GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Burgerlijk recht en Kerkrecht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Burgerlijk recht en Kerkrecht

19 minuten leestijd

In aansluiting aan mijn brief van 13 Maart j.l., (zie De Reformatie van 24 Maart j.l. Nogmaals: De Rechter), die evenals hetgeen hier volgt als ingezonden stuk kan worden beschouwd, leek het mij goed, ook in verband met den gang van zaken tijdens en na de vrijmaking, eenige belangrijke punten uit de jurisprudentie nader te bekijken; in dezen vorm kan dit slechts summier geschieden. De stof zelve is m.i. belangrijk genoeg voor een dissertatie.

Het eerste moment, waarbij ik wou stil staan, is het arrest van den Hoogen Raad van 2 Januari 1846 W. 1846. Dit geeft de volgende belangrijke rechtsoverwegingen (de spatieeringen zijn van mij, L. R.) :

„In het algemeen zijn voor de leden van e 1 k zedelijk lichaam en maatschappij, zonder onderscheid, verbindend de instellingen en reglementen van bestaan en werking (in casibus de Kon. Synodale besluiten der Herv. Kerk en de verordeningen omtrent het Israelietisch kerkgenootschap), door de zedelijke lichamen of maatschappijen zelven opgevolgd, nageleefd en bevestigd, onverschillig welke de oorsprong dier instellingen en reglementen moge zijn en al mochten die in onbevoegde beschikkingen van derden bestaan.

Zonder de aanneming en vasthouding van dit rechtsbegrip, zouden altijd door individueele opsporing en bestrijding van den min of meer regelmatigen oorsprong, ook zelfs van constitutioneele Staatsinstellingen, of ook van den oorsprong van alle maatschappelijke vereenigingen, alle maatschappelijke banden en alle wettigheid van gezag kunnen worden bestreden, ook vaji gevolgtrekking tot gevolgtrekking, zelfs van dat gezag, waar men de toevlucht tot handhaving van zijn vermeend recht oordeelt te moeten nemen.

Dit een en ander sluit echter, in het algemeen, geenszins de bevoegdheid uit, om de verbindende kracht van verordeningen of reglementen ook uit hunnen oorsprong te betwisten, op grond, dat zij, of door een onbevoegd gezag zijn verordend en eigenmachtig uitgevaardigd, terwijl zij a 1 1 e e n van de wet afkomstig konden zijn, of dat zij, wat hun inhoud betreft, strijdig zouden zijn met bepaalde grondwettige instellingen; die onbevoegdheid of die strijdigheid echter, en alzoo de schending van die grondwettige instellingen moet dan ook bepaaldelijk worden aangewezen, en wel in een instantie van cassatie ten civiels, met een bepaald beroep op de artikelen der wet, wier schending beweerd wordt".

Wij maken bij deze uitspraak eenige aanteekeningen:

1. De Hooge Raad heeft hier een uitspraak gedaan, die niet alleen voor de kerken geldt, doch voor alle zedelijke lichamen, dus b.v. ook voor een onderlinge verzekeringmaatschappij, een pensioenfonds, een ziekenhuis, een kloosterorde. Deze uitspraak is kennelijk gevolgd door Rechtbank Nijmegen van 4 Mei 1852 W. 1350: „Het reglement eener broederschap is verbindend voor de leden, wanneer het gedurende twee jaren en langer is opgevolgd, ook dan, wanneer niet blijken mocht, dat de directie bevoegd was geweest om het te maken en uit te voeren". Hieruit blijkt, dat in beginsel voor de kerken geen speciaal burgerlijk recht geldt, dat op andere gemeenschappen niet van toepassing zou zijn. Dit blijkt ook 'uit de uitspraak van hetzelfde rechtscollege van 29 Dec. 1911, waarop wij nog nader terugkomen. Wij concludeeren hieruit, dat bij het nemen van kerkelijke beslissingen mee moet wegen, zonder nochtans het daarvan te laten afhangen, welke de gevolgen kunnen zijn ten aanzien van de stoffelijke bezittingen van de kerk. De ambtsdragers zijn in deze verantwoordelijk voor de offers door de gemeenten uit liefde tot Christus aan haar geschonken en hetzelfde geldt ten aanzien van niet-direct-kerkelijke goederen, zooals de bezittingen van de Theologische Hoogeschool. Men bagatelliseere dus noch het kerkrecht, noch het burgerlijk recht!

