GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Prof. Anema.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

Prof. Anema.

8 minuten leestijd

Amsterdam, 4 Nov. 1904.

De inaugureele oratie, waarmede Prof. Anema Vrijdag 28 Oct. zijn hoogleeraarsambt aan de Vrije Universiteit aanvaardde, zal niet nalaten zoowel binnen als buiten onzen kring een goeden indruk te maken.

Over de positie van het privaatrecht in onzen tijd liep deze rede, waarvan wij het verslag aan de Pers ontkenen:

Spr. begon met op te merken, dat de Academische docent een dubbele taak te vervullen heeft, een paedagogische en een wetenschappelijke. Hij zet de eerste helft dier taak, als 3ver zichzelf sprekend, voorop en bepaalt er zich dan toe, over de tweede helft enkele gedachten te ontwikkelen conform het aloud Academisch gebruik. Hij wil daartoe in zeer groote trekken nagaan ten eerste het verleden van het privaatrecht, vervolgens zien hoe onze tijd zich verhoudt tegenover het privaatrecht, en eindelijk overzien, welke gedachte men zich vormt over de toekomst van het privaatrecht.

Vooreerst dan het verleden. Spr. begint met stil te staan bij de totstandkoming van het Corpus Juris. Daarna volgden eeuwen van betrekkelijke rust. Terwijl van de ontwikkeling dezer rechtsboven in het Grieksche Keizerrijk nauwelijks sprake kan zijn, daar de juridische praestatiën aldaar dezen naam niet verdienen, begon eerst in het Westen de eigenlijke studie van het privaatrecht. Daar ontstond in de twaalfde eeuw de school der Glossatoren op voorgaan van Irnerius. Omstreeks het midden der 15 de eeuw vatte Accussius de vruchten dezer studie saam onder den naam van „glossa ordinatia" en de post-glossatoren werkten deze nog meer uit. Toch was dit nog geen studie in den dieperen zin van het woord. Die begon eerst bij de Fransche school in het midden der 15 de eeuw, die d.oor den „mos Gallicus" systeem bracht in de rechtsstof. Zij vervreemdde zich echter ietwat van de practijk en zoo kwam de reactie in Duitschland door de Schule der deutschen Praktiker. Deze behandelaen onder de titels der Pandecten allen praciisch geldenden rechtsregel, van welken oorsprong die ook waren.

De school van het natuurrecht trachtte in deze zeer verwarde materie orde te brengen door haar aandringen op een wetboek van natuurrecht, en onder haar invloed kwam in Pruisen en Oostenrijk de codificatie tot stand, terwijl zij eveneens de systematiek der wetenschappelijke werken sterk influenceerde. Tegen haar verzette zich op haar beurt de historische school met haar roep om levend volksrecht. De studie van het Germaansche recht en de vergelijkende rechtswetenschap kwamen onder haar invloed tot stand. Toci kon zij niet verhinderen dat in Duitschland de privaarrectitelijke codificatie van 1896 tot stand kwam. — Daarnaast had zich voor de privaatrechterlijke instellingen een Fransche strooming gevormd. Terwijl in den eersten tijd na den val van het West Ro meinsche Rijk in Zuid Frankrijk de lex romana Visigothorum et Burgundiorum gold, kwamen omstreeks de 12e eeuwdejustinianeescherechtsboeken meer in eere. In Noord Frankrijk hand haafde zich het Germaansche recht, en zoo ontstonden naast elkaar twee sfeeren, ieder van welke door de andere geïnfluenceerd werd. De Fransche school uit de ise en i6e eeuw gaf nieuwe levenskracht aan het Romeinsche Recht. Het koningschap bracht toenemende vastheid in de rechtstof, tot de Revolutie leidde tot een algemeene codificatie. Een codificatie, die ook op de Nederlandsche overwegenden invloed uitoefende.

In de tweede plaats komt spr. aan de verhouding van onzen tijd tegenover het privaatrecht. In de volgorde van het B. W. wil hij summier nagaan de bezwaren, die men tegen het privaatrecht koestert. Vooreerst het huwelijk, Onder leiding van Bebel in Duitschland en Van Houten in ons land wordt opzegbaar huwelijk bepleit, en de practijk in sommige kringen loopt hier de theorie al vooruit. Daarnaast dringt men vrij algemeen aan op vergemakkelijking van de echtscheiding. Met name wil men gewoonte van dronkenschap als reden daartoe wettigen. In dien zin spreekt zich ook het Rapport der Staatscommissie van '86 uit. Dan rijzen er bezwaren tegen de poside der vrouw, zoowel tegen die der ongehuwde als die der gehuwde. Maar vooral de laatste. Met name voor het huwelijkvermogensrecht geldt dit. Voor de ouderlijke macht bleek veel verschil van meening bij de behandeling der wet van 6 Febr. 1904, S. 62. Het verbod van het onderzoek naar het vaderschap is voor velen een steen des aanstoots.

