GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

PERSSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PERSSCHOUW

25 minuten leestijd

Arbeiderstoestanden in het veire Oosten.

Via andere bladen kreeg ik kennis van wat het „Nederlandsch Zendingsblad" over de arbeiderstoestanden in het verre Oosten schreef.

Eenigen tijd geleden stond het onderstaande stukje in een vakblad in China:

„De winsten van de... fabriek bedroegen weer meer dan 1.000.000 dollar. De laatste twee jaren heeft de fabriek dag en nacht bijna onafgebroken doorgewerkt. Het aantal arbeidskrachten bedraagt 2500 en de dagloonen zijn als volgt:

Een man 15—^25 cent (Amerikaansche et., dus 371/^ —621/2 Holl. et.) Een vrouw 10—15 et. = 25—371/2 Holl. et. Een jongen (omstreeks 15 jaar) 10—15 cent. Een meisje (omstreeks 15 jaar) 5—10 cent. Een kleine jongen (omstreeks 10 jaar) 5—10 cent. Een klein meisje (omstreeks 10 jaar) 3I/2—5 cent.

De werkuren zijn van 5.30 's morgens tot 5.30 's avonds, en van 5.30 's avonds tot 5.30 's morgens. In de fabriek worden geen maaltijden verschaft. Het is duidelijk, dat de... fabriek in buitengewoon gunstige omstandigheden verkeert met een overvloedigen toevoer van belachelijk goedkoope werkkrachten en zonder hinderlijke sociale wetten. Het behoeft ons dan ook niet te verbazen, dat de jaarlijksche winst reeds meermalen gelijk is geweest aan het geheele kapitaal.

Iemand, die in het Oosten reisde met het bepaalde doel de arbeidstoestanden te bestudeeren, vertelt van haar bezoek aan een zijdefabriek in Shanghai. In een lange, smalle ruimte staan twee rijen tafels. Aan de eene zijde zitten Chineesche vrouwen, aan de andere staan kleine Chineesche meisjes. Op de tafels staan open ketels met heet water. De heele ruimte was vol damp, zóó, dat de brilleglazen besloegen. De vrouwen wonden de zijde van de cocons, die in het water dreven en de meisjes moesten de nieuwe voorraden in het heete water zacht laten blijven, door ze voortdurend in beweging te houden. De bezoekster vroeg aan een klein meisje, hoe oud zij was. „Zeven jaar"! Daar de Chineezen anders rekenen dan wij, kan .zij wel zes of vijl geweest zijn. Op een vraag naar het loon en de werkuren, vertelde de eigenaar, dat de vrouwen en kinderen om 5 uur 's morgens kwamen en werkt3n tot... 7 uur 's avonds. De vrouwen kregen 20 cent (50 Holl. et.), de kinderen 10 cent. Een kwartje, om veertien uur te staan! Wat de leeftijdsgrens voor de kinderen betreft, verklaarde de eigenaar, dat hij die niet had, maar dat hij al te jonge kinderen niet gebruiken kon.

Een commissie, die den kinderarbeid in Shanghai onderzocht, kwam tot de slotsom, dat deze toestanden in bijna alle fabrieken van Shanghai voorkomen. De aanvangsleeftijd wisselt met den aard van het werk, maar over het algemeen kan men zeggen, dat een kind zijn werk in de fabriek begint, „zoodra het eenige economische waarde voor den werkgever heelt".

Wat moet er worden van kinderen wier dagen jf nachten (want ook de kinderen werken bij de nachtploegen) onafgebroken in de fabriek worden doorgebracht? Natuurlijk is er veel tuberculose en een hoog sterftecijfer. Vele ongelukken komen voor, want ook voor de veiligheid worden geen maatregelen getroffen. Het is niet meer dan natuurlijk, dat die kinderen soms zóó moe zijn, dat zij inslapen, waar zij ook zijn, en dan door de vrijstaande machines worden gegrepen. Zelfs kindertjes van vijf jaar worden soms op deze wijze gedood. Is het wonder, dat, als zulke schepseltjes bij de nachtploeg moeten werken, zij te uitgeput raken om nog op het gevaar te kunnen letten? "

Is het niet in-treurig?

De Zending, hoewel ze allereerst tot roeping heeft het evangelie te brengen, heeft ook hier een roeping.

Want het evangelie brengt verzachting, ook van de „sociale nooden".