2. Al kunnen er zeker wel gronden worden aangevoerd voor de stelling, dat genoemde beslissing niet juist is, zie ook hierna punt 6 (men denke er b.v. aan, dat het onzedelijk is, dat onrecht na verloop van tijd stilzwijgend in recht kan veranderen en dat men zich voor zijn geweten niet aan, dergelijk „recht" gebonden mag achten), toch beteekent dit niet, dat genoemde beslissing daarom allèèn al onrechtvaardig moet zijn. Een rechter kan voor de vraag komen te staan welke rechtsbelangen het zwaarste moeten wegen en zoo heeft hier — als wij den rechter in de ver­ vulling van zijn taak ernstig moeten nemen en niet bevooroordeeld door de opvattingen van zijn tijd — kennelijk het belang der rechtszekerheid (zie de tweede geciteerde overweging) den doorslag gegeven, terwijl het daarnaast toch wel gemotiveerd is, dat men „geoordeeld is naar zijn eigen wet", d.i. naar de reglementen, die men zelf als vast en bondig, hoe dan ook, had aangenomen. Dit geheel past in het systeem van ons privaatrecht, want geldt b.v. ook voor gemaakte overeenkomsten, die in beginsel degenen, die ze hebben aangegaan, tot wet strekken. Ook statuten zooals de Kerkenorde vallen volgens de heerschends leer onder die overeenkomsten. Tot wet: d.w.z. de rechter mag de wet niet wijzigen, dat behoort de wetgever, n.l. de partijen of het bevoegde orgaan, te doen als het noodig is. De rechter mag niet verder gaan dan toepassen en daartoe uitleggen van overeenkomsten en statuten.

3. Een wijzigingsrecht van de statuten is dus van het grootste belang. Wanneer een synode onbevoegd de kerkwet verandert, zooals in onze dagen is gebeurd door binding aan een ook door de burgerlijke rechter te constateeren verkeerde uitlegging van de kerkenorde (b.v. artt. 31, 79 en 80) en de kerken blijven zwijgen, maar voeren het ondertusschen uit, al waa dit alleen maar door een negatieve daad van het gesloten houden van kansels, dan is het goede oude kerkrecht verloren, zelfs als de besluiten boven alle twijfel verheven door onbevoegden zijn genomen, b.v. doordat de zittingsduur verstreken is (men leze hierover hetgeen er ten tijde van de vrijmaking geschreven is over „ordinairlijk" in art. 50 K.O.). Dit valt duidelijk uit de geciteerde uitspraak te concludeeren. Daarentegen kan een minderheid, die neen durft te zeggen en daarnaar ook te handelen de meerderheid van haar dwaalweg redden. De heerschende leer in ons geldende burgerUjk recht is nog steeds, dat ieder besluit dat tegen de statuten (in het kerkrecht de kerkenorde) ingaat niet alleen nietig en van onwaarde is voor hen, die er nadeel van hebben ondervonden, doch absoluut nietig, dat dus een ieder zich op die nietigheid kan beroepen. In concreto: als een synode alle kerken wil binden waar en wanneer niet te binden valt, zal het voldoende zijn als één kerk deze nietigheid (eventueel in rechte) laat vaststellen. Ook de andere kerken kunnen dan de besluiten negeeren. Voeren zij ze echter uit en leven ze er naar, dan loopen zij ernstig gevaar, dat zij de nietigheid te hunnen opzichte bekrachtigen, waardoor weer onrecht in recht verandert en dus ten opzichte van de bekraohtigers de geldigheid van de in-zich-zelf nietige besluiten moet worden aangenomen.

