GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„Die door de hemelen doorgegaan is”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Die door de hemelen doorgegaan is”.

8 minuten leestijd

Dewijl wij dan eenen groeten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus den Zone Gods, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebr. 4 : 14.

Tnsschen de hemelvaart van Jezus en de uitstorting van den Heiligen Geest op den Pinksterdag verliepen tien dagen. Dit drukt uit, dat Jezus niet op denzeUdeu dag, waarin hij ten hemel opvoer, den troon daarboven bereikte, die hem bereid was. Het opvaren ten hemel liep niet in een enkel oogenblik af. Het duurde, en dat duren van de hemelvaart geeft de Schrift ocs weder in deze gedachte, dat Jezus „door de hemelen doorgegaan is".

Men sprak in Israel veel over zeven hemelen, de éene boven de anderen, in dien zin, dat Gods woonplaats in den allerhoogsten hemel werd ondersteld. £n dat deze voorstelling niet geheel uit de lucht is gegrepen, blijkt wel uit wat de apostel F.iulus verhaalt van wat hem overkomen is, toen hij in een visioen „opgetrokken is geweest tot in den derdenhemel" (2 Cor. 12:2), en daarna zelfs nog hooger „tot in het paradijs" (vs. 4), en dat hij daar gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die bet een mensch niet geoorloofd is te spreken. De waarheid die hieraan ten grondslag ligt, spreekt ook in Tabernakel en Tempel. Mozes toch heeft dien Tabernakel en Salomo heeft den Tempel niet naar 't eigen planvan den bouwmeester gemaakt, maar naar een door God getoond voorbeeld of model. Van Mozes heet 't met zoovele woorden, dat God hem op den berg „het voorbeeld" getoond had, (Exod. *5:9) en van Salomo wordt ons bericht, dat David vöór zijn sterven aan Salomo het bouwbestek gaf, „dat hij zelf door den Geest ontvangen had" (i Kron.

Hierbij tot de diepte der zaak door te dringen, is ons niet doenlijk. Meer dan ons geopenbaard is, weten we niet. Doch zoo veel staat dan toch vast, dat er in de hemelen een heilig terrein is, waar de majesteit des Heeren Heerenzich op 't luisterrijkst openbaart; dat dit als de hoogste hemel geldt; en dat de Christus in dien hoogaten hemel aan de Rechterhand Gods zit.

Hier mogen we niet over heen loopen, of we verliezen Jezus' menschelijke natuur; daarmede de duurzaamheid van zijn Vleeschwording; en tengevolge biervan den Middelaar. Liat de Schrift geen zweem van twijfel over, of Jezus is in zijn menschelijke natuur ten hemel gevaren, dan volgt hieruit met noodzakelijkheid, dat Jezus zich op een bepaalde plek, dat Jezus zich ergens bevindt, en dat die plek of plaats aanwijsbaar moet zijn.

Tegen alle oververgeestelijking moeten we daarom op onze hoede zijn. Het verheerlijkte lichaam, waarin Jezus nu zich bevindt, gaat zeer zeker den aard en de beperktheid van onze aardsche lichamen zeer verre te boven. Ook wij zullen eens uit dit laagstaande aardsche in het heerlijke lichaam overgaan. Maar hoe hemelsch-verheerlijkt men zich dit hemelsche lichaam van Jezus ook denke, toch is er geen twijfel toelaatbaar, of ook het verheerlijkte lichaam van Jezus blijft een creatuurlijk karakter behouden, en is sto£felijk van aard; dit stoffelijk dan altoos in verhoogden zin genomen. Én met het oog hierop nu heet 't dan ook, dat Jezus „de hemelen doorgegaan is."

Waar sptake is van den Heiligen Geest, denken we aan geen weg die wordt afgeloopen, noch aan zekeren tijd dien het afloopen van den weg duurt. Bij Jezus' menschelijke natuur daarentegen is die weg nooit weg te denken, en vraagt onze voorstelling altoos om zekeren tijd en duur. En zoo nu heet 't dan ook, dat Jezus niet van den Olijfberg als in éen oogwenk tot den Troon opsteeg, maar dat het gaan daarheen zekeren duur vorderde; dat er een weg voor was te doorloopen; en dat dit was: een door de hemelen, de één voor, en de andere daarna, doorgaan.

Natuurlijk beduidt dit niet, dat we hierbij te denken zouden hebben aan een doorvliegen van den onmetelijken afstand, die de verst afstaande starren van onze aarde scheidt. Wie zich eenigszins een denkbeeld vormt van de bliksemsnelheid waarmee het licht zich voortbeweegt, en daarbij weet, dat er starren zijn van waar het licht honderden van jaren gebruikt om ons te bereiken, voelt terstond, dat we tegenover zulk een afstand met de tien dagen, die tusschen Hemelvaart en Pinksteren liggen, niets vorderen zouden. Het Firmament dat wij kennen, is niet anders dan de alomvattende sfeer, waarin ook de hemelen, als de woonstede van God en zijn engelen, als ware het opgenomen zijn, maar zóó dat deze hemelen een geheel eigen bestand hebben, en wel een bestand zoozeer van eigen aard en soort, dat het beeld, het model, het voorbeeld van Tabernakel en Tempel in onze menschelijke verbeelding het wezenlijke als in afschaduwing weergaf.

