GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de Voleinding.

22 minuten leestijd

ccxxv.

ZESDE REEKS.

XL VIII.

Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal alle die koninkrijken vermalen, en te niete doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. Daniel 2 : 44.

De fabel, dat Daniels boek de tweede eeuw voor Christus door een falsaris verzonnen zou zijn, kon nog eenigermate aannemelijk schijnen, indien er slechts sprake ware geweest vari drie deelen die in het groote Beeld uitkwamen. Van de Babylonische wereldheerschappij, die reeds voor lang inzonk, was men in de tweede eeuw nog geheel op de hoogte, evenzoo van de Perzische wereldo.ppermacht, en ook de exploiten van Alexander den Groote behoorden reeds tot het verieden. Ware derhalve het vierde stuk van het Beeld uit het verhaal weggebleven, en ware als vierde stuk niet anders aangekondigd, dan dat uit het koperen middenstuk van het lichaam zich een ijzeren onderdeel in de beenen en voeten zou ontwikkelen, zoo zou dit op Antiochus Epiphanes hebben kunnen slaan. En ware daarop dan de profetie gevolgd, dat deze ijzeren overmacht gebroken zou worden, zoo had dit een profetisch uitzicht kunnen geven op de verlossing in de dagen der Maccabeeën. Het ware daa - zelfs denkbaar geweest, dat de verzinner van dit alles geen bedrieger, maar een echte profeet ware geweest, en het was er dan slechts op aan gekomen, om dien profeet niet den naam van Daniel te geven, om metterdaad heel deze averechtsche voorstelling zeer geleidelijk ingang te doen vinden. Al zulk pogen echter werd ten eenenmale uitgesloten, toen ook aan het vierde stuk van het Beeld een eigen beteekenis werd gegeven, en dit vierde stuk zelfs breeder werd toegelicht dan de voorafgaande drie. Nu toch moest hetgeen van dit vierde stuk of deel verhaald werd, dan ook precies op Antiochus en wat na hem kwam passen, of deed het dit niet, dan gluurde het bedrog vanzelf door de reten, en kon de falsaris geen oogenblik de hope koesteren van gehoor te zullen vinden. Wie zijn omgeving bedriegen wil, moet voorzichtig in zijn uitlatingen, slim en zelfs ten deele sluw zijn. Merken toch v/ie zulk een bedrieger hooren of zijn geschriften lezen, dat hetgeen hij hun diets poogt te maken, niet klopt op de historie, en in strijd is met wat nog in de herinnering uit de historie voortleefde, dan vindt hij niet alleen geen gehoor, maar wekt zelfs achterdocht. En juist dit nu beweegt steeds wie misleiden wil, zij" 't al met de beste bedoeling, om uit wat hij vertelt of verhaalt liever alle bijzonderheden weg te laten, en zich te bepalen tot meer algemeene verklaringen. Hier echter zou men dan integedeel juist op 't meest critieke punt geheel omgekeerd hebben gehandeld, en zich juist op dit bedenkelijke punt aan de breedste uiteenzetting van vermoedens hebben overgegeven. Dit nu is nimmer aannemelijk te maken. Op die wijze zou de verzinner zich zelf, geheel onnoodig, hebben bloot gegeven, en nimmer zou zijn verdichting en het product van zijn fantasie in een eenigszins breeden kring, die uiteraard van het verleden op de hoogte was, ingang hebben gevonden. Van zelf wordt gaarne toegegeven, dat lang niet elke Jood, en zelfs niet elke inwoner van Jeruzalem, uit de zesde of zevende eeuw, nog de heugenis van het verleden in de tweede eeuw klaar voor zich had staande. Maar wel staat vast, dat onder de leiders van den vromen kring de bekendheid met het verleden een zoo volledig mogelijke was, en" dat bij dezen kring van wat men historische fopperij zou kunnen noemen, geen oogenblik sprake kon zijn.