De voogdij wil men anders zien geregeld. De leer der rechtspersoonlijkheid is een zeer betwist punt. Niet minder het rechtskarakter der strekkingen. Te^en den eigendom wordt een uitgebreide rubriek van bezwaren ingebracht, beginnend met Proudhon en eindigend met gewenschte beperking ten bate van het plaat selijk verkeer. Men begeert andere regeling en gedeeltelijke u tbreiding der zakelijke rechten. Men wijst op de tegenstrijdigheid van het privaatrechtelijk eigendomsbegrip van art. 625 B. W. en de opvatting van dat begrip in het administratief recht, bijvoorbeeld in de woning wet. In het erfrecht bepleit men van verschil lende zijden de meest ingrijpende wijzigingen. In het obligatierecht doet men vooral de sociale richting gelden bij de zoogenaamde abstracte overeenkomst, het vereenigingsrecht, het pacht contract, de dienstovereenkomst en andere. De leer van het bewijs zal eerlang ingrijpend worden gewijzigd. Het formeel recht voldoet naar veler opinie niet aan zijn taak.

Thans komt spr. aan het derde deel zijner rede. Rooskleurig is de toestand van het privaat recht niet, indien men daaronder verstaat dat men rustig kan doorarbeiden aan de oude lijnen. Spr. wenscht niet vooruit te loopen op de resultaten zijner studiën en daarom thans geen partij te kiezen; maar hij meent dat techniek alleen niet voldoende zal zijn om de kloof te dempen tusschen het geldend privaatrecht en het rechtsbewustzijn. In Frankrijk tracht men wel dit te doen, maar daar staat de achting voor de wet dan ook niet zeer hoog. De historische school heeft wel gedacht het zonder codificatie te kunnen stellen, maar dit is een ijdele droom gebleken. Zelfs Engeland gaat hoe langer hoe meer den weg der codificatie op. Maar dan moet ook tijdig die codificatie worden herzien, nu de oppositie niet gaat tegen détails, maar tegen de hoofdbegrippen.

Gemeenschapszin en behoefte aan een vrije sfeer voor het individu doen hun invloed gelden; voor de voldoening van beide en de richtige onderlinge verhouding moet worden gezorgd. Zal, , zoo vraagt spreker, onze gemeenschap dit probleem kunnen oplossen ? Een moeielijke vraag. De adviezen, van verschillende zijden gegeven, schijnen spreker toe alle een element van waarheid te bevatten, maar geen van alle als zoodanig deugdelijk te zijn. Met name waarschuwt spreker tegen gevaarlijke elementen in de methode der vergelijkende rechtswetenschap. Daartegenover stelt spreker zijn standpunt, dat het Calvinisme de kiemen bevat voor een richtige oplossing. Spreker erkent, dat dit ten slotte een zaak des geloofs is, maar hij vraagt of men dan de oplossing van zulke groote levensproblemen op anderen grondslag zou moeten vestigen. Zoo opgevat acht spreker de toekomst hoopvol ook voor het rechtsleven van ons volk.

Met de gebruikelijke toespraak, waarbij spreker ook Minister Kuyper bedacht, besloot de heer Anema zijn rede.

Prof. Anema heeft door deze rede getoond, volkomen zich bewust te zijn van den ernst der vraagstukken, die ook op dit gebied zich voordoen. Hoe ver deze vragen ingrijpen in heel ons menschelijk leven en hoe hun beantwoording saamhangt met de diepste beginselen, blijkt uit dit korte overzicht reeds voldoende. Reeds in zooverre was deze rede een afloend pleidooi tegen hen, die meenen, dat het bij het privaatrecht alleen aankomt op kennis van de landswet en haar toepassing in speciale gevallen. Waar heel de richting van onzen tijd naar herziening van ons privaatrecht uitgaat en daarbij zoo belangrijke vragen aan de orde komen als het huwelijk, de eigendom, de positie der vrouw, het vereenigingsleven enz, , daar kan juridische akribie en technische vaardigheid niet volstaan, maar is het roeping van den hoogleeraar ook hier de wacht te houden bij de beginselen en invloed te oefenen op de nieuwe codificatie van ons privaatrecht, die te komen staat.

Prof. Anema heeft daarbij met groote voorzichtigheid en bescheidenheid zich onthouden van reeds nu een beslissing te geven. Voor het goede, dat in deze nieuwere richtingen zich openbaart, heeft hij een open oog; maar voor de gevaren, die deze richtingen aankleven, bleek hij daarom niet blind te zijn. En bovenal werd kloek en onomwonden beleden, dat de Calvinist hier een eigen weg heeft te gaan en voor hem in Gods Woord een toetssteen is gegeven, waaraan elke richting moet worden gekeurd.

De ernstige opvatting van zijn taak, die uit deze rede spreekt, geeft goede hope voor de toekomst. Ze belooft, dat als vrucht van rijpe studie ons eens door dezen hoogleeraar zal geschonken worden, wat deze inaugureele oratie nog niet schenken kon: een principieele uiteenzetting van wat het Calvinistisch beginsel voor deze brandende vraagstukken eischt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Prof. Anema.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren