GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERS-SCHOUW.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERS-SCHOUW.

24 minuten leestijd

mmmÊmm: Opleidingsschool-wetenschapsinstituut.

Prol. Hoekstra heeft een — helaas nog steeds noodzakelijk — woord gesproken in „D© Bazuin", over de zeer gelaufige antithese van „universiteit" en „seminarie", ol': „opleidingsschool" en „faculteit". We cdteeren: i

Als Kweekschool voor predikanten is de Theologische School naar haar idee een Hoogescliool, die de theologische wetenschap beoefemt.

Ein, Avat ze is naar haar idee, is ze ook in de werkelijkheid. Het peil van haar onderwijs en de m.ethode van studie kenmerken haai' als Hoogeschool.

De 'Theologische School is, dus Hoogeschool en tegelijk Kweekschool.

De Vrije Universiteit is het evenzeer.

Elke Universiteit is een Kweeksoiiool ter opleiding van hen, die als predikant, leeraar, arts, advocaat, enz. een leidende positie.in het maatschappelijke leven zullen innemen.

De Vrije Universiteit is een Kweekschool voor predikanten.

De Vrije Universiteit is een Kweekschool voor advo^ i; ca ten,

•' De Vrije Universiteit is een Kweekschool voor leeraren aan Gynmasia en Hoogere Burgerscholein.

De Vrije Universiteit hoopt te worden een Kweekschooil voor geneesheeren.

Omdat de Vi-ije • Universiteit oen .Kweekschool is, heeft zo jarenlang, gevochten voor den effectus civilis.

Ze heeft den effectus ecolesiasticus van de Gereformeerde Kerken verkregen; hare candidaten" hebben dezelfde rechten als die van de Theologische School, omdat de Vrije Universiteit een Kweekschool - iè' voor predikanten.

Gij zegt misschien: „nu legt gij toch wat eenzijdig nadruk op he'; Kweekschoolkarakter van de Vrije Universiteit; ze is toch in de eerste plaats een inrichting: van hooger onderwijs en dient tot beoefening van de wetenscliappen."

Daarop zij geantwoord, dat ik geen oogenblik uit het oog verlies, dat de Vrije Universiteit ©en Hoogesciïool is, die de beoefening der wetenschappen ten < : ^oeI stelt. Het is echter wol eens noodig, juist om niet eenzijdig te worden, ar bij te zeggen; dat eein, ' Koogescliool naast dit theoretisch tevens een.pract i s p h dool heeft, n.l. de opleiding voor imaatschappeflijke hetreldrihgen, waarvoor een wetensphappelijke opleiding vereischt wordt. (. '

Een Hoogeschool is dus, een Kweekschool.

Onze Hoogerondorwijswet spx'eekt dit terecht uit in haar eerste artikel.

En de werkelijkheid van het leven onzer universiteiten is daarmee in overeeinstemming.

Daarom is de tegenstelling van-Hoogosohobl (Universiteit) en Kweekschool val s ch^i.iji-? * ••

•''s335*S".ric'-.• Indien ze dit niet ware, idan' zöudeh de directeuren van''dé 'V. Ur'wer'zèér Bèginsel-Terlooichenenda menschen zijn geweest, toien zij' het contract met de Geref. Kerken aanvaaididen. Ieder die wil, kan in de jongste uitgave van onze Rerkenordening dat contract lezen en nagaan, hoezeer de Theol. ]-'ac. der V. U. zich contractueel verplicht ziet, te rekenen met 'de „opleiding" ten bate dör

kerken. Evenals ik voor 2' wek'en de leuze (lioe vaak viel, ze te beluisteren juist in de uitwerking van de antithese tusschen opleidingsschool en wetenschapsinstituut) ongere, fo'rmeerd noemde, die zegt: „de wetenschap om de wetenscihap", zöo zegt nu ook Prof. Hoekstra:

• Er is ook wel eens beweerd, dat aan de V. U. die wetenschap wordt beoefend om de wetanischap.

Wio dit "zou voorstaan, zou een gevaarlijke stelling verkondigen, een stelling, diei ingaat teg: en het Geref. beginsel, dat er niets is om zichzelf, maar alles er is om wat anders, en idat, in laatste instanttiei alle dingen zijn om God.

De stelling, dat de wetensdiap er is om zichzelf, is met do werkelijkheid in strijd.

