GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Geen gunst maar recht.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geen gunst maar recht.

10 minuten leestijd

XVIX,

Dat het Koninklijk besluit van 1808 door Koning Lodewijk uitgevaardigd om de verhouding van den Staat en de Kerken te regelen, wat de kerkegoederen en predikantstractementen betreft, zich niet grondde op of zijn rechtskracht ontleende aan de besluiten van de Nationale Vergadering van 1798 zal thans wel duidelijk zijn. Noch in de Koninklijke verklaring, die aan dit Besluit voorafging, noch in de artikelen van dit besluit, noch in de ministerieele correspondenties over dit besluit met den Koning gevoerd, wordt over de besluiten der Nationale vergadering ook maar met een woord gerept.

Zelfs de voorstelling, alsof de Koning bij zijn regeling alleen de consequentie trok uit het in 1798 ingenomen standpunt, is niet juist en wordt door de feiten weersproken. Ongetwijfeld heeft de Koning aan het beginsel vastgehouden, dat voortaan voor den staat alle Kerken gelijke rechten bezaten en is de vroegere Staatskerk niet meer in haar bevoorrechte positie hersteld. Van een Vorst, die zelf Roomsch was, was dit ook moeilijk te verwachten. Zelfs vatte hij het plan van de Nationale vergadering van 1789 om de kerkgebouwen en pastoriën onder de verschillende gezindheden te verdeelen, weer op, al was dit plan door de Constitutie van 1801 stopgezet, die verklaarde, dat elk kerkgenootschap nu onherroepelijk in het bezit zou blijven van wat het thans bezat. Maar ook daarbij was het minder een gevoel voor de rechtsgelijkheid der verschillende kerkgenootschappen, dat den Koning dreef, dan wel voorliefde voor de Kerk, waartoe hij zelf behoorde. Hij wilde aan de Roomsche Kerk een deel dezer kerkgebouwen en pastoriën teruggeven, en het is bekend hoe willekeurig hij daarbij zelfs te werk ging, waar hij op zijn reizen in Overijsel en Gelderiand geheel eigenmachtig kerkgebouwen aan de Roomschen toewees.

Maar behalve op dit ééne punt gingen de besluiten van Koning Lodewijk vierkant in tegen het standpunt door de Nationale Vergadering ingenomen. Het doel van de Nationale Vergadering was, om eiken officieelen band tusschen Staat en Kerk te verbreken en het beginsel van de scheiding van Staat en Kerk consequent door te voeren. Daarom werd het besluit genomen, dat alle betaling van predikantstractementen door de Overheid zou ophouden en werden de geestelijke goederen, waaruit deze tractementen ten deele betaald wet. den, tot nationaal eigendom verklaard et de inkomsten voor nationale doeleindet bestemd. Koning Lodewijk wilde daaret tegen den band tusschen Staat en Kerl zoo nauwelijk mogelijk aanhalen, niet gelijl dit vroeger geschiedde door een bepaaldt Kerk als heerschende Kerk te erkennec maar door alle Kerken te voorzien vat tractementen, maar dan ook tegelijk alls Kerken onder staats-voogdij en staats-toe zicht te stellen. Het bevorderen van det godsdienst heette nu een eminent staatsbelang, waaraan alle aandacht moest wotden geschonken. Een ministerie van eeredienst werd ingesteld. Men wilde, ook dooi de subsidie, sde inzage en het beleid vat het gouvernement in het kerkelijk bestuut nader verzekeren en versterken.* ') Zelfi kwam toen al het plan op, dat eerst dooi Koning Willem I is uitgevoerd, om eet nieuwe organisatie voor de Hervormde Kerk door den Koning bekrachtigd in te voeren en werd daarvoor een Commissie aangewezen. Trouwens, de Constitutioneele wetten van 1806 bepaalden reeds, dat »het gezag van den Koning en de wet bepalet zou al hetgeen noodzakelijk werd geoot. deeld betreffende de organisatie, de bescherming en de uitoefening van alle eerediensten.» ^) De eeredienst zou een tal van den staatsdienst worden. En er was geen beter en doeltreffender middel om de Kerken aan den Staat onderworpen te maken, dan door de finantieele koorde weer vast te maken. Een Kerk, die wat haar predikantstractementen betreft, vao den Staat afhankelijk is, is haar vrijheid kwijt.

