GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Recbtvaardigmaking en Heiligmaking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Recbtvaardigmaking en Heiligmaking.

5 minuten leestijd

II.

De weldaden der recbtvaardigmaking en der heiligmaking zijn, gelijk we herinnerden, onafscheidelijk van elkaar. Niet alleen, naar de ondeelbare eenheid van ons zieleleven, subjeotiel, d.i. in haar toepassing door den Heiligen Geest en haar toeëigening door het geloof, 'maar ook objeotief: in den éénen Christus, pns van God gegeven beide als onze reohtvaardigmaking en als onze heiligmaking.

En dit alles in overeenstemming met het karakter van heel het werk Gods in Christus tot onze verlossing en zaligheid, dat niet mechanisch, maar, naar den eisch onzer menschelijke bestaanswijze, organisch is.

Daarom worden we door het geloof niet maar dit of dat van Christus^ maar den gehéélen Christus, met heel zijn heilsschat deelachtig. We worden Christus-zèlven ingelijfd en bezitten daarmee, voorwerpelijk, in Hem alles wat we tot onze verlossing en zaligheid behoeven: de heiligmaking niet minder dan de recbtvaardigmaking.

Doch hier komt nu de moeilijkheid, waarmee de inzender van de vraag die' we behandeten, en waarmee velen met hem, gedurig hebben te worstelen. ,

. In hun geloofsleven stuiten ze op een anomalie^ op ©en wanverhouding, tusschen hun rechtvaardigmaking voor God en hun heiligmaking.

In hun geloofsoefening lervaren ze hun rechtvaardigmaking als volkomen; wordt hun deel de roem des Apostels: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloot hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus iChristus".

Maar beproeven ze izich nu in hun heihgmaking, dan is de uitkomst zulk een geheel andera Dan vinden ze zoo niets van volkomenheid. Dan is het alles nog slechts armelijke aanvang en klein en zwak beginsel.

Op zichzelf reeds een bron van droefheid. Doch die hun ook telkens weer een bron van onrust dreigt te worden omtrent de waarachtigheid van hun rechtvaardigmaking en de oprechtheid van hun geloof. Het Woord leert hun, dat rechtvaardigmaking en heiligmaking onafscheidelijk zijn, en dat de eerste het deel niet kan zijn van wie vreemd is aan de laatste. Dat Woord betuigt hun ook, dat de oprechtheid van het geloof zich bewijst in de goede werken als zijn vruchten, en dat alle geloof dat deze vruchten niet voortbrengt een dood geloof is, machteloos om 'gemeenschap te geven met Christus en daarom ook krachteloos ter rechtvaardigmaking voor God.

Zoo werpt de onvolkomenheid hunner heiligmaking voor hun oog een schaduw op hun rechtvaardigmaking ; zet ze er een vraagteefcen achter — gaat ze hun die betwisten.

Wat is nu de weg om aan de beklemming van deze anomalie tusschen onze rechtvaardigmaking en onze heiligmaking te ontkomen?

Die ligt niet in allerlei zelf-bedachte middelen tot geruststelling, zooals b.v. dat we dezelfde anomalie ook ontdekken bij anderen, die we voor oprecht-geloovigen houden; dat de Schrift ze ons zelfs toont bij de rijkstbegenadigden onder Gods kinderen.

Want het eerste heeft een al te onzeker uitgangspunt, en het laatste mag ons wel troosten en bemoedigen, maar zal het toch alleen waarlijk en heiliglijk doen, als - we er de verklaring voor vonden in het genadewerk Gods zélf bij zijn volk. En die verklaring i s er.

Ze ligt in hoofdzaak — ons bestek laat niet toe in bizonderheden af te dalen — in het volgende :

Ie. dat, hoe onafscheidelijk rechtvaardigmaking en heiligmaking ook 'zijn, er toch verschil is in beider toepassing.

Dit groote verschil, dat de weldaad der rechtvaardigmaking, in den weg der geloofsoefening, in dit leven den geloovigen reeds tén volle wordt toegepast (Rom. 5:1), maar dat dit met de weldaad der heiligmaking niet en nooit het geval is (Rom. 7).

Toegepast wordt ook deze laatste zeer zeker. Dat toont ons hetzelfde Rom. 7 waaruit ons blijkt dat ze in dit leven nooit anders dan onvolkomen ons deel wordt, en dat zegt ons het „heiligen" en het „geheiligden in Christus Jezus" waarmee de Apostelen altoos weer de geloovigen aanspreken. Maar volkomen ons deel wordt ze eerst in de ure van ons sterven. (Heid. Cath. vr. en antw. 42 en 114).

Op de vraag, waarom het den Heere behaagd heeft het zóó te beschikken, kunnen we hier thans niet ingaan. Voor ons doel heeft het ook geen belang. Wat we zeiden is reeds voldoende om de aanvechtingen, die uit de onvolkomenheid onzer heiligmaking voor ons kunnen opkomen, te breken.

In de tweede plaats moet er op gewezen, dat deze altoos bestaande anomalie tusschen onze rechtvaardigmaking en onze heiligmaking, abnormaal worden kan tengevolge van eenzijdige geloofsoefening.

Het is de Heilige Geest die ons de heilsweldaden in onzen Heere Jezus Christus toepast.

Doch in deze toepassing gaat het alweer niet mechanisch maar organisch toe. Zóó toe, dat ook wij zelven daarin werkzaam zijn. Want ze geschiedt in den weg des geloofs. En het geloof is daarbij geen dood kanaal, maar een levende en levendige werkzaamheid onzerzijds. (Dordtsche Leerr. hfdst. II, 11 en 16).

Daarom kan eenzijdige geloofsoefening ten aamzien van Christus als onze rechtvaardigmaking, met verwaarloozing of althans met veronachtzaming van de heiligmaking, oorzaak zijn, dat de anomalie tusschen de toepassing dezer beide weldaden toeneemt, ja, dat we straks aan beide armer worden.

Want er mag hier schommeling kunnen zijn — scheiding is er nooit. En wie verzuimt met ernst in Christus zijn heiligmaking te zoeken, zal ook den vrede Gods, die vrucht der rechtvaardigmaking is, niet langer smaken.

Naar ik vrees raken we bij dit laatste aan den wortel van veel gemis van blijden roem bij Gods volk in hun rechtvaardigmaking, en van veel slapheid in den strijd met de zonde en in de gehoorzaamheid aan Gods wil.

Gezond, rijk en krachtig kan het christelijk leven onder ons pas zijn, als de oefening van ons geloof in overeenstemming i's met zijn natuur: als we, gelijk het geloof ons Christus, den geheelen Christus inlijfde, ook in de oefening van ons geloof ons naar Christus, den vollen en gpheelen Christus uitstrekken. Naar Hem, „die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heihgmaking en verlossing".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1933

De Reformatie | 8 Pagina's

Recbtvaardigmaking en Heiligmaking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1933

De Reformatie | 8 Pagina's