4. De uitzondering in de derde rechtsoverweging heeft betrekking op het geval, dat de unaniem aanvaarde (eventueel op onbevoegde wijze tot stand gekomen) nieuwe statuten (kerkenorde) in strijd komen met een staatswet (dat is dus iets anders als in punt 2 genoemd dat de statuten p a r t ij e n tot wet strekken). Voorbeeld: De staatswet verbiedt en verklaart nietig alles wat in strijd is met de openbare orde en goede zeden. Dit zal b.v. het geval kunnen zijn wanneer het eene lid anders dan om bijzondere redenen meer rechten heeft dan het andere, m.a.w. indien de gelijkheid onder de (kerk) leden willekeurig wordt doorbroken. Ook in een statutaire regeling zelve kan dit voorkomen, eerder echter in de uitvoering daarvan. Het laatste doet zich b.v. voor, wanneer door middel van onrechtmatige belemmering in de uitoefening van iidmaatschapsrechten (b.v. door ongegronde schorsingen) een bepaalde stemming verkeerd wordt beïnvloed en op deze wijze een statutenwijziging wordt doorgevoerd.

Dit „in strijd met een staatswet" beteekent niet, •dat alles wat als zoodanig is tot stand gekomen nu ook niet geldt. Verwezen zij daarvoor naar de uitspraak van den Hoogen Raad van 17 April 1903 W. 7913, luidende: De ministerieele beschikking van 30 Oct. 1848 en de art. 91—98 van het reglement voor de Synodale ringen binnen het Koninkrijk der Nederlanden van 20 September 1821 waren als wettelijke regelen in strijd met art. 1 der wet op de kerkgenootschappen en zijn dus bij art. 14 dier wet afgeschaft; dit sluit niet uit, dat zij binnen den kring van het kerkgenootschap als kerkelijk statuut nog kunnen worden erkend en geëerbiedig d".

5. Het slot van de derde rechtsoverweging heeft betrekking op den regel van procesrecht, dat in cassatie, d.w.z. bij de behandeling door den Hoogen Raad, die de uitspraken van lagere rechters slechts toetst aan het geldende Nederlandsche recht en niet opnieuw de feiten onderzoekt, niet kan worden opgekomen tegen schending of verkeerde toepassing van reglementen van een zedelijk lichaam. Dit is door den Hoogen Raad herhaaldehjk beslist, ca. 2 Januari 1903 W. 7859, eveneens ten aanzien van een reglement op het beheer der goederen en fondsen van een kerkelijke gemeente d.d. 18 Mei 1893 W. 6347, en ook nog vrij recent, 23 Januari 1948 N. J. 1948 no. 431 ten aanzien van dfe Dordtsche Kerkenorde.

