GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding.

18 minuten leestijd

CCLXXXIX.

ACHTSTE REEKS.

XXXIV.

En ik hoorde eene andere stemme uit den hemel, zeggende : Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij aan hare zonden geene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt. Openb. XVUI : 4.

De indeeling van het 18e hoofdstuk laat, vooral in de eerste tien verzen, aan duidelijkheid niets te wenschen over. In de eerste drie verzen is het een machtige Engel die uit den hemel aan de aarde den val van Babyion aankondigt, en wel ÏÓÓ aankondigt, dat ze niet nog vallen moet, maar gevallen is. Niet natuurlijk in historischen zin, alsof het groote en machtige feit reeds geschied en voleind was, maar op die wijze, dat de aankondiging profetisch zien doet, hoe 't eenmaal, als het aan de Voleinding toekomt, metterdaad zal plaats hebben. Hierop werd uiteraard geen acht geslagen, toen men onder Babyion nog het wezenlijke oude Babyion verstond, vóór zijn ondergang. Toen toch werd terug gedacht aan oude tijden, en moest men het zich zelfs voorstellen alsof dit alles aan Jezus' komst vooraf was gegaan. En althans voor wat te gebeuren stond, als het einde der wereld op til was om te komen, had geheel deze voorstelling zin noch beteekenis. Al spoedig echter toen een ieder die dit kapittel las, aanstonds inzag en verstond, dat Bahylon hier overdrachtelijke beteekenis had, zoodat er niet de oude stad van Nebucad nezar, maar integendeel de stad die op 't allerlaatst tot de groote wereldstad zou uitdijen, onder te verstaan was, bleek 't aanstonds duidelijk, dat de naam van Babyion een naam der oudheid was, die afbeeldend op de laatst overgebleven machtige wereldstad werd overgedragen. Hieruit volgde van zelf, dat Babyion hier niets anders was, en niets anders kon zijn, dan een overdrachtelijk gebezigde beeldnaam, waardoor werd aangeduid, dat het hier een stad gold, dié op 't allerlaatste oogenblik de groote wereldstad zou zijn, en voor dien allerlaatsten termijn in 't wereldleven gelijke beduidenis zou hebben als het oude Babyion in de jSren van Daniël had. In Nebucadnezars en Daniels dagen was het oude Babyion de goddelooze wereldstad geweest, die lijnrecht tegen Israel en het Godsrijk overstond, en die het op den ondergang van het Godsrijk had toegelegd. Zonder miste tasten kan men alzoo zeggen, dat Babyion hier beduidt de tegen God en zijn volk gekeerde alles beheerschende wereldstad, die thans, hetzij in Europa of in Amerika of in Azië gelegen, de Goddeloosheid, de zedeloosheid, ja de Antichristelijke boosheid ten top zou voeren en, na alles verdorven te hebben, ten slotte ook zelve ten onder ging en vernietigd stond te worden.

Van die Gode vijandige, heel 't aardrijk beheerschende wereldstad, en daarmede tegelijk van al het demonische dat zich op deze aarde tegen God en zijn Christus als macht over had gesteld, is nu het einde ingaande, en deze alles beheerschende gebeurtenis wordt nu ingeleid en doorgezet door een der grootste en machtigste Engelen Gods die uit den hemel nederkwam, om Gods raad en bestel niet slechts te verkondigen, maar uit te boeren. Deze Engel roept dan ook niet: »Babylon zal vallen*, maar heel apders: »Ze is gevallen, zij is gevallen het groote Babyion, en is geworden een woonstede des duivels,