Gevaren der Psychoanalyse.

Langzamerhand gaat men inzien, welke geestelijke gevaren de psychoanalytische geneesmethode oplevert.

„De Stroom" vestigt de aandacht .op een artikel in „Onder Eigen Vaandel" en schrijft:

In de jongste aflevering van „Onder eigen vaandel", is inzonderheid op te merken het artikel, dat de heer F. J. van der Tak te Maastricht schrijft „Over psychoanalyse en Christendom" naar aanleiding van Runestam's gelijkluidende boek. De schrijver waarschuwt hier van Christelijke zijde ernstig tegen de zijns inziens verkeerde richting, welke de psychoanalyse in het algemeen inslaat. „De psychiater", aldus de heer van der Tak, „neemt beletselen voor physieke en geestelijke gezondheid weg, maar bekommert zich niet om het geweten en zijn zedelijk-religieuse eischen. Zou het nu niet kunnen zijn, dat later in de gezonde dagen het teruggedrongen geweten krachtiger dan ooit te voorschijn komt, en het dan met den genezen patiënt erger wordt dan ooit te voren? Pfister zegt het toch rondweg. „De psychoanalyse bekommert zich in gecompliceerde gevallen voorloopig niet om het geweten, doch zoekt eenvoudig op wat de driften verhindert zich te uiten. Dit is de eenige uitweg om het heil der ziel te bevorderen". De analytische zielzorg bevrijdt zoodoende van den eisch van het geweten, en nu kan de patiënt rustig genieten. De gewone gezondheid moge dan terugkomen, de geestelijke gezondheid is verre te zoeken en de religieus-zedelijke toekomst is donkerheid en duisternis. De psychoanalyst geeft den patiënt langs biologischen weg een gezondheid, die erger is dan de ziekte, oordeelt Runestam terecht, want het is beter en getuigt van een hooger en meer menschwaardig bestaan, dat wdj lijden door nervositeit of angst, dan dat we aan onze driften maar toegeven en geen conflict kennen. Zulke gezondgemaakten dragen het stempel van geestelijken dood aan het voorhoofd. De kracht van den zedelijken ernst is toch weg, zij zijn geestelijk gekortwiekt. De psychoanalyse beschouwt den mensch als een natuurverschijnsel, waarop men invloed kan uitoefenen, maar dat men niet verantwoordelijk kan stellen voor zijn daden. En juist de Christelijke ethiek en psychologie ziet in de persoonlijke verantwoordelijkheid het kenmerk van des menschen adeldom. Het biologisch monisme der psychiatrie en de Christelijke zielszorg zijn onverzoenlijk."

Reeds dadelijk bij het bekend worden van die methode is er van positief-christelijke zijde tegen gewaarschuwd.

Velen wilden er niet naar luisteren.

Men wees op de schitterende resultaten door de behandeling a la Freud verkregen.

Lijdenden hoorden de vraag tot zich richten: Wilt gij gezond worden?

Er is groote moed toe noodig om daarop met een beslist „neen" te antwoorden, wanneer die genezing niet anders bereikt kan worden dan door eerst zijn menschwaardigheid weg te werpen.

Wat baat het een mensch of hij de gezondheid gewant • en lijdt schade voor zijn ziel?

Stoffelijke en geestelijlie hygiëne.

Trouwens, niet alleen Freud en zijn school stellen het lichamelijk welzijn boven het geestelijke.

Er zijn onderscheiden richtingen in de geneeskunde, welke zich hieraan schuldig maken, al zijn haar theorieën niet zoo stuitend.

In verband daarmee verdient opmerking wat Dr J. L. C. Wortman in zijn boek „De Ethica aan het Ziekbed" doet hooren.

Wij vonden in een bespreking van dit boek in „Christelijk Vrouwenleven" door Mej. J. H. Kuyper de volgende uitspraken van dezen oud-Geneesheer-Directeur:

„Wij leven in een tijd, dat de stoffelijke hygiëne hoogtij viert, zoowel de individueele als de sociale hygiëne

Het is zeer de vraag of onze tijd niet meer behoefte heeft aan geestelijke hygiëne en of het tegenwoordig geslacht niet meer lijdt aan gebrek aan ethisch waardebesef dan aan lichamelijke afwijkingen."

Merkwaardige woorden uit de pen van iemand, die niet een onzer geestverwanten is.