Maar al was dit ongetwijfeld het hoofdmotief, dat den Koning dreef, toch mag daarbij niet vergeten worden, dat reeds onder het revolutionair bewind geblekenL— was, hoe de intrekking der predikantstrac-H tementen tot een steeds feller verzet van de Kerk aanleiding had gegeven. De vootmaals heerschende Kerk, al was ze van hare eerepositie beroofd, was toch nog . een te machtige factor in het volksleven, om met haar verzet geen rekening te houden. Zelfs een revolutionair bewind had dit niet gewaagd en daarom de uitvoering| van zijn booze plannen tot confiscatie van de kerkelijke goederen en staking van del uitbetaling der tractementen van jaar tot| jaar uitgesteld. En Koning Lodewijk, die met zijn ons opgedrongen gezag nog een plaats in het hart van ons volk veroveren moest en zeer goed begreep, hoe juist zijn Roomsch-zijn daarvoor een beletsel was, waagde nog veel minder te doen, wati zelfs een nationaal bewind niet had durven doorzetten. Zoo is het, te verklaren, dat hij in Art. 1 van zijn Koninklijk besluit op den voorgrond stelde, dat de predikanten der Hervormde Kerk in het genot van de dusver bun uitgekeerde tractementen zouden blijven. Deze stellige en besliste verklaring-diende natuurlijk niet alleen om aan de bezorgdheid der predikanten een einde te maken, maar ook oth hen met het nieuwe bewind te verzoenen, De tegenstelling tusschen wat de Nationale vergadering besloten had en wat Koning Lodewijk voor hen deed, sprak daartoe te sterk. De Koning kon van de dankbaarheid en trouw der predikanten verzekerd zijn.

Dat Staatsbelang het hoofdmotief was van dit besluit, kan dus zonder aarzelen worden toegestemd. Zelfs werd daarop in de Koninklijke verklaring alle nadruk gelegd, Maar al werd niet uitdrukkelijk erkend, dat de uitbetaling dezer tractementen op een verkregen recht berustte, de wijze, waarop deze betaling geregeld werd, hield deze erkenning feitelijk in. Uit tweeërlei blijkt dat. Vooreerst uit de bevoorrechte positie, die de Hervormde predikanten ontvingen. Hun werden deze tractementen blijvend verzekerd, terwijl de geestelijken van andere kerken slechts een tractement zouden ontvangen, voorzoover de schatkist dit toeliet. En ten tweede doordat, waar nu de kerkelijke goederen, waaruit vroeger die tractementen betaald werden, naar 's Lands schatkist werden overgebracht, daartegenover aan 's Lands schatkist de verplichting werd opgelegd deze tractementen te betalen. Indien de bedoeling alleen was geweest, om voortaan uit het oogpunt van Staatsbelang alle dienaren van den ^godsdienst te salarieeren, dan zouden deze besluiten geen zin hebben gehad.

Dat nu de overbrenging ' van deze goederen uit de geestelijke kantoren naar 's Lands schatkist niet geschied is, zooals wel beweerd is, omdat deze goederen als bona vacantia beschouwd en daarom door den Staat geconfisqueerd werden, , behoeft wel niet te worden aangetoond. In het Koninklijk Besluit is van een nationaalverklaring of confisqueering dezer goederen geen sprake. Er staat alleen, dat zij uit de geestelijke kantoren naar 's Lands schatkist zullen worden overgebracht. En in de ministerieele correspondentie wordt als motief alleen aangegeven, dat waar deze goederen vroeger plaatselijk of gewestelijk beheerd werden, nu, na 't wegvallen der provinciale souvereiniteit, het beheer ook door het nationale gouvernement behoorde te geschieden. Het zou dus alleen een verandering van beheer zijn, niet een confiscatie van deze goederen.

Maat al is dit de officieele voorstelling, die in het Koninklijk Besluit gegeven wordt, toch diende dit blijkbaar meer om de gemoederen gerust te stellen, dan dat de werkelijkheid hieraan beantwoordde. Zoolang deze goederen in de geestelijke kantoren, opzettelijk voor dit doel ingesteld, beheerd werden, vormden zij een apart fonds, onder een eigen beheer. Nu waren deze goederen, die vroeger in landerijen bestonden, reeds omgezet in effecten, schuldbewijzen ten laste van het land enz. En waar deze effecten door de geestelijke

kantoren werden overgeleverd aan den Minister, werden ze door hem in handen gesteld van de Commissarissen van de kas voor amortisatie, d.w.z. voor schulddelging > comme ètant la proprieté de cette caisse« d. w. z. als zijnde het eigendom van deze kas.»)