Doch nu volgt er aanstonds daarop in VS. 4 tot 10 een rechtstreeks daarmede samenhangende verschijning van gansch ander karakter, en zulks wel niet doordien diezelfde of een andere Engel door een uitroep de wereld verschrikt, maar heel anders, doordien de Zone Gods, die Christus zelf van uit den hemel eeiï "alles aangrijpende ordinantie laat hooren. Dat 't hier niet een Engel is, die roept, maar de Christus zelf, blijkt volkomen klaar en duidelijk uit wat hier staat: »Gaat van haar uit, mijn volk^. Geen Engel toch zou ooit hebben kunnen spreken van »mijn volk*, alsof 't zij Israel, 't zij de gezamenlijke schare der geloovigen als zijn volk te beschouwen ware. Doelde wat hier volgt eeniglijk op Israel, dan zou men het nog kunnen opvatten, als wilde de getuige zeggen: Israel is het volk van den Messias, en als zoodanig het volk van de getuigen Gods, en alzoo ook der Engelen. Doch hiervan kan in deze betuiging uiteraard geen sprake zijn. Het geldt hier het einde der wereld, en alzoo de allerlaatste periode die aan het oordeel voorafgaat. Straks zal alzoo uitkomen wie van Jezus zijn, en hem volgen, en wie voor 't overige op aarde voor den Antichrist kozen. Zoo is 't dan duidelijk, dat de getuige die hier spreekt, door te getuigen van smijn volk* niemand anders zijn kan dan de Christus zelf. En dit spreken als Christus zelf is hier volkomen natuurlijk, daar de strijd tegen den Antichrist gaat, en het in den aard der zaak lag, dat de Christus zelf, en nitemand anders, den Antichrist den laatsten slag, die den ondergang van het Satanische tengevolge zou hebben, toebracht. Een Engel zou hier niet op zijn plaats geweest zijn. De doodelijke worsteling ging hier tusschen den Christus en den Antichrist en daarom laat noch het verband noch de getuigende zegswijze een andere uitlegging toe, dan die in vs, 4 den Christus zelf doet optreden. Zoo past en sluit 't dan alles op elkander. De Apocalypse is hier aan den val van Babel, d, i. aan de veroordeeling en vernietiging van de Antichristelijke macht, toe, en dit eindfeit kan van niemand anders uitgaan dan van den Christus zelf. De woorden, die we beluisteren: »Gaat van haar, d. i. van de demonische wereldstad, uit, o, mijn volk", kan dan ook op niets anders heenwijzen en doelen, dan op 't laatste moment, dat de Voleinding doet ingaan, en het is de Christus zelf, die hier het eindvonnis aan de demonische. Antichristelijke wereld voltrekt.

Het is het optreden van den Christus, dat aan het hier intredend keerpunt zijn bijzondere beteekenis verleent. In wat vs. 4 tot vs. 10 hier door den Christus betuigd wordt, herkent men den Zaligmaker niet meer. Geen toon weerklinkt hier van genade. Ge herkent den goeden Herder niet. Het is nu alles tot beslissing gekomen. Het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt en verzoent, is als verdwenen, en in de plaats van den Verzoener, Redder en Trooster treedt nu de Messias op die het onherroepelijk oordeel brengt, •Niet zoo, alsof niet zelfs in deze jongste ure, wie zich bekeert niet nog behouden wordt, maar het is niet meer de toon der zoekende en verzoenende liefde die hier uitgaat. Al wat de Christus in deze zeven verzen vernemen laat, wijst op het jongste, op het allesbeslissende oordeel. Het gaat hier op voor of tegen, en al wat niet met volle overtuiging en afdoende beslistheid voor den Ciiristus kiest, gaat schier onmiddelijk zijn eindoordeel tegemoet. Het gaat nu op finale scheiding, »Ga uit mijn volk!" is de roepstem die vernomen wordt, en zulks wel om aan alle gemeenschap met de wereldstad en hierdoor aan alle gemeenschap met het wereldoordeel te ontkomen. Tijd van beraad is er niet meer. Er moet op staanden voet doorgetast en met den Antichrist en al wat zijns is, worden gebroken.