Het beweren ds wetenschap om de wetens cha p is meer heidensch dan christelijk.

Heï. is een uiting van zuiver Rationalisme. , Het stelt toch de waarheid met het door de ratio .Ssèkende gelijk.

.Ssèkende gelijk. 8 , ^; ; , „Door de wet beschermd".

I^PiSÉÊlrlIoiekstra zegt:

, - In „De Reformatie" heeft Prof. Grosheide de opmerking gemaajct, dat in Nederland de doctorstitel; een door de wet beschermde titel is.

Deze opmerking is juist.

Als de Theologische School te Kampen den doctorsJ titel verleent, is die dan ook „wettelijk beschennd".

Volgens art. 149 van de Hoogeronderwijswet kaïi ieder Nederlandsch onderdaan, elke erkend© vereeniging, en ieder K; erkgenó-ot s chap een bijzon-< ler6 school voor hooger onderwijs openen.

De Theologische School te Kampen is zulk eene bijzondere school voor hooger onderwijs, die ondieri art. 149 der wet thuis hoort.

Zij zondi. dan ook volgens art. 151' der wet jaarlijks vóór 1 Maart aan het gemeenteheistuur en vóór 1 Noveinber aan den Minister van Onderwijs een verslaJgi over bet afgeloopen studiejaar.

Zooi is de Nederlandsche Handelshoogeschool gesticht door particulieren met overheidssteun en is ie R.-K. Handelshoogeschool te Tilburg opgericht volgens opdracht, gegeven djoor het Doorluchtig Episcopaat der Ned. Kerkprovincie. Deze 'laatste inrichting'is niet ondergebracht bij de Roomsche Universiteit te Nijmegen, zooals b.v. wel geschied is met de in 1922 opgei-ichte Handelsfaculteit Amsterdam. te

Maar — 'gelijk ik reeds herhaaldelijk opmerkte — de „bescherming" doof de wet beteeken-t niet een beperking voor de doctoraten in de theologie', zooals die zouden verleend worden door vrije faculteiten. Evenals de wet de hoogleeraren der V. U. isoleert bij het promoveeren in de theologie, zoo wordt ook vereischt, dat de theologische doctoraten van de .Roomsche universiteit in Nijmegen verleend worden met vermelding van de volmacht van den H. Stoel, die dan ook op de getuigschriften zal te vermelden zijn. Effectus civilis heeft zulk een theologisch doctoraat te Nijmegen of gaa de V. U. dan ook niet. Kampen zal daarin precies voor de wet gelijk staan met andere theologische faculteiten. , •

Andere stemmen.

Ik wil besluiten met enkele verspreide artikelen kort te memoreeren.

len kort te memoreeren. Ds Hagen zegt in „Dielftsche Kb.":

Het is te hopen, dat deze kwestie niet weer opnieuw onze Kerken gaat beroeren. En dat men in geen geval een overhaaste beslissing neme. Er is alles voor om een cormnissie te benoemen die dit punt eenj van alle kanten onder de oögen ziet en op de eerstvolgende' Synode met oen helijnd voorstel komt.

Ds Grunst zegt in „Leidsche Kb.":

De Synode te Groningen moet er nu maar eens een stokje bij steken, en een beslist ja of neen zeggen, mits de uitspraak dan ook op goede gronden bigjuste. „Voor ditmaal ga heen", is het tot nog toe geweest

Voorts herinnert Ds Gunst aan een ottd rapp'ort van Curatoren, waarin ..deziei zinsnelde over d'en doctoraien graad: SsSli-

Niet rechtstreeks wijst de Kerk hem toe, omdat zij geen wetenschappelijke inrichting als zoodanig is, maar predikster der waarheid; maar door hare Theologische School, die uit baar zelve geboren en daarom het wettig orgaan is, waardoor zij in dezen handelt.

D's Scheele merkt in „G'oudsche Kb." op^:

Beide inrichtingen hebben onzen steun noodig, beide inrichtingen moeten tot volle ontplooiing komen. Rivaliteit mag' er in dezen niet zijn. Waanneer dit gemeenschappelijk gevoeld werd, het zou tot een rijken zegen der Gereformeerde Kerken zijn en beide inrichtingen zouden er wel bij varen. .., : öSiiï1v.

