GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„De geheele mereld gaat hem na.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„De geheele mereld gaat hem na.”

9 minuten leestijd

De Pharizeën dan zeiden onder raalkanderen: iet gij wel, dat gij gansch niet vordert? Zie, de geheele wereld gaat hem na. Joh. 12:19,

Er sprak tweeërlei in, toen de leidslieden des volks te Jeruzalem van Jezus zeiden: Zie^heelde wereld gaat hem na.

Het was vooreerst naijver en vrees voor verlies van eigen invloed, die hen zoo spreken deed. De schare moest achter hen aankomei3, en niet achter Jezus. Eu natuurlijk onder die tegenstelling stak er in dien wensch diepe zonde. Zoo toch bleken zij vlak tegen Jezus over te staan; tegenover de zake Gods hun eigen onheilige zaak te verdedigen; en de komst van Jezus' Koninkrijk niet te willen bevorderen maar verhinderen.

Het beginsel waarvoor ze streden was valsch, en bij dat valsche beginsel mengden ze nog de karakterzonde van persoonlijke heerschzucht.

Maar toch straalde er in dat zeggen ook iets door, dat zij wel onzuiver maakten., maar dat op zich zelf een van God gewilde en door Hem ons ingeschapen trek is van het menschelijk hart.

We zijn geen op zich zelf staande eenlingen. We zijn leden van een gezin, door dat gezin aan een geslacht, door dat geslacht aan een volk, door dat volk aan de menschheid verbonden; en daarom mag het ons niet onverschillig zijn, of die band trekt. Het is daarom alleszins natuurlijk, dat we, zoolang er ^d^« strijd van beginsel in het spel komt, er prijs op stellen te goeder naam en faam bekend te staan, er om geven hoe de menschen over ons denken, niet gaarne de publieke opinie tegen ons krijgen, en ons rijk gevoelen als de menschelijke sympathie ons tegenkomt. En evenzoo natuurlijk, dat, waar de strijd der beginselen w«/meespreekt, het ons niet genoeg is zelf te belijden, maar dat we alsdan ook dorsten naar medebelijders, op propaganda bedacht zijn, en juist deswege geen rust kennen, zoolang heel de wereld ons niet nagaat*

Iets waarbij het onverschillig is, of ge onder ïheel de wereld" verstaat, wat de Franschen noemen tout Ie monde., d. w. z. een ieder die er zich over uitlaat; of wel dat men den zin letterlijk opvat, en bedoelt heel onze menschheid.

Ge voelt dit terstond aan het schoone werk der zending.

Waar ge met uw Christelijke belijdenis, met uw heil in Christus, met uw kindsvreugde in God tegenover ongeloof of bijgeloof staat, is uw ijver om anderen voor de zake Christi te winnen de maatstaf voor de diepte en den ernst van uw eigen geloof.

Gij zijt dan in Christus, en met macht werkt in u de begeerte, dat heel de we'^^/i/uw Heiland naga.

Doch juist deze geestdrift van uw propaganda beoogt beide.

Eenerzijds dat in de publieke opinie, dat onder de toongevende kringen, dat op elk hooger terrein de Naam des Heeren gekend en beleden worde, en derhalve dat iedereen die meetelt zv^ aan uw zijde schare.

Maar ook anderzijds, dat alle volk en natie, dat alle staat en land, dat alle werelddeel, en alzoo dat heel de wereld Jezus achterna ga; en juist hierin wortelt alle actie voor de zending onder Heidenen, Mahomedanen en Joden.

Het niet kunnen dragen, dat heel de wereld meegaat met wat gij bestrijdt, en de hartstochtelijke wensch, dat heel de wereld moge aankomen achter wat gij zelf navolgt, blijkt derhalve een alleszins Goddelijke trek in ons hart te zijn; en in zooverre school er achter dit zeggen der Pharizeën stellig iets goeds.

En zondig werd dit hun zeggen eerst, doordien ze dien goeden trek, die edele neiging van het hart op de verkeerde zaak richtten.

Niet op de zake Gods, maar op de zaak van het enghartig en vervalscht Judaïsme.

Wees hier dus voorzichtig.

Nog altoos zijn er tal van lieden, die zich om de wereld niet bekommeren, die zich opsluiten in eigen kleinefi kring, en er nu sterk op gaan, dat het hun niet schelen kan wat de wereld van hen denkt. En tot deze bekrompenen van hart nu moet gezegd, dat zelfs de Farizeën hen zullen voorgaan in het Koninkrijk Gods.

Zeker als een heilig beginsel, als de zake Gods in het spel komt, moet elk kind van God een held of heldin weten te zijn, die desnoods alleen tegen den stroom oproeit; moet het, alleen tegen heel den wereld ingaat; en allen smaad der publieke opinie, om Jezus' wil, trotseert.

. Maar dan juist zal hij dat doen, met de bede en de stille hope in het hart, van juist daardoor anderen voor de zake Gods te winnen.

Met dien heldenmoed des geloofs echter heeft niets gemeen de onverschilligheid waarmee zoo menigeen zich opsluit in eigen kring, de wereld prijs geeft, omdat hij Gods liefde voor die wereld in zijn eigen hart niet voelt natriUeu, en zich scheidt van zijn medemenschen, omdat hij voor zijn medemenschen geen hart heeft.

Zoo is de mijding van den Dooper, zoo is de eigenaardige vroomheid van het klooster, zoo is hét isolement van wie zich nergens vertoont of aan niets deelneemt. En het is uit datzelfde enghartig bestaan, dat ook de onverschilligheid voor alle propaganda van zijn belijdenis, en dus ook de onverschilligheid en lauwheid in zake de zending voortkomt.

