GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

34 minuten leestijd

Indïukken van de Crenerale Synode (VI.)

Pèrspolemiek.

Een mooi moment was dat, waarin de perspolemiek aan de orde kwam.

Groot gevaar was er, dat dit oogenblik aanleiding worden zou tot nieuwe polemiek, en dan over de polemiek of naar aanleiding van momenten uit den strijd der laatste jaren, welke momenten reeds min of meer in het vergeetboek waren geraakt. Tegen de voorgestelde conclusies had waarschijnlijk niemand, of anders een klein getal der aanwezigen, overwegend bezwaar. Daarover zou dus niet te veel te doen komen. Gevaar dreigde alleen uit een publiek debat. Te vreezen stond, dat de één dit punt, de ander weer een ander uit den strijd der laatste jaren naar voren zou brengen; dat daarna weer anderen van wal zouden steken met daartegenover te stellen gevallen en contra-argumenten. Op zichzelf zou dat nu weliswaar niet al te veel gevaar opleveren, inzóóverre n.l. als de vergadering publiek was; . men kon dan altijd in de pers nader ingaan op wat men recht zou willen zetten. Maar veel meerder solaes zou er wel niet.overblijven. De debatten zouden gevSTar loopen hoogst onaangenaam te zijn; dingen, die in do pers niet afgehandeld waren, konden allicht in de vergadering gebracht worden, al was 't maar bij wijze van illustratie, maar in een openbare vergadering zou dat een zeer onaangename stemming kunnen wekken, zonder dat er iets kon worden afgedaan. Bovendien is het verschijnsel der perspolemiek zeer gecompliceerd; de polemiek immers hangt grootendeels samen met allerlei verschijnselen of gebeurtenissen, die niet onder die rubriek vallen; en wat in de bladen behandeld wordt, staat niet los van wat in brochures of anderszins naar voren kwam. Ook staat het spreken van den één soms niet los van het zwijgen van den ander.

Een en ander zou allicht geen olie op de golven, maar nieuwen golfslag in het water gebracht hebben. Daarom zijn we heel blij met de spontane aanvaarding van het door prof. Ridderbos gedane voorstel, om. bij acclamatie de voorgestelde conclusies aan te nemen. Was dat, zooals iemand het dilemma stelde „een wonder van God", dan wel een „oogenblik van groote tragiek"? Het dilemma schijnt ons niet aanvaardbaar. Het schijnt ons een leiding Gods, waardoor een dreigend gevaar voorkomen is; het gevaar immers lag niet in de voorgestelde conclusies, doch in de misschien voorgenomen debatten. Wat in de pers is aangesneden, kan moeilijk buiten de pers om worden doorgepraat. Het synodelid, dat van bovengemeld dilemma uitging, merkte op, dat toch iedereen wel wist, hoe het met de polemiek stond. Wij daarentegen vreezen, dat er maar zeer enkelen zijn, die het goed weten, en die de zaak kunnen overzien naar haar achtergronden.

Contact met de „groep-Hoeksema".

Een enkele maal kwam ook de „groep-Hoeksema" — onzen lezers welbekend — op het tapijt. Ik belijd ootmoedig, dat dat van mijn kant gebeurd is. Alsmede, dat ik op den ingeslagen weg hoop voort te gaan. De eerste maal kwam deze groep ter tafel, toen het ging over mogelijkheden en karakter van een „oecumenische synode" (welk onderwerp nog nader moet worden ingedacht). De tweede maal, toen het ging over contact, te bestendigen, of ook aan te knoopen, met buitenlandsche kerken. Er was een lang lijstje ingediend, maar de Hoeksema-groep prijkte er niet op.

Zoowel bij het eene als bij het andere punt bleek — terecht — het streven aanwezig, om het contact zoo breed mogelijk te doen zijn.

Maar juist daarom meende ik te mogen en te moeten wijzen op wat ik kortheidshalve de „groep-Hoeksema" noem; officieel is de naam: „Protestantsche (of Protesteerende) Geref. kerk" in Amerika.

In enkele verslagen der synode is door een onbedoeld abuis de indruk gegeven, alsof de synode, nadat ikzelf in overweging had gegeven, ook met de Hoeksema-groep contact te zoeken, doch prof. Aalders zich daartegen verzet had, beslist had, op de lijn, die prof. Aalders voorsloeg, te gaan staan. Dat is niet het geval geweest — gelukkig ook niet. Dit alleen is er gebeurd: toen ik over de zaak de eerste maal sprak, vond de voo.rzitter het beter, dat de pers maar niet alles wat ik beweerd had, zou publiceeren; en de tweede maal, dat we maar van het onderwerp zouden afstappen. Wat het eerste geval betreft, verklaarde de voorzitter later, dat hij alleen voor misverstand beducht geweest was; hetgeen ik begrijpen kan, en daarom thans als aanleiding neem, om zonder gevaar voor misverstand mijn meening rustig op papier te zetten. En wat het tweede geval betreft: ik heb me niet verzet tegen een vooralsnog laten rusten van het onderwerp, omdat op dat oogenblik de kwestie van de oecumenische synode toch nog ter tafel moest komen. In een der eerste vergaderingen werd een lans gebroken voor de idee, dat men maar dadelijk die zaak zou beslissen. Gelukkig is daar bijtijds een stokje voor gestoken: daar is de kwestie veel te ernstig voor. Later is heel de aangelegenheid eener oecumenische synode maar ter bestudeering aan een deputaatschap overgedragen; met bepaling, dat het rapport tijdig vóór de volgende synode moet worden toegezonden. Ieder voelde, dat, al was 't alleen maar terwille van dreigend oorlogsmolest, van werkelijke uitbreiding van het contact met het buitenland voorloopig toch niet veel komen kan, en dat ook daarom de kerken nog maar eens rustig

over een" en ander moeten nadenken. Nieuwe mogelijkheden liebben steeds eenigen tijd noodig, zullen ze rijp overwogen kunnen worden. Overrompelen is een gevaarlijk ding; wie in het eene geval er tegen bezwaar heeft, moet zelf in een ander zich er voor wachten. Ik zelf had er bezv.'aar tegen, dat men die oecumenische synode zoo gauw wilde afhandelen; en daarom kan ik ook mijnerzijds er in komen, dat inzake de groep-Hoeksema men nog eens eerst wil nadenken.

Maar afstappen van het onderwerp doe ik niet; en ik hoop, dat de groep-Hoeksema evenmin de zaak als geëindigd zal beschouwen. Zou zij correspondentie met ons voorslaan, dan kan ze van steun wel verzekerd zijn. Ik zeg niet, dat dat veel bete'ekent; maar men moet nu eenmaal niet zijn spreken of zwijgen laten beheerschen door de vraag naar oogenblikkelijk succes. Zulk een diplomatie ware het tegenbeeld der profetie. Dat geldt ook voor de gemeenschap, die met ds Hoeksema zoo nauw verbonden is. Stel eens, dat een van haar uitgaand officieel voorstel tot het zoeken van contact bij ons met meerderheid van stemmen verworpen zou worden, wat geeft dat? Eikaars consciëntie opwekken is een broederdienst; een eventueel verkeerde reactie ligt voor rekening van wie ze zou aandurven.

Ik geloof trouwens nog niet, dat de Gereformeerde Kerken, werden ze eenmaal officieel voor een beslissing geplaatst, zoo'n verkeerde reactie zouden aandurven. Ze zouden, naar ik hoop, vooraf rustig willen overwegen wat pro en wat contra pleit.

Laat mij aanstonds mogen verklaren, dat onze kerken verkeerd zouden handelen, indien zij de groep-Hoeksema zouden passeeren, hetzij bij de bijeenroeping van een heusche oecumenische synode (d.w.z. een synode, die meer zou zijn dan een eerste samenkomst van met elkaar reeds correspondeerende kerken), hetzij bij het zoeken naar breeder contact met buitenlandsche instituten, dan tot nu toe plaats gevonden heeft.

In een openbare zitting heb ik er op gewezen — en ik beperkte me daarbij tot wat officieel en publiek bekend was — dat reeds volgens de eigen publicatie van de Chr. Ref. Church in Amerika (waarmee we reeds correspondentie onderhouden) ten tijde van de beslissing van Kalamazoo de groep, waar het thans over gaat, in de hoofdzaken gereformeerd was, zij het dan „met neiging tot eenzijdigheid". Nu, die laatste is ieder menschenkind eigen; dat kan dus geen bezwaar zijn, en roept juist tot samenspreking, opdat we elkaar mogen helpen strijden tegen dit kwaad.

Voorts: men gaat onwillekeurig vergelijken; ook dat zit ons allen in het bloed. Zouden we officieel weigeren, contact te zoeken met de Prot. Geref. Kerk in Amerika, dan zouden we toch moeten weten: waarom de een wel, de ander niet? We hebben contact met de Reformed Church in Amerika; on daaronder zijn heel wat gemeenten, -die in alle opzichten ü-ouw zijn aan de gereformeerde belijdenis; heel wat predikanten ook, aan wie ik zelf me verbonden weet door de alleraangenaamste kennismaking. Ik zou er niet aan denken, het contact te verbreken. Niettemin is het een publiek feit, dat deze kerk vrijmetselaars toelaat; en ik hoorde verzekeren, dat er ook wel predikanten zijn, die bij de loge zijn aangesloten; het wei'd verzekerd ook van Chr. Ref. zijde. Zouden we nu een oecumenische synode saamroepen, waarvan vrijmetselaars lid kunnen zijn, on ds Hoeksema weigeren? Een man, die voor de gereformeerde waarheid een zwaren sti'ijd gevoerd heeft, ook binnen de Chr. Ref. Church? Voorbeelden gaven we in ons blad.

Prof. Aalders, die zich tegen het zoeken van nader contact uitsprak, en ten aanzien van wiens woorden door den voorzitter der synode niet gevraagd is, of de pers er wat voorzichtig mee wilde te werk gaan (waarom ik dan ook maar rustig er iets van doorgeef), prof. Aalders merkte op, dat de groep-Hoeksema zoo klein was, ongeveer als in Nederland de groep-Geelkerken. Afgedacht daarvan, dat — zooals ik tevoren had opgemerkt — „het in het aantal niet gelegen is", is de vergelijking met de groep-Geelkerken onjuist. Wat het getal betreft: ik weet niet, of prof. Aalders ds Hoeksema bezocht heeft; ik heb het wel gedaan, en heb meer dan één van de aan hem verbonden gemeenten en predikanten gezien. Ze is veel krachtiger dan de Geelkerken-groep. Ook heeft ze veel meer vitaliteit: ze ontwikkelt een eigen actie, neemt op het terrein van christelijke politiek, maatschappij vorming en vereenigingsleven een positie in, welke in Amerika en (het blijkt al meer) ook in Nederland velen tot jaloerschheid prikkelen mocht; en is, hoezeer ook sommige theologische moeilijkheden alsmede de bezwaren van een eigen theologische opleiding drukken, toch zéker in confessioneel opzicht met de Geelkerken-groep geen moment te vergelijken; ze staat aan den anderen kant, en komt meer en meer tot theologische bewustheid.

Zelfs over den persoon van ds Hoeksema is even door prof. Aalders gesproken. Ik weet alweer niet, of prof. -\alders ds Hoeksema ooit ontmoet heeft. Ik wel. En mijn oordeel wijkt van dat van prof. Aalders af. Bovendien acht ik het niet juist, de vraag of een bepaalde groep met ons mee mag spreken, te laten afhangen van een persoonsbeoordeeling. Menschen, die in werkelijkheid zijn zóó als prof. Aalders meent, dat ds Hoeksema is, zijn er overal. Wie een nog wel „oecumenische" (!) synode daarvan zuiveren wil, moet maar liever^ niet er aan beginnen.