In „Geref. Kerkb. v. Amsterdarri-Ziiid" zijn reeds 2 art. verschenen, die de verwachting van een vervolg-artikel schijnen te weJcken i). Los staat daarvan een de synode inledd'end, artikel van E., waaruit ik ontleen: •.•..ii; fy Ti, - .; ^; ', '•: '•..--'-

•• • • f; i& „' ^; -, '••!V'': Ï-'^ •; , : •-? ; ^: < -: -- Aan den eenen kant moge 'afwezig blijven een zelfs onbewust speculeeren op moeilijkheden, waarin de eene opleiding tegenwoordig is gewikkeld, — aan den anderen kant werke men niet te spoedig met het zwaar geschut van „beginselen", waarvan het werkelijk beginsel-karakter niet boven allen twijfel verheven is, tégen redelijken uitbouw van de andere opleiding.

Tenslotte nog een opmerking van een ouderling in „Geref. Kbl. v. Ov. & Dr.":

Slaat men bijv. de Acta op van 1914, in verband met het „promotierecht" o.a. nog al eens genoemd dezer •dagen, dan. treft het den. oplettenden beschouwer, dat hij slechts 6 namen van toen thans nog aantreft.

Persstemmeri van deze week over Kampen.

Behalve wat ik boven citeerde (en voor het nr •va.n verleden 'week bestemd, had) trof ik nog bij de kerkelijke p'Crs een art. vto ds Gunst in „Rijnl. Kerkb.": '

Het is teleurstellend, dat het Curatorium zich niet ' uitgesproken heeft over de weer aan de orde gestelde kwestie van het promotie-recht.

Heit is mij bekend, dat de beste stuurlui aan wal staan, m.aar deze zaak hangt nu al vijftig jaar en het curatoriurn kan zich op den duur er niet buiten houden.

Even later:

Volgens Prof. H. de Cock, in zijn „De Kerkenorde van Dordrecht A° 1618—'19 benevens de latere synodale bepalingen der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederlau'd", is op de daar op volgende Synod'e van 1882 de zaak weder ter sprake .gebracht, en gezegd, dat nog geen behoefte gevoeld werd „om! zich nu reeds over de wenschelijkheid van het verkenen van een doctorstitel uit te spreken".

Ik heb in de Hamdelingen van 1882 deze uitspraak niet kunnen vüide-n. Is het daar wellicht gegaan gelijk op de laatstgehouden Part. Synode van Zuid-Holland (Noord) te Bodegraven waar het blijkbaar niet noodig werd geoordeeld publiek van de zaak melding te doen? In het „Kort Verslag" dezer Synode is van bet voorstel der Classis Leiden in 't geheel geen gewag •gemaakt. Dit kan ook bij vergissing geweest zijn.

Opi de part. sya. v. Zuid-H'oll. Noord was dit jaar de verhouding:13—11.

W.at voorts de vroegere 'gedachtensfeer leert, ds Gimst zegt er dit 'van:

Wat blijkt evenwel reeds uit hetgeen wij' uit de 'discussies van vroeger te weten 'komen?

Dit, dunkt mij. Men beschouwde de Theol. School niet slechts als een Opleidingschool, als een vakschool, voor d© toekomstige Bedienaren des Woords, maar ook ajs een inricJiting waar de Theologie als wetenschap diende gedoceerd te worden.

Opleidingschool en School voor wetenschap wilde men laten samenva, Ilen.

En tenslotte:

in 1885 kwam de vraag over het promotierecht bij vernieuwing aan de orde. Hetgeen tO'en namens Curatoren der sdiool, bij monde van Dr A. Brummelkamp, is gezegd en geadviseerd is door de Synode beaamd.

lu de Handelingen der Synode is te lezen, o.m. dat een predikant (Ds S. A. v. 'd. Hoorn van Tiel, een wetenschappelijk man, bekend ook door onderscheidene geschriften, en opgeleid aan de Theol. School) zich had aangeboden voor het doctoraal examen.