Dat er dus niet alleen een verandering van beheer, maar ook een verandering in den eigendomstoestand heeft plaats gevonden, lijdt geen twijfel. De Minister beschouwde deze goederen als > de eigendommen van de kerkelijke en geestelijke kantoren" en stelde den Koning voor, dat nu de effecten > als een eigendom van het Rijk aan de amortisatiekas zouden worden toegevoegd». *) Blijkbaar ging de Minister dus uit van de gedachte, dat deze goederen, die door de kerkelijke en geestelijke kantoren beheerd werden, d. w. z. door de lasthebbers van de Provinciën, ook het eigendom van de Provinciën waren geweest, zij het dan al met een bepaalde bestemming d.w.z. voor den dienst der Kerk, rooals Mr. Van Apeldoorn het terecht uitdrukt.) Doordat de gewestelijke souvereiniteit ophield en de provinciën in het Rijk waren opgesmolten, waren deze goederen van zelf het eigendom van het Rijk geworden en konden ze daarom ter vereenvoudiging van de administratie en tot ondersteuning van de amortisatiekas in deze kas worden overgebracht. Bezwaar hiertegen kon ook van de zijde der Kerken niet bestaan, wanneer de verplichting, die vroeger op de geestelijke kantoren rustte, nu op 's Lands schatkist overging, nl. om de predikantstractementen te betalen.

Maar al is de bedoeling dus niet geweest deze goederen als bona vacantia door de Staat te confisqueeren, toch is het gevolg van dezen maatregel wel geweest, dat deze goederen nu ophielden afzonderlijk te bestaan. Ze werden niet meer apart beheerd, maar in 's Lands schatkist gestort. En ze zijn daarin verdwenen. Zoo is dus in 1808 feitelijk geschied . waartoe de Nationale vergadering in 1798 besloten had, nl. om deze goederen tot nationaal eigendom te verklaren. Alleen met dit onderscheid, dat waar de Nationale Vergadering deze goederen in een apart fonds wilde houden en de inkomsten wilde laten dienen voor nationale doeleinden, armenzorg en onderwijs, de goederen of effecten nu zijn overgebracht in de kas tot delging van 's Lands schulden en daartegenover aan de schatkist de verplichting is opgelegd om de predikantstractementen te betalen.

Nu kan het standpunt van den Minister, die dit voorstel aan den Koning deed, voor onze rechtsbeschouwing niet het uitgangspunt wezen. Beheer en eigendom zijn hier verward. Omdat de Overheid deze goederen tijdens de Republiek beheerde, waren zij nog geen Overheidseigendom, evenmin als het goed van een pupil het eigendom is van den voogd. Hetzij men deze goederen als eigendommen der Kerk beschouwt, hetzij als stichtingen ten bate van de Kerk, in beide gevallen had de Overheid niet het recht, deze goederen, waarover zij alleen het beheer voerde, in 's Lands schatkist te storten. Er heeft dus wel degelijk in 1808 een berooving van de Kerk plaats gevonden. Maar, en daarop dient wel gelet te worden, de overbrenging dezer goederen naar 's Lands schatkist had niet ten doel om de Kerken van haar inkomsten te berooven, zooals de Nationale Vergadering wilde. Integendeel, deze inkomsten werden juist aan de predikanten verzekerd. Het kapitaal verdween, maar de rentelast bleef. Daarom heeft men tegen dit besluit van den Koning zich niet verzet. Want de rente, die deiStaat uitkeerde, was veel grooter dan het kapitaal zelf zou hebben opgebracht. Het geheele bedrag, dat uit de geestelijke kantoren in 's Lands Schatkist overging, bedroeg in ronde cijfers niet meer dan vijf en een half millioen.«) En wat de Staat toen aan de Gereformeerde predikanten als tractementen uitbetaalde, was jaarlijks acht honderdduizend gulden. Indien de Staat met de betaling der tractementen had opgehouden en in stee daarvan de goederen der geestelijke kantoren aan de Kerken had teruggegeven, dan zouden' de Kerken geen winst, maar verlies hebben gehad. Zelfs tegen een rente van S pCt. zou de opbrengst van dit kapitaal niet meer dan f 27S.000 zijn geweest.

H. H. K,

1) VAN BEUNINGEN. Het Geestelijk Kantoor van Delft blz. 319. ^) HoOYER, Oude Kerkenordeninge, blz. 489. ^) VAN BEUNINGEN, a. w. blz. 310. ^) a. w. blz. 301, 302. 5) a. w. blz. 19. ') VAN BEUNINGEN, a. w. Bijlage 2.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 mei 1920

De Heraut | 4 Pagina's

Geen gunst maar recht.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 mei 1920

De Heraut | 4 Pagina's