GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HERINNERINGEN AAN DE ONDERDUIKTIJD

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HERINNERINGEN AAN DE ONDERDUIKTIJD

20 minuten leestijd

De moderne oorlog is mogelijk wel één van de ergste dingen, die de mensheid kunnen treffen.

Heeft zo'n vreselijk iets echter ook nog zijn „voordelen" ?

„voordelen" ? Sommigen zeggen haastig van ja. En ze wijzen u dan b.v. op de bereiding van de penicilline, waardoor nu toch wel zéér veel mensenlevens gered worden van een wisse dood.

Ik zal niet trachten op deze vraag in dit artikel een bevredigend antwoord te geven.

Ik wil slechts constateren, dat bepaalde omstandigheden, door deze tweede wereldoorlog ontstaan, oorzaak geworden zijn, dat ik Prof. Schilder vele, vele maanden in huis gehad heb als „onderduiker"; waardoor het mij vergund werd, dit grote kind van God al die tijd te herbergen, te voeden, en te troosten.

In al die maanden hebben we natuurlijk veel met elkaar gesproken; hebben we elkaar goed leren kennen en zijn we vrienden-in-de-diepe-zin-des-woords van elkaar geworden.

Vriend van Prof. Schilder te zijn, was iets onnoemelijk rijks. Daarvoor ben ik dan ook meer dankbaar, dan ik in enig stukje onder woorden zou kunnen brengen.

Wij hadden hem om bepaalde redenen de schuilnaam „Oom Jan" gegeven; mij noemde hij meestal bij mijn voornaam of hij sprak me aan met „jong".

Nu hij van ons is heengegaan naar het Vaderhuis, wil ik deze tijd, vol van spanningen, nog eens aan me voorbij laten gaan en enkele, hem bizonder typerende dingen, in wijder kring bekend maken. Er zijn óók heel wat gebeurtenissen en gesprekken, die m.i. niét gepubliceerd mogen worden.

Vrienden hebben ook hun geheimen, waarvan een ander géén deelgenoot wordt

Hij is voor het eerst eind 1943 een 6-tal weken bij ons geweest. Verraad (!) door „eigen broeders" (!) dwong hem zijn eerste onderduikadres bij de familie Groeneveld te Giessendam te verlaten. Door bemiddeling van Ds F. de Vries van Den Haag kreeg hij toen bij mij onderdak; wat ik hem 6 zo gaarne verleende.

Op een achtermiddag kwam hij aangefietst

In deze 6 weken heeft hij geschreven de zo bekend geworden brief van 13 December 1943', „aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, saam te komen te Utrecht, medio December 1943".

Ik noem deze brief, allereerst om aan te geven zijn zorg voor „zijn studenten".

Wat lagen hem de belangen zijner s t u d e n t e n na aan het hart! Menigmaal kwam dat in gesprekken tot uiting. Wat immers dreigde? Het was, wat hij in het begin van die brief, onder „I" noemde: , , Hetgeen ik onder Uw aandacht wil brengen, raakt de aangelegenheid van de afwijzing der bij U ingediende bezwaren tegen enkele uitspraken van 1942, en van de handhaving, trots ingebrachte bedenkingen, van het verlangen, dat bij kerkelijke examina de classes zich zullen vergewissen, daj; de c a n d i d a a t met bedoelde uits p r a k e n i n s t e m t " (gespatieerd van mij, P. J.),

Zijn studenten zag hij in grote verzoeking komen! Dat vond hij heel erg. „Dan mag ik niet langer zwijgen, jong!" was het eind van haast elk gesprek uit die tijd. „Ze moeten weten hun leermeester achter zich te hebben, als ze eerlijk verklaren, dat ze met die uitspraken niet kunnen instemmen!" Vandaar dan ook, dat het slot van zijn brief uitloopt op zijn bekende verzoek aan de Synode, om „voor wat de kerkelijke examina betreft, terug te keren tot de toestand van vóór 1942".