Dr A. Brummelkamp zeide, namens het Curatorium: „Het Curatorium oordeelt, in overleg met de''Docenten, dat de Theologische schooi het recht heeft titels te verleenen, ma'ar meent nochtans op de aanstaande Synode te moeten uitspreken, dat de tijd nog niet is gekomen, om dat recht uit te oefenen. Dit advies bemst op de overweging, dat er tweeërlei .Doctoraat in de Gereformeerde Kerk bestaat, of althans bestaan kan. Het eerste is het Kerkelijk Doctoraat... wél te onderscheiden van het tweede Doctoraat, dat een zuiver wetenschappelijke graad is, waarvan hier alleen spraak wezen kan.... Van dien Doctorstitel als wetènschappelijken graad in de Theologie, gelooft het Curatorium, dat de kerk bevoegd i-s hem te verleenen...

Zoodat, wie aan het probleem „Erfge'namen en erfenis" mocht, willen herinneren, goed doet, ook tot deze dingen zijn aandachtssfeer uit te strekken. Zie overigens, wat dat betreft, hier onder. In „Goudsche Kb." zegt ds v. d. Sluis: '

De Synode is immers geen wetenschappelijk coDegc, maar een kerkelijke vergadering, en dus onbevoegd, om zuiver Wietenschappelijke vraagstukken te behandelen. ~

Niemand vraagt dit echter van de synode. Gelijk ook niemand dit vraagt van welk'ei organisatie ook, die een hoogeschool in het leven riep'. De vraag ligt op ander terrein, waarover ik reeds sprak. Voorts zegt ds v. d. S.:

De Titel van Do'Ctor in een of 'andere wetenschap, ook in die der Godgeleerdheid, draagt een zuiver wetenschappelijk karakter, heeft in en voor de Kerk niet de minste waarde en is dus hoegenaamd geen hehoe'fte, waarin de ICerken moeten voorzien.

Heeft de titel geen waarde? Als titel natuurlijk niet. Maar de procedürei, die tot de titelverleening leidt, heeft voor de kerk groote waard'e, en ook voor 'de interne ontwiklceling der hoogeschool; en voorts heeft de kerk groote vrucht van hen, die de'ii titel hebben, maar dan ook daarna blijven werken. Hetgeen niet altijd geschiedt.

' Eindelijk zegt ds v. d. S.:

Rome heeft.de tdefcemning van de vrijheid om te , promoveeren wel voor den paus gereserveerd, maar ' de Gereform. Kerken hebben zulk een recht nimmer in eenige belijdenis of Kerkenorde voor zich zelven ' gevindiceerd.

Juist, het re serve er en ligt eenigszins op de Roomsche lijn. Maar wie wil hier iets voor de kerk reserveeren, dat aan anderen geweigerd wordt ? D'e kerk begeert geen monopolie', en Kampen dringt het niet op. Boivemdien is 'de „beoefening" der wetenschap juist, het omgekeerde van het afkondigen van decreten en is de 'instandhouding van een naar den huldigen stand der wetenschap, ingerichte faculteit (ook met bewaring van den grondslag der belijde'nis) ©en verscherping van de antithese met Rome; terwijl de binding vain Kampen aan de kerkelijke belijdenis met uitsluiting van zuiver wetenschappiélijke onderzoekende studie een zwenking den Roomschen kant uit is. Wil men van Rome afzwaaien, dan moet het juist nog verder de richting van 1896 uit tot de thans gevraagde consecpientie.

Eindelijk zegt ds v .d. S.:

Bovendien zou door deze co'ncessie de vrede toch niet verkregen worden, wijl dé voorstanders van het 'doctoraat aan de Theol. School nog: veel verder strekkende wenschen koesteren, ©n deize na de verkregen concessie terstond aan de orde zouden stellen.

Dit begrijp ik niet. 'Ik' weet 'er ook niets ivan. Wat ik wel zou weten, heb' ik' hier ronduit gelegd. Er valt niets te verbergen, en ik kan niet gelooiven, dat iemand een slag om den arm houdt. Tenslotte zegt ds v. d. Meulen in „Friesch Kbl.":

Nog niet, maar op den duur zal het promotierecht niet aan de Theol. School kunnen worden onthouden.

„Erfgenamen en erfenis" en Kampen.