Het gevolg van dit principe is, dat de onbevredigende toestand kan ontstaan en in de zaken van de vrijmaking ook is ontstaan, dat er geen eenheid is in de uitlegging in hoogste rechterlijke instantie van de geldende statuten (kerkenorde). Deze uitlegging en toepassing beschouwt de Hooge Raad als een feitelijke kwestie, waaraan hij niet te pas kan komen. De beslissing over de uitlegging van de kerkenorde geschiedt daardoor in hoogste instantie door de Gerechtshoven, die in Nederland vijf in getal zijn. In het eene ressort is de uitlegging van de kerkenorde anders dan in het andere ressort. In rechtskringen wordt dit als een leemte in ons Nederlandsche privaatrecht beschouwd en zou men haar wel willen ondervangen. Er schijnt dan ook al volgens persberichten een wetsontwerp daartoe te zijn aangekondigd. Onze Deputaten voor correspondentie met de Hooge Overheid dienen hier wel zeer diligent te zijn. Een dergelijk ontwerp kan er naar wij sterk vermoeden op neer komen, dat het voortaan wordt: alles of niets. De goede privaatrechtelijke regel, dat verkregen rechten behooren te worden geëerbiedigd, zal o.i. echter ook hier moeten gelden, billijkheidshalve eveneens ten aanzien van thans bij de rechter aanhangige geschillen. Het is n.l. niet fraai, als tijdens een proces de wet veranderd wordt. Voorts zal een dergelijke wet o.i. geen lex speöialis (bijzondere regeling) mogen zijn voor den rechtsstrijd in de gereformeerde kerken, doch zal zij een zeer algemeene strekking moeten hebben en dus gelden voor het geheele vereenigingsrecht. Het zal hier wel weer blijken, dat het gemakkelijker is een leemte in het recht te constateeren dan haar te ondervangen, te meer nu rechten van kerken daarbij in het geding zijn, waarvan de regeling voor de staatswetgever toch altijd een teere aangelegenheid moet zijn in kerkelijk verdeeld Nederland.

6. Hoewel het ons bij dit commentaar vooral gaat om het geldende rechten de toepassing daarvan (jus constitutum), die onze verantwoordelijkheid vandaag bepalen, is het niet ondienstig hier even te wijzen op de critiek, die op de beslissing is uitgebracht, zooals deze vermeld wordt door Mr. S. Sybenga in zijn werkje over de Afscheiding en het Reglement van 1816. Deze Wijst op de objectie van Mr. Heineken, dat een daadwerkelijke aanneming van de bij het reglement gemaakte instellingen niet mogelijk is geweest omdat bij de vaststelling van het reglement het Kerkgenootschap niet bestond en niet in de mogelijkheid was zich te verklaren. Bovendien had, om de aanneming beteekenis te doen hebben, gelegenheid gegeven moeten zijn om bedenkingen in te brengen; en deze werd niet gegeven. En toen het Hervorinde Kerkgenootschap bestond, dankte het zijn bestaan niet aan eigen kerkelijke krachten, maar aan opgedrongen regeeringsvoorschriften. Wilsverklaringen van een aldus opgericht Kerkgenootschap konden, ook al mochten zij rebus ipsis et factis tot uitdrukking zijn gebracht, niet als wilsverklaringen van een vrije vereeniging worden beschouwd. Ook volgens Mr. D. P. D. Fabius, heeft het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap zich niet kunnen uitspreken tenzij daaronder waren te verstaan de afzonderlijke plaatselijke kerkelijke gemeenten. Dan zouden echter zoovele bewijsvoeringen zijn vereischt als er gemeenten waren. En indien de verbindbaarheid op vrijwillige aanvaarding of toetreding berustte, dan had ook weder afscheiding als toelaatbaar moeten zijn beschouwd. Een van de eerste bestrijders van het arrest van 1846 was J. R. Thorbecke. Volgens Prof. Mr. L. J. van Apeldoorn is de aanvaarding van de Koninklijke Besluiten door de kerk een fictie.

Intusschen is de rechtspraak, zooals uit het vervolg blijkt, aan den inhoud van haar beslissing getrouw gebleven.