K. S. betoonde hierin zijn trouw!

Zijn trouw vond ik wel één van de mooiste van zijn vele goede eigenschappen.

Hij, de hoog-geleerde, veel hoger dan menig ander , .hooggeleerde", wilde, kón zijn studenten niet alleen laten; hij wilde sterkend bij hen zijn, toen aan hun eerste wankele schreden naar de ambtelijke loopbaan zulke moeilijkheden in de weg gelegd werden. Hij doorzag direct de gevolgen van zulk een betuiging van instemming; de gevolgen, v o o r a l voor de Kerk: „Tweeërlei toegang tot de kansel!" Maar hij peilde ook de gemeenheid en de verzoeking daarin, want hij kende niet minder de zwakte van het menselijke hart; ook het hart van zijn studenten.

Daarom ging hij, de sterke, vóór hen staan; hij ging voor hen in de bres staan. Één keer zelfs zei hij, in verontwaardiging over deze synodale handelingen, letterlijk tot mij: „Laten ze dan liever mij aanpakken!"

Trouw kon hij zo intens waarderen. Daarom griefde het hem ook zo verschrikkelijk, als van iemand, van wie verwacht had mogen worden, dat hij meegegaan zou zijn, later bleek, dat hij de nek ging krommen onder het synodale'juk.

De ontrouw van velen heeft hem, die zo dichterlijkfijngevoelig was, onnoemeUjk pijn gedaan.

Maar de trouw van anderen, en dan deed het er niet toe, of het een vooraanstaand iemand betrof of een eenvoudige, ongeletterde broeder ergens achteraf, deed hem onnoemelijk goed!

Hij zocht het niet allereerst bij de „hogen". Evenmin bij de nederigen. Wie daar dééd de wil van Zijn hemelse Vader, dié' was zijn broeder!

, , En dit niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen".

Zó iemand kon ook op zijn trouw rekenen. Hij" bleef niet op een afstand van dezulken; hij giKg vlak naast hen staan; en als het moest, vóór hen, in de bres!

K. S. ging nooit „boven" iemand Staan. Hij li'ét zich nooit „gelden". Ook heerszucht was hem volkómen vreemd. Hij diende gaarne; fijn prediking was dienst des Woords; zijn arbeid voor en in de kerk, en aan de Theologische HogeiSchool was dienen; hij diende altijd, tot zelfs in het huishouden toe.

Hij was verder geleerd als geen ander; maar hij, liet zich nooit op zijn geleerdheid voorstaan.

Meermalen kwam het in onze gesprekken naar voren: „och. Oom Jan, achter al wat ze U aandoen, zit een hele hoop afgunst en jaloezie; omdat ze tegen. Uw geleerdheid niet op kunnen". Dan was zijn oprecht gemeend antwoord vaak: „Och, ze hoeven niet Jaloers op mij te zijn, want ik heb het toch ook maar van God gekregen om niet!"

Ik ben zelf een volslagen leek op theologisch gebied; maar we praatten natuurlijk nog al eens over het voorwaardelijk of niet-voorwaardelijk zijn der heilsbeloften; over het verschil tussen belofte en voorspelling, over veronderstelde wedergeboorte en over" zoveel meer. Ik natuurlijk als theologische leek. Met leken-argumentatie. Maar het verwonderde mij iedere keer weer, hoe geduldig hij mij altijd weer aanhoorde' en wat ik zei, au sérieux nam, alsof hij met zijnsgelijke zat te praten!

Hij gedroeg zich nooit als de geleerde man; als d& man van wetenschap; maar hij was eenvoudig, eem broeder onder de broederen.

