GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

HOOFDARTIKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOOFDARTIKEL

11 minuten leestijd

Marcion, het evangelie van den vreemden god.

III.

Marcions goden.

De leer van Marcion kunnen wij niet teekenen, zonder dat wij de vraag beantwoord hebben, of hij gerekend moet worden bij de groote strooming dier dagen, de gnosis. Men was vroeger gewoon zonder meer die vraag bevestigend te beantwoorden en volgde hierbij het voetspoor der kerkvaders, die zelfs in Marcion den ergsten der gnostieken zagen. Later zijn velen daarvan teruggekomen en hebben velen zelfs getracht Marcion te teekenen als een consequent aanhanger van Paulus. Zijn werk zou geweest zijn een poging tot reformatie van de kerk in den geest van Paulus. ^-) Wat moeten wij hiervan denken?

Om deze vraag te beantwoorden, moet eerst vaststaan, wat wij onder de gnosis hebben te verstaan, en dat is al heel moeilijk te zeggen, en toch is de beantwoording van die vraag heel ge- TOhtig en zelfs belangrijk in onzen tijd, waarin allerlei gnostische motieven opgeld doen. ^3) Natuurlijk kunnen wij nu niet diep op die vraag ingaan — 't zou ons te ver voeren — maar vooral, de vraag wordt zoo onderscheiden beantwoord ^*: laten wij dan ter typeering van de gnosis enkele dingen zeggen.

Vooreerst dan willen wij vaststellen, dat wij de gnosis zeker niet mogen beschouwen als Min of meer Christelijk. Velen laten zich daartoe verleiden, omdat in de gnostieke systemen zooveel bekendheid uitkomt met de woord-opentaing, zoowel van het Oude en Nieuwe Testament, en er ook zooveel beroep op die woord- "penbaring gedaan wordt.

Maiir dan laten wij ons misleiden: de gnosis is toch ongetwijfeld ouder dan het Christendom en de hoofdmotieven, die de gnosis eigen zijn, staan lijnrecht tegenover de openbaring, die God in de Heilige Schrift heeft gegeven van de waarheid ombent Hem en Zijn werken.

Welke zijn dan die hoofdmotieven? Als voorlaamste willen wij er drie noemen.

Als eerste de poging de verantwoordelijkheid ^an de slechtheid der schepping af te schuiven van den god, dien men dienen wil en die te leggen ^P den ondergod' (of een ondergod), den z.g.n. demiurg.

Als tweede gedachte, dat de schepping zoo slecht IS, omdat zij een chaotisch mengsel is van schepselen van 'den hoogsten god en van de lagere goden (resp. van den boven- en den ondergod).

En als derde gedachte, dat de verlossing is ©en "evrijding van de wetten, die soms no^ aanvaard Worden, maar steeds gehaat zijn en die' verlossing, ^e volkomen intreedt met den dood, wordt voor- '*reid door kennis (gnosis). Die verlossing gaat dan meestal gepaard met ©en indifferente houding ten aanzien van politieke en ethische wetten, die zich nu eens uit in ascese, dan weer in libertinisme. °*).

Waar nu twee dier drie motieven zeker ook bij Marcion te vinden zijn, ja het eerste motief allesbeheerschend is, en vele gnostische bij-motieven ook bij ben te vinden zijn, meenen ook wij Marcion te moeten zien als een guosticus en met de kerkvaders moeten wij hem houden voor een der ergs ben zelfs. '^^)

Het allesbeheerschende motief is dus bij Marcion, dat zijn god niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de slechtheid van de schepping, van de natuur. Nooit wordt Marcion het moede te spreken van die slechtheid. Hij spreekt er bij voorkeur van als van de paupertina elementa (armzalige elementen), haec oellula creatoris (dit celletje van den Schepper), steeds weer vermaakt hij er zich in te teekenen, op hoe afschuwelijke wijze de mensch wordt geboren, en die mensch is hiüpeloos, zwak en sterfelijk, hij heeft het ook graag over onnutte beesten en griezelig ongedierte, dat in de schepping leeft, over den duivel, die ook een schepsel gods is, i. e. w. telkens weer spreekt hij van al de tekortkomiiigen in die mislukte schepping en met voorliefde haalt hij het woord van Paulus in Rom. 8:22 aan over de zuchtende schepping. ^'^)

En voor die slechte schepping is nu niet de goede god aansprakelijk, maar de rechtvaardige god 3'), de god der Joden. ^'^) Hoe Marcion er toe komt, den god der Joden hiervoor uit te zoeken? Wellicht kunnen wij met Bauer dat het beste verklaren uit zijn haat tegen de Joden. Het anti-semietisme tierde ook toen welig en bovendien, vele gnostieke systemen verwierpen het Oude "Testament of schreven het toe aan een ondergod.