Gaat men nu met eenige nauwkeurigheid de uitlegging na, die in hoofdstuk II door den pseudo-Daniël van Nebucadnezars droom zou gegeven zijn, dan is het eerste, tweede en derde stuk in die uitlegging zeer in het algemeen gehouden, en ontwijkt alle bijzonderheden. Eerst gaf hij dan in hoofdst. II : 31—35 het droomgezicht zelf. Hij betuigt, dat het Beeld in hooge mate indrukwekkend was. Er staat toch: it Beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend, maar zijn gedaante was schrikkelijk, om wat er zich in uitsprak. Dan volgt hierop niets dan de algemeene verklaring, dat het hoofd van goud, de borst met de armen van zilver, de buik en de dijen van koper, en de schenkelen van ijzer waren. Doch nu juist daar, waar het aan het vierde stuk van het wondere lichaam toekomt, verliest de verhaler zich in bijzonderheden. De schenkelen toch waren van ijzer, doch de voeten reeds niet geheel. Ze waren deels van ijzer en deels van leem. En tegen die schenkelen, die knieën en die voeten kwam toen een stuk rotssteen hoog van de bergen aanrollen, en dat stuk rotssteen brak geheel het onderstuk van 't Beeld, ^oodat 't op eenmaal geheel vermorzeld werd. Daarop zette toen dat sluk rotssteen zich uit tot een machtigen berg. Die berg wies zelfs zoo aan, dat hij ten slotte »de geheele aarde vervulde." Van al 't overige van het Beeld bleef daarentegen niets over. Te zamen werden vermaald, zoo staat er in VS. 35, het ijzer, het leem, koper, zilver en goud, ja vermaald als tot kaf van den dorschvloer des zomers, zoodat de wind 't alles wegnam, en er geen plaats voor iets ervan meer werd gevonden. Zoo was, zegt de tekst, de droom, dien Nebucadnezar gezien had. Ware nu dit vierde stuk uitgebleven, zoo kon. de voorstelling zijn geweest, dat Cyrus Babylon, Alexander de Groote de Perzen had ter nedergeslagen, en dat nu. onder Alexanders epigonen een schrikbewind heerschte, waarbij Israel met name van den epigoon Antiochus Epiphanes zoo bitter te lijden kreeg. En dan had-daarop niet anders moeten' volgen dan dat van Godswege hulp tegenover Antiochus zou opdagen, dat deze hulpe door Messias zou verleend worden, en dat aldus het Koninkrijk Gods zou ingaan, om als een eenige heerlijke Wereldmonarchie de valsche en zondige wereldrijken te vervangen.