Nu schrijft prof. Hepp in „Credo":

Een lans werd gebi'oken om de Prot. Ref. Church (de kerk van Ds Hoeksema) mee op te nemen. Dit stuitte bij een van onze Amerikaansche broeders ter Synode op krachtig verzet. En de ander maakte er buiten de Synode geen geheim van, dat hij er evenzoo over denkt. Men behoeft er geen oogenblik over in twijfel te verkeeren: aan een oecumenische Synode, waarop de kerkengroep-Ds Hoeksema vertegenwoordigd is, blijven de plaatsen van de afgevaardigden der Chr. Ger. Kerk ledig. En die zeker niet alleen. Doch men kan er wel op gerust zijn: dit gebeurt niet.

De hier genoemde eerste broeder kan geen ander dan ds v. Dellen zijn. En dan kan de tweede geen ander dan dr Beets zijn. We zullen ons niet inlaten met de vraag, wat dr Beets buiten de synode gezegd heeft. Ik ben daar niet bij geweest. Wel was ik er bij, toen dr Beets in het Pantlind Hotel te Grand Rapids een vergadering presideerde, waai'op door onderscheiden predikanten der Chr. Ref. Church en andei'e van de „Hoeksema-groep" van gedachten is gewisseld, en waarbij dr Beets in gebed en toespraak hartelijke woorden heeft gesproken. Dit laatste is publiek. Zeker is, dat in de vergadering der Sneeker synode niemand een woord van hem hoorde over de groep-Hoeksema. En wat ds V. Dellen betreft: was zijn verzet wel zoo „krachtig" als prof. Hepp meent? Ik vond, met alle waardeeing, juist dit trouwens zeer korte gedeelte van zijn etoog gereserveerd. Een naam werd niet genoemd.

Alleen werd gezegd, dat er (blijkbaar door mij) gesproken was over wat voor ds v. Dellen's besef een „scheurkerk" was. Nu, dat wisten we al. Maar ik had zelf vooraf al opgemerkt, dat ds v. Dellen nog vrij kort geleden de synode der Chr. Geref. Kerk in Nederland heeft bezocht. Men weet, hoe ik over dit instituut denk: m.i. mag het niet bestaan, en is er nog steeds reden te over, om de qualificatie van prof. dr H. H. Kuyper van destijds („scheurkerk") ter harte te nemen; aan den anderen kant evenwel wil ik, juist daarom, geen dag lang de schuld er van zijn, dat de broeders van die kerk van ons gescheiden blijven, temeer, omdat zij in dogmatisch opzicht op enkele theologoumena goede critiek kunnen oefenen. Dat zij verder gelaten voor wat het is. Maar voelt ds v. Dellen niet, dat het ons voor het onderhavige onderwerp weinig zegt, of de Prot, Geref. Kerk in Amerika in zijn oogen een scheurkerk is? Wij voor ons hebben ons niet het recht aan te matigen, over de kerkrechtelijke wendingen in het proces van Kalamazoo enz. te oordeelen. Wel mogen wij dit vragen: indien gij, ds v. Dellen, fficieel een bezoek brengt aan de synode van die neder-

landsche kerk, die volgens velen onzer een scheurkerk is, zoudt gij dan begeeren, dat wij bij de overweging der mogelijkheden van contact met buitenlandsche instituten van alle bemoeiingen in dezen afzagen onder den drang van het feit, dat gij op üw "standpunt de groep-Hoeksema een scheurkerk noemt? Indien Gij — en wij laken dit geen oogenblik — in Nederland een kerk bezoekt, die wij scheurkerk noemen, zouden wij dan niet omgekeerd evenveel vrijmoedigheid mogen gebruiken? Ds v. Dellen kan — ik vertrouw dit ten volle — hierop slechts bevestigend antwoorden. Want laat me precies zeggen, hoe ik er over denk: een oecumenische synode mag geen onderonsje worden, maar moet een vergadering voor Gods aangezicht zijn. Het kan de bedoeling van niemand zijn, er een zaakje van goede vrienden van te maken, en de vraag, wie wel en wie niet in aanmerking komt, te laten beslissen door overwegingen als: you are a nice fellow. Als het dien kant uit moet, dan krijgen we geen oecumenische synode, maar een bijeenkomst van anders niet zoo gauw bijeen te krijgen goede vrienden.

Prof. Hepp schrijft: het is zeker, dat, als de Hoeksemagroep mee doet, de plaatsen der afgevaardigden van de Chr. Ref. Church leeg zullen blijven. Ik zou in alle vriendelijkheid willen vragen: hoe weet U dat? Heeft de SYNODE van de Chr. Ref. Church dat al uitgemaakt? Zoo ja, dan is ze gauwer klaar dan onze synode, die — terecht — gezegd heeft: we moeten er nog eens over slapen. Hebben de aanwezige AFGEVAARDIGDEN van Sneek 1939 het gezegd? Maar zij zelf zullen de eersten zijn, om te verklaren: wij zijn de kerk niet, doch alleen maar haar dienaren? Bovendien: het is reeds opgemerkt, dat zoo'n voorgenomen oecumenische synode alleen maar cons uiteer end karakter heeft. Ze kan geen bindende uitspraken doen, althans niet, als het een vergadering is, zóó als men ze heeft ingedacht in voorloopig overleg. Maar wie zou het nu voor God durven verantwoorden, de amerikaansche broeders, die over het brandende probleem der' gezindheid Gods met berekking tot de concrete wereld ook theologisch een eelszins uitgebreide litteratuur hebben gepubliceerd, n die vóór 1924 in de Chr. Ref. Church veelszins goede ijdragen tot den opbouw dier kerk hebben geleverd, it te sluiten van een gesprek, van een elkaar r a a d- legen? Dacht men soms, dat al de anderen, die en wel vragen wil, daarover al uitgedacht waren? f dat ze niets meer konden leeren? Wij zelf willen n een consultee rende vergadering graag luisteen (b.v. inzake 't verbond) naar de opinie van anderen, et name naar de niet-polemische uiteenzettingen der ed. Chr. Geref. kerkleiders. Zoo kunnen anderen evenals v/ij zelf) wel luisteren naar wat Hoeksema e zeggen heeft. Breng de menschen bij eikaar; de arthiaansch „angehauchten" kunnen best nog het een n ander er bij opsteken! De herders van vrijmetselaars ok! God beware ons voor myopie.