Aan „medische ethiek" is nog weinig gedaan. Vooral de Gereformeerde ethiek behoort hierin mee te spreken.

Hier is een veld van samenwerking tusschen den Gereformeerden theoloog en den Gereformeerden medicus.

Joodsche waardeering voor Jezus.

Als een belangwekkend verschijnsel van onzen tijd, dient aangemerkt, dat men van Joodsche zijde zooveel waardeerende belangstelling begint te toonen voor Jezus.

Werd in Amerika niet het denkbeeld geopperd om eel de procedure, gelijk die door Kajalas werd geleid, te herzien?

Ook zal men zich herinneren, hoe kortgeleden de beende Einstein zich met zeker enthousiasme over Jezus itliet.

Thans is er verschenen een boek van een Joodschen oogleeraar, „Jesus von Nazareth", naar aanleiding waaran Prol. Dr D. Cohen in „De Groene Amsterdammer" en beschouwing houdt over het „Jodendom en Jezus".

Wij ontleenen daaraan het volgende:

Als kinderen vroegen wij elkander: „Wie was de grootste schilder? de grootste zeeheld? " En met trots antwoordden wij, als het een der onzen was. Later kwam de twijfel: „Kan één de grootste zijn? Overtreft hij niet den ander slechts in een enkele begaafdheid, maar is weer zijn mindere in ander opzicht? " Nu weten wij: in kunst en wetenschap is er geen absoluut overwicht, doch slechts verschil in geaardheid en talent. Zelfverheffing vindt er geen plaats.

Anders in den godsdienst. Daar schuilt de kracht juist in het geloof, de waarheid te bezitten, die anderen onthouden is. Vervolgingen om den geloove, zending en bekeering worden gedragen door deze gedachte, en door de overtuiging, dat het eigen geloof beter is dan het vreemde en tot hooger geluk voert.

Ook het Christendom heeft, als bijna elke wereldgodsdienst, hierop steunend, zijn geloof steeds aan anderen trachten te brengen door dwang of overreding: want het eigen geluk moesten ook anderen kunnen genieten en alle kracht moest daartoe worden aangewend.

Anders het Jodendom. Het heeft noch dezen wensch gekoesterd, noch deze middelen gebruikt, dan een enkel maal. Niet omdat het er te zwak toe was. Maar omdat zijn godsdienst gebonden is aan zijn volk. Het Christendom is geschapen voor alle creaturen, Mozea en de profeten spraken tot Israël alleen. Zoo zijn deze beide in wezen gescheiden, onvereenigbaar. En toch was Jezus een Jood.

Hoe is dan zijn wezen te verklaren? Het antwoord tracht een boek te geven dat, in het Hebreeuwsch geschreven en dus vooral voor Joden bestemd, nu, in het Duitsch vertaald, voor ieder toegankelijk is. Jesus von Nazareth luidt de titel, met opzet: want de mensch en Jood Jezus wordt er in beschreven, in Galilaea geboren, niet de Christus. Het boek heeft daardoor veel aanstoot gegeven; in Joodsche kringen, omdat Jezus in sommige opzichten boven zijn groote' tijdgenooten wordt gesteld, in Christelijke, omdat hij, ontdaan van eiken goddelijken glans, wordt voorgesteld als mensch, in al zijn kracht, maar ook in al zijn zwakheid.

De stof, die de schrijver in zijn lijvig boek behandelt, is inderdaad beperkt; hij raakt, met opzet, slechts nu en dan de verdere ontwikkeling van het Christendom, die toch, zuiver historisch gesproken, even belangrijk is als het leven van Jezus voor het probleem dat hij stelt. Het probleem, dat de eeuwen heeft bezig gehouden: waarom konden, en kunnen, de Joden de leer van den Jood Jezus niet aanvaarden?

De vraag eischt thans sterker een oplossing nog dan vroeger. Men weet, dat Jezus' uitspraken voor verreweg het grootste deel ook voorkomen in Joodsche geschriften, wier oorsprong ouder is dan hijzelf. In Nederland hebben in feilen pennestrijd de opperrabijnen Tal en Wagenaar dit, vele jaren geleden, tegenover den hoogleeraar Oort uiteengezet; en voor korten tijd hebben twee Christelijke geleerden een uitvoerig commentaar op het Nieuwe Testament aan den Talmoed en andere geschriften ontleend. Maar het vraagstuk wordt door deze wetenschap juist moeilijk. Want waarom zijn deze gezegden, door Jezus gesproken en door zijn volgelingen neergeschreven, haast elk tot een spreekwoord geworden, terwijl dezelfde gedachten, door Joodsche geleerden geuit, onopgemerkt zijn gebleven? En — tweede vraag — waarom 'hebben de Joden zich van Jezus afgewend, indien zijn uitspraken waarlijk Joodsch waren?

Beide vragen dekken zich door één antwoord. Voor het Jodendom is al, wat door wet en gebruik wordt bevolen, van even groote waarde; de hoogste ethiek en het kleinste voorschrift staan zonder onderscheid naast elkaar, ja, in een simpele ceremonie kan de hoogste ethiek zijn neergelegd. Het gouden woord: „Heb Uw naaste lief als Uzelf" is in de vijf boeken van Mozes en andere geschriften ongescheiden en onafscheidelijk van een bepaling omtrent de wijze van offeren of omtrent de aflossing van schulden. Ongodsdienstig is derhalve de Jood, die den arms' geeft, maar een ceremonie verwaarloost. Want volmaaktheid wordt slechts bereikt in volkomenheid van gedachte en daad; en, bovenal een volk heeft, om te blijven bestaan, behoefte aan den vorm, die bindt en samenhoudt.

Zoo is het te verklaren, dat temidden van de vele voorschriften in de Wet en de andere boeken de „gouden spreuken" nauwelijks werden opgemerkt, terwijl zij, gegoten in den korten en schoenen vorm en in de gelijkenissen, die Jezus' genie uitbeeldde en die zijn suggestieve persoonlijkheid inprentte in het hart zijner hoorders, haar weg door de wereld vonden. En tegelijk vinden wij nu het antwoord op de tweede vraag; want de Joodsche geest kon deze gedachten niet als een stelsel aanvaarden zonder de ritueele voorschriften. En al week Jezus zelf niet af van de oude geboden en stond dit ook zijn volgelingen slechts voor een deel toe, in de verklaring en toelichting van het ritueel, in den nadruk ook dien hij hierop legde, handelde hij anders dan de leeraren van zijn tijd. Door zijn „maar ik zeg U" plaatste hij eigen, subjectieve, meening naast het goddelijk voorschrift, terwijl Mozes en de profeten altijd in den naam van God, nooit in eigen naam, hadden gesproken. En wel sprak hij zelf, als zij, alleen tot en voor zijn volk, niet tot vreemden; maar zijn woorden eischten deze beperking niet, en zijn volgelingen konden ze daardoor ook „den heidenen" overbrengen.

Zoo werd zijn leer tot prediking inplaats van gebod, individueel in stede van profetisch, universalistisch in plaats van nationaal, ethisch meer dan vormelijk, gericht op het toekomstig leven meer dan op deze wereld. En daardoor verwijderde zij zich, onbewust en zonder het te willen, van het Jodendom, dat de daad stelt boven de beschouwing, niet uitgaat van den enkeling maar van de gemeenschap, zich leiden laat door Gods woord alleen, de volksgedachte onafscheidelijk van den godsdienst bewaart, ethiek slechts aanvaardt te zamen met den ritus, en het oog vooral op het aardsche leven gevestigd houdt. En hoe meer bij de ontwikkeling der Christusgedachte de ethiek zich boven den vorm verhief, des te meer moesten de Joden er zich vanaf wenden, wilden zij niet de nationale gedachte in een universalistische laten te loor gaan, en overlevering en eigen aard verliezen.

Men wachte er zich voor te juichen, dat het Jodendom bezig is zich tot Christus te bekeeren.

Want als één ding duidelijk is, is het wel dit: al komt er onder de Joden meer waardeering voor Jezus, van den Christus wenden zij zich met even groote hardnek­ kigheid af als zij het gedurende negentien eeuwen deden.

Toenadering tot het ware christendom valt hierin niet te bespeuren.

Hoogstens toenadering tot het modernisme.

Voor ons zijn Jezus en Christus één.

De Christelijke belijdenis spreekt het uit: Ik geloof in Jezus Christus, Zijn eeniggeboren Zoon, onzen Heere.

Niettemin is de Jood, die de grootheid van Jezus als mensch erkent, ons aangenamer dan de Jood, die naar den naam van Jezus spuwt.

Herstel in het ambt.

