GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het sonnet als de dichtovorm der Tachtigers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het sonnet als de dichtovorm der Tachtigers.

8 minuten leestijd

Aan de artikelen ter beantwoording van gestelde vragen, waarmee we na de vacantie-periode deze rubriek weer begonnen zijn, moge ik nog één bijdrage toevoegen, ter afdoening van een vraag, die na wat behandeld werd nog overbleef.

Kort geformuleerd luidt ze: hoe is te verklaren de duidelijke voorkeur, die de eerste Tachtigers hebben getoond voor den sonnetvorm? Perk, Kloos, Verwey, Van Eeden en andere voormannen van Tachtig kozen voor hun poëzie den sonnetvorm met een regelmatigheid, die op een bepaalde overweging schijnt te berusten. Is er van zulk een overweging sprake en valt die ook aan te wijzen? Een vraag, die blijkbaar weer voortkomt uit den kring van letterkunde-studeerenden, die zelfs eenigszins naar het examen riekt.

Zoo op 'teerste gezicht betreft ze een détailquaestie pn zou men haar voor beantwoording in dezen vorm misschien te minitieus kunnen achten. Maar, wanneer men haar ziet in haar strekking, wordt het toch wel duidelijk, dat een behandeling in het verband van een artikel voor de lezers van deze rubriek beteekcnis hebben kan. AVant een ontleden van de inderdaad opvallende voorkeur der eerste Tachtigers voor den sonnetvorm, brengt ons als vanzelf tot een beschouwen van de kunstopvatting der Tachtigers en daarmee zijn we weer op algemeen terrein.

Voor een juist inzicht in de zaak is het noodig, dat we, zij het in 't kort, ons rekenschap geven van wat de sonnetvorm eigenlijk is.

Een nieuwigheid van de Tachtigers was hij niet. Voor het eerst gebruikt door Petro della Vigne, een Italiaan uit de 13e esuw, is hij door de talentvolle aanwending bij Petrarca een dichtvorm geworden, die sinds de Renaissance voorldurend voorkomt ©n in de wereldliteratuur een groote plaats heeft gekregen. Dichters als Dante, Milton, Shakespeare, Goethe, Verlaine, Beaudelaire hebben sonnetten geschreven, en ten onzent vinden we het sonnet bij v. d. Noot, van Hout, Vondel, Hooft en vele anderen. In zijn vastheid van type bestaat het uit veertien versregels, gegroepeerd naar tweemaal vier, twee qua tr in en, en tweemaal drie, de terzinen. De quatrinen vormen samen het z.g. octet, de terzinen het sextet. In den regel is er ook een vast rijmschema: de quatrinen hebben doorgaans twee, de terzinen drie rijmklanken. Het sonnet bestaat dus naar den vorm uit twee hoofddeelen: de duidelijke scheiding ligt tusschen o-ctet en sextet.

Overeenkomstig dezen vorm is nu de inhoud: ook die bestaat uit twee deelen en ook ten dezen

ligt 'de wending of volta bij het einde van het octet. En dan is er ook eenzelde harmonisch verband tusschen de beide deelen, als formeel "door het rijm wordt gevormd, want ze verhouden zich tot elkaar als praemisse en conclusie. In de twee quatrinen wordt een gedachte geponeerd, in de terzinen krijgt die gedachte gestalte, hetzij door vergelijking, hetzij door „egenstelling. Vele sonnetten beginnen immers hun octet met: gelijk, waarna dan de sextet inzet met: Zóó; ten voorbeeld herinner ik aan het bekende sonnet van Helene Swarth:

octet: GELIJK een speler, die zijn geld en goed Verspeeld heeft...

sextet: ZOO heb ik al mijn kansen op gehdt

... verspeeld. Of ook komt na wat in het eerste deel gezegd werd het tweede met een maar : men denke b.v. aan het sonnet van Alex Gutteling:

octet: Wie schrijdt door zonnelicht en vooglenlied denkt aan sterven niet.

sextet: MAAR wie in eenzaamheid in 't donker huis Te bed ligt... Die weet dat elke tik (van de klok n.l.) den dood hem nader brengt.

Uit dit alles blijkt, dat het kenmerkende van het sonnet is, dat het een eenheid vormt, formeel en materieel, dat er een zekere wetmatigheid is en een strakheid, die voortvloeien èn uit het bepaalde vormsysteem èn uit de gedachten-verbinding van den inhoud. De dichter, die den sonnetvorm gebruikt, is aan bepaalde wetten gebonden. Deze strengheid is niet altijd gewaardeerd: men heeft er wel in gezien een onrechtmatige inperking van de vrijheid, die den dichter toekomt. Ten Kate b.v. maakte het sonnet in „Braga" belachelijk:

geverfde pop, met rinkelen omhangen, gebulte jonkvrouw in uw staal korset Lamzaligste aller vormen, stijf sonnet. en streek er het vonnis der vernietiging over:

Neen, de echte Muze eischt vrijheid; en het lied, onhoudbaar uit het zwoegend hart gerezen. Zij als een bergstroom, die zijn band ontschiet! Gij deugt tot niets!...

Tot op zekere hoogte zou men van de Tachtigers ook een soortgelijk oordeel hebben verwacht. Kampioenen als zij waren voor het individualisme en afkeerig van alles wat conventie en voorschrift heette, moest hen de wetmatigheid van het sonnet van dezen dichtvorm afkeerig maken, zoo zou men zeggen. En ide werfcelijheid leerde juist het omgekeerde. Perk strafte zelfs Ten Kate af in het soiunet, dat hij als een beginsel-verklaring aan zijn Mathilde-cyclus deed voorafgaan:

Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten! Gij, kindren van de rustige gedachte! De ware vrijheid luistert naar de wetten: Hij stelt de wet, die uwe wetten achtte.

Hoe — en daarmee kom ik dan tot de eigenlijke vraag •— hoe is dan die - voorliefde van de Tachtigers voor het sonnet te verklaren?

't Is het besef, dat het sonnet bij uitnemendheid drager is van schoonheid, dat ze zoozeer aan dezen vorm deed hechten. Ze zagen, dat het de juiste vorm is voor wat ze boven alles wilden: lyrische ontboezeming, omdat het een eenheid is en een harmonie, en omdat het een groote rhythme-schakeering toelaat, die juist mogelijk maakt wat Ten Kate ontkende: dat het lied, uit het zwoegend hart ontrezen, als een bergstroom voortschiet. Albert Verwey heeft het uitgesproken toen hij zei, dat „deze dichtvorm... voor de nieuwere poëzie, voor de nederlandsche zoo goed als voor de heele europeesche, van groote beteekenis (is), (want) hij geeft krachtig te kennen, dat het redeneérend element in de dichtkunst wordt teruggesteld en de lyrische uiting op den voorgrond komt". Het sonnet sloot dus als dichtvorm aan bij wat de Tachtigers van de poëzie verlangden en wat ze, in afkeerigheid van wat een vorige generatie met haar redeneérende verzen had geleverd, vooropstelden.

Carel Scharten, in zijn „Krachten der Toekomst", teekende de waardij van het sonnet, toen hij de nieuwe opvatting omtrent de schoonheid van een vers aldus ontvouwde: „De schoonheid van een vers bestaat in dien stroom van innigheid, in dat levensmagnetisme, dat, naar den aard van dat leven, op die en geen andere wijze de woorden tot elkan: der trekt, in die en geen andere figuren de rijen van woorden schaart om elkaar, de rijmen wekt op die en geen andere plaats, na die en geen andere voorafgaande klanken, in die en geen andere rhythme-lijn als aan een buigenden halm vonkelend, en onderling de rijmen tegen elkaar zet, tegen elkaar aan doet kleuren in dat en geen ander accoord. De schoonheid van, een vers bestaat in dat eenvoudige wonder, in die wonderbaarlijke alchemie, die de glanslooze, looden woorden doet èmvloeien in 't zuivere goud van het gezang..." Dat is, in woorden omschreven, het beeld van

't sonnet: het èmvloeien van in zichzelf glanslooze woorden in 't zuivere goud van het gezang en daarom stelden de Tachtigers het zoo hoog, omdat ze dat zuivere goud voor alles zochten.

Nog directer heeft Willem Kloos zich uitgesproken in het eerste deel van zijn „Nieuwere literatuurgeschiedenis", toen hij over het sonnet schreef: „Het sonnet — naar den wille des meesters beurtelings zoetrokig minnedicht of stroomende hymne uit de diepten der ziel, als een attische zuilen-rij open en helder, of met het half-licht en de mysteriën van een Gothisch booggewelf, vat iedere flikkering en tint van het menschelijk gemoed in een vorm, die den geheelen schat van middelen en krachten, door het rijm geschapen, met al de subtiele kunst van de lyriek der Ouden verbindt, en er schuilt niet minder noodzakelijkheid en wet in de schijnbare willekeur, waarmede hier de keer van de basis afhangt, dan zich in de chorische responsie van 'n Pindaros en 'n Sophocles vertoont, ledere aandoening is als een golf der ziel. Zij' wordt geboren en rijst tot haar toppunt en lost zich weer op in zachtere breking en forscheren slag. Deze mijmert en droomt, verliest zich in zich-zelve, en vergaat al ruischend in glimlach of tranen: gene komt en stuwt zich vport en stormt al hoog er, rnaar valt weer terug in weemoeid of hopen, of dwingt zich en staat in willend besluit. Niet anders de rhythmische golf van het sonnet, die met de quatrijnen nadert en gneit in stijgende rolling, om zich weer uit te storten met de terzinen en te vervloeien in schuimende branding, of fonklende druppen, of rustige eb. Er zou een belangwcikkende studie te schrijven zijn over de verschillende rijmschikkingen en technische fijnheden van vers-val en overgang, waardoor deze „lamzaligste aller vormen" iedere rimpeling van het gevoel, iedere wending van het sentiment, lederen ademtocht der scheppende stonde vasthoudt en weergeeft, zooals de plooien en vlakken van het vochtige kleed de ronding en de lijnen van het lichaam daaronder verraden."

In dit, wel lange, maar zeer illustratieve citaat, is het antwoord op de gestelde vraag gegeven en tegelijk tot uiting gebracht, waarom het so-nnet als dichtvorm geheel correspondeert op de Tachtigersgevoelens omtrent kunst.


In het Voorafgaande artikel dient een storende drukfout te worden hersteld. Pag. 380, 2e kolom, regel 2 van onderen staat: voor het christelijk besef is de individualiteit de wonderplek van het leven. Lees: wond epiek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

Het sonnet als de dichtovorm der Tachtigers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1930

De Reformatie | 8 Pagina's