GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

31 minuten leestijd

Herianeringen aan Goccejns?

De artikelen van onze laatste nummers handelden over het verbond, en toonden bij wijze van een enkel voorbeeld aan, hoe doomig het pad der theologie wordt, als zij tusschen „geopenbaarde dingen" (het verbond) en „verborgen dingen" (de verkiezing) het verband naspeuren en blootleggen wil. We lieten daartoe — al weer bij wijze van voorbeeld — Witsius spreken.

Nu is de plaats van Witsius in de gereformeerde theologie niet altijd even gemakkelijk te bepalen. Met name zijn verhouding tegenover Coccejus is vrij gecompliceerd. Afwijzend staande tegenover onderscheidene opvattingen van Coccejus, heeft hij toch meermalen zich prijzend over hem uitgelaten, op meer dan één punt van beteekenis zich naar Coccejus overgebogen, en voorts ook zijnerzijds gepoogd, de zakken van Coccejus' jassen te vullen met gereformeerde waar.

Vandaar, dat ieder, die zich interesseert voor de moeilijkheden, en voor de kronkelingen, die zich in de onderscheiden verbondsopvattingen onder gereformeerden voordoen, wel vanzelf op het spoor van Coccejus wordt gezet, om in de taal van detectives te spreken. Coccejus' verbondstheologie heeft diepe voren getrokken; is aanleiding tot heftige polemieken geweest; en heeft, bij veel verdienstelijks, toch ook op meer dan één punt terecht reden tot groote bezorgdheid gegeven. En — het ronde woord moet er maar uit, omdat we het noodzakelijk achten — hetgeen „De Heraut" in de reeds gemelde artikelen van Dr J. Thijs heeft geschreven, vertoont op enkele punten overeenkomst juist met sommige van dié meeningen van Coccejus, die we bedenkelijk achten. Waar nu het leerstuk van het verbond der genade opnieuw gebracht is binnen de aandachtssfeer der kerkelijke belangstelling, en Dr Thijs, dit wetende, en er bij betrokken, juist in dezen tijd zijn opvatting dienaangaande kenbaar heeft gemaakt, daar zullen wij onzerzijds hetzelfde mogen en moeten doen. Wie het goede in Coccejus overneemt, sticht nut; wie hem in zijn misvattingen volgt, doet het tegendeel, al blijkt dit meestal eerst later.

Coccejus heeft over het verbond uitvoerig geschreven. Latijnsche werken, maar die ten deele in het HoUandsch vertaald zijn. Zijn constructies zijn zeer ingewikkeld; veel van zijn beweringen worden door allerlei restricties of begripsverschuivingen zwaar te verstaan; on het is daarom niet gemakkelijk, in een kort woord van zijn desbetreffende opvattingen een eerlijke samenvatting te geven. We zien daar dan ook van af. Het is ons te doen om enkele voor Coccejus' theologisch denken karakteristieke grondgedachten, waaraan de lectuur van Dr Thijs' artikelen ons onwillekeurig herinnerde. Onze opmerking over Coccejus' ingewikkelden redeneertrant en gecompliceerde beschouwingen worde daarbij geen oogenblik vergeten; opdat niemand uit de door ons geconstateerde parallelle tusschen Coccejus en Dr Thijs op bepaalde punten meer afleide, dan wij zeggen.

Van Coccejus' opvattingen kreeg wel bizondere bekendheid die, welke de verhouding tusschen Oud- en Nieuw Testament betreft.

Eenerzij ds houdt Coccejus vol, dat tusschen beide innige overeenkomst bestaat.

Maar aan den anderen kant stelt hij tusschen beide een onderscheid, zoodanig, dat wij hem daarin geenszins volgen kunnen.

Om Coccejus recht te doen, beginnen we met het eerste: de overeenkomst tusschen Oud- en Nieuw Testament.

„Eer wy van het onderscheid van belde die bedélingen, en tyden handelen, so dienden wy dit met allen te voor-onderstellen, dat Jezus Christus heden, en gisteren, en in eeuwigheid de selve is. Hebr. 13 : 8, dat is: dat Christus geweest is en is het voorwerp des geloofs tot saligheid in beide de tijden, of in het Oude en Nieuwe Testament" ^). Breed wordt deze gedachte uitgewerkt.

Maar de moeilijkheden komen, wanneer Coccejus verder handelt „van de verscheidenheid des voor gaanden tijds van den laatsten in de Bedélinge van het Genade-Verbond" (Hfdst. XI, § 325 v.).

„Vastgestelt sijnde, dat het voorwerp des geloofs altijd het selve is; so volgt de onderscheidene en verscheidene toestand, die in het gelove en in de gelovigen, ten opsigt van de verscheidenheid der Bedélingen en der Tijden moet worden aangemerkt" (§ 325)^).

Vele zijn de onderscheidingen, die Coccejus nu tusschen beide bedeelingen weet aan te wijzen. We laten de meeste rusten. Voor het onderhavige dispuut over het verbond zijn evenwel sommige punten van beteekenis. Om dat te doen zien, leggen we eens naast elkaar eenige uitspraken van Coccejus èn van Dr Thijs in „De Heraut".

