GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

22 minuten leestijd

Het Handboek van Prof. Dr A. G. Honig. (II. Slot.)

Het handboek van Prof. Honig verdient ook nog op andere punten onze opmerkzaamheid.

We denken hier niet in de laatste plaats aan dat der „algemeene genade". Het verblijdt ons, dat Prof. Honig den naam „verbond der gemeene gratie" („opgericht met Noach, en in hem met heel de menschheid, ja heel de schepping") ook in één adem aandient onder den naam van „verhond der lankmoedigheid". Daarmee is — om nu maar niet op détails in te gaan — recht gedaan aan één der essentiëele punten van de critiek, die in de Gereformeerde Kerken reeds lang tegen bepaalde onderdeelen van sommiger gemeenegratie-concepten is ingebracht; reeds lang vóór diegenen, die thans er over schrijven, een pen ter hand Iconden nemen. Het bezwaar — we hebben er indertijd in ons blad melding van gemaakt — was immers, o.m., dat uit de véle termen, die het niet-wetenschappelijke spi-aakgebruik der Schrift ons aan de hand doet („goedheid, geduld, lankmoedigheid, verdraagzaamheid, goedertierenlieid, aphesis") er één („genade") bij voorkeur uitgekozen werd, en straks bij de menschen er ingehamerd werd, met dit gevolg, dat de grondgedachten, die de andere, maar op den duur verwaarloosde bijbelsche termen, toch ook aan de hand doen, in het vergeetboek kwamen. De theologische en kerkelijke samenleving zou bij ons een ander beeld vertoonen, als b.v. de opstellen over „de gemeene gratie in wetenschap en kunst" eens waren afgewisseld met referaten over „Gods lankmoedigheid in wetenschap en kunst". We gaan hier thans niet verder op in; het is ons voldoende, er op te wijzen, dat Prof. Honig bepaalde elementen uit het debat der laatste jaren in rekening brengt op zulk een wijze, dat we rustig hen, die ons willen binden aan particuliere meeningen^ verder kunnen tegenhouden in dit onprogressieve bedrijf.

Gelijke tendenz verraadt zich ook, als Prof. Honig toegekomen is aan de bekende, met het probleem der „gemeene gratie" samenhangende kwestie, hoe men te denken heeft over het „brengen van de eer en de heerlijkheid der volkeren in het nieuwe Jeruzalem". Dr Kuyper heeft in zijn Gemeene Gratie daaruit heel wat conclusies getrokken, ten gunste van zijn leer, dat er „vruchten" der gemeene gratie in den hemel straks zouden worden ingedragen. Zijn spreken van „vruchten" is daarom van beteekenis, omdat juist daaruit blijkt, hoezeer het begrip der „lankmoedigheid", hoewel hij in het begin van zijn behandeling er den nadruk op legt, toch langzamerhand aan zijn veldheersblik zich onttrekt. Wie van „lankmoedigheid" spreekt, zal minder spoedig lyrische opmerkingen geven over de (positieve) „vruchten" der lankmoedigheid, dan de verwaarloozer van dit grondbegrip den dag tegenjubelt, die „vruchten der gemeene gratie" binnen de deur van het nieuwe Jeruzalem zal zien indragen. In „lankmoedigheid" ligt veel meer ruimte voor de ook op de Schrift steunende, maar lang­ zamerhand uitgesleten gedachte, dat de geschiedenis een eigen plaats had ingenomen in Gods raad, dat ze noodig was voor uitvoering van dien raad, zoowel van verkiezing als van verwerping, en wat dies meer zij; we hebben dat al zoo vaak betoogd. De tuinman, die den boom spaarde, won geen vruchten aan een lankmoedigheidsboom, doch zijn lankmoedigheid liet converseerend ruimte aan de laatste vruchtjes van den historisch gewassen boom zelf. Wie daaraan indachtig is, zal zich evenals wij wel tienmaal bedenken, eer hij de al te „optimistische" lyriek over „eer en heerlijkheid, in het nieuwe Jeruzalem ingedragen" in wetenschappelijke vormen giet, wat Kuyper trouwens heelemaal niet er mee bedoeld heeft (hij was veel breeder dan sommige zijner hedendaagsche „verdedigers"), Welnu, indertijd heb ik, dankbaar, in mijn „Wat is de Hemel" in dezen Prof. Greijdanus geciteerd, wiens kommentaar op Openbaring (ik zal nu maar den pas verschenen derden druk der Korte Verkl. hier aanhalen) dit indragen van eer en heerlijkheid naar den TEGEN- WOORDIGEN tijd verplaatste. „Uit de niet Israëlietische volken, uit de heidenvolken... zullen groote menigten komen... Hoogen en machtigen op verschillend terrein en van onderscheiden aard... zullen... hun macht en kennis, bekwaamheid en werkzaamheid, aanwenden tot heil, opbouw, uitbreiding van 's Heeren gemeente... (325). Ook wat er staat van genezing der natiën „wordt gesproken van hetgeen nü geschiedt, in dézen tijd; vgl. 21:24 en 26" (Gr. 327). — Prof. Honig nu geeft uitvoerig weer wat Prof. Greijdanus' exegese in dezeq zegt, legt dat naast de uitspraken van Kuyper en Bavinck, en toont daarmee al weer, dat van alarmgeroep minder vrucht te wachten is, dan van rustig nadenken.