Sterker nog. Met alle toegeeflijkheid, met alle verdraagzaamheid, met alle dragende erbarming is het nu uit. De waarachtige geloovigen moeten nu ook van ter zijde zóó voor den Christus kiezen, dat ze formeel breken met de wereld, met haar ongerechtigheden en met haar aan God vijandig bedoelen. Op niets ontziende vergelding zelfs dringt de Christus aan. Zie 't in vs, 6: »Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar haar werken. Zoo veel-als zij zich zelve verheerlijkt heeft, zoo groote pijniging en zoo groote rouwe doet haar aan. Hare plagen zullen alle op één dag komen, namelijk dood en rouwen honger.« En het eind zal zijn, »dat die ondergaande wereld met vuur verbrand worde." Ook zullen alle koningen der aarde deelen in haar jammer en in de wrake die over de verloren wereld uitgaat. Zoo toch staat er van de koningen: En »de koningen der aarde, die met de wereldstad gehoereerd hebben en weelde hebben gehad, zullen haar ondergang beweenen en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haars brands zullen zien, van verre staande uit vreeze van hare pijniging, zeggende: »Wee, wee, de groote stad Babyion, de sterke stad! Want uw oordeel is in ééne ure gekomen." Geen toon of tint is alzoo meer merkbaar van wat eens den Zaligmaker en den Redder van zondaren kenmerkte. Van 't »Komt tot Mij, gij allen, die vermoeid en beladen zijt", valt zelfs de zwakste nagalm niet meer te beluisteren. Ge herkent den Christus uit de gelijkenis van den verloren Zoon niet meer. Een gansch andere Christus treedt hier voor u. De genade heeft uit. De eindbeslissing is ingetreden. De Christus zelf keert zich in heiligen toorn tegen al wat, op inspiratie I van den Antichrist, zich tegen God keert, en in zoo alles beslissenden zin is nu de finale splitsing van ons menschelijk geslacht in wie gelooft, en du-'^^i-^ered wrordt, en anderzijds in wie tegen God Almachtig zich keert, ingetreden, dat de Christus al wie voor God kiest oproept om uit de genade en de barmhartigheid in den toorn en den tpon der vergelding over te gaan. En wat hier alles afdoet, , die eindbeslissing treedt geheel plotseling in. Er staat toch met zoo klemmende kracht in 't eind van wat Jezus uitspreekt: » Uw oordeel is in ééne ure gekomen". Het is, als we ons zoo mogen uitdrukken, de laatste druppel uit de laatste drinkschaal of laatste Phiool die, inge» volge VS, 1—3, hier als wordt uitgegoten. En dit moest wel, want de laatste Phiool, en daarmede de laatste uitgieting van den voleinden jammer, kon niet anders dan door den Christus zelf voleind worden. Eerst nadat de Christus is opgetreden, en zelf van den Engel de bange, ontzettende rol heeft overgenomen, en nu den finalen ondergang heeft aangekondigd niet alleen, maar ook ingeleid, nu is het geheele wereldproces aan den finalen stoot in 't eeuwig verderf toegekomen, en nu kan gezegd worden: »Uw oordeel is niet maar in één dag, maar uw oordeel is in ééne ure gekotnen.i. Van tijdduur of tijdsverloop is geen sprake meer. De ééne ontzettendheid achterhaalt de andere, en het is de Christus zelf, die nu elke nawerking van den verloren zoen heeft afgelegd, en in rouw en bitterheid zijn eindtaak volbrengt.

Hieraan beantwoordt dan ook geheel wat thans in het tweede deel van dit hoofdstuk volgt, over het schrikkelijk lot dat de bezige en in zich zelf jubelende wereld wacht. In de ne-.^n eerstvolgende verzen komt de geesteservaring der volken hierbij tot uiting. Hoog staat de wereld, die hierbij aan 't woord komt, niet. Geen toon uit een tempel, geen naklank uit een huis des gebeds, geen geestesuiting van hooger orde uit een school der wijsgèeren. Integendeel, al wat in deze negen verzen aan 't woord komt, is de koopmanswereld. Het is de scheepvaart en de handel, die in den kring, wiens klacht we thans te beluisteren krijgen, aan 't woord komt, In vs, 11 wordt hierop dan ook onverbloemd gewezen. »De kooplieden, zoo staat er toch, de kooplieden der aarde zullen weenen en rouw bedrijven over den intredenden jammer, doch uit geen diepergaande oorzaak, dan dat de verkoop afneemt en tenslotte stilstaat. Ze zullen rouw maken en weenen, omdat niemand hun waren meer koopt. De koophandel leeft van de rijke en grootsch zich ontwikkelende steden. Was nu hier de groote wereldstad tenslotte de stad geworden, waar alle schat zich had opgezameld, dan sprak het ook vanzelf, dat de scheepvaart en de koophandel voornamelijk aan den bloei van deze wondere stad hun bloei te danken hadden. Zooals 't voorheen met Tyrus en Sidon was geweest, waar eenmaal alle scheepvaart en koophandel zich had saamgetrokken, en waar de bitterste ondergang gevolgd was, toen de weelde van Alexandrië en Rome inzonk, zoo zou 't ook hier zijn. De koophandel en de scheepvaart stonden hoog en bloeiden ongemeen. Doch nauwelijks kwam in de groote wereldsteden het moreel, en, in verband hiermede, straks het materieel verval aan de orde, of de handel verliep, de scheepvaart kromp in, en de eens zoo bloeiende steden gingen steeds harder achteruit. En zoo nu zou 't ook hier zijn. Alleen met dit alles beheerschende onderscheid, dat 't verval, dat eertijds van lieverlede intrad, thans plotseling de rijkste wereldstad overvallen zou. Als in één uur zou de inzinking intreden en voleind zijn.