Eerst beider opvatting aangaande de „uitwendigheid" der verbondsweldaden onder het Oude Testament:

Coccejus: Ten vijfde dient aangemerkt, dat het gehele Volk Israëls, in Gods insettingen, in dese uitwendige tucht so wat wandelende, ook sonder gelove des herten, na den mensche, voor Gods eigen volk is gerekent geworden; en dat so in desen uüwendigen stant, onder de gelovigen en regtveerdigen, vele ongelovige en onregtveerdige vermengt zijn geweest (§ 336). 8) ''

Dr Thijs: Onder de Sinaïetische bedeeling werden deze geestelijke weldaden niet aan al de bondelingen geschonken. Dat stond hiermee in verband, dat die bedeeling een schaduwachtig karakter droeg en de nieuwe moest afbeelden. Het volk Israël werd gesteld tot een voorafbeelding van de nieuw-testamentische kerk van Christus en daarom nam het verbond een nationaal karakter aan. Dat bracht een veruitzvendiging mee.... Het volk als geheel ontving uitwendige verbondsweldaden. Aardsche zegeningen, die de geestelijke moesten afbeelden, en in zoover het weldaden waren van hoogeren aard, bleven het toch uitwendige. (Heraut 3135.) Een genade, die voor het volk als geheel van uitzuendigeti aard was. (3135.)

Hiertegenover treedt dan de beweerde „ v e r i n n e r- lijking" (!) van het verbond in de nieuwe bedeeling:

Coccejus: MAAR in den Nieuwen Testamente gehoort niemand tot het volk Gods, en heeft niemaiui enig voor-regt des verbonds, als die het Euangelium gelooft, en het gelove niet alleen belijd maar ook met der daad bewijslijk vertoont (§ 337, 'blz. 202). *)

Dr Thijs: MAAR onder de nieuwe bedeeling heeft dat nationaal en uitwendig karakter een einde genomen. Ze is de bedeeling der vervulling en de schaduwen zijn vervangen door de geestelijke werkelijkheid. Nu treedt in de plaats van Israël als natie het volk van Christus. Nu wordt het verbond verinnerlijkt en ontvangen de bondelingen, al de bondelingen, de inwendige en geestelijke weldaden des verbonds (nr. 3135). Kunnen tot dit verbond, dat in het bloed van Christus bevestigd is, ook verworpenen behooren? Christus heeft toch zijn zoenbloed niet voor verworpenen vergoten (? ) (3134).

Is zoo eenmaal de „uiterlijkheid" van het Oude- tegen de „verinnerlijking" in het Nieuwe Testament overgesteld, dan moeten wel de zwakheden, ja, lacunes, van het Oude worden uitgemeten, in tegenstelling met de kracht, de genadevolheid van het Nieuwe. Hoorcn we weer:

Coccejus: Dese dingen behoren daar toe, op dat God tone, tot wat einde hy de Wet aaii' de Israëlijten door Moses gegeven heeft; niet namelijk, op dat hy het volk door de Wet sonde bekeren, of ook geheel, ten minste het meeste deel, tot syn liefde en vrese brengen; in genen dele Waar uit (uit de ontrouw van velen! K. S.) blijkt, dat den raad Gods (curs. van mij, K. S.) in het geven van de Wet met de allergrootste vertoninge niet anders geweest is, als aan te wij sen, dat gene Lere ook gene tugt genoeg is, om het herte des menschen onder te brengen tot vrese en liefde Gods sonder de genade des H. Geestes.... Schoon de Heilige in den Ouden Testamente ontfangen hebben den Heiligmakenden Geest, die wrogt evenwel niet in haar die gesteldheid^ die God den Vader en haar als kinderen betaamde, maar sy was in hen een Geest der Dienstbaarheid tot vrese. (§ 352, biz. 244/5). S)

Dr Thijs: De wet werd gegeven, maar stond buiten den Israëliet op steenen tafelen. De openbaring Gods, een openbaring van genade, werd geschonken, maar niet de kenms des Heeren in het hart en de genade der schuldvergiffenis. (3135). De genade van het verbond ging aan de wet vooraf. Een genade, die echter voor het volk als geheel van uitwendigen aard was en niet het leven naar de wet sehonk. (3135).

Om niet te breed te worden, laten we het ditmaal hierbij, voor wat die parallellen betreft.

* Nu versta men mij niet verkeerd. Ik denk er niet aan, Dr Thijs een neo-coccejaan te noemen, of — om op een bekende uitdrukking van Prof. Hepp een variant te geven — te beweren, dat hij een of anderen (coccejaanschen) „afgrond" nadert. Daarvoor zijn de verschillen weer te groot, en zijn er ook te veel voorbeelden aanwijsbaar van theologen, die op de genoemde punten eveneens de o.i. onjuiste thesen, hierboven gereleveerd, geponeerd hebben, zonder nog, voor wat de groote lijnen

van hun denken betreft, in Coccejus' kielzog te varen. Er zijn dan ook tegenover de punten van overeenkomst tusschen Coccejus en Dr Thijs, ook wel andere to noemen, waarin zo elk een anderen kant uit gaan. Ook ontbreken de gevallen niet — ik zeg dit, om allen schijn van ketterjacht te voorkomen — de gevallen, waarin b.v. ik zelf tégen Dr Thijs vóór Coccejus zou kiezen. Om één ervan te noemen: als Dr Thijs (3135) het „niet onberispelijk" zijn van het oude verbond grondt op het feit, dat het'„kon verbroken worden" („van de zijde van het bondsvolk en daarna ook van de zijde Gods"), dan hoor ik liever Coccejus. Deze toch geeft op meer dan één plaats een andere verklaring van dat „niet onberispelijk". B.v. a.w. § 33S, LVII, bl. 221, als hij zegt:

„Dat Verbond nu was wel niet... onberispelijk Hebr. 8 : 7. Want God bedong het gelove, maar in v e r w a g- tinge van saligheid en heiligmakinge; en hy gaf hen middelerwijl het Land Canaan te besitten, en te bouwen, ten einde sy dat, als een erfenisse, en als een waaragtig verheeltsel en pand der Hemelsche erfenisse, en de goederen deses levens omhelsen souden. Het welk niet geschieden konde sonder de verdrukkingen te vlieden en voor de selve te schrikken; en wel met meerder afkeer, als wy van naturen voor verdrukkingen en voor de dood hebben" ^).

