GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

STEMMEN UIT ONZE KERKEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STEMMEN UIT ONZE KERKEN.

7 minuten leestijd

Hooggeachte Redactie,

In uw nummer van 9 Febi-maakt de heer H. Stara eenige opmerkingen olnitrent de regeling van vrijwillige vaste bijdragen, en vraagt dienaangaande ten slotte het oordeel van uwe Redactie.

Nu ligt het allerminst in mijn bedoeling, op dit oordeet ook maar eenigszius vooruit te vsrillen loopen, maar aangezien het ingezonden stuk van den heer Stam den indruk zou kunnen wekken, alsof het in onze kerken vrij algemeen gebruik was, dat daar, w'aar men een regeling omtrent die bijdragen heeft, deze is geschoeid op de leest van een vast gelijk percentage, zij het mij veroorloofd, er op te wijzen dat er onderscheidene Gereformeerde Kerken in ons vaderland zijn, waar op velerlei wijze reeds wordt rekening gehouden met de betere beginselen door den geachten inzender aangegeven.

Men ging daarbij o.m. uit van de .navolgende over-• wegingen :

Ieder, die lid wordt van een gemeente, neemt daardoor de verplichting op zich, naar de mate zijner krachten hij te dragen tot hetgeen er regelmatig .noodig is, om den Kerkedienst te onderhouden.

0m nu te kunnen nagaan hoe groot zijn bijdrage daartoe zal moeten zijn, dient hijl allereerst te weten, hoe groot de jaarlijfcsche uitgaven zijn, en in de tweede plaats, hoe zijh financieele draagliracht zich verhoudt tot het geheel.

Dit kan echter, voor wat het tweede punt aangaat, een individueel lid zonder nadere behoorlijk vaststaande) gegevens omnogelijfc zelf bepalen, van hoe goeden wille hij ook mocht zij'n.

Mitsdien tast hij steeds - in den blinde en geeft . óf te veel óf te weinig (het laatste is naar de ervaring * niet zelden het geval).

Het dient derhalve voor allen nagegaan te worden, , om aan ieder een redelijken maatstaf te geven, waarnaar hij zijn bijdrage kan vaststellen.

De Kerkeraden benoemden daaroini (in overleg met de Commissie van Beheer) een Gomttnissie, wier taak het was te berekenen het totaal inkomen der gemeenteleden! Dat daarbij do kohieren der Plaatselijke Inkomstenbelastingen goede diensten konden bewijzen spreekt wol vanzelf. Zij Werden echter niet als uitsluitenden maatstaf aangenomen. Soms nam men een hooger bedrag aa.n, soms een lager.

Was het bijv. bekend dat iemand verdiensten had uit een bron, die niet belastingplichtig was, b.v. winst op effecten oi onroerend goed, dan werd voor de Kerk dit wèl meegerekend.

Had iemand schade geleden zonder die van zijn inkomen vooi' de Overheidsbelasting te mogen aftrekken, bijv. doordat hij als borg had moeten betalen, of verliezen had geleden op effecten en dergelijke, dan werd een lager inkomen aangenomen.

Was het bekend, dat iemand g, roate uitgaven had door veel ziekte in zijn gezin (iets. wat vOor de overheid geen reden tot aftrek geeft) dan werd ook daarmee rekening gehouden.

Had men de welgefundeerde overtuiging dat hetzij de aangifte, hetzij de aanslag voor de belasting beslist onjuist was, dan week men ook om die reden af van de officieele cijfers.

Kortom, de benoemde Commissies trachtten een opzet te maken, zoo reëel en zoo billijk mogelijk.

Was zoo het totaalinlcomen bekend, dan ware het niet moeilijk geweest, aan de hand van de bekende cijfers der Kerkelijke begrooting, een vast percentage uit te rekenen, hetwelk dan voor allen gelijkelijk zou gelden.

Terecht oordeelt echter de heer Stam dat daarmede niet zou zijn voldaan aan de billijldieid, die een verdeeling der lasten naar ieders draagkracht vordert.

Daarom werden nu de inkomens der leden gerubriceerd, als b.v. 1. beneden flOOO; 2. van f 1000 toi f! 1999; 3. van f2000 tot f3999; 4. van 4000 tot f6999; 5. van f 7000 tot f10999, enz., en aan de hand daarvan zoodanig opklimmend percentage berekend, dat ten slotte ongeveer hetzelfde eindcijfer werd verkregen.

Zoo b.v. zeg beneden f 1000 1-pet., van f 1000 tot f1999 van de eerste f'1000 1 pet., van wat daar boven ging 1, 5 pet.; van f2000 tot f3999 van de eerste f2000 1, 5 pet., van wat daarboven ging 2 pet.; van f4000 tot f6999 van de eerste f4000 2 pet., van daarboven 2, 6 pet.; van f7000 tot f10999 van de eerste f7000 2, 5 pet., van daarboven 3 'piet., enz.

Ik geef deze cijfers en de progressieschaaJ maar als éen uit meerdere vooi'beelden, die natuurlijk onderling Weder tamelijk uiteenliepen.

Soms werd daarbij w'èl, somls niet rekening gehouden-met aftrek voor „eerste levensbehoeften". Wie met zulk een aftrek geen rekening hielden, gingen uit' van de gedachte, dat de bijdrage voor den Kerkedienst niet is te beschouwen als een weeldeuitgaaf, maar evenzeer geschiedt voor „eerste levensbehoeften".