In 'de „Geref. Kb. v. Amsterdam-Zui'd" zegt v. K. iri het boven vermelde vervolg-(tevens: slot-)artikel:

Het wordt ons tocli wel wat vreemd te moedie, wanneer we weinige jaren na Kuypers do-O'd zoo en bagatelle behandeld zien een der belangrijkste beginselen, die hij gepoogd heeft ons in te prenten, en het blijkt wel ho'Ognoodi'g in onze kringen te refereeren en te schrijven O'ver Erfgenamen en Erfenis.

liidien hierbij mocht zijn gedacht aan wat ik op den jongsten Vrije^üniversiteitsdag zei, - en eenige tegenstrijdigheid mocht word'en geconstateerd of tusschen de regels te lezen zijn tusschen wat ik toen sprak en nia 'hier schrijf, dan antwoord ik:

a. pleiten voo^r de historische hjn houdt niet in critieklooze aanvaarding van wat overgeleverd is; dit beb ik trouwens zelf opgemerkt te Arnhem; en van strijd is dus geen sprake. Wel meen ik, dat niemand het recht heelt zich van het verleden los te maken, als hij geen argumenten geeft. Uit eerbied voor de lezè-rs zoowiel als VOOT het verleden, heb ik dan oot daarvan rekenschap gegeven ;

b. Dr Kuyper is niet onze eenige erflater; in dit geding spreken ook mee mannen als Bavinck, die anders oordeelde, en die ook van het thans ingediende voorstel — toen het oindersteüenderwijs ter sprake kwam — heeft erkend, dat het iets anders was, dan indertijd afgewezen werd'; en voorts mannen als Brammelkamp (zie boven; en vele anderen;

c. Dr Kuyper, zelfs al zou men hem, alleen willen doen spreken, heeft in zijn leven op' dit punt meer dan één kant uit gewezen; hij zelf verplicht het nageslacht, nog eens het probleem te stellen.

d. de geachte schrijver verliest m.i. den historischen gang van het debat uit het oog. Dat Delft ter sprake kwam, was vooral hierom: Vroeger heette het, dat incorpoiratie in een universiteitsgeheel noodig was voor erkenning van het ius promovendi. Delft staat daar als bewijs dat Dr Kuyper, toen die gedachte tegen zijn eigen werk aangevoerd werd, ertegen heeft geopponeerd. Dat anderen weer met een beroep' O'p Dr Kuyper dezelfde idee lanceeren, als die hij in de Tweede Kamer weersprak, dat was de historische aanleiding tot het dehat Wie trouwens argumenten probeert te geven, behandelt niets en bagatelle.

Indien de schrijver van het artikel niet mocht bedoeld hebben, wat ik zooeven mogelijk achtte, dan gaan deze opmerkingen wel hem zelf voorbij, doch hebben misschien haar nut Voor zijn lezers. Voorts zegt de, schrijver:

Hei promotierecht verleenen, dat is niet aaders dan van de School als opleidingsinstituut maken een 'Theologiscbe Hoogeschool, zooals zij dan ook straks zal moeten bceten. En zulk een hoogeschool in stand houden eu verzorgen dat is niet anders dan „Wissenschaft treiben", aan wetenschap doen.

Indien hiermee alles gezegd was (de schrijver zelf laat echter duidelijk bemerken, dat hij de kwestie scherp en breed stelt) dan zou óók moeten losgelaten worden, wat thans bestaat, indien n.l. „Wissenschaft treiben" de kerk niet vrijstaat. Maar ik wijs nóg eens opi de doelstelling: aan de V. U. mag men niet wetenschap beoefenen zonder een buiten die beoefening gelegeai doel, en te Kampen staat het evenzoio. Wil men dus dien kant uit, dan moet eerst worden weerlegd, wat opgemerkt werd toen ik zei: de kerken dienen zichzelf en vervullen beter eigen taak, indien zij het voorstel aanvaarden. Iet wel: op de thans gestelde voorwaarden en naar thans gegeven redeneermethode.

Een geïsoleerde, nieuwe beoefening van wetenschap' wordt niet gevraagd: men heeft het alleen over de consequentie, die organisch opbloeit u i t wat eenmaal b e s t a a t. Het gaat er niet om, dat de kerken een nieuwe taak aanvaarden zullen, maar dat ze een uit eenmaal begonnen werk opkomende levensuiting niet smoien zullen. Van opr zettelijkheid in beginselfabricage is hier geen sprake, noch van karakterverandering.