Prof. Hepp schrijft nog meer: Ook andere plaatsen blijven leeg, als Hoeksema een stoel krijgt. Misschien bedoelt prof. Hepp de plaatsen van gasten. Dat kan. Indien collega Hepp met opinies van enkele personen in dezen bekend is, wil ik graag ook voor mijzelf nadere informatie geven. Ze is deze: indien het blijken zou, dat men een geweldig ding als een oecumenische synode zou laten bedisselen (wat ik nog niet

(Zie vervolg blz. 14.)

gelooven wil) onder het aspect van onze naaste goede vrienden en beleenden, en indien men officieel de groep- Hoeksema zou willen uitsluiten, dan zou m ij n plaats wel eens leeg kunnen blijven; en ik hoorde, dat men er over denkt, de hoogleeraren van Kampen en Ardsterdam als gast te doen Inviteeren. Want tegen allen clubgeest dient gewaakt te worden. En ik ben hartgrondig overtuigd, dat zoowel de Chr. Gerei Kerk van Nederland dient te worden gevraagd (althans zoolang men blijft vasthouden aan het voorloopig gestelde doel), als ook de groep-Hoeksema, die voor wat de trouw aan de gereformeerde belijdenis betreft, dichter bij ons staat, dan menigeen, dien we wèl zullen zien komen, als de eerste in ruwe omtrekken aangegeven plannen doorgang zullen vinden. Bovendien: 'tis niet de vraag, wie eventueel zou weigeren, doch wie naar goede orde een uitnoodiging hebben moeten.

Prof. Hepp schrijft nög iets. Men behoeft, zoo lees ik, zich niet ongerust te maken; blijkens het verband bedoelt hij: niet ongerust, dat de Hoeksemagroep zou worden gevraagd. Ik weet niet, inhoeverre prof. Hepp hier een vermoeden uitspreekt, dan wel inhoeverre zijn voorspelling op goede gronden berust. Zeker is, dat de synode van Sneek nog geen enkele vingerwijzing in een of andere richting gat, en dat we over h§t heele problemencomplex nog vrije discussies te wachten hebben. Ook prof. Hepp zal, evenals wij, erkennen: wij zijn de synode niet, doch alleen maar dienaren der kerken. En de deputaten voor buitenlandsche kerken zijn ook maar dienaren, en geen heerscliers. En als prof. Hepp meent, dat er zijn, die zich ongerust maken, als ds Hoeksema wèl mee gerekend werd, dan wil ik wel verklaren, dat ik me ongerust zou maken, als hij officieel en bewust werd uitgesloten. Omdat, nog eens, dit niet zou pleiten voor onzen waarheidszin, noch voor onze trouw aan de confessie, voorzoover deze trouw zich wel gedwongen ziet, vergelijkingen te treffen tusschen instituten, die in de tucht slapper en andere, die in dit opzicht strenger zijn, en getrouwer.

Laat ons"niet vooruitloopen. Er dreigt zooveel gevaar van verslapping, dat we wel allen mogen bijeenvergaderen, die daartegen strijden. Ik sprak hierboven over vrijmetselarij. Welnu, juist onder het schrijven van dit artikel bereikt me volgend stuk:

310 Burgess Place Clifton, New Jersey U.S.A., 23 September 1939.

Hoog Geachte Broeder in den Heere: — Bij het inzien van den Almanak van Die Gereformeerde Kerk in Suid Afrika vir die jaar 1939, zie ik dat er 'n „Deputaatskap om volgende Sinode nader te rapporteer oor die Vrymesselary" (Art. 84) is benoemd.

Als redakteur van „The Christian Cynosure", 'n maandblad uitgegeven door de National Christian Association hier in de Vereenigde Staten van Noord Amerika, dat geheel gewijd is aan de bestrijding van de Vrijmetselarij, stel ik innig belang in de werkzaamheden der Gereformeerde Kerk in Zuid Afrika te dezen opzichte.

De „National Christian Association" bestaat uitsluitend voor dat doel en is niet iets nieuws, maar heeft dien strijd reeds vijfenzeventig jaren gevoerd. Alhoewel er personen verbonden zijn aan deze vereeniging, die niet bij de Gereformeerde Kerken behooren, toch ontvangt zij haar grootsten steun van de mannen der Reformatie. Ook schrijver dezes is niet slechts bij opvoeding of kweeking — maar bij overtuiging Gereformeerd.

Reeds voor jaren mocht ik strijden hier in Amerika voor een TERUGKEER TOT DE GEREFORMEERDE BEGINSELEN. Behalve artikelen in enkele der Gereformeerde Kerkbladen, zooals „The Banner" en „Wachter" der Chr. Ger. Kerk, „The Leader" (nu „The Intelligencer-Leader") der Reformed Church in America, „Christianity Today" der Orthodox Presbyterianen en op verzoek van Dr K. Schilder van Kampen, Nederland, nu ook een serie voor „De Reformatie" (wordt binnenkort gepubliceerd, K. S.), v/erden ook verschillende vlugschriften, ten doel hebbende het zuiveren van onze Gereformeerde Kerken van dwaalleeringen daarin geslopen, in het licht gegeven. Onder laatst genoemde ook een pamphlet getiteld: „Freemasonry Antithesis of the Christ". Dit is nu reeds in de tweede druk.