Ook inzake de kerk is er in Prof. Honig's werk meer dan één zaadje, dat wij met vreugde oplezen. „In den grond der zaak is de kerk niet een voorwerp van ons aanschouwen maar van het geloof" (713). „De naam kerk, gebruikt voor dat deel der kerk, dat op aarde is, heeft dus altijd tot op zekere hoogte eene overdrachtelijke beteekenis" (1. 1.). „Strijdende" en „triumfeerende" kerk zijn geen twee kerken (711). De geloovigen, die nog geboren moeten worden, zijn „het derde deel der kerk" (1. 1.). „Bij de kerk komt het aan op de personen en ambten, die zichtbaar optreden" (707). Als de onderscheiding tusschen zichtbare en onzichtbare kerk ter sprake komt, wordt, wat mij bizonder verheugt, een aantal verwijzingen gegeven, waai-uit blijkt, dat het toch eigenlijk heel erg zichtbaar wezen moet in de kerk (belijden, rechtvaardig zijn, en volhouden, als de valsche leiders verkeerd willen) (714). Tegen het tot twee kerken verklaren van de onzichtbai'e en de zichtbare kei'k, of het tot twee deelen der ééne kei'k verklaren er van, wordt dan ook gewaarschuwd (714). Terwijl, alweer tot mijn blijdschap, de uitdrukking „de kerk als organisme" zóó wordt geïnterpreteerd, dat het speciaal kerkelijke, d.w.z. datgene, wat Prof. Honig zelf tot het eigenlijke van de kerk verklaard heeft, er vrijwel in teloor gaat. Tot dat eigenlijke is (zie boven) in onderscheiding van het „koninkrijk der hemelen" gerekend, de vereeniging van personen (niet van „geestelijke goederen"). En voorts: de ambten, die zichtbaar optreden. Welnu, als Prof. Honig op bl. 716 de „kerk als organisme" toelicht, en verklaart, wat men daaronder pleegt te verstaan, dan merkt hij, zeer terecht op, dat daaronder verstaan wordt dit en dat, en nog wat anders, maar niet wat ik zooeven aanhaalde.

En daarover verheug ik mij. Want zóó wordt tenslotte toch ook weer de arbeid van hen erkend, die tusschen kerk en (christelijken) staat en (christelijke) maatschappij de grenzen niet willen uitgewischt zien, die tegen het misbruik van de termen „de kerk als dit, en als dat" waarschuwen (zie mijn brochure „Ons aller Moeder"), en die allen nadruk er op leggen, dat het institueeren behoort tot de primaire gehoorzaamheidsdaden, die God vordert van de geloovigen. Zoo ware meer te noemen, maar wij houden op. Het boek van Prof. Honig begroeten wij met vreugde. Het is een waardig symbool van heel het levenswerk van mijn steeds in eere gehouden leermeester en ambtsvoorganger. Gelijk ik in „De Standaard" er eens aan herinnerde, hoe Prof. Honig in de dagen van zijn actieven dienst er tegen waakte, dat onderscheidingen oorzaak van scheiding werden, zóó is het thans ook. Als dit boek eerder verschenen was, zou liet alarmgeroep van Prof. Hepp wegens Prof. Vollenhoven's bezwaar tegen het woord „onpersoonlijk" misschien evenzeer uitgebleven zijn, als de officiëele verklaring, die Prof. Waterink (zie verleden week) in samenwerking met de Professoren Grosheide en Hepp heeft gepubliceerd.

Zoo geeft dit boek de vrije baan aan wie verder de gereformeerde dogmatiek ontwikkelen willen, en doet hun den dienst van vrijwaring tegen kromtrekkende voorstellingen en ondoordachte conclusies. Inzooverre is het boek nog net op tijd gekomen. Waar de één roept: een afgrond in de buurt (van nestorianisme!) (PM Hepp inzake onpersoonlijk), daar zegt de ander, die, ongehinderd, zijn gezegenden leeftijd bereiken mocht: misschien is 't beter, den term prijs te geven, aan welks behoud u alles schijnt te hangen? ...

Er is gelukkig nog humor in deze wereld.

K. S.,

Adventsprediking.

Nu de adventsprediking weer in het zicht komt, zijn er heel wat pastorieën, waarin de moeilijkheid van zulke prediking zich weer levendig zal laten gevoelen. December is één van de mooiste, èn één van de moeilijkste maanden uit het predikantsleven.

Eén van onze lezers-predikanten nu schreef mij dezer dagen een brief, waaruit ik het volgende citeer:

„U hebt keer op keer geschreven over de behandeling (de homiletische behandeling) van historische stoffen uit het Oude Testament en de beteekenis van de Historia Revelationis (de geschiedenis der openbaring, K. S.) te dezer zake. Ik tracht ook in deze richting over genoemde stoffen te preeken. Doch in den Adventstijd komt heel sterk jaar op jaar de vraag bij me op: wat is nu nog het specifieke van de Adventsprediking? Als ik over een historischen tekst uit het Oude Testament preek, bijv. midden in den zomer, denk ik bij mezelf: dit kon wel een Adventspreek zijn.

Daar U nu over Kerst-, Lijdens-, Paasch-, Hemelvaart-, en Pinksterprediking reeds hebt geschreven, is mijn vraag: Wilt U ook eens iets zeggen over Adventsprediking?

Ik hoop, dat U verstaat, hoe deze vraag bij mij geboren is juist omdat ik wat U schreef over. de Historia Revelationis bij mijn prediking in rekening tracht te brengen."

Tot zoover de brief, waarvoor mijn dank. Over de zaak zelf zou ik het volgende willen opmerken.

Ongetwijfeld heeft mijn correspondent gelijk, als hij opinerkt, dat elke preek, die hij in den zomertijd houdt over historische (en ook andere) stoffen uit het Oude Testament, en die dan rekent met hetgeen in ons blad daarover geschreven is, in zekeren zin „adventspreek" is. Want zij spreekt over den Christus, heeft Hèm laten zien in Zijn komen tot de wereld, heeft dus het begrip van „komen", en van den „komenden Christus" tot erkenning gebracht en helpen brengen. En, — bij de „doorsnee-adventspreeken" is het gros der hoorders al tevreden, wanneer met die leerelementen van de „komst" en van den „komenden" Christus gerekend is.

Toch is er wel degelijk verschil tusschen die zomer-, èn die Decemberpreek over oudtestamentische stoffen.

Immers, als ik den weg der openbaring voorstel door een lijn (oppassen anders voor die figuurtjes en beelden!), en bepaalde historische momenten van dien weg aangeef door puntjes op die geteekende lijn, dan krijg ik (me slechts tot enkele voornaamste feiten bepalende) een beeld als volgt:

Preekt men nu over één van de historische stoffen uit het Oude Testament, dan kan, aangezien de historie gedurende die periode niet verder komt dan tot aan punt N, de prediker, als hij zich strikt aan zijn stof houdt, Gods komen in Christus niet verder teekenen dan in zijn gekomen-zijn-tot-aan-éénvan-de-punten-tusschen-A-en-N.

Maar in de adventsdagen van December, die practisch voorbereidingsdagen voor het Kerstfeest geworden zijn, strekt zich de belangstelling allereerst uit naar de punten N—Q, en vervolgens (maar dan is 'tal weer minder scherp) N—X.

Dat geeft al dadelijk een niet gering onderscheid. In de gewone (de zomer)-preeken toch over historische stoffen uit het O.T. is het EIGENLIJKE doel geen VOORbereiding op wat nog komen , moet, geen „toe» komstblik" derhalve, doch preciese PLAATSBEPALING. Ik moet weten, wat God daar en daar, toen en toen, HEEFT gedaan in het proces der komst van den Zoon tot Zijn vleeschwording (met inbegrip van alles, dat ermee samenhangt). De vleeschwording is daarbij niet eens de hoofdzaak, want ook deze was slechts midde 1 ter bereiking van zeer veel bepaalde doeleinden. Het gaat dus om heel Gods werk ter verlossing. In die zomer-preeken is derhalve profeteeren niet het doel, wanneer men tenminste onder dat woord verstaat: toekomst-aanwijzing. Wèl is daar het „profeteeren" bedoeld in den zin van: rechte in-verband-zetting.

Het verschil is groot. Neem maar weer een voorbeeld. Wat was de bedoeling van onze door inzender bedoelde artikelen? Feitelijk geen andere dan deze: vertel precies, wat er gebeurd is, zooals zich dat voor de door het Woord en den Geest geopende en gescherpte oogen van het geloof heeft voltrokken. Namelijk, wanneer het gaat over historische stoffen. Nu ons voorbeeld. Als ge over den kleinen Napoleon, gekomen tot zijn tiende levensjaar, zoudt vvillen geven „opening" eener (onderstelde) aan Napoleon gewijde volmaaktprofetische biografie, dan zoudt ge knoeien, en maar tijd vei-morsen, als ge — wat heel wat preekers vroeger en hier en daar ook nu voor gewoonte namen — de menschen bezig zoudt houden met het merk schoenen, dat het ventje droeg, de straat, waaróp het slaapkamertje uitzag, de kleur van de bloemen op zijn verjaardag, om dan niet verder te zien. Maar goed zoudt ge over hem spreken, als ge aantoondet, hoe op dien leeftijd zijn heelé mensch, lijf en geest, bekwaamd werd tot zijn latere levenswerk. Misschien dat dan zelfs die schoenen beteekenis krijgen; en, als die onderstelde goede biografie heusch de moeite genomen had, er over te spreken, dan hebben ze inderdaad hun beteekenis. Die schoenen heeft hij dan misschien vergeleken met generaalsschoenen, zwaar beslagen (ik hoop, dat ik geen cultuurhistorischen blunder sla, zoo ja, dan hindert het nóg niet). En in. die straat heeft hij misschien ruimte gehad voor het opstellen van denkbeeldige legercolonnes. En die bloemenkleur heeft hem misschien associaties gewekt aan de kleur van de zee, die Corsica omspoelt, en aan wat er wel zou groeien ver weg in vreemde landen, en in de steppen vaii Siberië. Ieder, die over dien knaap en zijn bizonderheden zóó spreekt, zou dan het eigenlijke treffen. Hij zou preciese plaatsbepaling geven, zorgvuldige in-verband-zetting.