Men mag over deze poging tot verklaring van Hebr. 8:7 denken, wat men wil; men zal in elk geval waardeering er voor kunnen hebben, dat Coccejus uit het „niet-onberispelijk" zijn van het oude verbond nog geen redenen ontleent, om het ingrijpende woord „verbreking" (des verbonds van de zijde Gods) te gebruiken. Hij zoekt de oplossing van de exegetische moeilijkheid Inzake dat „niet onberispelijk" niet in een antwoord op de kwestie, of God het oude verbond Zijnerzijds ver^breekt, om dan een nieuw te maken, ja, dan neen, maar in een antwoord op de vraag, of Hij in den nieuwen toestand, het nieuwe verbond, betere goederen geeft, ja, dan neen. Zoo verklaart Coccejus trouwens ook elders'). En in de richting, waarin hij hier zoekt, volg ik hem liever, dan Dr Thijs.

Is hiermee alle misverstand, als wilde ik van neo- „coccejanisme" spreken, weggenomen, dan blijft thans te vragen, of onze gereformeerde theologie, in haar pogen, om een sluitende verbondsleer te krijgen, den weg van Dr Thijs op moet, ook waar deze de verhouding tusschen Oud- en Nieuw Testament construeert op de aangegeven wijze. Omdat ik op die vraag ontkennend antwoord, en die ontkenning vooropplaatsen moet, wil ik eigen meening straks kunnen geven, bewaar ik deze vraag voor een volgend artikel.

K. S.

Rechtspersoonlijkheid der Kerken.

Deputaten door de Generale Synode van Amsterdam in 1936 benoemd voor advies inzake de zekerstelling van bezittingen der gezamenlijke Kerken, verzoeken ons opname van het navolgende:

Bij arrest van den Hoogen Raad van 13 Mei 1938 is uitspraak gedaan in dien zin, dat de Classis 's-Hertogenbosch van de Oeroformeerde Kerken in Nederland reclitspersoonlijkheid bezit.

In verband met dit arrest achten Deputaten het gewensoht eenige mededeelingen te doen.

De Synode van Middelburg in 1933 heeft aan de Kerkenordening toegevoegd artikel LXXXIV, luidende als Tolg-t:

„De kerken, die in classes, particuliere synoden en generale synode samenkomen, vormen te zamen even zoovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden, die haar onderscheidenlijk in classicaal, particulier synodaal en generaal-synodaal verband gemeen zijn. Deze eenheden worden in en buiten rechte vertegenwoordigd zoowel door de respectieve lolassicale, particuliere synodale en generaal-synodale vergaderingen, als door deputaten, die door deze vergadering worden benoemd, geïnstrueerd en ontslagen en in al hun handelingen door hun instructie zijn gebonden".

Ondergeteekenden werden door de Synode tot Deputaten aangewezen inzake de zekerstellingen van bezittingen der gezamenlijke Kerken.

Het is niet te verwonderen, dat bij Deputaten verschillende vragen inkwamen, wat men te doen had ten aanzien van de overschrijving van onroerende goederen.

Ondergeteekenden hebben toen bezwaar gemaakt om te adviseeren tot overschrijving over te gaan.

Weliswaar was ter vergadering van de Synode in Middelburg medegedeeld, dat de toenmalige Minister van Justitie geen bezwaar had tegen de opname van dit artikel en dat de Minister van Financiën had toegezegd, dat oversdhrijving van de onroerende goederen in verband met de invoering van artikel LXXXIV zonder kosten zou kunnen geschieden, doch geenszins stond hierdoor vast, dat ook de reobtspraak in Nederland de meerdere vergaderingen als rechtspersonen zou erkennen.

Teneinde zooveel mogelijk rechtszekerheid te verkrijg gen hebben Deputaten het van belang geoordeeld een uitspraak van ons hoogste rechtscollege te krijgen over de vraag der reobtspersoonlijkbeid.

Deputaten hel> ben daartoe gekozen den gebruikelijken weg om een procedure op te zetten, met geen ander doel, dan de rechtsvraag voor al onze Kerken van belang aan den Rechter in hoogste instantie te onderwerpen.

Hiertoe werd eerst door de Classis 's-Hertogenbosch een bedrag aan een der Kerken betaald en daarna van die Kerk teruggevorderd. De Kerk antwoordde het geld te hebben ontvangen en op het bedrag geen recht te hebben. Zü merkt echter op, dat de classis 's-Hertogenbosch het bedrag niet kon terugvorderen omdat deze classis, geen rechtspersoonlijkheid bezat en dus niet in rechte kon optreden.

Op deze wijze kreeg de rechter dus uitspraak te doen over de rechtspersoonlijkheid van de classis 's-Hertogenbosoh der Gereformeerde Kerken.

Nadat het Gerechtshof 's-Hertogenbosch aan de classis Den Bosch der Gereformeerde Kerken rechtspersoonlijkheid had ontzegd, is van het arrest beroep in cassatie aangeteekend.