Verleden jaar mocht ik een vereeniging tot stand brengen in Engeland ter bestrijding der Vrijmetselarij, sprak ook te Edinburgh, Schotland op het Calvinistisch Congres, trad in Nederland op in verschillende plaatsen en stelde mijzelf voorts in contact met de Europeesche leiders van het Calvinisme, zooals: Prof. Lecert van Parijs, Drs Aalders van de Vrije Universiteit te Amsterdam en Schilder van Kampen, Buffinga van Rotterdam, Sebestjen van Budapest, Dr Kuyper van Bloemendaal, Ds Jansen van den Haag (van Leger en Vloot), enz., enz.

Al dit slechts bij wijze van introductie en niet van zelfaanprijzing; alleen om U te toonen welke de strijd is, welke wij hebben aangebonden in den Naam des Heeren, als Wachter op Zion's muren.

Dit schrijven heeft ten doel U de hulp aan te bieden welke de National Christian Association U kan geven in de verspreiding van vrije lectuur tegen alle met eeden verbonden geheime genootschappen. Voorts om Uw aandacht te vestigen op ons maandblad waarvan wij U een vrij exemplaar hopen te zenden ter inzage, maar ook om den ouderlingen band welke er tusschen U en ons als Calvinisten - bestaat, te sterken en ook om Uw zedelijken steun in te winnen voor onzen strijd ter zuivering der Kerk.

Wij belijden te gelooven in EEN HEILIGE ALGE- MEENE CHRISTELIJKE KERK, niet waar? Uw strijd is de onze en de onze ook de Uwe. En alhoewel landen en zee-en ons van U scheiden, toch willen we op deze wijze den band der Christelijke gemeenschap doen voelen. •

Gaarne willen we vragen, die U ons mocht stellen, beantwoorden. Vooral in deze dagen van beroering op alle terrein des levens is het noodzakelijk, dat de Kerk van Jezus Christus zich openbaart als levend getuige. Met broeder groeten en heilbede de Uwe in Zijnen dienst:

dienst: GERARD M. VAN PERNIS,

Predikant bij de Gereformeerde Kerk te Clifton, New Jersey, U.S.A.

Een klein bewijs, dat er op het oogenblik in de wereld, ook in de kerkelijke samenleving^ wel wat beters te doen is, dan elkaar uit te sluiten op grond van enkele losse uitspraken inzake een probleem als de gemeene gratie, waarover, tenzij wat de grondgedachte betreft (Gods welbehagen in het kreatuurlijke leven) onder de gereformeerden nog volstrekt geen communis opinio bestaat, en waarbij het nog maar gebleven is bij enkele in zichzelf en ook onderling vaak tegenstrijdige pogingen tot het onder- woorden brengen der openbaring Gods.

Ik hoop daarom, dat de Prot. Ref. Church twee dingen zal doen: in Amerika de hand der verzoening uitsteken, en den Geref. Kerken van Nederland intusschen correspondentie voorstellen. Want deze kerken bestaan gelukkig niet bij de gratie van een deputatenregeering, hebben zich niet in te laten met amerikaansche kwesties, evenmin als de Chr. Ref. Church het deed ten aanzien van de verhouding Geref. Kerken—Chr. Geref. Kerk in Nederland, en zullen toch uit eigen oogen willen zien.

Het gaat in spreken en zwijgen niet om succes, maar om zegen, en daartoe in eerster instantie ook om het ontlasten van de consciëntie. Mede daarom schreef ik dit artikel. Ik wacht daarop voorloopig geen „succes". Ik ben evenwel ten aanzien daarvan wèl verzekerd van Gods zegen. Op den duur geeft deze ook succes.

K. S.

I& edeileeling.

Naar aanleiding van een meeningsgeschil, dat tusschen hen gerezen was ten aanzien van wat in „De Heraut" no. 3071 (29 Nov. 1936) en daarna in „De Reformatie" geschreven is, hebben ondergeteekenden één dezer dagen over en weer hun standpunt uiteengezet. Deze uiteenzetting heeft er tot onze blijdschap toe kunnen leiden, dat het tusschen ondergeteekenden dienaangaande gerezen geschil tot wederzijdsch genoegen als geëindigd kan worden beschouwd.

Dr H. H. KUYPER. Dr K. SCHILDER.

De scheuring in Amerika.

Nu de generale synode van Sneek haar zittingen gedurende eenigen tijd heeft moeten onderbreken, teneinde de „groote stukken" vooraf in de commissies te kunnen laten afhandelen, zal ik trachten, mijn reeks te heropenen. Onder het voorbehoud, dat ik de vrijheid heb, desnoods hier en daar te onderbreken, want de arbeid, die in de commissie der synode betreffende de „meeningsgeschillen" ook van mij gevraagd wordt, zal me toch het werk wel bemoeilijken.

Onze lezers zullen zich herinneren, dat ik aan ds Zwier de vraag stelde, hoe naar zijn meening de uitspraak van de synode van Kalamazoo nu officieel te lezen was. Letterlijk sprak die synode niet meer uit, dan dat er behalve de zaligmakende genade Gods ook een zekere „gunst of genade Gods is, betoond aan zijn schepselen in het algemeen". In de inleiding van deze formule evenwel werd ook gerept van „een gunstige gezindheid Gods jegens de menschheid in het algemeen". Mijn vraag was nu, of die „gezindheid" ook te rekenen viel tot de officiëele belijdenis der synode, ja, dan neen.

Ds Zwier was zoo vriendelijk, op mijn vraag te antwoorden. Voor we verder gaan, is het dus noodig, zijn antwoord op te nemen. Ik verwijs daarvoor naar „Pers-

schouw".