Over dit belangrijke onderwerp schrijft Prof. Dr H. H. Kuyper in het „Ouderlingenblad" een serie artikelen.

Hij is het niet geheel eens met het besluit, dat de Synode van Groningen te dezer zake nam.

Inzonderheid is zijn tweede artikel het waard. doorgeven

Hoewel eigenlijk te lang voor deze rubriek, durven we er niet veel uit te knippen. Het betoog zou er onder lijden.

Prof. Kuyper erkent, dat het Groninger besluit inzoover in de historische lijn ligt, als het bepaalt, dat het herstel alleen geschieden kan met goedvinden der Particuliere Synode. - ™—.-^.^.jj.

Maar dan vervolgt hij:

Keer ik thans terug tot de Emder Synode, die den regel aangaf voor onze kerken, hoe dit herstel geschieden moet, zoo luidde haar besluit aldus: „Of de Dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, afgezet zijnde, nadat zij de kerk door hunne boetvaardigheid voldaan hebben, wederom tot den dienst behoorden toegelaten te worden, ware het dat zij wederom verkoren werden, zal, zooveel de ouderlingen en diakenen aangaat, in het oordeel van den kerkeraad staan, maar zooveel de Dienaren aangaat, zal de Classis oordeelen". Zóó als deze vrij ingewikkelde bepaling luidt, kan ze tot misverstand aanleiding geven, want men zou er uit kunnen lezen, dat de Classis eerst dan over het herstel van zulk een afgezetten predikant zou te oordeelen hebben, als hij wederom door een gemeente beroepen werd. Of dit echter de bedoeling der Synode is geweest, betvwjfel ik, want een afgezet predikant kan niet door een gemeente beroepen worden. De Synode van Middelburg heeft wel om deze misvatting te voorkomen, de bepaling, toen ze haar overnam, aldus gewijzigd, dat „de Classis oordeelen zal, of hij wederom verkoren mag worden". De zaak werd daardoor duidelijk. Het is misschien goed er hier reeds op te wijzen, dat er niet staat, dat de Classis „hem in zijn dienst herstellen za 1", zooals de Synode van Groningen in haar vierde conclusie bepaalde, maar dat „zij oordeelen zal, of h ij wederom verkoren mag worden, of toegelaten worden tot den dienst, wanneer hij verkoren wordt. De Classis herstelt hem niet in zijn dienst, maar dit geschiedt eerst door zijn verkiezing door de gemeente. Ik acht dit juister dan de bepaling der Groninger Synode. Daar ik echter later hierop terug kom, kan ik dit thans laten rusten.

De Synode van Emden noemt voorts als voorwaarde voor dit herstel alleen, dat hij „d o o r z ij n e boetvaardigheid de kerk moet voldaan hebben". Deze voorwaarde spreekt van zelf, want, wanneer die boetvaardigheid ontbreekt, kan hij niet hersteld worden. De Synode van Groningen heeft daarom in haar derde conclusie evenzeer er op gewezen, dat de Classis bij de vraag of herstel mogelijk is, overwegen moet „of het berouw over de gepleegde zonde duidelijk is, of de verzoening is tot stand gekomen en de ergernis is weggenomen". De vraag zou alleen kunnen opkomen, wat bedoeld is met de uitdrukking, dat hij door zijne boetvaardigheid de kerk voldaan heeft. Die bedoeling kan niet wezen, dat wanneer tegelijk met de afzetting de censuur op hem als gemeentelid is toegepast door afhouding van het Avondmaal, deze censuur" eerst moet worden opgeheven, doordat hij verzoend wordt met den kerkeraad van de plaats, waar hij nu is gaan wonen. Al is ook deze verzoening zeker noodig om in het ambt hersteld te worden, ze is niet voldoende. Immers zulk een verzoening kan, wanneer er boetvaardigheid is, reeds spoedig volgen en indien dan, terstond daarna, het herstel in het ambt volgen kan, zou de afzetting noc minder te beteekenen hebben dan de schorsing, di° toch altoos voor langeren tijd wordt uitgesproken. De bedoeling is, en zoo is het in de praktijk ook steeds opgevat, dat hij door zijne boetvaardigheid voldoening moet hebben geschonken aan de kerk, waar hij door zijn wangedrag zoo groote ergernis had gegeven. Vandaar, dat vroeger dan ook geeischt werd, zooals ik later zal aantoonen, dat hij een „acte voor reconciliatie" van deze kerk moest overleggen, waaruit bleek, dat hij door zijn langdurige boetvaardigheid — ze duurde soms zelfs vijf jaar — aan deze kerk satisfactie had geschonken, zoodat de ergernis nu was weggenomen en daarom tegen zijn herstel in het ambt geen bezwaar werd gemaakt.