In ieder geval, Marcion, die alles wat Joodsch is, verfoeit, verfoeit den Joodschen god, den Joodschen Bijbel, de Joodsche wet, en hij dweept met Paulus, dien hij in navolging van Jezus, die z.i. dat ook deed, den grootsten bestrijder van Jodendom en Judaïsme acht. ^s) Hij verfoeit dus allereerst den Jodengod, en wat vindt hij in hem zoo afkeurenswaardig?

Vooreerst, dat hij rechtvaardig is. Niet, dat Marcion rechtvaardigheid op zichzelf afkeurt, ook zijn goede god is rechtvaardig, maar die rechtvaardige god wil rechtvaardig zijn op zoo'n kromme manier. Hij geeft wetten en de kleinste vergrijpen worden schrikkelijk gestraft: hij geeft wetten, maar hij is niet machtig genoeg, om zijn straffen door te zetten; hij geeft wetten, en het zijn zulke wonderlijke wetten, oog om oog, tand om tand!

Het tweede, dat Marcion den jodengod verwijt, is, dat hij poneros is. Ik schrijf even dit Grieksche woord, omdat wij eigenlijk geen Hollandsch woord hebben, dat dit woord goed weergeeft. Slecht is zeker niet het juiste woord, dan nog liever boosaardig, lastig, iemand, die anderen het leven moeilijk maakt. Hoe heeft die god zijn vromen het leven verbitterd? Als voorbeeld daarvan haal ik maar aan, wat Marcion zegt van Christus' nederdaling ter helle. Die zou volgens Marcion ten doel gehad hebben de menschen in de Hades te verlossen, maar de vromen als Mozes en Abraham durfden niet tot Hem gaan: ze waren bang voor een valstrik van hun god!

Zijn derde ondeugd is, dat hij gekend kan worden. Hij draagt vele namen, gaat op aarde wa»delen, praat zelfs met de menschen: is dat nu een god, van wien de mensch alles kan te weten komen?

Als vierde verwijt Marcion hem, dat hij zoon slechte schepping heeft tot stand gebracht. Zie boven. En hij is aan die schepping zoO' gebonden, dat hij met die schepping zal vergaan.

En als vijfde beticht Marcion hem ervan, dat hij zoo dweept met de materie. Hij sluit nota bene een verbond met de Joden, die voor de materie leven, en hij geeft zelfs een jebod. dat van zijn liefde voor de materie getuigt (het vijfde gebod).

Zoo ziet Marcion den god van het Oude Testament en tegenover dien god stelt hij nu zijn goeden god, die de Vader zou zijn van onzen Heere Jezus Christus. Hij vindt zelfs niet eerst den goeden god uit, maar de goede god krijgt gewoonweg de tegenovergestelde eigenschappen van den rechtvaardigen god. *")

De rechtvaardige god handhaaft zich door wetten, de goede god geeft geen wetten.

De rechtvaardige God is poneros, de goede god is enkel liefde, enkel goedheid.

De rechtvaardige god kan gekend worden, maar de joede god is onbekend, is VREEMD aan de •wereld, en heeft met de menschen, deel van a'e schepping, niets te maken en hij heeft ook niet de minste schuld aan de slechtheid der schepping.

De rechtvaardige god dweept met de materie: de goede god geeft er niets om. Marcions aanhangers moesten dan ook aan ascese doen: zij moesten zich onthouden vooral van het huwelijk, vleesch en wijn. Daar was zelfs ©en Marcionietisch monnik, die in zijn haat tegen de schepping en de materie van den rechtvaardigen god, zich nimmer waschte met water — product immers van den rechtvaardigen god — maar met zijn eigen speeksel!

En dat is nu het mooiste in dien goeden god: die goede god is de vader van Jezus Christus; hij heeft om menschen te verlossen, waar hij niets mee te maken had, zijn zoon gegeven in lijden en dood, opdat die menschen verlost zouden worden:

is dat niet Evangelie, blijde boodschap? Moet daar niet van gesproken worden in bewonderende woorden ?

„O wonder boven wonder, verrukking, machtige verbazing is het, dat men volstrekt niets boven bet Evangelie bedenken ]iai]„ noch het met iets anders kan vergelijken!"

We zijn hiermee gekomen aan de twee hoofdvoorstellingen in Marcions godsbegrip: zijn vreemdzijn aan de schepping en zijn liefde voor menschen, die hij niet eens geschapen heeft.

Op die eerste hoofdvoorstelling hopen wij in ons vijfde artikel terug te komen: we willen er hier alleen maar op wijzen, dat volgens Harnack dit DE gedachte is geweest van Marcion: hij noemt zelfs zijn boek: Marcion, das Evangelium vom fremden Gott.")

Algemeen werd deze gedachte toen door de gnostieken aangehangen, maar niemand heeft die zoo sterk geleerd als Marcion. *2) Met recht kunnen wij hem den grondlegger van die voorstelling noemen.