In deze cassatie-procedure heeft de Hooge Raad bij arrest van 13 Mei 1938 uitspraak gedaan.

De rechtsoverwegingen van dit arrest luiden als volgt:

„Overwegende omtrent de gegrondheid van het beroep:

dat in dezen stand van het geding vaststaat, dat de Gereformeerde Kerken in Nederland in dier voege georganiseerd zijn, dat zich vereenigingen van zelve rechtspersoonlijkheid bezittend© Kerken onder den naam van Classes gevormd hebben, mede teneinde als eenheden aan het rechtsverkeer deel te nemen;

dat de wet van 22 April 1855 Stbl. 32 aan het optreden als rechtspersoon door zoodanige Classis geen belemmering in den weg legt, daar de vrijheid, die de wet van 10 September 1853 Stbl. 102 aan de kerkgenootschappen verzekert om alles, wat hun godsdienst en de uitoefening daarvan in eigen boezem betreft te regelen, medebrengt, dat genoemde wet van 1855 ten aanzien van de kerkgenootschappen niet van toepassing is;

dat derhalve de vraag, of de onder den naam van Classis gevormde vereeniging van Gereformeerde Kerken overeenkomstig haar bestemming vermag op te treden als rechtspersoon, moet worden beantwoord naar hetgeen het gemeene recht daaromtrent inhoudt;

dat zoodanige groep van rechtspersonen valt onder de vereenigingen, welke artikel 1690 Burgerlijk Wetboek als zedelijke lichamen erkent, die ingevolge artikel 1691 evenals natuurlijke personen aan bet burgerlijk rechtsverkeer kunnen deelnemen;

dat mitsdien de Classes der Gereformeerde Kerken in Nederland aan deze wettelijke bepalingen de hoedanigheid van rechtspersoon ontleenen;

dat het Hof ten onrechte tot de slotsom is gekomen, dat deze Classes niet zijn rechtspersonen en dat, al waren zij dit wèl, dan nog aan de Classis 's-Hertogenbosch reobtspersoonlijkbeid moest worden oi.tzegd, door voor het beslaan van een zedelijk lichaam iu den zin van het Burgerlijk Wetboek meerdere eischen te stellen dan de biJ dit wetboek gegeven i-egeling toelaat, terwijl de onjuistheid van 's Hofs opvatting, dat een zoodanig lichaam niet kan bestaan zonder bestuur, met name nog blijkt uit artikel 1694 Burgerlijk Wetboek, dat voorzieningen treft juist voor het geval, dat een zedelijk lichaam geen bestuur mocht hebben; dat het middel mitsdien terecht klaagt over schending van voormelde wetsartikelen, terwijl uit het bovenstaande tevens volgt, dat de klacht, dat het Hof ook ten onrechte heeft geoordeeld, dat de eischeres niet voldoet aan de eischen, die bet Hof meende te mogen stellen voor haar bestaan als rechtspersoon, niet meer behoeft te worden onderzocht; Vernietigt het bestreden arrest".

Deputaten deelen mede, dat voor Gereformeerde Kerken exemplaren van het arrest bij den Rapporteur van Deputaten beschikbaar zijn.

Naar aanleiding van bet arrest van den Hoogen Raad veroorloven Deputaten zich nog een enkele opmerking.

368 Vooreerst moet men als bij elke reohtelijike 'beslissing ondersoheiden de gronden, wsiarop de beslissing van den Hoogen Raad rust en de eigenlijke uitspraak.

De eigenlijke uitspraak luidt, - dat de Classis Den Bosch rechtspersoonlijkheid heeft.

Naar het oordeel van Deputaten vloeit hieruit voort, dat ook de Particuliere Synode en de Generale Synode als rechtspersonen in de rechtspraak zullen worden aangemerkt.

Ten aanzien van de eerste overweging, dat in dezen stand van het geding vaststaat, dat de Gereformeerde Kerken in Nederlajid in dier voege georganiseerd zijn, dat zich vereenigingen van zelve rechtspersoonlijkheidbezittende Kerken onder den naam van Classes gevormd hebben, mede teneinde als eenheden aan het rechtsverkeer deel te nemen, merken Deputaten vooreerst op, dat hier uitdrukkelijk de rechtspersoonlijkheid der plaatselijke kerken wordt erkend.

Daarnaast achten Deputaten het gewensoht de aandacht er op te vestigen dat de Hooge Raad het woord „Vereeniging" gebruikt in den zeer ruimen en ongebruikelijken zin, waarin dit artikel 1690 B. W. voorkomt^) waarheen de Hooge Raad uitdrukkelijk verwijst en waarin ook de Staat, de Provincies, Gemeenten en meer dergelijke lichamen als „Vereenigingen" worden aangeduid. Door dit spraakgebruik wordt uiteraard in geen enkel opzicht ons Gereformeerd Kerkrecht beïnvloed.^)

Voor de toepassing van artikel LXXXIV van de Kerkenordening achten Deputaten het voorts gewenscht dat in de praotijk de Particuliere Synode en de Classes zich houden aan de voorschriften, die in artikel LXXXIV zijn vervat en derhalve zorg te dragen, dat steeds Deputaten met geldige instructies de kerkelijke colleges vertegenwoordigen, terwijl het een praotijkseisch is dat het adres waarheen stukken kunnen worden gericht, voldoende vaststaat.

Deputaten zijn van oordeel, dat thans tegen de overschrijving van onroerende goederen op Classes, Particuliere Synodes en Generale Synode geen bezwaar behoeft te bestaan.

