt is zonder meer duidelijk. Zelfs een kind zal onmiddellijk verstaan, dat de apostel hier over den doop spreekt. Wat kan het waterbad-in-(het)-woord anders zijn dan dat?

We willen in het kort nagaan wat Paulus hier omtrent den doop aan de kerk in Gods Naam verkondigt.

Het eerste wat ons bij de lezing van deze woorden moet opvallen is dit, dat Paulus uitdrukkelijk verklaart, dat bij den doop Christus de handelende Persoon is. Hij alleen. Hij uitsluitend. Het is immers Christus, Die de gemeente door het waterbad heiligt.

Dit feit heeft belangrijke consequenties.

Vooreerst vloeit hieruit voort, dat we van den b e-dienaar van den doop zullen afzien. Als Christus de eigenlijke, de feitelijke Dooper is, wat doet het er dan toe, door w i e n Hij den doop geeft. Ten opzichte van zoo'n uitdeeler van den doop zijn slechts drie dingen van belang. Vooreerst, dat de man die doopt, van Christus daartoe opdracht kreeg. Dan, dat hij het zóó doet, als Christus het voorschreef. En ten slotte, dat hij den doop alleen aan die menschen bedient, welke Christus daarvoor aanwees. Als het met deze drie dingen in orde is, is het volmaakt onverschillig door wiens dienst wij den doop ontvangen. Zelfs al is zoo'n dooper een slecht mensch, ja, een ongeloovige, dan heeft dat op den door hem bedienden doop niet d^ minsten invloed! Maakt het soms iets uit door welken postbode ons een brief wordt gebracht ? Als de brief maar echt is en bij den juisten geadresseerde wordt gebracht is alles in orde!

Maar niet alleen zullen we geen bizondere waarde aan den mensohelijken dooper toekennen — we zullen evenmin iets bizonders zoeken in het middel waarvan Christus zich bij den doop bedient. Dat middel, dat „element", is water. En daar „zit" nu niets bizonders in. Het wordt uit den grond gepompt of men vangt het op uit een kraan en het blijft precies wat het was. Na gebruik kan men het weggooien. Het was en is en blijft doodgewoon water, dat de onreinheid van onze zielen nooit kan wegwasschen. Er is geen bizondere kracht Gods in. En we zullen daarom moeten zorgen, dat we er ook niets buitengewoons in zoeken. W^ant dan maken we van dat „element" een afgod.

Men moet er zich voor wachten, schrijft Calvijn, dat men niet óf aan het teeken, óf aan den dienaar toeschrijft wat uitsluitend en alleen aan God toekomt. Dat wil zeggen: men moet den bedienaar van den doop niet voor den bewerker van de afwassching aanzien en men moet het water niet beschouwen als datgene, wat de ziel van haar onreinheden reinigt'^). Men moet er zich ook voor hoeden, dat men, al is het ook maar voor een klein beetje, zijn vertrouwen op het element of op een mensch stelt. Want dit is ten slotte het ware en juiste gebruik van het sacrament, dat het direct naar Christus leidt en in Hem plaatst^).

Zoo is dus Jezus Christus de eenig Handelende in en met den doop. Hij doet alles. Hij geeft alles. Hij doet en geeft alles alléén.

Maar 'dat neemt niet weg en heft niet op, dat de Heere Christus wat Hij doet en geeft ten slotte toch ook d o o r den doop wil doen en geven. Die doop is zijn orgaan, zijn instrument. En Hij heeft ons daaraan gebonden. Wij moeten Hem en zijn gaven daarin zoeken en we zullen ze daarin ook ontvangen! Wie den doop veracht, veracht Hem en zal zich de eeuwige zaligheid zien ontgaan: aan ons toont, voorhoudt, aanbiedt en geeft.


1) Cavendum ne, quod unlus Del est, vel ad signum, vel ad ministrum transferatur: hoc est, ut minister censeatur ablutlonis autor, ut aqua putetur animae sordes purgare.