Zoo echter loopt 't verhaal niet. Juist waar het verhaal uit moest zijn, om den overgang te erlangen van Antiochus op den Messias, en van het wereldrijk op het Koninkrijk Gods, treedt op eenmaal een vierde stuk, een vierde moment, een vierde ontwikkeling in, en juist dit vierde stuk doet 't meest vreemd en't meest verrassend aan. Het werd toch veel breeder en uitvoeriger geteekend, en het verliest zich vooral bij de uitlegging in verrassende bijzonderheden. Vergelijkt men immers met de teekening van het Beeld, die vs. 31—35 biedt, de duiding of uitlegging, die nu in vs. 37—45 volgt, dan valt het terstond op, dat over dé drie eerste stukken historie bijna wordt heengegleden, en dat daarentegen juist dit vierde of laatste stuk in al zijn deelen wordt uitgemeten. Van de drie eerste historische stukken wordt toch slechts in vs. 39 gehandeld, en daarop volgt in vs. 40—43 zeer breed de duiding van het vierde . Koninkrijk, met het Messiaansche slot in vs. 44 en 45. En zulks wel niet in algemeene trekken, maar tot in bijzonderheden die zeer onderscheidenlijk worden aangegeven. En juist na dit tweede gedeelte der uitlegging, of daardoor, voelde Nebucadnezar zich op eenmaal overweldigd, viel hij op zijn aangezicht ter aarde, en aanbad Daniel. Nu laat het zich op zich zelf zeer - goed ^ hooren, dat men zegt: Het sprak van zelf dat de verzinner van dit verhaal zich om 't verleden minder bekreunde en hier overheen liep, en dat hij juist zijn fijnere teekening saamtrok op de periode, die de Maccabeën deed opkomen, daar het hem immers er om te doen was, om voor die periode hope te wekken, en zijn volk nog aan een toekomst, die heil en eere zou brengen, te doen gelooven. En dit is ook zoo. Alleen maar, dan had die gedetailleerde teekening op een toestand moeten slaan gelijk die zich onder de tyrannic van Antiochus Epiphanes metterdaad voordeed, enkel de stuiting van die tyrannic moeten aandurven, en voorts moeten lokken en roepen naar het rijk van den Messias. Doch zooliep de duiding in vs. 40—43 in het minst niet. Veeleer treedt hier een zeer specifieke teekening in van wat te komen staat, en zulks op een wijze, die ja wel in den aanvang, maar geenszins in den voortging en in de voleinding van de teekening, op Antiochus doelen kon. Zie hier toch, wat Daniel's duiding van den droom aangeeft. Van Nebucadnezar's eigen wereldrijk Babel hoort ge alleen, dat aan den Vorst van dat eerste wereldrijk gegeven was smacht en sterkte en eere«, waarbij alleen opmerkelijk is, dat hier zoo bijzondere nadruk wordt gelegd op de heerschappij ook over de dierenwereld. Zoo toch staat er in vs. 38 : »En overal waar menschenkinderen wonen, heeft God de beesten des velds en de vogelen des hemels in uwe hand gegeven en heeft u gesteld tot een heerscher over al dezelve, d.i. over meffschen en dieren*. Onwillekeurig denkt men hierbij aan wat later Nebucadnezar trof, toen hij van zinnen beroofd op het veld en in de wouden onder de dieren omzwierf, en het scheen alsof zijn heerschappij haar einde had gevonden. Uit die vervaardheid is Nebucadnezar toen later weer opgericht en heeft toen nóg machtiger heerschappij gevoerd, maar aangeduid was dan toch reeds hierin, hoe ook de dierenweid een gewichtige beteekenis in zijn leven zou erlangen. Vooral de wilde dieren speelden in Babyion en Assyrië, gelijk zelfs nu nog in Voor-Indië, een groote rol. In Ninive was een machtige collectie wilde dieren als in een zoölogische verzameling bijeen. Ook in Babel had men leeuwen in kuilen. En steeds moest de Overheid in die streken, vooral destijds, er op bedacht zijn, om haar onderdanen ook tegen die vijanden in het dierenrijk te verweren. Maar dit alles was uiteraard geen historie, het gaf niet anders dan teekening van den feitelijken toestand. Teekening van wat in het tweede en derde rijk te komen stond, ontbreekt dan ook geheel. Niets hcsegenaamd vernemen we van wat onder de Perzen en onder Alexander den Groote geschied is. Dit alles wordt alleen als een reeks van feiten vermeld, en wel zoo kort mogelijk, zonder eenige bijvoeging. Zoo toch staat er: Na u zal een ander koninkrijk optreden, lager dan het uwe ; daarna weer een ander, het derde koninkrijk, van koper, en dat zal heerschen over de gansche aarde ; en dan komt het vierde koninkrijk, en dat zal zijn van ijzer en leem. Dit houdt alzoo geen enkele bijzonderheid in. Men hoort er niet van, hoe deze wereldrijken zich zullen aandienen, wat hun afzonderlijk karakter zal zijn, en tot welke groote gebeurtenissen hun vorsten zullen medewerken. Er wordt in letterlijken zin niet anders geconstateerd, dan dat er van omstreeks 600 tot omstreeks 200 V. Chr., alzoo gedurende vier eeuwen, een opeenvolging van dezs uiachtige wereldheerschappijen zal plaats grijpen. Er is resumtie, maar geen teekening. Ge leert er niets uit. Het geeft niet anders dan wat in een geschiedenisboek een tabel u geven zou, en zelfs nog minder, daar zelfs ook de duur van deze tijken niet wordt aangestipt. Er wordt alleen op gewezen, dat deze rijken er komen zullen, komen zullen het ééne na het andere. Doch eigenlijk doen ze weinig meer dan den overgang vormen van Nebucadnezar's glorie in Babel tot wat in het vierde, geheel nieuwe rijk opkomen zou.

Nu, aan dit vierde stuk van het Beeld toegekomen, verandert echter geheel de toon en de teekening, en wordt de lezer gewezen op allerlei bijzonderheden, die de toekomst ontsluieren zal. In de eerste plaats wordt niet alleen gemeld, dat het vierde Rijk van ijzer zal zijn, maar dit metaal wordt in zijn eigenaardig karakter geteekend. Van de overige drie rijken werd wel gezegd, dat ze van goud, zilver en koper zouden zijn, maar over den aard van het goud, de natuur van het zilver, en de beduidenis van het koper vonden we geen woord. Het feit dat deze drie metalen elk een wereldrijk zouden afbeelden, werd niet dan ^vluchtig aangestipt, doch voorts werd er geheel over heen geloopen, en noch uit het goud, noch uit het zilver, noch uit het koper, wordt ook maar eenige gevolgtrekking afgeleid. Toch zou men hier, zoo bedrog in het spel was geweest, juist't omgekeerde hebben moeten verwachten. Wat ijzer is, weet een ieder op 't land en in de steden, en evengoed in de hoogste als laagste klasse der maatschappij. De groote massa der bevolking daarentegen komt weinig met goud in aanraking, iets meer met zilver, soms vrij veelvuldig met koper, maar met het ijzer algemeen. Vork, mes en lepel, bijl, hamer en vijl, 't zijn altemaal handgereedschappen, die in de eerste ontwikkeling van het samenleven opkomen; de ketel, de pot, de pan en zoo veel meer moge meest van steen gebakken zijn geweest, veelal kende men ze toch ook van ijzer. Nu echter doet zichJiier het in het oog vallend feit voor, dat de profeet over het goud, het zilver en het koper, dat de massa veelal minder kende, heenloopt, en daarentegen over het ijzer en het leem veel breeder uitweidt. Dit nu laat zich kostelijk verstaan, zoo Daniël echt is, en alzoo heel de teekening en duiding van dit .Beeld er op doelt en er op moet uitloopen, om de nietigheid der wereldrijken, en de treffelijkheid van het Rijk van den Messias te doen uitkomen, maar zou geenszins zin hebben, zoo 't alleen strekken moest, om de onduldbare, maar kortstondige tyraiinie van Antiochus Epiphanes te verklaren. Wat Antiochus wrocht en deed, was tyrannieke exploitatie van Israel ten bate van zijn zeer beperkt koninschap; een tyrannie die over weinig meer dan 't vierde van een eeuw liep, en in elk geval in niets een wereldbeteekenis had, om zelfs de komst van den Messias en den ingang van het eeuwig koninkrijk eeniglijk als een uitkomst uit het lijden, dat Antiochus Israel aandeed, voor te stellen.

Van dat ijzer, dat iedere boer in Juda natuurlijk zeer' goed kende, wordt nu opzettelijk vermeld, dat het ijzer hard zal zijn, dat 't ifzer alles »zal vermalen* en vernietigen. Nogmaals wordt uitgesproken dat »het ijzer alles vermaalt en verbreekt*. Doch nu treedt de uitlegging van den droom nog veel verder in de bijzonderheden in. Er wordt nu onderscheid gemaakt tusschen de beenen en de voeten, en tusschen die voeten en de teenen waarin de voet uitloopt, én er wordt bij opgemerkt, dat die voeten en die teenen »ten deele van pottenbakkersleem zijn, en ten deele van ijzer«. De beduiding hiervan wordt dan in dezer voege aangegeven, dat het vierde koninkrijk »een gedeeld koninkrijk zal zijn«, zoo echter dat er toch altoos »van des ijzers vastheid in zal wezen». En daarna, zoo wordt er nogmaals opzettelijk bij gevoegd, »hebt ge gezien dat het ijzer was, ja, maar vermengd met modderig leem«. Daarop wordt nu in vs. 42 nogmaals opzettelijk vermeld, dat met name »de teenen der voeten, maar ook de voeten zelf, ten deele ijzer zullen zijn en ten deele leem, en hiervan wordt de beduidenis aldus aangegeven: »Dat koninkrijk zal ten deele hard zijn en ten deele broos*. Daarop volgt dan in vs. 43 enz. een vrij breede, opzettelijke verklaring van die 'bijeenvoeging van ijzer en leem. Zoo toch leest men in vs. 43: »En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menschelijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt*. Zij nu al toegegeven, dat hier niet enkel op Antiochus zou te letten zijnj maar dat ook op de epigonen van Alexander kon worden gedoeld, geheel de toelichting zou er dan toch heen duiden, om in het bijzonder het optreden van Antiochus te verklaren, en diens ondergang te voorspellen; en wel een ondergang die dan in dier voege zou moeten plaats hebben, dat uit zijn wegvallen en de vernietiging van zijn rijk, onmiddellijk het rijk van Messias zou opdagen, om voor goed niet alleen aan Juda's lijden een einde te maken, maar tegelijk ook aanstonds de glorie van het groote Godsrijk te doen ingaan.

Komt men nu tot aan het 4Sste ve'rs, dan spreekt Daniel overduidelijk uit, waarop al het gebeurde moet uitloopen. »Daarna, zoo staat er toch, hebt gij gezien dat uit den Berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, en dat die steen het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde. Hiermee nu heeft de groote God den Koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal, de droom nu is gewis en zijn uitlegging zeker*. Na deze profetische teekening aangehoord te hebben, werd Nebucadnezar dan ook zoo geweldig in heel zijn donker besef aangegrepen, dat hij neerviel en zelfs aan den God van Israel eere gaf. Wat nu zou de opsomming van al die metalen, van dat leem, van dat modderig leem, en zoo ook de afzonderlijke duiding van de schenkelen, de beenen, de voeten en de tien teenen te beduiden hebben gehad, zoo dit alles eeniglijk verzonnen en uitgedacht ware geweest, om Juda en Jeruzalem, toen het onder Antiochus' geweldenarij zoo bitter leed, aan te zeggen, dat Antiochus het ten slotte af zou leggen, en om door de voorspiegeling van een Joodsch weeropleven dat daarna als vanzelf in zou treden, en onder de Maccabeeën dan ook ingetreden is, er den moed in te houden? Die beenen noch die voeten zouden dan zin hebben. Deze toch kunnen niet anders doelen dan op een toekomst, waarin het komen zou tot een heerschappij, die zich splitsen zouin tien koninkrijken en wel in twee tegenover elkander staande groepen. Twee schenkelen, twee beenen zijn er dan, en zoo ook twee voeten, en aan die twee voeten vertoonen zich straks twee maal vijf teenen, samen tien in aantal, en zoo verwijst deze duiding naar een toekomst, waarin er zijn zou een tiental koninkrijken, en wel in twee groepen gedeeld. Hiervan nu is nooit onder Nebucadnezar, noch onder Cyrus, noch onder Alexander sprake geweest, en het voor t^ stellen alsof dit slaan kon op de kleine rijken der Epigonen, en nader in bijzonderen zin op Syrië onder Antiochus Epiphanes, zou niet alleen aan geheel de voorstelling geweld aandoen, maar het zou niets hoegenaamd verklaren, zoodat men aanstonds voelt, dat de duiding die Daniel aan het vierde deel van het droomgezicht geeft, niet op de twee eeuwen vóór Christus slaan kon, maar doelen vioest op een geheel andere periode der historie, die eerst veel later zou intreden. Gaat men toch de historie van Nebucadnezars dagen af, tot, zeg in de 3de eeuw na Chr. na, dan is het aan geen twijfel onderhevig, of van die ti'en koninkrijken is noch in de oude geschiedenis, noch zelfs in de eerste jaren van onze jaartelling sprake. Van die tien koninkrijken kon eerst sprake komen, toen ten slotte eindelijk het Romeinsche Keizerrijk eerst in tweeën gesplitst werd, om daarna in zijn Westersch deel geheel uiteen te vallen en in zijn Oostersch deel aan de Turken te komen.