Wel zal het aanbeveling verdienen dat over individueele overschrijvingen alsnog overleg met Deputaten wordt gepleegd.

Uit den aard der zaak zijn zij, uit hoofde van hun opdracht, gaarne bereid de Kerken met alle verdere inlichtingen terzake van dienst te zijn.

De Deputaten: H. H. KUYPER. W. BREÜKELAAR. G. H. A. GROSHEIDE, Rapporteur.

Red.

Nogmaals gereformeerde prediking en heilsgeschiedenis.

Van den heer L. 3. de Rover ontving ik een brief van den volgenden inhoud:

Rijnsburg, 4 Juli 1938.

Hooggeachte Professor Schilder, Mag ik nog eenmaal antwoorden op het ingezonden stuk van Ds Overduin in „De Reformatie" van 24 Juni.

Naar aanleiding van wat Ds O. onder punt één zegt, ben ik naar Ds H. A. Wiersinga gegaan, in de hoop, dat deze zijn aantekeningen, gemaakt tijdens het debat, nog zou hebben bewaard. Deze had ze echter niet meer. En aan wat iemand zegt in een persoonlijk gesprek hebben we niets, als dit als bewijsstuk moet dienen.

Toen heb ik geschreven naar den heer Boot, den secretaris van „Filippus". Deze schreef mij terug, wat tijdens het debat door Mr P. J. Klaver is opgetekend en wat in de proef van het gedrukte verslag aldus is weergegeven:

„Ook hij (dat is ondergetekende), wil geen verhaaltjes met een toepassing. Men moet niet de mensen in een tractaatje laten spreken, maar Gods Woord. Christus moet in het middelpunt staan. Uitkomen moet de voortgaande lijn der Godsopenbaring".

Hieruit blijkt dus, dat ik niet gezegd heb, dat „elk tractaatje een gedeelte uit Gods Woord moest behandelen en moest laten zien, hoe God, de Heere, in dien tijd werkte en voortschreed met Zijn openbaring".

Nogmaals, het is door mij gezegd, noch bedoeld.

Naar aanleiding van punt drie merk ik nog op, dat door Ds Wiersinga in het beantwoorden met geen woord is gesproken over wat Ds O. overwaardering noemt. Het kon ook niet.

Hartelijk dankend. Professor, voor de verleende plaatsruimte, verblijf ik met de meeste hoogachting

Uw dw. dnr, L. J. DE ROVER.

Ook mij werd door den heer Boot, die eerst thans kon antwoorden wegens afwezigheid, geschreven wat er in het voor den druk bestemde verslag staat. Zoowel den heer Boot als den heer De Rover dank ik zeer voor hun nadere mededeelingen. Rest nog de verzekering, dat van eenige „overwaardeering" der openbaringshistorie niets gebleken is, en dat ik het met de samenvatting van wat de heer. De Rover opgemerkt heeft, gelijk deze in het persverslag gegeven wordt, ten volle

eens ben.

K. S.

Lustrumtentoonstelling van het Studentencorps Fides Quarit Intellectum.

Ter gelegenheid van het loe Lustrum van het studentencorps „Fides Quarit Intellectum" aan de Theologische Hoogeschool te Kampen in November van dit jaar, stelt de Lustrumcommissie 1938 zich voor een tentoonstelling te organiseeren, die een zoo volledig mogelijk beeld zal hebben te geven van het Kamper studentenleven in de afgeloopen 75 jaar.

Zij zou daarom willen verzoeken aan allen, die in eenig opzicht materiaal voor een dergelijke tentoonstelling hebben, zooals foto's, groenendrachten, menu's en andere merkwaardigheden deze te zenden aan den Archivaris h.t. F.Q.I. D. Wijnbeek, Walstraat 14, Zwolle. Bij voorbaat recht hartelijken dank; terstond na gebruik zal alles geretourneerd worden.

Het rapport der Ghr. Geref. Kerk inzake het antwoord aan de Synode der Geref. Kerken, (IV.)

Rest nog het bezwaar van de veronderstelde wedergeboorte, en de uitdrukking: het is minder juist, te doopen op onderstelling van wedergeboorte, en de kinderen zijn voor wedergeboren te houden.

Hierover in de eerste plaats: de uitdrukking veronderstelde wedergeboorte is door Dr Kuyper Sr gebruikt om de vastigheden van het verbond Gods te handhaven. Hij zag, dat er groot gevaar dreigde van individualistische en subjectivistische zijde, die de vastigheid van het verbond stelselmatig ondermijnd. Daarom wilde hij de heerlijkheid van het verbond laten uitschitteren. Hij ging hierbij uit van hetgeen Gods Woord buiten allen twijfel ons leert, dat de HEERE ook de God van ons zaad wil zijn en dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn. Hij wilde dat maar niet uitwendig zien, waar hij op grond der Heilige Schrift aannam, dat het verbond maar niet een aanbieding van heil was, maar een schenken van heil en de Doop mocht maar niet een teeken en zegel zijn, dat God ons aanbood, maar een teeken en zegel van een metterdaad-geven van dat heil. En toen ging hij construeeren. Als, als, als en nog eens als..., dan moet ik wel onderstellen, dat zij wedergeboren zijn en op grond daarvan mag ik de jonge kindertjes doopen.

De Synode van Utrecht heeft deze laatste beschouwingen van Dr Kuyper niet aanvaard en nadrukkelijk uitgesproken, dat het minder juist is te zeggen, dat de doop aan de kinderen der geloovigen bediend wordt op grond van hun veronderstelde wedergeboorte, omdat de grond van den doop is het bev^en de belofte Gods. Maar aan den anderen kant heeft de Synode de vastigheid van het verbond willen handhaven en uitgesproken, dat het zaad der Kerk krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat het tegendeel blijkt.

