GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE ADVIEZEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE ADVIEZEN.

6 minuten leestijd

Omdat er geen graan was, heeft de molen dezer rubriek gedurende een weak of drie stilgestaan. Doch nü heb ik weer wat te malen.

Onze lezer D. te V. zond me de vraag, of hét een gereformeerde kerk geoorloofd is een kerkgebouw te verkoopen aan vrijzinnigen voor de uitoefening van hun „godsdienst".

Ik Voel me altoos wat huiverig tegenover vragen over wat mag en niet mag. Natuurlijk niet, omdat ik tegen hot stellen van dergelijke vragen op zich zélf bezwaar heb. Integendeel, 'fc Denk, dat heel wat christenen ze zich veel te weinig stellen. Wie ernstig begeert in alle dingen Gode welbehagelijk te wandelen, ontkomt er niet aan. Want het is nu eenmaal niet anders — de Heere onze God heeft ons Zijn wil nu eenmaal niet bekend gemaakt in den vornr van een lijvig wetboek, dat we slechts bij artikel zooveel en letter die hebben op te slaan om te weten wat ons in elk bizoüder geval staat te doen of te laten. Hij trok in zijn heilige Wet slechts de hoofdlijnen waarlangs de liefde tot Hem en den naaste zich heeft te bewegen, hier en daar nog wat verbizonderd in de heilige historie en in bepaalde geboden. Duidelijk genoeg om niet in verlegenheid te laten, wie waarlijk door de liefde wordt geleid, en, naar 't vermaan des Apostels, biddend de geestelijke zinnen oefent in het „beproeven wat den Heere welbehagelijk is". Maar toch ook niet zóó duidelijk, dat we bij eiken twee-of driesprong aanstonds onmiddellijk het pad onderscheiden dat we óp moeten.

Daarom is onder ernstige christenen de vraag, of dit of dat al of niet naar Gods geopenbaarden wil is, niets ongewoons. En kunnen we bij biddend onderzoek en nadenken met een zaak niet in 't reine komen, dan is er niets tegen, dat we voorlichting zoeken bij elkander.

Doch daarbij dreigt dan velerlei gevaar, waarvoor èn wie voorlichting geeft èn wie ze ontvangt, de oogen terdege open moet houden.

Bü den eerste het gevaar, dat hij niet voldoende rekening houdt met allerlei omstandigheden, die voor het te geven antwoord van beteekenis zijn, en met het feit, dat het niet altoos voor allen hetzelfde kan wezen, wijl ook — denk aan Rom. 14 : 14 — van iemands conscientie afhangt wat hem in een bepaald geval al of niet geoorloofd is; en bij den ander, dat hij aan het oordeel van wie hij zijn vertrouwen gaf, méér waarde hecht dan het hebben mag, en er zich door ontslagen acht van aUe verder pogen om eigen inzicht en overtuiging te winnen.

Ik zeg dit niet, omdat de bovengestelde vraag deze gevaren, naar m'n oordeel, in bizondere mate meebrengt, maar alleen omdat ze, als vraag naar wat geoorloofd is, me daartoe gereede aanleiding gaf.

Overigens behoort ze zeer stellig tot die vragen waarbij het niet vergeten mag worden. Want ze is er niet eene, waarop het juiste antwoord zoo maar voor de hand ligt. En ik geef m'n oordeel dan ook voor beter.

Het komt me voor, dat we bij de beantwoording ervan terdege goed moeten onderscheiden tusschen wat we bij dergelijke vragen zoo licht dooreenwarren: gevoels-overwegingen, en gronden, ontleend aan Gods geopenbaarden wil.

Voor het gevoel hgt er natuurlijk iets pijnlijks in voor een kerkeraad en voor een Gemeente, een gebouw, dat men oorspronkelijk bestemde voor de bediening des Woords, waarin men wellicht jaren-lang saamkwam om geestelijke opbouwing te zoeken, en waaraan allerlei liefelijke herinneringen van geloofs-sterking en zielsvrekwikking verbonden zijn, te zien overgaan in handen die het in dienst zullen stellen van de propaganda des ongeloofs.

Een kerkeraad zal daartoe stellig niet spoedig besluiten. Bij keuze, zal hij zulk een overtolhg geworden gebouw zeker oneindig liever afstaan voor een of anderen tak van christelijken arbeid en zelfs voor een of andere maatschappelijke bedrijfsonderneming. Oók al zou dat op eenige geldelijke schade voor de gemeente komen te staan. Maar dat het, als daarop, in verband met plaatselijke omstandigheden, zoo goed als geen kans bestaat en alle pogingen in die richting mislukten, ongeoorloofd zou zijn zulk een kerkgebouw te verkoopen aan een vrijzinnige vereeniging, die er godsdienstoefeningen in gaat houden, zou ik niet durven zeggen.

Reeds niet om de konsekwenties. Die consekwenties zouden toch meebrengen, dat een Gereformeerde Gemeente zulk een gebouw evenmin zou mogen verkoopen aan eenige corporatie wier doel en streven, om principieele redenen, haar volle instemming hadden. Ik denk b.v. aan een Hervormde of een Ghr. Geref. gemeente.

Natuurlijk denken we er niet aan, die op één lijn te stellen met een moderne vereeniging. Maar als men een kerkeraad bij verkoop van een kerkgebouw verantwoordelijk acht voor 't gebruik dat de kooper ervan maken zal, maakt een méér of minder hier toch geen principieel verschil. Dan zou een kerkgebouw zelfs voor geen bedrijfsonderneming verkocht mogen worden, indien b.v. te verwachten was, dat het in dienst zou komen van ontheihging van den Dag des Heeren.

En het eind zou dan kunnen zijn, dat men voor de keus kwam te staan, zulk een gebouw óf af te breken èf leeg te laten staan. Is een gemeente nu rijk genoeg om dat te doen, dan kan ze daartoe besluiten. Maar anders wordt het toch een ernstige vraag, of het haar vrijstaat zulk een bezit geheel of voor een goed deel te vernietigen. Intusschen zal men al deze consekwenties, om 's Heeren wiUe en in vertrouwen op Hem, moeten aanvaarden, als een kerkeraad, bij verkoop van een kerkgebouw, geacht moet worden verantwoordelijk te ziJn voor wat de koopei er mee doen zal.

Om die vraag draait de geheele kwestie.

En die zou ik niet bevestigend durven beantwoorden. Op maatschappelijk terrein laat men dezen regel nergens gelden. Voor een christen zou het dan ook schier onmogelijk worden handel te drijven. De verantwoordelijkheid voor wat een kooper doet met het gekochte laten we overal voor rekening van hem-zelf, al zal de naastenliefde hier soms een woord van waarschuwing eischen. En in het geval waarover onze vraag gaat, ware dat stellig op zijn plaats.

Doch overigens blijft de zaak een zaak van zuiver maatschappelijken aard. Of een kerkeraad of een particulier den koop sluit maakt hier geen verschil. Doch, zooals ik zeide, ik geef m'n oordeel voor beter.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's

GEESTELIJKE ADVIEZEN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 januari 1926

De Reformatie | 8 Pagina's