K. S.

Doel van Theologische Faculteit en Theologische Hoogeschool.

Prof. Dr H. H. Kuyper kwam Donderdag 28 Sept. j.l. te Sneek ook weer met het oude zeggen, dat het doel eener Universiteit was de wetenschap, en dat van de Theologische Hoogeschool opleiding, alsof deze twee aan beide inrichtingen ooit te scheiden zouden zijn, en niet onafscheidelijk vereenigd waren, althans wat de Theologie in waren zin betreft, en alsof niet èn de Hoogeronderwijswet het anders bepaalde, èn Dr A. Kuyper Sr en Dr H. Bavinck het allang anders voorgesteld hadden.

Art. 1 van de Hoogeronderwijswet luidt: „Hooger onderwijs omvat de vorming en voorbereiding tot zelfstandige beoefening der wetenschappen en tot het bekleeden van maatschappelijke betrekking, waarvoor eene wetenschappelije opleiding vereischt wordt".

Geene scheiding derhalve hier tusschen wetenschapsbeoefening én opleiding, maar verbinding. Hooger onderwijs omvat de vorming en voorbereiding niet alleen tot zelfstandige beoefening der wetenschappen, maar ook tot het bekleeden van maatschappelijke betrekkingen, waarvoor eene wetenschappelijke opleiding vereischt wordt. Beide gaan hand aan hand. Het is hierbij niet: of... óf, maar: én... én.

En terecht. God heeft het leven zoo geschapen en geordend, dat kennen en kunnen nauw aan elkander verbonden zijn, het kennen voor het rechte kunnen vereischt wordt, en het rechte kennen tot beter kunnen in staat stelt.

Het Doopersche dualisme loochent dit verband, en acht daarom wetenschappelijke opleiding voor den dienaar des Woords niet noodig. Maar de Gereformeerde beschouwing heeft altoos dergelijke dualistische gedachte verworpen, en de wetenschappelijke opleiding van de dienaren des Woords als regel gesteld.

Reeds in den Heidelbergschen Catechismus wordt als inhoud van het vierde gebod aangegeven: dat de scholen onderhouden worden, antw. 103. En hij heeft daarbij in de eerste plaats het oog op scholen tot opleiding voor de bediening des Woords.

In dien-geest werd ook bij het „beding" bepaald, dat men niets mocht laten vallen van den eisch van - wetenschappelijke ontwikkeling, en verklaarde men van deze ontwikkeling, en voegde er tot nadei'e bepaling aan toe: „die steeds door de Gereformeerde Kerken gesteld is". Als ter versterking zeide men in 1893 daar nog bij: „de vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie".

Geene tegenstelling dus tusschen wetenschapsbeoefening en opleiding, maar onafscheidelijke verbinding, en wel krachtens Gods schepping en regeling van het menschelijke leven.

Geen Doopersch dualisme, zooals dat in het stellen van wetenschapsbeoefening en opleiding tegenover elkander of los naast elkander, nog nawerkt en uitkomt, maar Gereformeerd ook in zijn wetenschaps- en opleid dingsbeschouwing. : ; ; _5^|^||

Wetenschapsbeoefening en opleiding zijn niet-T^anelkander te scheiden of zonder de nauwste verbinding naast elkaar en tegenover elkander te stellen, en ten minste niet op het gebied der wezenlijke Theologie. Naarmate hier de wetenschap beter beoefend wordt, grondiger, degelijker, de wetenschap der Theologie, naar die mate wordt ook te beter opgeleid tot de bediening des Woords. De beste opleiding vordert hier de beste wetenschapsbeoefening.

Ook de eischen en de praktijk van het leven maken het beweren van beoefening van wetenschap los van opleiding, en omgekeerd, louter leeg gepraat en inhoudloos woordengeschei'in. Eene school of universiteit enkel voor beoefening van wetenschap, zonder tevens opleidingsinstiuut te wezen, is onmogelijk, kan niet bestaan. Daarvoor geven de menschen hun geld niet. En daarheen begeven zich geen studenten. Hoeveel wordt er ook tegenwoordig geklaagd, dat Hoogescholen en Universiteiten niet genoeg opleiding geven.

In de Tweede Kamer sprak Dr A. Kuyper Sr in Dec. 1897: „Bij de Universiteit moet onderscheid gemaakt worden tusschen haar tweeledig karakter, als zijnde in de eerste plaats eene school voor de opleiding van studenten voor beroepen in het leven; en als hebbende in de tweede de roeping om te zijn, als ik het zoo mag uitdrukken, een groot-laboratorium voor de wetenschap". Ook Dr A. Kuyper Sr scheidt dus niet wetenschapsbeoefening en opleiding aan de Universiteit, noch stelt hij die naast of tegenover elkander, maar hij verbindt die ten nauwste, al onderscheidt hij ze, en stelt als eerste doel der Universiteit opleiding voor beroepen in het leven.

Met hersenschimmige, van het leven losgemaakte, ongereformeerde, voorstellingen vorderen we niet. Zij doen schade, en moeten verworpen worden. „Wie eenig besef heeft van de ontzaglijke uitbreiding der wetenschap in den tegenwoordigen tijd, weet, dat al onze Universiteiten hoe langer hoe meer in vakscholen uiteenvallen, die bijna door geen anderen dan een uitwendigen band nog eenigszins met elkander vereenigd zijn", schreef Dr H. Bavinck reeds vóór 40 jaar, in 1899, „Het recht der Kerken en de Vrijheid der Wetenschap", blz. 35. En sedert is het er in dat opzicht niet beter op geworden.