Het is jammer, dat men van Christ. Geref. zijde en trouwens ook van meer zijden — Ds Kersten en de zijnen b.v. en helaas moet men soms ook Gereformeerden daarvan beschuldigen — zoo weinig acht geeft op de beslissingen van de Synode van Utrecht. In plaats dat men dankbaar is, dat een Synode het voor het Woord Gods opgenomen heeft, ook tegenover een groot man als Dr Kuyper Sr, waar de mogelijkheid bestond, dat ook deze groote dwaalde, probeert men altijd weer de afgewezen beschouwingen in het Synodebesluit in te leggen en alzoo het besluit van de Synode in zijn tegendeel om te zetten. Het is daarom ook wel jammer, dat het besluit van de Synode niet wat scherper is geformuleerd. Het verraadt, dat hier een compromis gesloten werd. Misschien zou de Synode klaarder zich uitgesproken hebben door te zeggen, dat het geheel onjuist is te doopen op grond van veronderstelde wedergeboorte en misschien zou het beter geweest zijn, als de Synode ook de uitdrukking, dat de kinderen als wedergeboren beschouwd moeten worden, vermeden had. Als we immers het zaad der kerk als wedergeboren beschouwen, zijn we bezig met oordeelen, als zaten we in Gods rechterstoel. Onze kinderen z ij n in Christus geheiligd —• en van hen behoeft de Synode niet te zeggen, dat wij hen als geheiligd in Christus moeten beschouwen, — maar of onze kinderen wedergeboren zijn, dat staat aan ons niet ter beoordeeling. Aan den anderen kant mogen wij den HEERE wel dankbaar zijn, dat onze Synode zoo krachtig opgekomen is voor de vastigheid van het verhond Gods. Wat zouden wij het heerlijk vinden, als de scheuring In het lichaam van Christus ophield te bestaan, maar pogingen om die scheuring te doen ophouden, mogen niet gedaan worden ten koste van de vastigheden van Gods verbond. Indien het inderdaad de leer der Chr. Geref. Kerk is, dat pas door voldoen aan den „verbondsplicht" het wezen van het verbond zou ontstaan, dan moet zij zich in dezen bekeeren tot de leer der Schrift en de leer der belijdenisgeschriften. Het is haar goed recht om zich goed te vergewissen van de leer der Gereformeerde Kerken in deze zoo belangrijke vragen, maar zij mag van ons niet verlangen, dat de Gereformeerde Kerken het heerlijk belijden van de vastheid van Gods verbond opgeven. Dit blijve de vastheid van het verbond. De HEERE spreekt klaarlij k zoo tot de kinderen der Kerk. En wel weten we, dat het sacrament met geloof gemengd moet worden, want anders doet het geen nut, maar waarom zouden we ons niet, als het tegendeel niet blijkt, ver-, laten op het klare zeggen des HEEREN? En komt er dan een niet-wandelen in de wegen des HEEREN, dan is bij den HEERE en bij de kerk groote droefheid, en dan zal het „wezen" van het verbond tot zijn recht komen in de verbondswraak.

Ten slotte: de kerkrechtelijke redenen hebben we niet stringent genoeg bevonden, dat de Chr. Geref. Kerk niet mee arbeiden zou aan de vergadering van de eene Kerk van Christus. Wij moeten deze conclusie aan het einde van het tweede deel herhalen. Geve de HEERE, dat onze Chr. Geref. broeders gaan inzien, dat zij zich

een verkeerde voorstelling maken Vcin hetgeen onze kerken leeren en dat zij niet langer een schibboleth maken van een leer, die, mag het zijn in niet-scherpe bewoordingen, door onze kerken is afgewezen.

Nog eenmaal moeten we deze conclusie herhalen: zij geldt m.i. ook van de praktische bezwaren. Deze bezwaren worden in 2 groepen gedeeld. In de eerste groep worden dan de bezwaren besproken, die de gevolgen der verbondsbeschouwing raken, zooals die in de Gereformeerde Kerken wordt geleerd en de tweede groep bespreekt de bezwaren, die ontstaan zijn, doordat de Gereformeerde Kerken enkele artikelen in de Kerkorde hebben opgenomen.

Over de eerste bezwaren kunnen wij heel kort zijn. Het rapport werkt hier met zeer zwaar geschut. Die verbondsleer zou leiden tot zorgeloosheid, tot antinomianisme en tot een intellectueele geloofsbeschouwing, waardoor het historisch geloof gehouden wordt voor een zaligmakend •'^). Het bevat dan vervolgens een reeks van uitspraken, door Gereformeerde voormannen gedaan, die voor deze verbondsbeschouwing waarschuwde^). Wij luisteren gaarne naar deze uitspraken. Zij versterken ons in onzen strijd om te zoeken naar de rechte verbondsleer, wfiar wij nog eens hooren, welke heillooze gevolgen een onschriftuurlijke verbondsleer met zich brengen kan, maar verder zeggen wij tot ons zelf: wat heeft de Gereformeerde Kerk hiermede van doen? Zij wil beoordeeld worden naar haar belijdenisgeschriften, naar haar formulieren en naar haar Synodale uitspraken en geen van deze geeft grond om ons te beschuldigen, dat zulk een leer de onze zou zijn. Kn schrijft dan het rapport ten slotte, dat juist in 1905 alle hinderpaal weggenomen is om deze doodsleer te verkondigen en dat de breuke vergroot is, in plaats, dat de bresse is toegemuurd ^), dan constateeren wij wederom een onvoldoende acht geven op de beslissingen van de Synode van 1905, en een pogen haar besluiten in het tegendeel om te zetten.