Ik wil in dit verband nog even terugkomen op het concipiëren van die brief van 13 December 1943. Eerst had hij een andere brief geschreven. Toen hij hem; klaar had, wilde hij hem graag voorlezen aan zijnbroer, de Heer A. Schilder uit Den Haag, aan zijn vriend, wijlen br H. J. Kouwenhoven uit Voorburg en aan mij. Waarom? Was hij niet mans genoeg, om zelf een brief te schrijven en te verzenden; hij, die in zulke gebeeldhouwde taal kon schrijven? ! Nu wilde het geval, dat wij gedrieën déze brief niet gelukkig vonden; en Kouwenhoven bracht hem dit, op de hem eigen wijze van zeggen, onder het oog. Werd hij kwaad? ' Weineen! Zonder in het minst verstoord te zijn, verscheurde hij dit eerste ontwerp en gooide het in de' prullemand. 's Avonds begon hij aan een nieuw concept, waaraan hij een goed deel van de nacht doorwerkte; het concept, dat we nu kennen als , , de brief van 13 December 1943". Maar ook hierover moesten we eerst ons ooVdeel geven. En hadden we ook dit concept afgekeurd, ik maak me sterk, dat hij ten derden male opnieuw begonnen zou zijn

Wie onzer zou zó gehandeld hebben? Hij stond toch mijlen ver boven ons? Velen zouden, wat kregel, geantwoord hebben: „wat ik geschreven heb, héb ik geschreven; ze moeten het daar maar mee doen".

De maand Januari 1944 was hij van ons weg. Maardaarna kwam hij weer en hij is toen bij ons gebleven tot half September d.a.v. Vanaf half Augustus 1944 ging hij geregeld uit spreken; zowat elke dag; direct was zijn program overvol! Wij hebben nog zo'n lijstjevan spreekbeurten, gekrabbeld op een stuk groen karton Toen hij op een keer in het Noorden moest spreken overviel hem in Assen de spoorwegstaking; hij kon niet meer naar Leiden terugkeren; en heeft toen onderdak gevonden bij Mevrouw Kapteyn in Groningen.

Wij hadden in die tijd niet te veel te eten; ook al werden alle pogingen aangewend om voor Oom Jan wat extra's te krijgen. Gelukkig werden we nogal geholpen. Reeds in het begin van het jaar bracht de post ons een grote gele enveloppe; achterop stond als afzender: „K. Manus". De inhoud bestond uit heel wat broodkaarten! „K. Manus" was niemand anders dan Ds Herm. Knoop, die in October daaraan voorafgaande uit Dachau ontslagen was. „Een beste kerel, jong, en een vrome vent", zei hij, toen hij de „naam"' van de afzender zag. Ds Veldman liet zich evenmin onbetuigd; één keer kwam hij met een stel varkenscarbonaadjes, die hij, naar ik meen, in Langerak opgedaan had; hoewel hij zelf niet erg dik was, waren de carbonaadjes voor Oom Jan! Ik herinner me ook, dat uit'Apeldoorn en uit Bussum nog eens een pakket • kwam met allerlei lekkers. Weer Uit een andere plaats kwamen sigaren! Alles natuurlijk „over Den Haag"r want geen van de zenders wist, waar hij zat.

Wat heeft hem die liefde van zijn mede-kerkmensen, van zijn broeders en zusters, goed gedaan!

De ellende van schorsing en afzetting hebben we samen doorleefd.

Toen werd h ij „aangepakt"!

In die dagen hebben wij hem leren kennen als een eerlijk man, die de „kwade paan" ten enenmale schuwde. Wat had hij, met zijn uitzonderlijke gaven, niet kunnen doen, om de mensen op zijn hand te krijgen? Hij, die met zijn geniale geest, 't kerkelijk leven kende als geen ander!

Maar dat wilde hij niet; hoeWel hij vanaf begin 1944 heel goed besefte, dat het met hem op schorsing en afzetting uit zou draaien.

Hij heeft geen kromme, oneerlijke daad willen doen; óók niet, om zichzelf te redden.

