GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LITERATUUR EN KUNST

5 minuten leestijd

Naturalistische elementen in „Bartje".

I.

Dat deze roman (schoon aan het Christendom niet vreemd) Christelijk, dat wil zeggen Schriftuurlijk, zou zijn, is een waan, die voor den Calvinist bij nauwer toezien spoedig vervliegt, i) Iets dienen we hiervan te zeggen, alvorens in een tweede artikel ons eigenlijk onderwerp te behandelen.

Zeker, Opoe Tjobbe is een vrome ziel; Bartje's moeder wordt geaclit ten hemel in te gaan en Bartje zelf — maar op hem komen we terug. Daar staat tegenover, dat verder vrijwel alle figuren jammerlijk falen in het vervullen van hun

1) Cf. Dr C. N. Impeta in „De Kamper Kerkbode" van 1 Febr. 1936.

(Zie vervolg op blz. 220.)

Christelijke roeping. Men kan het boek opslaan, waar men wil. Het is een lange stoet van „Christelijke" menschen, waaraan één of vele steekjes los zijn. Daar is die femelende huichelaar van een Wapse; de Gereformeerde dominee met zijn „oppervlakkige preek"; de kerkeraad, dien de ellende en de verwildering van Bartje's gezin koud laat; de almaar profaneerende, ter afwisseling vloekende onderwijzer.^ die „het wandelend Evangelie" wordt geheeten; zijn evenzeer „Christelijke" collega, die uit de streek verdwenen is om redenen waar Lammechien meer van weet; de hoofdmeester, die, aan deze historie herinnerd, knipoogt tegen de Cliristelijke schooljuffrouw; de tegen haar taak niet opgewassen, Bartje verbijsterende juffrouw zelf. Zoo kan men door gaan. Arie groeit op voor galg en rad, maar wordt niettemin gezegd te bidden. Vader is een bruut (soms denkt men: een beest) en toch is het „ontroerend" hem te hooren inzetten: „Geloofd zij God met diepst ontzag." Het frivole Lammecliien slaat op een zendingsfeest een vrijer aan den haak. Een Christelijke zangvereeniging, terug van een concours, brult: „En Looft den Heer gaat nooit verloren, hiep, hiep hoera!".

Maar beter is het te letten op de algemeene tendenz van dit boek. Want een tendenz heeft het: Bartje's ouders, de ouderen in het algemeen, versperren den kinderen keer op keer' den weg tot God, voor zoover ze hen niet den weg der zonde opjagen.

Dit is niet een conclusie van ons. De schrijver zelf ziet de „leering", die uit zijn boek te puren is, besloten in een viertal verzen van , Roel Houwink, welke al datgene bevatten, waarvoor hij , zelf een geheelen roman noodig had. ^) Bedoeld kwatrijn dan luidt als volgt:

Maar Die zegt: „Laat de kindren tot Mij komen" spreekt daarmee over ons een streng gericht, want wij staan tusschen hen en hunne droomen vaak als een muur van angsten opgericht.

Deze caricatuur van het Christelijk leven, voor zoover het zich in de verhouding van ouderen tot kinderen openbaart, miskent het werk van den Christus, dat is den Christus zelf. .

Voor ditmaal ons tot 'het signaleeren van deze caricatuurteekening beperkend, wijzen wij op een bijgedachte in deze verzen. De.kinderdroomen in den derden regel correspondeeren met de noodiging, die in 's Heilands woorden opgesloten ligt. Ook dit is karakteristiek voor den roman: Bartje's „vroomheid" draagt een droomkarakter. Uit de realiteit en de misère van het .heden vlucht hij de betooverde wereld der fantasie in. Zijn bestaan heeft een buitenkant van vechten, liegen, schoolgaan, dieven, spelen, boodschappen-doen, alles zeer onbelangrijk, maar ook een verborgen binnenzijde, een diep verholen binnenleven van geheime droomen. ^) Daar klopt Bartje's eigenlijke leven, en opgenomen in dat droomweefsel is zijn geloof. Geloof en droom gaan hier een innige verbinding aan, die de Heilige Schrift, ook voor kinderen, niet kent.

De auteur had zich trouwens, naar luid van eigen mededeelingen, het schrijven van een Cliristelijken roman niet ten doel gesteld. *) Hij is n.l. de meening toegedaan, dat een Christen-romancier zich slechts eerlijk heeft uit te spreken om een Christelijk (althans niet on-Christelijk) boek te schrijven. We hebben deze wijdverbreide misvatting en den zwendel met den term „Christelijk" nog onlangs in dit blad bestreden en vragen daarom slechts: mogen we een Schriftuurlijk boek (want dat is de vraag) verwachten van een man, die verzucht: „Waar vindt men Christus in het leven? " Van een auteur die, even onjuist en met het 'bovenstaande volmaakt in tegenspraak, verklaart: „Dat is een wonder van God. Ik durf te zeggen, dat ik nog nooit een kind heb ontmoet, dat niet van Jezus hield"? Neen, ondanks Christelijke trekjes en motieven is „Bartje" geen Schriftuurlijk boek. Zelfs is het niet vrij gebleven van naturalistische invloeden. En alleen daarom^ bespreken we vooraf het godsdienstig gehalte van den roman, omdat we het een met het ander zien samenhangen. „Ik wou waar blijven en mocht dus alleen het leven beschrijven, zooals ik het gezien had. En ik zou toch ook zoo gaarne mijn lezers Christus laten zien. Maar waar vindt men Christus in het leven? "»)

Aldus de passage, waaruit we zooeven den slotzin hadden gelicht. We prijzen het verlangen van den auteur zijn lezers den Christus te toonen, waardoor hij de ongenoegzaamheid van zijn litterair credo eclatant doet uitkomen. En aan deze gelukkige inconsequentie danken we het, dat hij (in zijn roman wel te verstaan) desondanks den Cliristus vindt, zij het ook, als reeds twee derde van het werk voltooid is.

Maar goed, de theorie, die als eisch van waarheid stelt slechts weer te geven wat men gezien heeft met het natuurt ij k oog (want het geestelijk oog ontwaart den Christus allerwegen), die theorie voert tot naturalisme, dat dan door de persoonlijkheid van den auteur in meerder of minder mate kan worden getemperd. Dat ook Bartje's geestelijke vader aan deze consequentie niet ontkomen is, moge blijken uit een volgend artikel.


2) Zie het artikel „Bartje en onze opvoeding", van Anne de Vries in het Tijdschrift „Moeder", November 1935.

3) Zie pag. 175, 189, 223, 276.

4) Zie het boven geciteerde artikel.

5) Spatiëering van mij. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1936

De Reformatie | 8 Pagina's

LITERATUUR EN KUNST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1936

De Reformatie | 8 Pagina's