M. VREUGDENHIL.

De zelfstandigheid der plaatselijke kerk. (I.)

In een der Juninummers van „Credo" komt het volgende voor:

„Meer dan eens heb ik als mijn overtuiging uitgesproken, dat inzake het onderhavige punt het oude kerkrecht weer volle geldigheid verkreeg. Het werd in onze kerken nooit losgelaten, maar gedurende een korte periode iets eenzijdig belicht Sinds Assen is dit voorbij. Wij leven thans weer onder het oude kerkrecht.

Verbreekt men in deze de historie, dan wordt de continuïteit losgelaten.

Feitelijk wordt daardoor heel ons kerkrecht op losse schroeven gesteld.

Zij, die tegen dit historische gereformeerde kerkrecht bezwaar hebben, zullen uit de Schrift en haar beginselen moeten bewijzen, dat het dwaalt, en hebben tot roeping een ander kerkrecht op te bouwen.

Dit bedrijf moet met bezorgdheid worden gadegeslagen.

Begint men eenmaal met breken, dan valt er meer naar beneden.

Zeker, als ons eeuwenoude kerkrecht niet deugt, moet het houweel er in.

Maar dan moet men wel heel zeker zijn van zijn zaak."

De schrijver verstaat onder het „oude kerkrecht" dat „kerkrecht", waarbij de meerdere vergaderingen hoogere machten zijn, die het recht en de bevoegdheid bezitten, eigenmachtig in de zaken van de plaatselijke kerk in te grijpen en ambtsdragers aldaar te ontzetten uit het ambt.

Hetzelfde kerkrecht dus, dat door Prof. Dr S. Greijdanus „nieuw kerkrecht" wordt genoemd.

De schrijver acht de debatten over deze kwestie op het doode punt gekomen.

Waar hij echter degenen, die tegen dit kerkrecht bezwaar hebben, uitdaagt, dat ze uit de Schrift en haar beginselen zullen bewijzen, dat het dwaalt, schijnt er naar zijn oordeel toch nog niet genoeg over gezegd te zijn.

Daar het een zaak is van ingrijpende beteekenis voor ons kerkelijk leven, en „Credo" gelijk heeft, dat uit de Schrift en haar beginselen moet bewezen worden wie in dezen dwaalt, wil ik, hoewel ik meen, dat dit kerkrecht, door „Credo" het „oude" genoemd, reeds op deugdelijke gronden is bestreden, daartoe een poging wagen.

Dit te liever, omdat ik verlangend ben, dat, wanneer de argumenten er tegen niet steekhoudend zijn, dit worde aangetoond, en „uit de Schrift en haar beginselen worde bewezen", dat dit „oude" kerkrecht, waarvan ook ik zoo nieuw opgehoord heb, niet dwaalt maar het bij het rechte einde heeft.

Evenwel geef ik nog in 't geheel niet toe, dat degenen, die uit de Schrift en haar beginselen willen bewijzen, dat dit kerkrecht een dwaling is, nu ook de roeping hebben een ander kerkrecht op te bouwen, of dat zij afbreken met gevaar, dat er meer naar beneden zal storten.

Ik meen toch te mogen constateeren, dat er van degenen, die dit kerkrecht als een dwaling hebben bestreden, niemand geweest is, die tegen „het historische gereformeerde kerkrecht", zooals dat in belijdenis en kerkenorde uitgedrukt is, eenig bezwaar heeft ingebracht.

Alleen het punt van de hoogere machten boven de plaatselijke kerk is in 't geding. Dit punt is niet de kern of de grondslag van ons „historisch gereformeerd kerkrecht", zoodat dit opnieuw zou moeten opgebouwd worden, wanneer hieraan wordt geraakt. Het is hoogstens een uitlooper in de beschouwing van sommigen, die noch in belijdenis noch in kerkenorde eenigen steun vindt.

Ook al is er in den loop der geschiedenis veel verschil van gedachte geweest, en is er soms practisch naar dit beginsel gehandeld, dit neemt toch niet weg, dat het mag worden gedisqualificeerd, zonder dat daarmee heel het gebouw van ons „historische gereformeerde kerkrecht" in elkaar stort en opnieuw opgebouwd moet worden.

Daarom moet van 't begin af vastgehouden worden, dat dit het e e n i g e punt is, waarover het alléén maar gaat, of de classes en de synoden werkelijk hoogere heerschende machten boven de kerkeraden zijn, die eigenmachtig in de particuliere zaken van de plaats e- lijke kerk mogen ingrijpen en ambtsdragers ontzetten uit het ambt.

Dit is, naar mijn bescheiden meening, de hiërarchie, en ik hoop dit te bewijzen.

Waar het beginsel van de hiërarchie om den hoek kwam, daar spraken de vaderen door ervaring geleerd, van „de klauw van het beest".

Wat Voetius betreft, het is, door alles wat over hem geschreven is in den laatsten tijd, wel duidelijk, dat Ds Joh. Jansen gelijk heeft, wanneer hij zegt: „Men moet bij dezen groeten canonicus er goed op letten tegen wie hij strijdt, tegen Rome of tegen de Independenten. Opereert hij tegen de Independenten, dan verdedigt hij het beslissend en bindend karakter der synoden"^).