Om nu wel te doen uitkomen, dat 't in de groote wereldstad tenslotte alles op stoffelijke weelde uitliep, en er van een geestelijk hooger leven geen de minste sprake was, somt de spreker thans op, wat de weelde van handel en verkoop almeer geworden was. Niet gewone handel in gewone voedingsmiddelen en gewone kleèderen, maar altegadervan rijke weelde, »Waren, zoo zegt hij, van goud en zilver, en van kostelijk gesteente en van porcelein, en van fijn lijnwaad en van purper en van zijde en van scharlaken. Voorts allerlei welriekend hout, en ivoren vaatwerk, en allerlei vaten van 't kostelijkste hout, en van koper en ijzer en van marmersteen. En dan nog allerlei waren van kaneel en reukwerk en welriekende zalf en wierook en wijn en olie, en meelbloem en tarwe van het beste, allerlei dieren en lichamen en zielen van menschen. En nu is door \yat de groote, rijke, allesbeheergchende wereldstad trof, op eenmaal en plot­ seling al deze overdaad van weelde in 't niet verzonken. Er is geen vraag meer naar, en 't kan niet meer ter markt gebracht worden.

Eén bittere klacht en één bang weegeroep zal onder de scheepvaarders en handelaars en kunstenaars te beluisteren zijn. De kooplieden, zoo zegt VS, IS, die rijk geworden waren, zullen nu met ledige hand van verre staan uit vreeze van de pijniging die hen wacht. Zoo zullen deze dan eenzaam en verlaten staan, weenende en rouw bedrijvende en zeggende: »Wee, wee de groote stad, die bekleed was met lijnwaad en , purper en scharlaken, met diamanten en porcelein. Ze waren zoo overrijk, en nu is »in ééne ure haar zoo groote rijkdom verwoest.* En nu gaat de bange klachte op. Niet van de vorsten en.stedenbedwingers, maar van de manufacturiers, magazijnhouders' en schatbewaarders. Het zijn de kapiteins en stuurlieden en matrozen op de schepen, de bootsgezellen en allen die ter zee handelen, die, op eenmaal voor deze ontzettende catastrophe geplaatst, in angst en vreeze als wegzinken. Ze treden niet meer, gelijk voorheen, op den voorgrond, maar wijken achterwaarts, en geven alle hoop op, en nu ze de plotselinge inzinking en den alles overstelpenden val van de machtige wereldstad aanschouwen, blijven ze van verre staan, en roepen ze, ziende wat er gegeschiedt en ziende den rook en den brand der vernieling: »Wat stad was deze groote stad gelijk ? " Ja, hierbij bleef het niet. Ze wierpen stof op hun hoofden, en weenende en rouwu bedrijvende, gilden ze het als uit: »Wee, wee de groote stad, in dewelke allen die schepen hadden, van hare kostelijkheid rijk geworden zijn, want zij is in ééne ure verwoest geworden”.

En hierop nu volgt in het slot van dit hoofdstuk in vs, 20 tot 24 de volstrekte ommekeer van erbarming en mededoogen in toorn en straffe verwoesting, omdat nu de martelaren om wrake roepen. Dit bespeurt ge de eerste maal in vs, 20 en de tweede maal in vs, 24. Waar dusver eeniglijk gehandeld werd van goud en edelgesteente, en al wat tot de weelde van 't leven dient, gewaagt vs. 20 op eenmaal van wat geestelijk geleden is door wie voor God en zijn Christus kozen. Het heet daar toch: «Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen en gij profeten, want God heeft - uw oordeel aan haar geoordeeld". Snijdender kon de tegenstelling niet genomen worden. Tweeërlei geestdrift heeft de kinderen der menschen bezield en gedreven. Het ééne deel van de kinderen der menschen heeft zich vermeid in paarlen en diamanten, en het andere, veel kleinere deel, heel anders in wat uit de hemel aan Gods gezaligden geboden werd. De schat der groote massa school in het aardrijk, de overrijke schat der gezaligden school eeniglijk in wat ze uit den Hooge door den Heiligen Geest, als Christus toebehoorende, in de ziel hadden ontvangen. De eerste breede groep hoorde bij de Vorsten en overrijke schatbezitters der wereld, de tweede kleine groep had haar machtig aangrijpingspunt niet op aarde, maar in den hemel daar boven. Niet de Vorsten en machthebbers, maar de apostelen en de profeten waren hun heilige geestverwanten. Bij de Vorsten en grooten der iarde trok 't alles naar beneden en werd God vergeten, hier daarentegen was God 't één en al, en trok heel 't geestesleven naar den Troon des Heeren daarboven. Die tegenstelling vindt dan ook haar volle uitdrukking in wat vs 20 zegt: «Bedrijft, vreugde over haar, gij hemel en gij heilige apostelen en gij profeten, want God heeft uw oordeel, d, w.z, het oordeel over wat aan u misdaan is, aan die wereldstad geoordeeld, ”