Maar al noemt de Synode van Emden alleen dezen eisch van voldoening door boetvaardigheid, daaruit volgt niet, dat wanneer aan dezen eisch voldaan was, het herstel van zelf volgen moest. Men heeft dit vroeger en ook nu wel uit deze bepaling afgeleid, maar dit is onjuist. Want er staat niet: de Classis zal oordeelen: o f hij door zijne boetvaardigheid voldaan heeft, en dan hem weder toelaten tot den dienst, maar: de Classis zal oordeelen, of die toelating toegestaan kan worden, n a d a t hij door zijn boetvaardigheid voldaan heeft. Bij dat oordeel nu zal de Classis zeker ook nog met andere factoren te rekenen hebben dan met deze boetvaardigheid. In de Fransche ICerkenorde wordt zelfs uitdrukkelijk gezegd, dat na bepaalde zonden het herstel onmogelijk is, hoe groot de boetvaardigheid ook is. Het is wel te betreuren, dat de Synode van Emden, die deze bepaling maakte, dit niet duidelijker heeft uitgesproken en niet heeft aangewezen, met welke andere factoren de Classis bij haar oordeel rekening heeft te houden. De Synode van Groningen heeft daarom een goed werk gedaan met in haar derde conclusie te bepalen, dat de Classis behalve met deze boetvaardigheid ook te rekenen heeft met den aard der zonde en voorts, „of zoo iemand tot opbouw van Gods gemeente kan werkzaam zijn, zonder dat het heilig karakter der gemeente en de eer Gods wordt aangetast". Met deze aanwijzing kan ik mij van harte vereenigen, want ze grondt zich op Gods Woord. Alleen betreur ik, dat de Synode van Groningen door een minder gelukkige formuleering toch weer, zooals mij bleek, tot het bo-- vengenoemde misverstand aanleiding heeft gegeven, , alsof de boetvaardigheid het beslissende moment zou wezen. Er staat toch, „dat de Classis niet alleen met den aard der zonde rekening zal houden, maar ook of de boetvaardigheid duidelijk genoeg gebleken is"' enz. Het ware juister geweest, dat de Synode bepaald had, dat de Classis niet alleen rekening had te houden met de boetvaardigheid, maar ook met den aard der begane zonde en of zoo iemand tot opbouw der gemeente nog dienen kon. Dat de boetvaardigheid voorwaarde is, stond vast en daarover bestaat geen verschil. Maar het was noodig de Classen er op te wijzen, dat voor het herstel die boetvaardigheid niet voldoende is. Door het accent te verplaatsen, werd nu de indruk gegeven, alsof de Synode zeggen wilde tot de Classis: ge moet niet alleen rekening houden Kièt den aard der begane zonde, maar hoe groot die zonde ook was, vooral met de boetvaardigheid, die daarna betoond is. En die indruk wordt nog versterkt, doordat de Synode in haar tweede conclusie verklaard had, dat de afzetting naar Art. 79 en 80 niet insluit, , dat de afgezette dienaar nooit weder in het ambt kan gesteld worden. Want hieruit zou men kunnen afleiden, dat om welke der in Art. 79 en 80 genoemde zonden deze afzetting ook geschied is, het herstel in het ambt niet buitengesloten is. Natuurlijk is dit de bedoeling der Synode niet geweest, zooals uit haar derde conclusie blijkt, maar dan had ze dit ook in haar tweede conclusie duidelijker moeten doen uitkomen. Zoo algemeen als deze conclusie nu luidt, is ze niet juist.

Hiermede nu staat in nauw verband de vraagt door de Part. Synode van Overijssel gedaan en die ik daarom hier bespreek, „of bij de afzetting van een predikant wegens zeer ergerlijke zonden de Classis niet uitdrukkelijk zal uitspreken, dat naar haar oordeel van geen herstel in het ambt ooit meer sprake mag zijn". Zulk een afzetting zelf zou dan het herstel buiten sluiten; ze zou, wat Voetius noemt een depositio maior zijn, niet alleen een totale, maar ook een finale afzetting. Ik meen, dat deze vraag in het geval van zeer ergerlijke zonden wel de overweging waardig is. De Synode is echter op deze vraag niet ingegaan, evenmin als Prof. Bouwman in zijn rapport. Alleen zooveel valt uit hare conclusies af te leiden, dat zij de vraag, of herstel mogelijk is, niet wil laten beslissen door de Classis, wanneer deze de afzetting uitspreekt, maar eerst later, wanneer de afgezette predikant zich met een verzoek om herstel tot de Classis wendt, ook al is dat een heel andere Classis, dan die hem heeft afgezet. Formeel blijft dus voor een predikant, die afgezet is, ook wanneer dit geschiedde om de ergste zonden, de mogelijkheid openstaan, om aan de Classis dit herstel te vragen. Dit nu brengt tweeërlei nadeel mede. Vooreerst, dat zulk een afgezette predikant in plaats van in deze afzetting te berusten en naar een andere levenspositie om te zien, toch, door den financiëelen nood of andere redenen gedrongen, allerlei pogingen in het werk zal gaan stellen, om weer in het ambt hersteld te worden. En ten tweede, dat, wanneer zulk een predikant naar elders verhuisd is, en niet de Classis, die de afzetting uitsprak, maar een andere over het herstel zal te beslissen hebben, deze Classis lichter tot barmhartigheid zal geneigd zijn. Het is daarom wel t& begrijpen, dat Voetius in het geval van zulke ergerlijke zonden wil, dat de afzetting finaal en onherroep e 1 ij k zal wezen. Dit is ook in overeenstemming met hetgeen in de Fransche en Schotsche Kerkenorde was bepaald, want deze gaven uitdrukkelijk aan in welke gevallen herstel was uitgesloten.

Voordat ik echter naga, welke regel de Franscheen Schotsche K.O. hiervoor voorschreef, moet ik eerst de nog telkens voorkomende opvatting weerleggen alsof boetvaardigheid op zichzelf toch wel voldoende grond zou zijn om de straf over zulk een predikant uitgesproken, weer op te heffen. Die opvatting nu komt, zooals me meermalen bleek, in hoofdzaak daaruit voort, dat men ten onrechte meent, dat hetgeen als regel geldt bij de censuur over gemeenteleden ook van toepassing zou zijn bij de censuur over ambtsdragers. Voor de eerstgenoemde censuur nu is het zeker waar, dat wanneer de zondaar tot oprecht berouw en betering des levens komt, de zonde hem moet vergeven worden en hij weer in de gemeenschap deikerk moet worden opgenomen. Hier geldt het woord der Schrift: wie de zonde belijdt en laat zal barmhartigheid vinden. De censuur wordt dan ook alleen toegepast, wanneer de zondaar geen schuld wil belijden, of trots de vermaning in zijn zondigen weg blijft volharden. En de tucht, die toegepast wordt, heeft vooral ten doel om hem tot bekeering te brengen. Is dat doel bereikt, dan houdt de censuur op. Zelfs de excommunicatie of ban, die de zwaarste straf is, omdat ze iemand buiten het koninkrijk der hemelen sluit, dient niet om den zondaar te verderven, maar, zooals de Apostel Paulus zegt, om hem te behouden. Maar de afzetting van een predikant, althans wanneer die geschiedt om de ergerlijke zonden in Art. 79 en 80 genoemd, is niet 'n tuchtmiddel, om hem tot bekeering te brengen, maar een straf, die op hem toegepast wordt, omdat hij door die zonden z i c h h e t ambt onwaardig heeft gemaakt Evenmin nu als de boetvaardigheid, al zou ze terstond na zijn val in zonde blijken, de afzetting voorkomen kan, zoo kan die boetvaardigheid alleen ook niet de grond zijn om deze straf weder op te heffen. Al kan, zooals Voetius in zijn Pol. Eccl. t IV, pag. 933 terecht opnierkt, . die boetvaardigheid een reden wezen om hem

dan als gemeentelid weer aan te nemen, ze geeft hem nog niet het recht om in zijn ambt hersteld te worden.