Omdat deze praelabele kwestie niet afgehandeld is, kan voorts blijven rusten wat dei geachte schrijver nog verder opmerkt, wijl dat eerst aan de oride zou komen, indien de thans gevolgde argumentatie ondeugdelijk gebleken was. Diat trouwens de schrijver geen overwegende pirinciipiieele bezwaren ziet (immers over door Gods Woord geëischte beginselen stapt men niet heen) blijkt wel uit enkele beslissende uitlatingen, die ik hier weergeef:

Zien wij zoo de School, als uit den nood der tijden geboren, dan moet ook worden lirkend dat zij krachtens haar oorsprong in zich het beginsel " draagt, dat consequent tot den uitbouw tot volledige ilieologische hoogeschool voert. Wie eenmaal op het gebied van hel hooger onderwijs de hand aan dein, plO'eg slaat, die moet verder. Het moge zijn uit eigen roeping of uit van buiten opgelegden nood, het moge zijn als vereeniging, als Overheid of alsi kerk, het mogï bedoelen rechtsgeleerde, natuurkundige of theologische vorming —• het maakt alles gee^i V(; rschil, men wordt voortgedreven. Men kan leoTi' bepaalde lagere of middelbare school laten zoioals ze is, haai bieletten zich uit te zetten boven een zekera miat, omdat ze een schakel is in een welgeorden^ sy fleem waarii' de deelen in elkaar passen en elkaar aanvullen. Maar een wetenschappejijke opleidinigsiniichting geheel op zichzelf gezet te midden van een krachtige kerkengroep, groeit uit innerlijhen le-^•onsdrang omhoog tot de volle wasdom is bereikt. Het \v e t e n s c h a p p e 1 ij k karakter al is het aanvankelijk ook nóg zoo zwak, beslist hier voor de toekomst. Wie theologisch onderwijs wil zonder graadverdeeling moet straks telkens met de bijl komen om den boom van zijn kruin en takken te ontdoen. Het leven, de wetenschap zelf, perst en dringt hier.

En tenslotte:

Hetgeen dengenen, die voor het promotierecht niet zoo warm voelen of er principieele hedenkingen te­ gen hebben, zoo slechts rest' is zich de vraag te stellen, of de maatregel bepaald tegen het belang der kerken is en of de principieele bezwaren dwingen tot een onverbiddelijk neen. Wat het eerste betiieft, schadelijke gevolgen zullen wel moeilijk aan te wij-, zen zijn. Men kan zich denken, dat straks nu ook' nog zal worden gevorderd, dat uitsluitend of bij voorkeur met het onderwijs aan de School — dan Hoogescliool —^ zullen worden belast zij die daar hun graad hebben gehaald, maar zooveel vertrouwen mag men in het gezond verstand in de kerken ook voor de toekomst nog wel hebben, dat wie benoemingen niet alleen wil laten afhangen van bekwaamheid en geschiktheid, zijn invloed totaal verspeelt. En als men eendrachligheid en met het oog daarop wegneming van werkelijke of vermeende grieven, een groot belang der kerken vooral in den komendenj tijd aclit, dan is er zeker veel voor te zeggen alsl het eenigszins kan nu maar aan het weer ontwaakt verlangen toe te geven. Onze kerken gaan een periode tegemoet, waarin zij minder dan ooit slepende kwesties, die de broeders stug en stroef tegenover elkaar maken en onverwacht zelfs tweedracht kunnen verwekken, kunnen velen. En wat aangaat bet beginsel dat de kerk niet anders dan bi| noodzaak, in abnormale omstandigheden, als een scheppend orgaan op het gebied der wetenschap mag optreden, zoo zouden we de opmerking willen wagen, dat we aan dit beginsel toch al niet meer zijn eisch kunnen geven. De' School optrekken tot een Hoogeschool is in wezen niet anders dan watf het acoepteeren in 1892 eener eigen inrichting was, bet zeggen van de c na de a en de b. Het promotiij; recht ügt in beginsel gegeven niet pas in 1896 bij de reorganisatie der School, of in 1891 in 't „Beding? maar in 1854, toen de School werd opgericht en de kerk als kerk rechtstreeks aan theologie ging doen.