Hij ging zijn weg recht door zee. Niet zichzelf opkammende: „Zó eerlijk ben ik nu!"; evenmin een martelaarsrol aannemende van: „mensen, let op, ze gaan me brodeloos maken!" Niets van dat alles. „Ik mag niet anders handelen dan zo", was menigmaal het besluit van een gesprek, waarin we overwogen: , , Wat moet u nü doen? "

Alle politiek gekuip ergerde hem dan ook verschrikkelijk. Daarom had hij ook zo'n hekel aan Synodevergaderingen van vóór de Vrijmaking en aan vergaderingen van Curatoren en Hoogleraren der Theologische Hogeschool, toen nog in de Oudestraat. „Ben paar", zo zeide hij, „hadden meest& , l al uitgemaakt, hoe het gaan zou en wat er gebeuren zou; je kon dan praten als Brugman, het hielp tóch niets". Daarom had hij ook zo'n hartgrondige minachting voor het sturen van een telegrammetje en een brief door enkele dominees, die keften: „revolutie!". Was dit kerkstijl? Ik ben het met K. S. eens: verre vandaar! Het leek meer op wat zenuwachtig gekef van een paar straathondjes tegen een leeuw achter tralies Ze moesten zich schamen! Nu nóg!

Alle oneerlijkheid en alle onoprechtheid haatte hij dan ook met een volkomen haat.

Hij was ook, al.s het erop aankwam, en secuur. precies

Begin 1944 hield hij zich vooral bezig met het controleren van de citaten uit het beruchte „Prae-advies van Commissie I". Daartoe moest ik stapels werken van oude ' theologen, als Ursinus, Beza, Datheen, Chamierus, enz. uit de Leidse Universiteitsbibliotheek in huis halen. De vloer van mijn spreekkamer, aan de achter-zijde van het huis, lag letterlijk bedolven onder de perkamenten folianten. Noodgedwongen moest ik een andere kamer, aan de straatkant, inrichten als spreekkamer. Zin voor zin controleerde hij dat Prae-advies. En telkens weer, als ik 's middags of 's avonds thuiskwam, sleepte hij mij erbij: , , Nu moet je toch eens zien, wat Polman hiervan gemaakt heeft " Hij controleerde ieder woord. Eén keer wist hij de betekenis van één woord niet; later bleek het zoiets te betekenen als: „windbuil". Maar ik was zo goed niet, of ik móest naar de- Academische Bibliotheek, en net zo lang in woordenboeken zoeken, tot ik de betekenis gevonden had; en dan moest ik precies overschrijven, wat er stond! Opdat hij het ook met eigen ogen kon zien. Dat was geen uiting van wantrouwen; dat was alleen maar zijn secuurheid.

Hij hoopte ook altijd nog het goede; al zei hij dat vaak niet met zoveel woorden.

En toch ging het ter Synode van kwaad tot erger.

Op 23 Maart, de dag, die 8 jaar later de dag zou worden, waarop de Here tot hem zou spreken: „het is genoeg geweest, mijn knecht; Ik had u 10 talenten gegeven, gij hebt er andere 10 bijgewonnen; ga in in de vreugde Uws Heren"; op 23 Maart 1944 volgde zijn schorsing als Hoogleraar aan de Theologische Hogeschool en als emeritus-predikant van - Rotterdam-DeUshaven.

Vooral dat laatste heeft hem gestoken. De Synode immers had dit besluit genomen zonder zijn vroegere kerkeraad daarin ook maar te kennen. Dat was ongehoord; hiërarchie tot en met. Het ergerde hem, dat de schapen, die vroeger aan zijn herderlijke werkzaamheid waren toevertrouwd geweest, zó genegeerd werden. Daarover had hij het vaak meer, dan over zijn eigen belangen.

Later, op 5 Augustus 1944, volgde zijn afzetting.

Als wel vaker, zat hü in een gemakkelijke stoel bij de piano, 't Was reeds achter op de middag. Op eens ging de telefoon; 'twas zijn broer uit Den Haag: „zeg Piet, ik deel je het droevige bericht mee, dat ze Klaas zo-even hebben afgezet".... Hij hoorde het en hij verschoot van kleur. Direct kwam hij zelf naar de telefoon. Zijn broer herhaalde het sombere bericht met zijn schandelijke inhoud. „Zo" was het enige, wat hij tegen zijn broer uit kon brengen. Toen hij weer was gaan Zitten, zei hij alleen, nog: „Hebben ze dat tóch gedurfd? " De hele avond was hij er erg van onder de indruk. Wie zou dat niet geweest zijn?