2) Cavendum ne uUa fiduclae nostrae portie vel In elem.ento, vel In homine haereat. Quando hic demum varus ac rectus sacramenti usus est, recta nos ad Christum manu ducere, et in ipso sistere.

Op welke wijze nu de doop Christus' instrument kan zijn en ook inderdaad is, zegt Paulus kort en massief als hij den doop het waterbad-in-(het)-woord noemt.

Zeker, de doop is ook water, of liever: een waterbad. Maar het is een waterbad-in-(het)-woord. Of, zooals er eigenlijk nog pittiger en krachtiger staat: een waterbad-in-woord. Dat wil zeggen: de doop is een waterbad, maar dan zóó, dat daarbij het woord Gods het één en het al is. Het woord is a.h.w. het element waarin dat waterbad zich bevindt, waardoor het wordt omgeven, waaraan het zijn beteekenis, kracht en werking ontleent. Wanneer het woord wordt weggenomen, vergaat alle kracht van den doop — en ook van het avondmaal. Want deze sacramenten zijn niets anders dan zegels van het woord"). Zonder woord zijn ze hol, leeg, ijdel. Wanneer de menschen bij de sacramenten op iets anders dan het woord zien komt daar alleen iets ongegronds en onzuivers, ja de eene na de andere razernij uit voort! *).

Maar mèt het woord, in het woord, door het woord, kortom als verzegeld woord van God — speciaal als verzegeld beloftewoord des HEEREN — is de doop inderdaad en ten volle een orgaan, een instrument van Jezus Christus. Als verzegeld beloftewoord geeft God het als een waarachtig onderpand van de heiligmaking, waarover Paulus sprak. God geeft dien doop als een betuiging van onze afwassching. Maar het is tegelijk een betuiging, waardoor God tegelijk ook tot stand brengt wat Hij afbeeldt^). Zoo, als verzegeld beloftewoord, is de waarheid van den doop — de heiliging die bewerkt werd door Christus' zelfovergave — aan den doop verbonden. Of, wat hetzelfde is: de doop biedt die heiliging aan. Als het met den doop zóó niet stond, dan zou het zeer ongepast zijn dat Paulus den doop een zielebad noemt ^). Maar nu, nu de doop inderdaad is en g e e f t de afwassching der zonde en de vernieuwing des levens, of anders gezegd: de heiliging-door-reiniging, nu is deze naam schoon en goed.

Zie, dit alles i s de doop.

De doop i s een waterbad-in-woord.

De doop i s een zielebad.

De doop i s een verzegelde belofte.

De doop i s een instrument van Jezus Christus, waardoor Hij de vergeving der zonden en de vernieuwing des levens schenkt.

Zeker, dat wat de doop is en geeft kan alleen en zal ook alleen door den geloovige in het geloof worden ontvangen. Een ongeloovige houdt ten slotte niets dan ijdele teekenen over!. En hij vergrijpt zich door zijn ongeloof aan het lichaam en bloed van Christus, dat ook naar hem in den doop werd toegedragen èn aangeboden.

Maar dit goddelooze doen der ongeloovigen verandert aan den aard, de natuur, het wezen, de kracht van den hun bedienden doop niets.

De doop was, is en blijft, altijd en voor ieder: het waterbad-in-(het)-woord, waardoor Christus de door zijn zelfovergave verworven heiliging van de zijnen

3) Nam verbo sublato, perit tota vis sacramentorum.

*) Ubi allo resplcimus qüam ad verbum, nihil sanl, nihil purl: sed alia ex aliis delirla nascuntur.

s) Nobis ablutionem nostram testatur Deus, et simul efficit quod flgurat.

«) Nisi enim conjuncta esset rel Veritas, aut exhibitie, quod idem est: impropria haec loquutlo esset, baptlsmus est lavacrum animae.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

HET WATERBAD-IN-(HET)-WOORD

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 februari 1951

De Reformatie | 8 Pagina's