Vandaar de hoogheilige beteekeni5, die in beide gebouwen de indeeling van Voorhof, van't Heilige en van 't Heilige der Heiligen had. Het ging al dieper, 't werd al heiliger, en eerst in 't allerheiligste werd de tegenwoordigheid Gods openbaar. Alleen nu de hoogepriester schreed uit den Voorhof naar het Heiligste der Heiligen, en ging dan door het Heilige en door het Voorhangsel. En met terugslag hierop nu wordt van onzen hemelschen Hoogepriester gezegd, dat hij van deze aarde, als uit den Voorhof, doorging en doorschreed door het Heilige en het Voorhangsel, d. i. door de eerste hemelen, om alzoo te verschijnen voor het aangezicht Gods. Van afstanden, die te doorloopen waren, noch van snelheden, waarmee dit plaats greep, weten we daarbij ook maar iets. De Heiligste hemel, waar Gods Troon is, kan veel dichter bij ons zijn, dan de verste vaste ster, en ook de snelheid vaa beweging kan bij het h e d d E w r E g k o t w v w k hemelsche verheerlijkte lichaam alles te boven l gaan, wat wij van snelheden meten konden. w Hoofdzaak is en blijft maar, dat de Hemelvaart k van Jezus zich voor ons niet in een gedachten-h beeld vervluchtige, maar volle realiteit blijve, en dat we, met onzen Heiland in gemeenschap verkeerend, niet in onze verbeelding handelen van een Jezus gelijk hij eens op aarde met de discipelen omwandelde, maar in onze gedachten en in onze gebeden en in onze lofzangen wel waarlijk te doen hebben met een verheerlijkten Heiland, die de hemelen doorgegaan is, nu zit ter rechterhand Gods, en gezeten op den troon der heerlijkheid, ons kent, met ons van doen heeft, voor ons bidt, en ons beschermt.

Zoo alleen blijft het heilige in Jezus ons aangrijpen, en juist dit is 't, waar ons geloof zoo onafwijsbare behoefte aan heeft. Bij het verheffen onzer ziel naar den Drieeënigen God heeft de gedachte aan de Heiligheid iets dat ons neerdrukt, terugwerpt en benauwt. Wie dit niet gevoelt, heeft nooit Gods heiligheid verstaan, door het niet verstaan van Gods heiligheid zijn zonde nooit bekend, en door gemis aan zondebesef, nooit den dorst naar genade voelen werken. Dat is de toestand van den onbekeerde, die bijna huiselijk met zijn God omgaat, en er niets van merkt, wat afstand hem in zijn onheiligheid van den Heilige afscheidt. Van verzoening begrijpt daarom de onbekeerde niets. Al wat op verzoening doelt, is voor hem taal zonder zin.

Maar sloeg dit om, begon het besef van Gods heiligheid u te verschrikken, en bracht dit u voor Jezus op de knieën, dan staat ge weer op andere wijs aan het gevaar bloot, dat ge uw Heiland, als we zoo zeggen mogen, derwijs familiair in uw gewone leven intrekt, dat Jezus als onzer één wordt, en de heiligheid in hem verdonkert.

Maar dit juist snijdt nu de Hemelvaart af, Paulus sprak het zoo helder uit, dat hij Jezus nu niet meer naar 't vleesch kent. Es zoo ook moet 't voor ons wezen. Hij is de hemelen doorgegaan. Hij is ingegaan in den hemelschen Tempel. Geen voorhangsel is nu tusschen hem en den dciemaal heiligen God. Zoo is alles aan Jesus heilig, en kan alleen het heilige ook in ons met hem gemeenschap hebben. Vandaar dat de Caristenheid altoos bij het Kruis zich neerzet, als ze ziel en zinnen tot Jezus wil opheffen. Eerst naar het Kruis, bij het Kruis de verzoening ervaren, en eerst dan, als ge u verzoend voelt, u ophe£fen naar uw Heiland, die in zijn volstrekte heiligheid schittert in den Hooge.

Hij is de hemelen doorgegaan. De gemeenschap met Jezus is voor u niet meer op aarde te vinden. Veeleer van deze aarde moet gij ziel en zinnen naar boven opheffen. Eerst als ge uzelf in Golgotha geheiligd weet, kan de heilige Middelaar in zijn heiligheid u de ziel verkwikken door een hoogere genade.

Hij ging de hemelen door in 't verheerlijkte lichaam. Dat kent gij nog niet. Maar toch ook gij zult die hemelen nu reeds doorgaan met uw geestelijk besef, om uw Heiland iu den hemel $e ontmoeten. En dan zal 't liefdegemeenschap zijn tusschen den Heiland en de ziel die 't heil genieten mag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1912

De Heraut | 4 Pagina's

„Die door de hemelen doorgegaan is”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 mei 1912

De Heraut | 4 Pagina's