VeiTvolgens moge onze aandacht verdienen het arrest van den Hoogen Raad van 20 Mei 1881, W. 4633 over de organisatie van het kerkelijk beheer te Oosterend: „nopens de bevoegdheid des konings om die regelen te stellen en die te doen gehoorzamen, moet op den voorgrond worden gesteld, dat waar hét de beslissing geldt omtrent instellingen, die het publiek recht raken, niet de engere begrippen van het privaatrecht alléén den grondslag van beoordeeling kunnen uitmaken, maar dat moet worden rekening gehouden met de feiten en met name met de verschillende toestanden, die uit Staatsomwentelingen en veranderde regeeringsvormen en bevoegdheden, die daarvan het gevolg zijn, geboren worden. Vaststaat dat sedert de Hervorming het staatsgezag in meerdere of mindere mate de aangelegenheden der kerk heeft geregeld; dat de Koning in 1816 een reglement in het leven heeft geroepen, dat, ofschoon aanvankelijk niet geheel zonder tegenspraak, niettemin later algemeen in de kerkheeft gegolden en is nageleefd, totdat in 1852 de Koning de vrije regeling aan de kerk heeft overgelaten. Daaraan doet niet af, dat de Grondwet van 1815 den Koning geen bevoegdheid gaf tot regeling; de verbindende kracht der verordeningen heeft haar oorsprong inde geschiedkundige feiten en in de steeds plaats gehad hebbende erkenning van dat gezag door aan-

neming en opvolging van allen, die daarbij betrokken waren. De summus imperans (d.i. de hoogste machtshebber in den Staat L. R.) achtte zich bij gebreke van ander bestaand, bevoegd en erkend gezag, geroepen regelingen aan zich te trekken om aan bestaande regeeringloosheid, immers onzekerheid, een einde te maken".

Wij merken hierbij op :

1. De geschiedenis is, samen met haar aanvaarding als recht, tot norm verheven en dit wordt met zooveel woorden in de uitspraak gesteld. Dit ligt in de lijn van het eerstaangehaalde arrest (tweede rechtsoverweging). Laat dit onze kerken tot waarschuwing dienen, opdat nimmer de geschiedenis tegen haar als norm kan worden gebruikt, b.v. doordat zij berust hebben in den gang van zaken tegen Gods Woord en de Kerkenorde of doordat zij een valsche tolerantie aanvaardend het onrecht tot recht voor zich hebben laten worden.

2. Slaan zij deze waarschuwing in den wind, dan behoeven zij van den rechter geen bescherming te verwachten, zelfs niet tegen onrechtmatig staatsgeweld. De rechter wil deze onrechtmatigheid nog wel erkennen zooals dit arrest leert, doch verbindt er geen gevolgen aan.

3. De erkenning van de onrechtmatigheid door den rechter is toch winst. Gemeenschappen, die christelijk willen zijn, zijn dan wel rechtens, doch niet zedehjk bevrijd ten opzichte van de verliezende partij, die zedelijk in het gelijk is gesteld. En de Zedewet moet voor haar toch alle wereldlijk recht doorbreken!

4. Laten de vaderen in hun kerkelijk leven zoo. handelen, dat de kinderen hun lasten niet zullen dragen, zooals geschied is in de Doleantie. De rechter is zijn opgestelde regels getrouw gebleven: Bij arrest van den Hoogen Raad van 15 Juni 1888 W. 5571 werd beslist: „De Nederlandsch Hervormde Kerk is een bij de Synode-reglementair georganiseerd lichaam. Zij die deel uitmaken van de zich noemende Nederduitsch Gereformeerde Kerk te Amsterdam (doleerende), die geheel staat buiten het synodaal verband der Hervormde Kerk, hebben daardoor getoond niet meer leden te zijn dezer laatste".

5. Dat de vorenstaande conclusies ook inderdaad door de lagere rechtspraak zijn getrokken moge blijken uit de volgende aanhalingen uit:

a. het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 Juni 1889, W. 5754: „Overwegende, dat op grond van het voorgaande bij gevolg ontkennend wordt beantwoord de vraag of een kerkeraad, als orgaan in die organisatie, zich aan die organisatie onttrekken kan, vermits de rechtsgeschiedenis aantoont, dat een kerkeraad, als ondergeschikt college, nimmer een dergelijke macht heeft bezeten, zoodat hetgeen de appellanten durven noemen „het onvervreemdbaar recht der gemeente om zich aan de onwettig opgedrongen organisatie te onttrekken", in de uitvoering inderdaad is revolutie". Wat zedelijk Reformatie was, wordt hier rechtens revolutie genoemd.