En daarom weg met die ongereformeerde, Doopersche, tegenstelling: eene Universiteit is er voor de beoefening van wetenschap, maar de Theologische Hoogeschool voor de opleiding. Zij is onjuist en onwezenlijk, in strijd met de waarheid en werkelijkheid. Juist ook het verzet van den kant der Vrije Universif|eit tegen de instelling van het promotierecht aan de Tiieologische School te Kampen kan doen zien, dat het aan de Vrije Universiteit maar niet gaat om de wetenschap. Men ziet ook hierbij op mogelijke practische gevolgen dier instelling mede voor de Vrije Universiteit. In de geuite vrees van Prof. Dr H. H. Kuyper op de Synode op 28 Sept. j.l., voor schade van de vermeende belangen der Vrije Universiteit, en in zijne vreesaanjaging dienaangaande, waarover ik schreef in mijn artikel „Het beding" enz.j komt dat duidelijk uit. -i ^ , , . •., ••...

Theologische Faculteit der V.U. en Theol. Hoogeschool zijn in wezen dan ook niet verschillend, maar als onderwijsinrichtingen aan elkander gelijk van karakter. Zij zijn verschillend in hare verhouding tot de Gereformeerde Kerken. En zij zijn onderscheiden in bestuurders, en in andere bijkomstige omstandigheden. Maar zij zijn eigenlijk niet eens aan elkander ongelijk in bronnen voor onderhoudskosten. Want de uitgaven voor de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit komen evenzeer als die voor de Theologische Hoogeschool te Kampen grootendeels uit collecten van de Gereformeerde Kerken. Doch in karakter als onderwijsinrichtingen zijn zij niet wezenlijk onderscheiden. „Het is onjuist", schrijft Dr H. Bavinck, „dat een Theol. faculteit er alleen zijn zou voor de wetenschap, en een Theol. School alleen voor de opleiding. Beide zijn niet te scheiden, noch in de theorie noch in de werkelijkheid. Eene Theol. School kan naar den eisch der Geref. beginselen niet waarlijk en ten volle opleiden tot den dienst des Woords, tenzij zij ook in wetenschappelijlien zin de Theologie beoefene. En eene Theol. faculteit kan de Theologie niet beoefenen en doceeren, tenzij zij van het begin tot het einde ook

rekening houde met het practisch doel, waarvoor de studenten zonder uitzondering en zelfs in de eerste plaats de hoogeschool bezoeken, n.l. straks werkzaam te zijn in den dienst des Woords. Meer dan tijd is het daarom, dat heel deze tegenstelling verdwijne. 01 een Theol. School of eene Theol. faculteit in waarheid een wetenschappelijk karakter draagt en goede leei-aren vormt, hangt niet daarvan al, of ze een school of een faculteit zijn, maar hangt af van het gehalte der Hoogleeraren en der studenten", „Theologische School en ' Vrije Universiteit", 1899, blz. 46/47. Ondanks dit reeds vóór 40 jaren geschreven werd, hebben de redevoeringen ter Synode 'op Donderdag 28 Sept. j.l- kunnen doen zien, hoevele Professoren en Doctoren en anderen nog in hun denken door deze verkeerde tegenstelling beheerscht worden. „De Theol. School... mag zich volstrekt niet alleen bezig houden met de practische opleiding tot den dienst des Woords, maar moet daartoe, volgens de uitdrukkelijke bepaling der kerken, zich ook toeleggen op de wetenschappelijke beoefening der Theologie", blz. 62. „...evenmin wordt de Theol. School voor de taak, om de Theologie wetenschappelijk te beoefenen, daardoor minder bekwaamd, wijl zij een eigen inrichting der kerken is in bovengenoemden zin", blz. 63, d.i. in dezen zin, dat zij „door de kerken opgericht is, door haar onderhouden en verzorgd wordt, en dan voorts op eigen terrein en binnen eigen kring een bijzonder karakter draagt, een eigen leven leidt en eene zekere mate van zelfstandigheid bezit", blz. 43. „Tot het wezen eener Theol. School behoort ook niet, dat zij door eene kerk wordt opgericht. Zij kan even goed gesticht worden, en is menigmaal ook door de Overheid gesticht, en natuurlijk ook door particulieren. Het wezen van eene Theol. School ligt alleen daarin, dat 2ij op zichzelve staat, zonder verband met de andere faculteitswetenschappen aan eene Universltei t". Dr H. Bavinck, „Het Recht der Kerken", enz., blz. 34. (Spatiëering van mij, S. G.)

Daarom bezit de Theologische Hoogeschool te Kampen in zichzelve evenzeer het recht om hare studenten na een behoorlijk goed afgelegd examen te promoveeren tot candidaat in de Theologie en tot doctorandus en tot doctor in de Theologie, als de Theologische Faculteit aan de Vrije Universiteit. Dat recht ontleent zij niet aan de Kerken, evenmin als de Theologische Faculteit dat recht ontleent aan de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, en evenmin als de Theologische Faculteiten der Rijksuniversiteiten dat recht ontleenen aan den Staat of de Overheid. Dat recht hebben hare Hoogleeraren in zichzelven als mannen van wetenschap en doctoren in de Theologie. En als college van Hoogleeraren oefenen zij dat recht uit bij de promotie hunner studenten tot candidaat in de" Theologie; en zouden zij dat doen bij de promotie dier studenten tot doctorandus en doctor in de Theologie. Maar natuurlijk moeten de Kerken eerst toestemming en opdracht aan die Hoogleeraren of het College van Hoogleeraren verleenen om aan hare School dat hun recht uit te oefenen, evenals de Overheid aan de Hoogleeraren of de Faculteiten harer Universiteiten eerst toestemming en opdracht verleenen moet om van hun recht tot promoveeren (tot candidaat, doctorandus, doctor) aan hare Universiteiten gebruik te maken. En zoo ook ten aanzien der Vrije Universiteit.

De zaken liggen hier zoo eenvoudig. Vreemd, dat zelfs vele Professoren en Doctoren hierin de dingen niet recht schijnen te kunnen zien, en zeggen: de kerken kunnen het recht tot promo veeren niet verleenen, want dat bezitten zij niet.