Hij, de trouwe zoon der kerk, die rusteloos gestreden had, dag en nacht, jaar in, jaar uit, om die kerk te verdedigen tegen de aanvallen van de Boze.... hij, door de „eigen broeders" trouweloos eruit g e- trapt!

Wat kan het toch ver komen in de Kerk des Héren!

Dat de massa, die intussen maar de' „macht" in handen heeft, mee gaat dansen met de psalmen-engeestelijke-liedekens-pijpende duivel!

Wat is de massa dan onbarmhartig wreed!

Want, wie had, naar het Woord, geprofeteerd, tégen het nationaal-socialisme, toen de Duitsers hier waren, als hij? Waar zaten toen de helden? Veel van die „helden" zaten te bibberen in de schuilkelders. Haast alléén K. S. had „de uniform aangetrokken". Niet in een blazé-zelfoverschatting. Maar omdat hij moest! Omdat zijn Kurios het van hem vroeg.

En in algehele zelfovergave stelde hij zich vóór zijn schapen; ja, voor heel zijn volk!

Maar vele van die schapen werden stotende, uitstotende bokken, toen een paar intrigeurs sisten: „hij wijkt af van de belijdenis; kijk maar, hij wil niet verklaren, dat hij de pasgeboren kinderen der gelovigen voor reeds wedergeboren houdt!"

Toen dachten ze hem uit te stoten uit de gemeenschap der kerk.

Maar God de Here greep in; ze stietten slechts uit, uit hün gemeenschap; zichzélf stietten zij uit, uit de Kerk!

„Hebben ze dat tóch gedurfd? "

Wat zal er in hem omgegaan zijn! In hem, die zo fel leefde; die de Kerk zag als geen ander; die ook elk spel van intrige en schijnvroomheid doorzag als geen ander.

Wij hebben getracht hem te troosten. Het was wat stamelen. We waren ook zelf té veel aangedaan.

Na zijn afzetting kreeg hij ineens vrijwel volledige bewegingsvrijheid.

Daar was hij blij mee, al vertrouwde hij de Duitsers niet. Maar hij kon in ieder geval gaan preken en uit spreken.

Spreken! Wat was het een verademing voor hem! En voor ons, hem voor het eerst na lange tijd weer te horen! Op de bekende vergadering van 11 Augustus 1944 in de kerk aan de Lutherse Burgwal te Den Haag.

Aan het eind van welke vergadering hij voorlas de bekende „Acte van Vrijmaking en Wederkeer"; het stuk, waaraan hij de hele nacht nog had zitten werken.... Ik zat in de ouderlingenbank naast.... Dr R. Schippers van Rotterdam.... Daarna zijn eerste preek op 20 Augustus 1944 te Bergschenhoek over 1 Oor. 4 : 6 en 7: „de apostolische afwijzing van bovenschriftuurlij ke bindingen en vonnissen". Hij ging op de fiets heen en terug. Geen van ons kon mee; maar toen hij terugkwam, waren we natuurlijk erg nieuwsgierig: „en. Oom Jan, hoe is het gegaan? "

„Fijn, jong; en ik heb een kind mogen dopen ook!" Hij was weer ontvangen door de kerk! Wat was hij er intens blij mee, dat hij ook het sacrament van de doop aan een kind had mogen toedienen. Ik weet niet welk kind het geweest is. De ouders, die dit stukje mogelijk zullen lezen, zullen het zich wel herinneren. Ik hoop, dat zij nooit zullen vergeten, welk een intens christelijke vreugde de doop van dit kind aan dat andere kind Gods, K. S., geschonken heeft! Die Zondag beleefde hij haast mateloos, wat hij voor jaren neergeschreven had in zijn: „Wat is de hemel? ", pag. 319: . „Het is een diep geluk, gereformeerd te zij n"!

Dan waren zijn ogen „zacht".

In een van de laatste „Reformatie"-nummers, die hij heeft mogen verzorgen, gebruikt hij (niet van zichzelf) die uitdrukking. Toen ik die las, had hij daarin voor mij ineens onder woorden gebracht, wat ik in hem reeds zo lang aangevoeld had.

Zeker, hij kon ook bliksemen met zijn ogen. Wat konden ze donker fonkelen onder dat intelligente, hoge voorhoofd, als hij in profetische ijver het Woord bediende; als hij de zonde hekelde; als hij een gemene, maar desniettemin walgelijk-vroom-ingeklede streek doorzag. Maar wat werden die ogen zacht, als hij merkte, dat wij, zijn vrienden-huisgenoten, trachtten balsem in de geslagen wonden te gieten. Dan voelde hij zéker, met zijn Maar en helder inzicht, het stuntelige van die pogingen aan; maar hij waardeerde tegelijk: „ik ben hier bij mijn vrienden".

Zijn ogen waren zacht.

Zij waren zacht; niet alleen voor ons; maar voor allen, hetzij groot of klein, hetzij gesteld op een hoge of op een nederige plaats; voor allen, die in de strijd in de kerk trouw aan het Woord gebleven waren.

Zeker, hij spaarde ook zijn broeders niet; en hij maakte het hen niet gemakkelijk; hij noemde ook in hen niet recht, wat krom was. De laatste nummers van „De Reformatie" leggen daar voldoende getuigenis van af. Hij zei ze eerlijk, met een keur van argumenten omkleed, waarin ze scheef gingen. En hij vond het fijn, dat hij dat weer kón doen. Op de Amersfoortse Synode zei hij me nog een keer: „wat heel anders dan vroeger; je kunt hier weer eerlijk en open met elkaar spreken; ook al ben je het niet in alles met elkaar eens". Hij genóót toen van het Vrijgemaakte kerkelijk- leven.

Hij had de kerken lief. Daarom bezorgde hem de onenigheid van de laatste tijden ook zulk een verdriet; en hij hield ons, heus niet overbodig, voor: „als ge elkaar vermaant, laat uw oog tegen de broeder zacht zijn!"

Het zijne was zacht....

Ik ben o zo blij, dat hij in één van onze kerken de verbroedering nog ten volle heeft mogen beleven!

Zijn werkkracht was ongeëvenaard.

Ik heb hem bezig gezien aan zijn critiek op het Praeadvies; aan „De Waarheid luistert nauw"; aan de „Acte van Vrijmaking en Wederkeer" en aan zoveel andere dingen. Ik heb hem weer zien en horen spreken en preken na de Vrijmaking. Nooit zal ik vergeten die preek op Zondag 27 Augustus 1944, weer in de. kerk aan de Lutherse Burgwal te Den Haag over Matth. Il VS. 28—30: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht". Naar zulk een kerkdienst fietste hij of hij nog maar 16 was; en hy preekte met een vuur en geestdrift of hij 25 was. Niets was hem te veel!

Hoe typerend voor deze man, die, buiten zijn schuld, voor het laatste „Reformatie"-nummer, dat hij geredigeerd heeft, geen stuk had voor de rubriek „Kerkelijk Leven"; dat deze werker, terwijl zijn levenskracht haast opgebruikt was, daarvoor nog zijn verontschuldiging aanbiedt: „'t Was geen luiheid"

Wie, die hem gekend heeft, zal niet van ganser harte getuigen: „Dat had U niet behoeven te zeggen; dat -wisten we heus wel!!"

Hij is alles geweest voor de kerk van onze Here Jezus Christus. De ijver daarvoor heeft hem geheel in beslag genomen; die heeft hem verteerd.

Deze man was ook getrouwd. Wat heeft ook die vrouw veel over moeten hebben voor de Kerk!

Want wanneer was Prof. Schilder nu eens thuis?