b. het vonnis van de Rechtbank te Utrecht, van 2 April 1890, W. 5883: „Overwegende, dat wel hier en daar, stemmen zijn opgegaan, in woord of schrift hare afkeuring betuigende met de ingevoerde organisatie, en de regeering in die dagen termen heeft gevonden die met kracht te onderdrukken, maar dat het niettemin tevens historisch vaststaat, dat althans tot het jaar 1834 a 1 de plaatselijke kerken, vertegenwoordigd door hare kerkeraden , zooals door de gedaagden in de van hen uitgegane, hierboven vermelde schrifturen, zij het ook berouwvol is erkend, zich aan dat reglement ca. hebben onderworpen en dat zij daardoor zijn geregeerd". Hier wordt eigenlijk gezegd, dat — privaatrechtelijk gesproken — de Afscheiding zelfs te laat is gekomen om de kerkelijke goederen voor Christus' ware kerk te redden.

Als derde belangrijk arrest zij gewezen op dat van 29 December 1911, W. 9272, waaruit wij overnemen:

„De kerkgenootschappen kunnen volgens dit artikel (1690 B.W.) wel hebben reglementen, die de rechten en verplichtingen hunner leden regelen, echter alt ij donder de opperheerschappij der algemeene wet, voor welke hunne bijzondere rechtsregeling heeft te wijken, tenzij die algemeene wet zelve vrijheid tot afwijking verleent. Op dit beginsel is in den tienden titel van boek IH B.W. of andere bronnen van ons burgerlijk recht voor kerkgenootschappen geen uitzondering te vinden, en deze kan ook niet uit de Grondwet of uit de wet van 10 September 1853 (die op de Kerkgenootschappen) of een andere wet worden afgeleid". Wij citeeren hier eenige passages uit Prof. Kranenburgs Staatsrecht deel n 5e druk, blz. 436 e.v.: De Hooge Raad heeft hier uitgemaakt, dat onze kerkgenootschappen zijn vereenigingen van personen, die weliswaar zijn burgerrechtelijke „zedelijke lichamen" naar art. 1690 B.W., kunnende hebben en in de Nederduitsch Hervormde Kerk hebbende reglementen overeenkomstig art. 1697 B.W., maar dat de vereeniging dier personen tevens en vooral berust op den onstoffelijken grondslag eener gemeenschap van geloofsovertuiging en geloofsbelijdenis. In die gemeenschap kan een vader zijn minderjarig kind doen inlijven, in de Ned. Herv. Kerk door het in eene gemeente dier kerk te doen doopen, maar aUeen door zijn opvoeding srecht uit te oefenen, niet krachtens zijn vertegenwoordiging srecht. De daardoor ontstane, in de eerste plaats op geloofsgemeenschap gerichte, band vermag echter na de meerderjarigheid niet te JaUjven werken, noch de daarmede onafscheidelijk verbonden burger-] ij k e werking te behouden. Geen kerkelijke inzetting als het Algemeen Reglement der Ned. Herv. Kerk is bij machte de gevolgen langer te doen duren dan het einde der opvoedingsmacht, zulks ook niet in dezen vorm, dat, zooals art. 3 van het Reglement wil, een daad noodig zou zijn om dat voortduren te doen ophouden. Op die gronden werd de vordering van de Ned. Hervormde Gemeente te 's-Gravenhage tot betaling van hoofdeUjken omslag niet-ontvankelijk verklaard.