Doch hiermede treedt dan ook de eindstoot in. De spanning is nu doorgestaan. De tegenstelling is nu op 't alleruiterste ingetreden. Er kan nu niet langer getoefd, en de slag die 't einde brengt, moet nu onmiddellijk volgen. Vandaar dat 't reeds in vs, 21 heet: »En een sterke Engel hief een steen op, als een groote molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de groote stad Babyion met geweld geworpen worden, en zal niet meer worden gevonden, * Schijnbaar is hier tegenspraak met VS, 2, Daar toch stond reeds klaar en duidelijk: > Zij is gevallen*, zoo zelfs dat 't ten tweeden male herhaald werd: sZij is gevallen*. Hier daarentegen meldt zich diezelfde wereldstad aan als nog niet gevallen, als nog overeindstaande, en alsnu eerst van een anderen Engel den vernietigenden stoot ontvangende, die haar bezwijken doet en doet te niet gaan. Sterker nog. In vs. 21 komt 't nog niet eenmaal tot de afdoende raededeeling, dat de groote wereldstad gevallen is. We hooren van een symbolische ver­ gelijking. Er is sprake van een weergaloos grooten molensteen, die door een sterken Engel in de hoogte wordt getild, over de zee wordt gehouden, en nu in die zee wordt nedergestort, zoo dat ze er spoorloos in verdwijnt. Doch na dit symbool staal er niet: sZoo is nu Babyion neergeworpen*, maar veeleer in den toekomenderi tijd: »Zoo zal de wereldstad geworpen worden*, en ze zal niet meer worden gevonden. Toch heerscht hier geenszins verwarring. Slechts worde niet uit 't oog verloren, dat in de Apocalypse niet wordt aangekondigd wat geschied is, maar steeds alleen wat gebeuren zal. Johannes wist in 't minst niet precies, wat hij van dit alles nog beleven zou, of wat eerst na zijn naderend sterven zou intreden. En juist dit is oorzaak, dat Johannes telkens weer meedeelingen te doen heeft, alsof wat hij mededeelt reeds geschied is, en dan toch weer zijn getuigenis moet uitstrekken tot in verre eeuwen. Altoos weer die worsteling tusschen de twee leidende gedachten: »Ja, kom haastiglijk, Heere!" en anderzijds het verloop der eeuwen dat nog tusschen in kon treden.

En nu komt ten slotte op nieuw de aangrijpende tegenstelling. Eenerzijds wordt nogmaals de groote, machtige wereldstad als voor oor en oog getooverd met de weelde van haar paleizen, en de stem der citherspelers, maar dan ook anderzijds als wegzinkende en te niet gaande onder den stroom van het verderf, dat haar wegsleept. Vs. 22 gewaagt daarom van de stemmen der citherspelers en zangers en de fluiters en de bazuinen, en spreekt uit dat dit spel der klanken en der tonen nu zijn einde gevonden heeft. Al dit prachtgeluid, zoo staat er, »zal niet meer in u gehoord worden." Geen kunstenaar van eigen kunst zal meer in u gevonden worden, en ook, om-'t huiselijk te nemen, »geen geluid der molens zal meer in u gehoord worden." Zelfs, en dit gaat nog verder, als zon noch maan 't leven bestralen kunnen, en men poogt door kaarslicht de duisternis te bannen, dan zal zelfs 't licht der kaars'niet meer in deze wereldstad helder schijnen kunnen. Ook de saamleving van het gezin zal gestuit zijn. Geen stem van bruid of bruidegom zal meer te beluisteren zijn. Alles gaat ten onder. De kooplieden hebben 't met hun weelde alles verdorven, en zij zijn 't die met hun tooverij heel het leven der aarde vergiftigd hebben. En wat nu 't bangst en het ontzettendst^zal zijn? In diezelfde steden, die nu door haar weelde den socialen dood sterven, zal tevens de ontzettende antithese tusschen de weelde der wereld en het bloed der martelaren op 't scherpst uitkomen. Zoo toch staat er in het slotvers: »En in die stad en steden is gevonden het bloed der profeten en der heiligen en van alle diegenen die gedood zijn op de aarde, ”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 juni 1918

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 juni 1918

De Heraut | 4 Pagina's