Bovendien behoeft nauwelijks opgemerkt, dat het getal tien, waar het van de tien teenen van het Beeld gebezigd werd, ^een cijfer van optelling in de historie wil geven. Tien is een nominaal cijfer, dat strekt om een zekere groep, deels in haar omvang, deels in haar beperktheid, aan te duiden. Tien als nominaal cijfer duidt aan, dat het aantal wel over de 3, 4, 5, 6, heengaat, maar toch ook anderzijds, dat het niet in de tientallen en honderden oploopt. Het kan doelen op een dozijn en op drie maal vier, op tweemaal vijf, maar in geen geval mag geacht, dat als 't op negen of twaalf loopt, het meergenoemd cijfer van de tien ontredderd zou zijn. Aangeduid wordt door dat tiental van de teenen alleen, dat na den val van het Romeinsche rijk de macht en de beteekenis van dit reusachtig wereldrijk gebroken wordt, dat 't zijn eenheid verliest, en dat 't in deelen uiteengaat. Juist zooals het in de historie dan ook liep. Voor het ééne Rijk van het keizerlijk Rome, gelijk het nog onder Trajanus in zoo hoogen bloei stond, zijn allengs zeker aantal kleinere rijken voor Europa althans, in de plaats getreden, en er is daarna geen nieuwe wereldheerschappij meer opgekomen die als vijfde de viervoudige verving. Ook nu nog grenst Rijk aan Rijk, en ook nu weer staan ze in twee groepen tegenover elkander. Veelal sprak men dan van zes groote mogendheden, Frankrijk, Engeland, Duitschland, Oostenrijk, Rusland, met Italië, en daar kwam dan in Amerika de Unie, en voorts in Azië Turkije en Japan bij, wat samen negen uitmaakt. Maar of nu dit aantal van negen tijdelijktot zeven slinkt, of wel tijdelijk van negen, tot twaalf klimt, dit alles deert in niets aan de algemeen magische beteekenis van het tien-ts\. Immers het feit is en blijft, dat er niet meer, na het Caesarisme in Rome, één nieuwe wereldheerschappij is opgekomen, die al 't overige land in zich opslorpte, maar . dat het ééne groote wereldrijk thans niet meer bestaat, en dat hiervoor het magische tiental in de plaats is getreden. Niet dat daarom alle nawerking van het Romeinsche wereldrijk verdween. We wezen er reeds met eenigen nadruk op, hoe volstrekt niet alleen in het rechtswezen, maar evenzoo in het diplomatiek beleid, nog altijd de traditie van den Caesar nawerkt. Men weet hoe Napoleon hierin zelfs zóóver ging, dat hij den adelaar weer op zijn legervaan afbeelde, en den naam van Consul uit Rome's oudheid terugriep, ja, zelfs in alle kunst en industrie een imperialistischen, oud-Romeinschen stijl deed opleven. Ongetwijfeld woelt en werkt onder degrooteMogendheden, zoo in het Oosten als in het Westen, nog altoos de nooit uitgestorven begeerte om het groote machtige wereldrijk te doen herleven. Zelfs ziet men, hoe met name na Napoleon's val, het Britsche Rijk er in is geslaagd, dit aloude ideaal niet slechts in de idee, maar ook in de werkelijkheid, althans van de zeezijde te doen herleven. De £'; «/2> , ? -gedachte van Chamberlain is niet anders dan een doelen op wereldheerschappij. Zelfs kan naar waarheid betuigd, dat er van Nebucadnezar's dagen af, nooit en nergens een wereldrijk is opgetreden, dat ook maar van verre, gelijk thans Groot-Brittanje, een vierhonderd millioen onderdanen insloot en geheel den Oceaan beheerschte. Maar toch is dit nog geenszins het «wereldrijk* zooals de Caesars het gedroomd en ten deele gerealiseerd hebben, noch ook gelijk Napoleon het een tiental jaren najoeg. Van een zich onderwerpen van alle wereldrijken aan Groot-Brittanje zooals men zich aan de Caesars onderwierp en ook Napoleon het beoogde, is geen sprake meer. Wat in Daniel geprofeteerd is van .de tien teenen aan de twee voeten van het wereldbeeld, is en blijft nog steeds waar. De tien zijn er nog, en ze kunnen niet verdwijnen, althans niet zoolang als het einde van het tegenwoordige aardsche leven niet intreedt, en de wederkomst van den Christus geen feit is geworden.