Uit den strijd der meeningen, die op dit punt van den tijd der Hervorming af in de Gereformeerde Kerken geheerscht heeft, is het reeds duidelijk, dat men, bij bestrijding van de rechtmatigheid der hoogere machten boven de plaatselijke kerken, niet het recht heeft met verwijten te komen als „verbreking van de historie", „loslating van de continuïteit", „op-losse-schroeven-stelling van het kerkrecht" enz.

Het is toch historisch onwederlegbaar, dat de kerkhervorming een bevrijding was van het monster der hiërarchie, en dat, hoezeer velen ook vreesden en waarschuwden, de kerk in Nederland toch weer geraakt ia in de macht van een nieuwe hiërarchie. De Afscheiding zoowel als de Doleantie was opnieuw een reactie hiertegen en een bevrijding van het juk. En tot dusverre is het beest nog niet teruggekeerd, zoodat wij liggen in zijn macht. Dank zij den strijd onzer vaderen is de continuïteit van de hiërarchie gebroken! Wanneer d i t nu door „Credo" het „oude kerkrecht" wordt genoemd, dan deelen we niet in den jubel, van dit blad, „dat het in onze kerken nooit werd losgelaten maar gedurende een korte periode iets eenzijdig werd belicht" (dit komt dan vooral voor rekening van de groote mannen der Doleantie, P.), „dat dit sinds Assen voorbij is, en dat wij thans weer leven onder het oude kerkrecht".

Maar wanneer hier iets van waar is, dan verzetten we ons, vooralsnog, in 't belang van de duurgekochte vrijheid onzer kerken, met alle macht tegen het groote gevaar, dat zich vertoont, waarin wij duidelijk merken „de klauw van het beest".

Men moet daarom den moed prijzen van degenen, die de vrijheid van de plaatselijke kerk hiertegenover in het licht hebben durven plaatsen, niettegenstaande

het gevaar, dat ze voortaan als „Independentist" zouden zijn gedoodverfd.

Waar „Credo" nu de bezwaarden tegen het bovengenoemde kerkrecht uitdaagt, om „uit de Schrift en haar beginselen te bevi^ijzen, dat het dwaalt", daar willen wij den handschoen opnemen, en, al zal het misschien voor sommigen afgezaagd zijn, het pleit voeren voor het heilige beginsel, dat in 't gedrang is: de zelfstandigheid der plaatselijke kerk.

J. S. POST.


1) De Leere v. h. Verbond en Testament Gods, u. h. Latijn, 2e druk, Amsterdam, 1689, § 278, blz. 170. Summa Doctrinac de Foedere et Testamento Dei, Opera, Amst. 1701, VII, 81, b.

2) De Foed., 86, a (diversitas otaovofumv, dispensationum, & xaiQ& v, temporum).

3) in statutis Dei & disciplina hac externa utcunque ambulans, etiam sine fide cordis, quoad hominem pro populo Dei peculiari censitus.... in externa hac conditione (88, b)-

4) At in N. T. nemo est de populo Dei uUove privilegio Foederis gaudet, nisi qui credit Euangelio & fidem turn profitetur turn etiam factis probabiliter demonstrat (88, b).

5) Pertinent haec eo, ut declaret Deus, quo fine Legem dederit Israëlitis per Mosen; non scil. ut per legem converteret earn genteni, aut etiam totam, saltern pleramque, ad amorem & tmorem sui adduceret: NON Unde liquet, consilium Dei in danda Lego cum maxima evidentia non alind fuisse, quam ostendere.... Etiamsi Sancti in Veteri Testamento acceperint Spiritum sanctificantem, is tamen non operatus est in ipsis eum affectum, qui Deo, ut Patre, & ipsis, ut Filiis, dignus esset; sed f uit in ipsis Spiritus servitutis ad forraidinem (98, b).

6) 93, a.

7) Op Jer. 31, § 54: Unde etiam porro liquet, ipsa bona non esse per se amempta, hoc est, talia, ut illis meliora non ^uerint expectanda. Nam, quae & foedifragi potuerunt possidere, & in servitute habenda fuerint, non sunt optima. (Op. HI, Coram, in Jer, . 81.)

1) 1690 B. W. Behalve de eigenlijke maatschap, erkent de wet ook vereenigingen van personen als zedelijke ligchamen, het zij dezelve op openbaar gezag als zoodanig zijn ingesteld of erkend, het zij zij als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of met de goede zeden, zijn samengesteld.

2) Spatiëering van ons. Redactie.

Tot onze spijt moest dit artikel wegens plaatsgebrek

verleden week blijven overstaan.

1) Rapport, pg 29.

2) De geciteerde Gereformeerden zeggen ons: men kan er door met een ingebeelden hemel verloren gaan, 'die leer leidt tot geestelijke oppervlakkigheid, valsche gerustheid en zorgeloosheid; die leer berooft de prediking van haar ernst en kracht en ontneemt aan de sacramenten de gereformeerde beteekenis; die leer verkeert de leer van Christus; die leer verzwakt de beteekenis van het geloof; die leer ontneemt het gebed zijn waarde en plaats; die leer kweekt een geslacht van Nicodemiten, dat van geen wedergeboorte meer weet; die leer is een zaad, dat den akker der Kerk bederft. Rapport, pg 35.

3) Rapport, pg 36.

1) „Het tuchtrecht der meerdere vergaderingen", pag. 44.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1938

De Reformatie | 8 Pagina's