Dat zeide ook de Synode te 's-Gravenhage in 1914, geleid door mannen als Dr A. Kuyper Sr, Dr H. Bavinck e.a. Alsof dat werd gevraagd, en alsof dat de zaak ware. Moge ook soms eenig verzoek wat minder juist geformuleerd zijn, ' wetenschappelijke mannen en eene Synode dienen te kunnen zien, waarom het in wezen gaat, wat bedoeld wordt. Door dat niet te doen, heeft de Synode te 's-Gravenhage in 1914 eene uitspraak in dezen gedaan, die zoo goed als niemand onzer betwist, althans nu niet, maar de eigenlijke quaestie ook zonder antwoord gelaten. En daarom heeft zij in dezen allerminst eene of de principiëele beslissing te dezer zake gegeven. Z ij heeft de zaken in dezen niet naar behooren en recht onderscheiden, en hare uitspraak wat deze zaak betreft, hoe juist ook in zichzelve, was er naast, raakte de eigenlijke quaestie niet. Van eene Synode wordt niet gevraagd een recht te verleenen, dat zij niet bezit, het recht om te promoveeren, hetzij tot candidaat, hetzij tot doctor, maar enkel om aan het College van Hoogleeraren aan hare Theologische School of Hoogeschool verlof en opdracht te geven van zijn of hun recht als wetenschappelij k college of wetenschappel ij ke mannen gebruik te maken tot betere opleiding der studenten tot den dienst des Woords, gelijk ook de Overheid niet het recht tot promoveeren verleent, dat zij evenmin bezit en evenmin kan verleenen als de Kerken, doch enkel aan de Hcogleeraren ' of Faculteiten harer Universiteiten verlof en opdracht verleent tot promoveeren hunner of harer studenten tot candidaat of doctor. En wederom aldus ten aanzien van de Vrije Universiteit.

Heel het betoog van onderscheiden mannen ter Synode op Donderdag 28 Sept. j.l., dat de Kerken het recht tot promoveeren niet kunnen verleenen, en hun beroep op de uitspraak der Synode te 's-Graven­ hage van 1914, was er dan ook naast, ging aan de quaestie voorbij. en

Het staat in dezen ook met het promoveeren tot candidaat niet anders dan met dat tot doctor. Wie het recht tot dit laatste mist, mist het recht ook tot het eerste. En omgekeerd. De Kerken missen zoowel het een als het ander, gelijk ook de Overheid, en evenals de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag. Maar alle drie hebben gelijkelijk het recht om aan de Professoren harer Hoogescholen of Universiteiten, of aan het College van Hoogleeraren en aan de Faculteiten harer Hoogescholen, verlof en opdracht te verleenen, van het recht, dat deze Hoogleeraren of Colleges of Faculteiten in zichzelven hebben als gedoctoreerden of wetenschappelijke Colleges, gebruik te maken tot betere bereiking van het doel, waartoe zij die Hoogescholen of Universiteiten hebben opgericht en onderhouden.

Als men de dingen te dezer zake maar onbevangen wil bezien, heeft men geene moeilijkheid, en kan men ze duidelijk aanschouwen en onderkennen.

Wie het recht om aan de Theologische Hoogeschool té Kampen de studiën tot doctoraal en tot doctor voort te zetten en te leiden, betwist, moet evenzeer betwisten het recht om aan haar de studiën te beoefenen en te leiden tot candidaatsexamen. De candidaatsstudiën en het candidaatsexamen zijn evenzeer wetenschappelijke studiën en een wetenschappelijk examen als de doctorale studiën en examens. Weigering dus van deze laatste als in strijd met liet karakter der Theologische Hoogeschool als opleldingsinrichting moet vanzelf en logisch leiden tot ontzegging van het recht aan die school om daar wetenschappelijke studiën voor en tot het candidaatsexamen te doen en te leiden, en om daar het wetenschappelijk candidaatsexamen af te nemen. En dit moet dus voeren tot het voorstel om deze School te Kampen op te heffen.

Men moge dat ontkennen en niet kunnen inzien, of weigeren het te erkennen. Er zijn zoovele inconsequenties en onbegrijpelijkhèden in de menschenwereld. Maar de zaak verandert er niet door.

Wie de voortzetting der studiën aan de Theologische School te Kampen tot doctoraal en doctor weigert toe te staan, is in principe, hoezeer ook onbewust en onbedoeld, een tegenstander dier School, die logisch hare opheffing zou moeten voorstellen.

S. GREIJDANUS.

De Kleine Catechismus van Zacharias Ursinns. (XIX.)

96. Waarom is de aanroeping Gods voor de Christenen noodzakelijk f

Ten eerste, omdat het 't voornaamste stuk der dankbaarheid jegens God is, zonder hetwelk het waar geloof niet bestaan kan.

Daarna, omdat God den Heiligen Geest, de eeuwige zaligheid en a, lles wat hiertoe dient, niet geven wil aan hen, die Zijn gaven verachten of niet erkennen, maar aan hen, die ernstig en aanhoudend smeeken, en Hem daarom verheerlijken.

97. Welke aanroeping behaagt God en wordt door Hem verhoord?

Wanneer wij van den eenigen waarachtigen God, in den naam van Christus, al wat Hij bevolen heeft van Hem te verlangen, met een ongeveinsd verlangen des harten begeeren, uit een waar gevoel van onze nooddruft, en met een vast vertrouwen, dat wij door Hem zullen verhoord worden, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

98. Wat wil God, dat van Hem begeerd wordt?

Alle geestelijk en lichamelijk goed, voor zoover het Zijn roem en onze zaligheid dient, hetwelk Christus in de zes beden samengevat heeft in het gebed, dat Hijzelf Zijn discipelen geleerd heeft.

99. Welk is dat gebed?

Onze Vader, die in de hemelen zijt, etc. G. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's