Omdat men in de wereld zich niet thuis voelt en er niet terecht kan, wreekt men zich op die wereld, met haar te verachten. En omdat in die wereld zoo diep-zondige stroomingen gaan, sluit men het oog voor het werk Gods, dat in de schepping en het voortbestaan dier wereld verscholen ligt.

Het is, alsof de wereld niet een werk van God, maar eer de schepping van den duivel is, en men vergeet en ziet voorbij, dat de duivel niet anders kon doen, dan een zoo kostelijk werk van God bederven.

De duivel wilde dat heel de wereld hem zou nagaan, en tegenover dat satanisch bedoelen voelt men geen prikkel in het hart om heel die wereld weer onder den ban van Satan te doen uitkomen, en te doen gaan achter Jezus.

Er school in dat zeggen van de Pharizeën: ZfV, heel de wereld gaat Jezus na., een schier wondere profetie, een stellig door hen niet bedoelde belijdenis.

Zooals Cajaphas het woord sprak: »Het is goed dat één voor al het volk sterve, en niet heel het volk verloren ga", zonder ook maar van verre te gissen, hoe hij in dat zeggen het mysterie der verzoening onder juiste bewoording bracht, zoo ook is dat zeggen: Zie., heel de wereld gaa hem • na een onbewuste en onbedoelde profetie van wat komen zou.

Reeds toen was er iets van aan. Vóór Golgotha won Jezus aldoor aan invloed. Zijn optreden liet de geesten in het toenmalige Israël niet met rust. Of men wilde of niet, ieder moest zich met Jezus bezig houden. Hem voorbijgaan alsof hij er niet was, kon men niet.

Maar toch de Pharizeën overdreven. Hun vrees en angst kleurde de feiten donkerder dan ze waren, zoowel wat het aantal van Jezus' volgelingen, als wat veler verkleefdheid aan hem betrof.

Gethséraané was zoover niet meer af, en in Gethsémané hebben allen hem verlaten, en trad hij den wijnpersbak alleen.

Er was in die tbfejuiching der schare meer schijn dan wezen. Al wat achter Jezus liep, liep daarom nog niet als een schaapken der kudde achter den herder.

En dit is zoo gebleven, en is nog zoo.

Als straks Jezus' kerk de wereld ingaat, en de natiën door haar poorten binnengaan, schijnt al spoedig heel de wereld achter Jezus aan te komen, en toch toont telkens vernieuwde afval, hoe klein het kuddeke der getrouwen is.

'En ook nu nog, nu heel Europa en heel Amerika Christelijk heet, en alzoo de twee toongevende werelddeelen achter Jezus aankomen, bewijst nogmaals de zoo telkens weerkeerende klacht over schijnbelijdenis, ongeloof, bijgeloof en wereldzin, maar al te droef, dat heel de wereld nog op verre na niet gewonnen is, al gaat in woord en naam en klanken ook heel de wereld met haar Hosanna den Christus achterna.

Maar ook al bezwijkt hier op de goudkeur het metaal dat voor goud zich uitgaf, er lag toch iets, er ligt toch dit ware in, dat men nog geen naam gevonden heeft, die in aller schatting hooger staat dan de naam van Jezus.

Er ligt dan toch dit ware in, dat, ook afgezien van de persoonlijke bekeering, de beginselen van den geest van Jezus steeds sterker invloed op ons menschelijk leven oefenen.

Dit ware bovenal, dat hij, aan wien gegeven is alle macht in hemel en op aarde, heelde wereld leidt naar den raad des willens.

Maar toch, dit is nog slechts de buitenzijde der zaak, en dieper nog glinstert de profetie die in dat woord ligt, als ge let op de dingen die komen zullen.

Eens gaat heel de wereld Jezus achterna, en zal van de menschenwereld voor eeuwig worden uitgebannen, wat weigert Jezus na te volgen.

De ure komt dat de laatste vijand aan Jezus' voeten onderworpen wordt.

Dan zal er in Gods wereld voor niets meer plaats wezen, waarin het tGod alles en in allen" niet volle reine waarheid is.

En als zoo eens de Middelaar heel de door hem verloste verzoende wereld aan zijn Vader teruggeeft, dan zal het oogenblik gekomen zijn, waarop feitelijk en letterlijk .heel de wereld Jezus nagaat.

Alles komt er dus op aan, dat de liefde waarmee God de wereld liefhad, zóó zelfs dat Hij haar zijn eeniggeboren Zoon gaf, ook in ons hart haar schijnsel afstrale.

Is dit zoo, dan geven wij evenmin als GodzeU die wereld prijs, maar eischen haar in Jezus' naam op. ^

Dan staan we in die wereld, voor niets wat tot haar van God geschapen leven behoort, onverschillig, maar hebben voor dit alles eenoog, voor dit alles een hart, en kunnen niet rusten, eer wij ook voor óns deel op die wereld voor Jezus beslag hebben gelegd.

Dan strijden we wel tegen die wereld, in zoover - zij tegen God strijdt, maar niet om haar te verderven, maar juist of ze mocht behouden worden.

Dan zitten we niet stil, maar ijveren met een ijver Gods die ons verslindt.

Dan zijn we er op uit, om scheiding te maken tusschen wat valschelijk Jezus' naam op de lippen neemt, en wat in waarheid zijns is.

Maar ook, dan versagen we niet, en kennen geen mismoedigheid, omdat we weten dat het eind der wereldhistorie toch eens zijn zal, dat heel de wereld Jezus nagaat en dat al wat ten einde toe zich tegen Jezus verhardt, niet meei tot de wereld zal behooren, maar verre beneden de wereld en haar lichtglans, zal wegzinken in de btdtenste duisternis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„De geheele mereld gaat hem na.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's