Zoo ziet men, dat bij verschil van accent de harmonie in dit geval wel te vinden is. Feitelijk ligt de kwestie al beslist in de aanvaarding van een wetenschappelijke kerkelijke hoogeschool. De oude opleidingskwestie wordt niet opgerakeld; slechts wordt uit het bestaande conclusie genomen. Gegeven het FEIT der wetenschappelijke inkleeding van Kampen geldt thans wat DT Kuyper' zei in de Staten-Generaal („Staatscourant", Handelingen 1904/5, bl. 451):

„In dit wetsontwerp" (van dr Kuyper) „geschiedt de poging, om voor de wetenschap te handhave-n den regel van het sonverein zijn in eigen kring, zoodat niet de Staat peremptoir zal beslissen, wat wetenschappelijke eere zal hebben, maar de innerlijke levenskracht der wetenschap ze 1 ve."

Die innerlijke levenskracht werkt nu eenmaal te Kampen; men late ze dan ook uitbotten en geve haar stuwing den vrijen loop. Zóó vindt men het 'rechte verband tusschen erfgenamen en erfenis, en dan zonder eenige revolutie. Ik kan 't niet anders zien, dan zóó, dat de eenige kans, die men beloopl om de oude opleidingskwestie weer op te rakelen, daar ligt, waar men tusschen de twee opleidingsinstituten een denkbeeldig verschil poneert en voorts wat Kampen aangaat (of evengoed de Theol. fac. der V. ü.) zou teruggaan achter wat eenmaal is aanvaard. Hier is evenwel van zooi iets geen sprake.

Over vrijmetselarij.

Het „Algemeen Weekb. v. Chr.dom & Cultuur" zegt in een recensie (van de hand van Dr M. v. Rhijn):

Dat de Vrijmetselarij „geen enkele kerk en geen enkele politieke partij zou bestrijden" is onjuist. Eveneens dat de Loge nooit ingrijpt wanneer het om benoemingen gaat. De meeste Vrijmetselaars gebruiken alles wat Roomsch of Orthodox denkt, voor bun maaltijd. En bij benoemingen te Groningen zijn zeer begaafde andersdenkenden die vooraanstonden, gepasseerd mede door de activiteit van de Loge.

Het is wel goed, dat hier eens op gewezen wordt. Legende en waarheid zijn moeilijk te onderscheiden.

Paedagogiel< van ds Zandt.

Niet om tegen ds Zandt te opponeeren, maar wel om te doen zien, dat tussöhen wat zich „gereformeerd" noemt ter eener en ter andereT zijd'e wel eens groot verschil bestaat, neem ik hier-uit „De Waarheidsvriend" het volgende over (het gaat over een heiwormde kerkèraadsschool in TDelft, die ik ds Zandt eens in een officieel schrijven zag betitelen als „mijn" school):

Hier moeten we tegelijk iets zeggen van het zingen op die Kerkèraadsschool. Toen ondergeteekende voorzitter was, werden er Psalmen gezongen, bij bet beginnen en bij het eindigen van den schooltijd. Verder werden er geestelijke-en nationale liederen gezongen. En vooral bij gelegenheid van „de openbare les" was bet een kist om de kinderen, onder leiding van den heer L. Blok, vroeger bet hoofd der Christel. School te Ameide, te booren zingen. Hoe dikwijls hebben ds Benes, ds Beekenkamp en ondergeteekende, te midden van ouders en belangstellenden, met genot er naar geluisterd, als veelstemmig door de oudste leerlingen prachtig, buitengewoon prachtig werd gezongen!

Dat was „de fractie-ds Zandt" een ergernis. Het bestuurslid Wijnmaalen c. s. stak dat onder geen stoelen of banken. En ds Zandt riep, waar ouders en belangstellenden bij waren, bet hoofd dèr school ter verantwoording in een hoekje van bet schoollokaal en door ds Zandt en br. W^ijnmaalen werd uitgemaakt, dat bier niet anders gezongen mocht worden dan zooals „het vrome volk zingt"; wat dan beteekende: eenstemmig, elke toon van gelijken duur en niet zoo vlug! Daarbij mocht voortaan het repertoir van de school niet anders bevatten dan: Psalmen en enkele nationale liederen! Dat is daarna in bet leerplan der school opgenomen en vastgelegd.

'Zoo werd bet zangonderwijs op school vermoord met de woorden „zooals het vrome volk zingt".