Met de invoering dezer progressie was intusschen nog lan> niet aan alle eischen voldaan. .

Voor een kinderloos echtpaar bijv., dat f2000 inkomen heeft, z; ü het heel wat gemakkelijker zijn f30 vaste bijdrage te geven, dan voor een gezin met 6 of meer kleine kinderen.

Teneinde in dat verschil tegemoet te kamen, werd bepaald, dat voor elk minderjarig kind, dat zelf nog geen inkomen heeft, een zeker percentage, zeg 4 af 5 pet., mocht worden afgetrokken.

Hadden die kinderen zelf wèl inkomen, dan ware 'dat al gauw zooveel, dat aftrek voor dat kind althans geen zin zou hebben.

Voorts werd rekening gehouden met zoogenaamde „gemengde huwelijken".

Behoorde een der echtgenooten tot een andere Kerkgemeenschap, dan miocht warden aangenomen, dat hij •of z]j daartoe zou' mioeten bijdragen, en werd mitsdien bepaald, dat . door het lid der Gereformeerde Kerk van dat echtpaar slechts de helft was bij' te dragen van het bedrag hetwelk zou gelden, indien beide echtgenooten tot de Gereformeerde Kerk behoorden.

Van inwonende zoons of dochters die reeds belijdenis des. geloofs hadden afgelegd, werd nagegaan, wat zij; met inbegrip van kost en inwoning, mochten geacM worden in het bedrijf hunner ouders te verdienen en daarnaar hunne bijdrage berekend, ook al waren zij niet in de Rijks-of Gemeentebelasting aangeslagen.

Voor zoodanige ongehuwden, evenals voor andere ongehuwden, die alleen voor eigen onderhoud hadden to zorgen werd aangenomen, dat zij' een hoogere bijdrage konden geven dan een echtpaar, dat te samen eenzelfde inkomen had. Daar echter niet kon worden gezeg'd, dat zulk een ongehuwde in zijn uitgaven kon volstaan met de helft van hetgeen een echtpaar noojdig heeft, omdat zoo iem'and bijv. meer heeft te betalen voor het w'onen .opi kamers e.d., wierd het billijk geoordeeld, , dat zulk een ongehuwde IVa maal zooveel bijdroeg dan een echtpaar met hetzelfde inkomen.

Ten slotte werd het in avereenstetniiming geacht met het beginsel van .bijdragen naar draagkracht, wanneer iemand die inkomen heeft uit vermogen, meer bijdraagt dan iemand, die datzelfde inkomen alleen uit arbeid geniet. AVanneer toch een echtpaar b.v. f2000 inkomen heeft als rente van een kapitaal, dan zal indien de man (rentenier) komt te .overlijden, de weduwe nog hetzelfde inkomen genieten, en het daardoor financieel ruimer hebben, dan toen haar m.an nog leefde.

De ambachtsman daarentegen die datzelfde inkomen had, laat bij zijfn overlijden zijn vrouw broodeloos achter. -

‘t Is dus duidelijk dat deze rentenier meer behoorde bij te dragen, dan die ambachtsman.

Intusschen zijn de gevallen, dat iemands inko-mea gedeeltelijk uit vermogen en gedeeltelijk uit arbeid wordt verkregen, (terwijl de gegevens dikwijls ontbreken om het juiste cijfer daarvan te weten te komen) zóó uiteenloopend, dat voorzoover mij bekend, omtrent de toepassing van dit alleszins juiste beginsel in de practijk, nog geen oplossing werd gevonden.

Natuurlijk is hiermede het onderwerp niet uitgeput.

Allereerst deed zich de vraag voor in hoeverre het gewenscht is althans één kerkcollecte te behouden; dan ook in hoeverre alle verband met het verhuren van zitplaatsen kan worden verbroken; vervolgens, op welke wijze men in de praktijk die regeling zou doorvoeren, of er een soort aanslag zou moeten plaats vinden, die aan de leden moest worden meegedeeld met verzoek daartegen eventueele bezwaren in te brengjen, icn bij' afw'ezigheid van bezwaren, dat bedrag te willen contribueeren, dan wel of aan de leden gelegenlieid moest worden gegeven, aan de hand der vastgestelde percentages zelf 't bedrag aan de commissie mee te deelen; boe tegenover onwillige of in hun opgaven onwaarachtige leden diende te worden gehandeld, en vele andere vragen meer, die nu eens in deze, dan weer in andere richting hun beantwoording vinden.

Over al deze en meerdere vragen zou veel zijn te zeggen, en naar ik hoop zal ook uwe Redactie gaarne daarover haar licht, beter nog het licht van Gods Woord laten schijnen.

‘t Was mij er slechts om te doen, er op te wijzen, dat'meerdere Kerken zich niet van deze vraagstukken zoo gemakkelijk hebben afgemaakt als de lezing van het stulc van den heer Stam zou kunnen doen vei'moeden. Voor de gelegenheid, dit aan te toonen, zeg ik u gaarne dank en verblijf met de meeste hoogachting.

Uw dw. dnr.,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1923

De Reformatie | 8 Pagina's

STEMMEN UIT ONZE KERKEN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1923

De Reformatie | 8 Pagina's