Bij deze uitspraak wijzen wij op:

1. de belangrijkheid van de hier gegeven norm, dat volgens de gewone regelen van het burgerlijk recht, waaraan de kerkelijke reglementen ondergeschikt zijn, moet worden uitgemaakt, wie er toe behooren. Reeds vroeger, 25 Januari 1850, W. 1098, had ons hoogste rechtscollege uitgemaakt, dat een kerkgenootschap niet door zijn statuten aan een bestaande wettelijke verordening kan derogeeren en in aansluiting aan dit beginsel deed het Hof te Arnhem op 5 Januari 1911 W. 9108 deze uitspraak: „De leer der Roomsch-Katholieke Kerk, dat iemand eenmaal in die kerk opgenomen, daar nimmer kan uittreden, kan door den wereldlijken rechter niet worden aanvaard; wel zal een uittreden uit die kerk ook door dien rechter niet kunnen worden aangenomen dan op grond eener uitdrukkelijke ernstige wilsverklaring aan - de bestuurders dier kerk."

Verbüjdend is, dat dit beginsel ook tenminste eenmaal juist is toegepast ten aanzien van de acte van vrijmaking, die niet als een onttrekking werd beschouwd, zoolang de kerkeraad bij wien ze werd ingediend zich niet had uitgesproken. (Pres. Rechtbank Maastricht N. J. 44/45 no. 746, 20-10-'45). Men realiseere zich, dat uit een beslissing als laatstgenoemde volgt, dat wij privaatrechtelijk aanspraak bleven houden op den naam „Gereformeerd" en dat een domweg „onttrekken" in plaats van een „zich vrijmaken" het verspelen van rechten zou hebben kunnen beteekenen._

2. Het daardoor van toepassing geworden beginsel, dat uitvoering van kerkelijke voorschriften slechts geoorloofd is naar redelijkheid en billijkheid; waar dit dus voorkomt o.a. naar het beginsel van procesrecht, dat geen uitdrukkeUjk door het kerkrecht voorgeschreven vormen (ook vormen kunnen van groot materieel belang zijn!) worden geschonden en naar het „audi et alteram partem" (recht om gehoord te worden bij een geuite beschuldiging), waarbij ter verduideUjking nog moge worden opgemerkt, dat niet alleen vermogensrechten, doch ook andere rechten, zooals eer en goede naam worden beschermd door den burgerlijken rechter, indien zijn hulp wordt ingeroepen.

Met het vorenstaande meenen wij voldoende duidelijk te hebben gemaakt, dat er op dit terrein vele gevaren voor de kerk liggen, te meer indien men zijn verantwoordelijkheid niet beseft en van den eenigen juisten weg afwijkt, 'n Compromis is hier niet mogelijk. De geschiedenis bewijst het. Ook de geschiedenis van 1950, toen er bij de synodocraten z.g. „ruimte" is gekomen, naar op vele plaatsen den volke is verkondigd. Terwijl er nimmer een besluit is genomen, dat alle schorsingen en andere onrechtmatigheden royaal zijn teruggenomen. Laat ons kerkvolk en niet in het minst onze ambtsdragers goed beseffen, dat het nemen van een dergelijk besluit niet mogelijk was, wilden de synodocraten niet alle aanhangige procedures voor den burgerlijken rechter verliezen, omdat zij daarmede den grondslag van hun eisch c.q. verweer zouden hebben ondergraven. Dat de processen niet ter roUe zijn geroyeerd bewijst, dat er tot op vandaag in de bindingen niets is veranderd. Zonder kennis te hebben genomen van ook maar iets van al het samensprekingsgedoe kan dit uit het enkele feit, dat de processen voortgang hebben, door ieder die even nadenkt, worden begrepen. Laat men dan ook tegenover het kerkvolk en niet alleen voor den rechter zeggen, dat de bindingen nog steeds onverminderd van kracht zijn en staan voor zijn eeden van 1944!

En mogen de oogën van hen, die zeggen naar eenheid te staan, maar deze op een verkeerde wijze zoeken, mede hierdoor geopend worden, zoodat zij zich voegen bij ^e kerken, die het juk van 1944 en volgende jaren radicaal van zich hebben afgeworpen.

Mr L. ROELEVELD.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 april 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Burgerlijk recht en Kerkrecht

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 april 1951

De Reformatie | 8 Pagina's