Hoe 't dan ook loope, een iegelijk die op ernstige en eenigszins nauwkeurige wijze met Nebucadnezar's nachtgezicht en met de Goddelijke duiding ervan door Daniël, rekent, , moet of alle geloof ter zij zetten,

en met zoo menig moderne het er voor houden, dat heel Daniels boek evenals de boeken van Mozes en zoo ook de Evangeliën, op naief bedrog of misvatting berust, oftewel, hij kan geen oogenblik voor waar houden, dat al wat in dit Beeld en in de duiding ervan, met name van de _ ijzeren periode geprofeteerd werd, eeniglijk op de periode van Antiochus zou slaan, en in den Maccabeeëntijd zijn vervulling zou hebben gevonden. Dit kan niet. Wie dit alles stiptelijk en onderscheidelijk nagaat, kan zich in zulk een ongerijmde voorstelling geen oogenblik thuis gevoelen. En te beweren, dat een verzinner uit de tweede eeuw voor Christus dit alles zoo uif eigen brein zou hebben doen opkomen, om aan Jerusalem een verlossing van onder Antiochus' tj-rannie voor te spiegelen, is stuitende ongerijmdheid. Iets wat te beslister moet uitgesproken, omdat de geheel hiervan afwijkende opvatting van Nebucadnezar's droom en van de duiding ervan, die in het boek Daniël is gegeven, uit dit boek der H. Schrift een profetie voor de verre toekomst, en tot aan de Parousie, doet opkomen, die geheel het historisch verloop van Babel af tot Jezus' wederkomstsamenvat in welineensluitende, ongestoorde eenheid, en ook voor ons in de 20e eeuw haar volle beteekenis blijft behouden.

Zóó nu verstaan, wordt ons in Daniel's tweede hoofdstuk een openbaring Gods medegedeeld, die van dit oogenblik af zoo goed als heel de historie der wereld tot den ingang van het eeuwig Koninkrijk van Christus omvat. Het was alzoo niet maar > een droom» van dezen Koning, die nu bleek zoo interessant geduid te kunnen worden, maar het was veeleer een hooge en heilige declaratie van Godswege dat zijn heilig plan en zijn alles beheerschend doen gelijk het toen aanving, ook tot den einde toe zou doorloopen. Dit nu bracht met zich, dat dit nachtgezicht van Nebucadnezar , niet alleen in zijn wetenschap kon blijven, om er hoogstens aan het Hof van Babel een verhaal te laten ronddragen en de Chaldeeuwsche magiërs naar te laten gissen. Die openbaring in het nachtgezicht aan dezen wereldbeheerscher was veeleer bestemd omln de geheele wereld in te worden rondgedragen, en nog na twintig eeuwen de geesten te beheerschen. Vandaar dan ook, dat dit nachtgezicht van den wereldvorst, en evenzoo de duiding van dit gezicht, de wereld zijn ingegaan en dat Gods profeet hiertoe het middel en hiervoor het instrument is geweest. Geen profetische uiteenzetting of profetische teekening is dan ook in heel de Schrift te vinden, die zoo in 't oog loopend al wat sinds in Oost en West voorviel, verklaart. Waar thans vooral, onder de worsteling van den bangsten oorlog die ooit gevoerd is, zwoegend de denkers en de leiders der volken de vraag opwerpen, hoe deze tegenelkaarstooting van heel Europa te verklaren is, en'hoe ze tot oplossing zal kunnen komen, is het dit oude nachtgezicht dat vóór bijna drieduizend jaar in Babel's vorstelijk paleis gedroomd is, 't welk beter dan welke gissing ook, ons in staat stelt, om reeds nu in te zien, waarop 't alles uit zal loopen. Alle verwachting toch, alsof het straks weer tot een zoen en bond in volkenrechtelijken zin tusschen alle volken zou komen, en alsof daarmede een altoosdurende, internationale vrede zou kunnen ingaan, , is niets dan een zelfbedrog, dat op de bitterste teleurstelling zal uitloopen. Alleen in den »Steen, die van omhoog neder zal komen, en straks tot een berg worden zal«, en die 't al beheerscht, ligt de oplossing van het raadsel dat in 't machtig wereldprobleem zich altoos weer aan ons opdringt.

Dr. A. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1916

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 november 1916

De Heraut | 4 Pagina's