En hieraan paart zich de voorstelling van groote liefde, een onbegrijpelijk-groote liefde. *') „Den mensch, dit werk van den god, die geschapen heeft, heeft die betere god bemind; om zijnentwil is hij uit den derden hemel in deze arme stoffelijke wereld komen nederdalen; te zijnen behoeve is hij ook in deze kleine cel van den schepper gekruisigd".

En hoe heeft hij hem verlost? Van al wat hem deert, van alle ellende, van al wat verkeerd is, van deze wereld en zelfs van god Is dat geen ontferming ? *'•)


32) Seeberg, Lehrbuch der Dogmengeschichte 3 I 312. W ^^ artikelen van Prof. Vollenhoven, die hij in den P Tan het vorige jaar in „De Standaard" publiceerde.

34) Natuurlijk ben ik mij bewust, dat hiermee de motieven der gnosis niet uitgeput zijn. Het gaat echter om de hoofdzaak. Als men bijv. het fascisme wil typeeren, dan moet men niet het anti-semitisme noemen. Dat kan bij het fascisme komen (het nationaal-socialisme), maar fascisme is heel goed denkbaar zonder antisemitisme (het fascisme in Italië).

Zoo is het ook met de gnosis. In een syncretistischen tijd als toen, vermengden zich in de gnosis heel wat motieven. Maar over die motieven gaat het niet.

35) Als gnosticus zien hem o.a. ook T. Hoekstra (Geschied, der Philosophie II, 26), S. Greijdanus (blijkens zijn artikel: Is Marcion Paulinist? Geref. Theol. Tijdschr., 23e jaarg. pg. 338—348), en anderen als Bousset, von Soden en Bauer.

Bousset verdedigde zelfs in zijn „Haubtprobleme der Gnosis", dat Marcion maar een exponent is geweest van de specJfiek-Parsistische gnosis en verdedigt die gedachte nog eens in zijn „Kyrios Christos. Den goeden god van Marcion stelt hij gelijk met Ahuramazda, den wijzen heer der Perzen en den rechtvaardigen god van Marcion met Angra Mainyu, den god der duisternis. Maar dit kan hij toch niet voldoende staven.

36) Wij zullen maar niet al de plaatsen in Harnacks Marcion opnoemen; dit en het volgende is bij hem uiteraard meest gevonden.

37) Wij schrijven telkens, als het over de goden van Marcion gaat, god zonder hoofdletter. Zijn jodengod is immers een caricatuur van den God Israels en zijn goede god is niet de Vader van onzen Heere Jezus Christus.

38) Niet, dat hij dien rechtvaardigen god er geheel en al verantwoordelijk voor stelt. De materie was er nu eenmaal, en daar moest god mee werken. Overigens is de plaats van materie en duivel niet recht duidelijk bij Marcion. Vandaar de scholen, die na zijn dood werden gevormd.

In ieder geval is de duivel een schepsel gods.

39) Hoe belangrijke rol dit bij Paulus volgens Marcion speelt, blijkt uit de opschriften in de Vulgata boven de brieven van Paulus. Die opschriften zijn Marcionietisch van oorsprong (De Bruyn en Corssen) en volgens die opschriften gaan al die brieven over dit ééne onderwerp: de strijd tegen het Judaïsme.

40) Ter illustratie enkele tegenstellingen: De demiurg werd Adam en alle volgende geslachten bekend, de Vader van Christus echter is onbekend, zooals Christus Zelf gezegd heeft: Niemand kent den Vader dan de Zoon.

Bij den schepper zijn èn straf- èn heilsplaats in de onderwereld gelegen voor hen, die onder dwang van wet en profeten staan: God heeft echter hemelsche hoven en rustplaats, die de schepper niet heeft gekend.

41) Vergelijk uitspraken als: In den Glauben an Gott als den Fremden, als den Oberen und als den Erlöser empfand Marcion die Distanz und die Hilfreiche Kraft der Gottheit zugleich — das trostvoUe Wesen der neuen Religion; denn der Fremde ist zu uns gekommen

42) Vergelijk Bousset: Kyrios Christos ^ pg. 188.

43) Kayser, a. art. pg. 293.

44) Niet genoeg kan Harnack op die groote liefde van Marcions goeden god wijzen. Genade wordt bewezen aan menschen, aan wie hij niets verplicht is. Men zie het voortreffelijk artikel van Greijdanus, dat ik reeds noemde. Volgens Greijdanus — en terecht — is bij Marcion slechts sprake van onverplicht mededoogen, onverdiende genade. Maar Paulus leert ons een verbeurde genade. En dan: den mensch wordt zonde vergeven, en alleen, die de Schrift aanvaardt, ziet de zonde in al haar schriklcelijkheid (heel wat dieper als Marcion) en kan roemen in een liefde, die zulk een zonde vergeeft.

Daarom kan Greijdanus eindigen: Marcions dwaalleer is reeds in haar beginsel geheel verschillend van de genadeleer van den apostel Paulus. En Marcion was dan ook geenszins een principieel Paulinist.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

HOOFDARTIKEL

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1936

De Reformatie | 8 Pagina's