Dit nu hangt in de tweede plaats daarmede samen, dat de Schrift in I Tim. 3 en Titus 1 voor degenen, die het opzienei'sambt zullen bekleeden, bij zondere eischen stelt, waaraan zij hebben te voldoen en deze eischen niet alleen gelden voor degenen, die voor het eerst in het ambt zullen gesteld worden, maar natuurlijk even zeer voor degenen, die in het ambt hersteld zullen worden. De Roomsche opvatting, dat aan een priester door zijn wijding een caracter indelibilis is geschonken d.w.z. 'n onuitwischbaar karakter, zoodat hij trots afzetting en ontwijding dit karakter altoos behouden blijft, is door onze Gereformeerden kerken weersproken. De afzetting is, zooals de Groninger Synode in haar tweede conclusie verklaarde, een volstrekte; de afgezette predikant is nu geen kerkedienaar meer en heelt het radicaal van Dienaar des Woords verloren" d.w.z. hij is een gewoon gemeentelid geworden. Wil hij weder in het ambt gesteld worden, dan is zijn boetvaardigheid dus niet voldoende, maar dan moet hij beantwoorden aan deze bijzondere eischen, die Gods Woord voor den ambtsdrager stelt. Terecht heeft Voetius in zijn Pol. Eccl. t. III, pag. 715 daarop gewezen en ik waardeer, dat ook Prof. Bouwman in zijn rapport daarop den nadruk heeft gelegd. Hierin ligt de juiste maatstaf om te beoordeelen, of zulk een herstel geoorloofd is of niet. Op de vraag, welke deze eischen zijn en wat daaruit voortvloeit, kom ik later terug.

Het is te betreuren, dat Prof. Kuyper niet op de Synode Yan Groningen zijn bezwaren kon kenbaar maken.

Soberheid op de graven.

In de „Geret Kb. voor 's Gravenhage" keuvelt J. H. over een wandeling, welke hij op een begraafplaats maakte.

Onze begraafplaats Oud-Eik-en-Duinen biedt van die echte rustige plekjes, waar men werkelijk zich op een rustplaats voelt. Hier liggen oude steenen van geslachten voor ons, hier rusten ook vele mannen en vrouwen van positie, eer en naam.

Onwillekeurig denkt men op deze begraafplaats allereerst aan het feit, dat hier ook rust het stoffelijk overschot van Dr A. Kuyper, den groote in Israël. Voor wie het niet weet, is zijn graf niet gemakkelijk te vinden. Te midden van vele anderen rust hij, als de eerste, in een familiegraf, op welks zerk alleen te lezen staat: Dr A. Kuyper. Geboren den 29 October 1837 en in zijn Heere ontslapen den 8 November 1920.

Dat is alles, geen opsomming van ambten en bedieningen, alleen dat: in zijn Heere ontslapen. Treffend sober is dat, écht christelijk. Dr Kuyper heeft geen grafschrift noodig, zijn leven was één machtig schrift ter verheerlijking van Hem, in Wien hij ontsliep, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn.

„Het graf van Kuyper" te zoeken, behoeft dan ook niet in dien zin, dat men denkt iets monumentaals te vinden. Niets van dat alles, alleen die blauwe zerk met bovenaan den naam van hem, die in zijn Heere ontslapen is.

Zoo sober, ja nog soberder is het ook op het graf van wijlen A. F. de Savomin Lohman. Alleen staan daar op den steen onder den naam zijner vrouw deze woorden uit Spreuken 31: Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? want hare waardij is verre boven de robijnen. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen baars levens. Een vrouw, die den Heere vreest, die zal geprezen worden.

Dan staan er op dit kerkhof wel andere monumenten voor menschen, wier naam reeds lang vergaan is. Monumenten, die duizenden guldens gekost hebben. Dicht bij de laatste rustplaats van Dr Kuyper staat een groote klomp steen. Daar rusten een vrouw en een man. Onder de vermelding van haar naam staat: Stel niet uit tot morgen, wat gij heden doen kunt.

En onder de vermelding van zijn naam staat: Een man, — een man. Een woord, — een woord. Ik moet eerlijk zeggen, dat mij de taal der steenen hier niet erg duidelijk was.

Soberheid op de graven is ook een Calvinistisch kenmerk.

Het graf van Calvijn is in dit opzicht het welsprekendst.

Als Jezus wederkomt, zal Hij niet oordeelen naar wat op de zerken staat, maar naar Zijn eigen werk, dat uitkomt in de menschen. r< .

Hij zal een ieder vergelden naar dat zijn werk zal zijn.

HEPP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

PERSSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930

De Reformatie | 8 Pagina's