Dit artikel is van ds v. Grieken. Hoe ds Zandt — en de groep van volgers — denkt over d'e resultaten der christelijke paedagogiék, vraagt men niet meer, als men weet, dat op „zijn" school niet mocht gezongen worden: O jongens, als 'k rijk was, ik wist wat ik deê; of een liedje met „tra-la-la" of , , hoera". Het is te hopen, dat de Twe& d'e Kamer begrijpt, dat de naam gerefo'rmeerd nu eenmaal een sportartikel geworden is: iedereen loopt er mee naar en op het voetbalveld, en werkt er daar ook mee naar den aard des velds.

N a s c h r i f t. In verband met de polemiek over dr Kuypers leer geef ik bier nog enkeiel (Citaten uit de Memorie van Toelichting van dr A. Kuyper (Bijlagen, • Staatscourant, 1902—1903, 135).

1. , , Onder hooger onderwijs verstaat niemand, en kan dus ook de wet niet verstaan, de private liefhebberii van iemand mee te deelen wat hij weet. Dat kan even goed door geschrift geschieden. Hooger onderw ij s is onafscheidelijk van het doel om te vormem en voor te bereiden tot bet bekleeden van maatschappelijke betrekkingen" (bl. 10, kolom 2). %Sf|!|; f^^:

2. „En in de organieke wet van 28 April 1876 is di' overtuiginig, dat met name bet hooger ontlerwijs voUedirecht op vrijheid bezit zóó sterk doorgedrongeoj.-, , dat art. 99 verklaart: „Het staat aan ieder Nedetflander, ieder vreemdeling, die ...... elke erkende vereep-lginw en IEDER KERKGENOOTSCHAP vrij eene bijzpnder, school voor hooger onderwijs te openen-"-•. - • M-' Stilstand is bier ondenkbaar-Men schrijft gean vrijhei< l van hooger onderwijs in de wet als bedriegelijk uithangbord. Een aldus toegekende vrijheid moet voor vei'wezenlijking vatbaar zijn. Aan wat" nominaal verkrijgbaar wordt gesteld, moet realiteit kunnen beantwoorden, zoodra de omstandigheden dat beginnen te eiscben" (bl. 10, kolom 1 en 2).

o. „De tijd om.... het oprichten van een eigen parallel-faculteit (in plaats van bizondere leerstoelen aan de Rijksuniversiteiten, K. S.) mogelijk te maken, die gelijk examenreoht met de openbare faculteit zou, {noet6M bezitten, is nog niet gekomen. Alleen hetfelagen van het leerstoelstelsel kan hiervoor in de toekomst den we, ^ banen" (bl. 14, kolom 1). (Hier liggen ver strefckendjo consequenties, 'K. S.)

4. „De voorstelling, alsof de hoogleeraren te Delft, ('dit werd geschreven vóór de verheffing der Polyt. Scb. tot Tecbn. Hoogeschool, K. S.), slechts wetenschap toepassende, reeds daarorn niet onder het hooger''ondéiwijs waren te brengen, houdt dan ook gieen steek" (bl. 15, kolom 1).

5. „Nu is bet karakter van hooger onderwijsi'buitenaf reeds overlang aan het hier bedoelde onderwijs... toegekend" (en trekken wij dus daaruit elke consequentie, zoodra het peil wetenschappelijk boog genoeg staat on de erkenning algemeen is, K. S.) (bl. 15, kolom 1).

G. „Waar toch de faculteiten eener zelfde universiteit een gansch van elkander afgescheiden eigen bestaan leven....'' (maar later hoort men tot de Gereformeerden zeggen, dat die faculteiten aan elkaar op bet nauwst verbonden zijn en dat 't anders niet veel waard kan zijn in een „seminarie", K. S.) (bl. 15, kolom 2).

7. „In navolging van Duitsche technische boogescholen wenscht de ondergeteefcendé bovendien een doctoraat aan de hoogeschool verkrijgbaar te stellan als meer wetenschappelijke bekroning van de studie dergene'U, die het ingeaiieursdip'loma verworven hebbende, door de zelfstandige bestudeering van een technisch onderwerp van voldoenden wetenschappelijken zin en geoefendheid blijk geven" (bl. 17, kolom 2). ; -

Ik geef deze citaten zonder meer. De toepassing kan de lezer wol maken.

K. S.


^) Deze copie, evenals de voorgaande, .bleef verleden week staan. Beneden citeer ik nog nader bedoeld blad:

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1927

De Reformatie | 8 Pagina's

PERS-SCHOUW.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1927

De Reformatie | 8 Pagina's