En als hij nog eens thuis was, kon hij zich nóg niet geven aan zijn - vrouw en aan zijn gezin; want dan moest die hem spreken en dan weer belde een ander hem op; of hij moest werken aan zijn „Catechismus". Heeft hij misschien voorvoeld, dat hij die niet meer klaar zou krijgen; heeft hij mede daarom nog elke minuut van zijn leven uitgekocht, om er nog maar zover mogelijk mee te komen?

Ik heb mij wel eens afgevraagd: welke vrouw zou dit verdragen hebben; dat haar man zó al zijn tijd besteedde in dienst van de kerk?

Mevrouw Schilder hééft dit gedaan.

Eren wij daarin ook haar.

En gedenken wij ook Mevrouw Schilder vaak in onze gebeden.

En nu, wij staan verbijsterd.

Wij voelen ons als verweesd.

Mag dat?

Hingen wij dan aan een mens?

Is het verkeerd, dat we hem nu zó prijzen?

Ik geloof van niet.

Hij was een gave Gods aan ons. Een schone, rijke gave, die de Here óns, in Zijn grote liefde en trouw voor Zijn kerk, geschonken heeft. Door wie de Here Zichzelf heeft willen verheerlijken.

Mogen wij de schoonheid niet roemen van de leliën des velds, waarin de Here Zich óók, zij het op andere wijze, verheerlijkt?

• Mogen wij niet nagaan, wat een Mozes, wat een Elia, wat een Calvijn voor de kerk des Heren betekend

hebben? Zeker, wij mogen niet eindigen in mensen; ook niet in déze mensen; ook niet in Prof. Schilder. Wij moeten altijd weer beginnen en eindigen in Hem, Die ons gekocht heeft door Zijn bloed; maar Die ons ook, nu in Prof. Schilder, wéér zo rijke zegen boven­

dien geschonken heeft. Prof. Schilder laat een rijke erfenis na: een keur van boeken; een schat van artikelen. Laten wij niet na, die goed te gaan bestuderen.

Het heeft God behaagd Prof. Schilder van ons weg te nemen.

Verlaat de Here nu Zijn kerk? Wie zó spreekt, spreekt ongelovig. De Here verlaat Zijn kerk nooit. Maar Hij heeft het nu goed geoordeeld, dat wij zonder de persoon van Prof. Schilder verder moeten.

Op een achtermiddag, enige weken na zijn schorsing, kwam ik de huiskamer binnen. Hij bemerkte het niet. Hij zat aan het harmonium en zong uit Psalm 25:

„Zie op mij in gunst van boven. Wees mij toch genadig Heer; Eenzaam ben ik en verschoven; Ja, d'ellende drukt mij neer"....

Het was aandoenlijk. De „grote K. S.", zijn verdriet uitzingend voor zijn God, zijn leed klagend als een kind. Ook - wij willen ons leed klagen in de woorden van diezelfde psalm.

Maar wij moeten daar niet bij blijven staan. Wij moeten weer verder; zoals ook Prof. Schilder verder ging. Hij was reeds heel wat verder, toen hij voor het eerst in Bergschenhoek gepreekt had! Toen hem weer klaar gebleken was, dat de kerk hem niet Uitgestoten had! De slotzang, die hij toen opgaf, getuigt daarvan; het was Ps. 56 vs. 5. Maken wij juist nu, in deze dagen van droefenis, deze psalm tot de onze, opdat ook wij, als hij weleer, weer met opgeheven hoofd verder door het leven gaan. God ter eer:

Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar Woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord; 'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord; Wat sterv'ling zou mij schenden? Ik heb beloofd, wanneer G'in mijn ellenden Mij bijstand boodt, en 't onheil af zoudt wenden. Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden. Door ijver aangespoord.

Wat is het een diep geluk, gereformeerd

te zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

HERINNERINGEN AAN DE ONDERDUIKTIJD

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 maart 1952

De Reformatie | 20 Pagina's

PDF Bekijken