Maar als zijn taak was. Napoleon's bruidsdagen te teekenen, of de gedetailleerde voorbereiding van zijn grootsten veldslag, dan zou de stof beperkt zijn. De methode van behandeling der stof bleef gelijk; maar de stof zou verschillen.

En zóó staat het nu óók met die zomer- en die December-preeken. Methode gelijk. Stof verschillend. Stofkeuze in den zomer breed. In December beperkt. We hebben dus in heel het Oude Testament, èn in heel het Nieuwe Testament te doen met Gods komen in Christus. Maar de punten van den weg, d i é zijn verschillend. Wie over punt B, C, D, E, F, G, H, I, J, K, L, M preekt, moet geen moeite doen om het allemaal heen te wringen speciaal naar punt P. Waarom zou dat? Primo heeft de predikant al moeite genoeg, om elk van die punten B—^M goed te belichten, d.w.z. het licht, dat God daar ontstak, op te vangen en door te geven; hij hoeft zich heusch geen andere moeiten op den hals te halen. Maar secundo: waarom zou hij in een preek over de punten B—M nu alles op punt P (de geboorte) zetten, waarom speciaal op dat ééne punt de aandacht vestigen? Dat heele punt P is immers niets, zonder den heelen langen w è g A—X, waarop hpt door den God der geschiedenis geplaatst is. En het is zéker niet belangrijker dan de punten Q—X. Omgekeerd: voor zoover het vervolg altijd belangrijker is, bij God, dien volkomen Werkmeester en Werkvoleinder, dan het begin, of het midden, voorzóóver zijn de punten Q—X allemaal belangrijker dan punt P. Een prediker, die dus in de zomer-preeken elk punt tusschen B en M met geweld heenwringt alleen maar naar punt P, dié doet zijn taak geweld aan. Dié loopt gevaar, ondanks al zijn in December hem scherp voor oogen staande gevaren van kerstromantiek, toch weer „in den Èomer" in de kapitale zonde van die kerstromantiek te vervallen: want hij wringt alles naar dat ééne punt P toe, als ware dat toch eigenlijk mooier en katastrofaler dan Q—W. Als hij „in den zomer" elk van de punten van den weg tusschen A en M scherp laat zien in hun strikte, hun eigenlijke beteekenis, dan heeft hij zijn zómer-taak volbracht. Dan zal meteen het verband tusschen elk ééne punt en al de punten van A tot en met X zijn aangeduid in die grootsche conceptie, die een goedgereformeerde preek altijd worden kan, als ze den stellen weg maar opgaat, dien onze artikelen, bovenbedoeld, wezen.

Maar in de adventsweken gaat het speciaal over punt P en de naastbij liggende. In December gaat het wel degelijk speciaal over de vleeschwording, hetgeen wij hierboven ontkenden voor wat de punten B—M betreft.

Natuurlijk zitten we allemaal verlegen met het feit, dat het kerkelijk jaar zoo gebrekkig is ingericht. Feitelijk missen we een advent, laat ons zeggen, midden in den nazomer, voor Christus' tweede komst, een advent voor de punten W en X. Als we niet zeven weken hadden gereserveerd voor het lijden (wat natuurlijk veel te veel is, vergeleken met wat Christus VERDER NOG DEED OF DOET), dan zou de beperkte stof van de December-adventsdagen scherper in haar begrenzing voor de aandacht staan. En als we niet zoo met het duizendjarig rijk hadden te tobben, zou het ook beter zijn.

Ziehier enkele algemeene opmerkingen. Als ik plaats heb (ik beloof niets), ga ik nog een poosje doorpraten over dit thema.

K. S.

Statistiek der Geref. Kerken in Nederland. (I.)

Wie een poging wil doen, betrouwbare statistische gegevens betreffende onze Gereformeerde Kerken te veririjgen, om vervolgens daarop positieve conclusies te bouwen, ondervindt, dat de ten dienste staande bouwstoffen onvoldoende zijn, om het bouwwerk van het denken te voltooien.

Twee bronnen staan ons ten dienste. De eerste is deel III van de publicatie der volkstelling 1930, handelend over de kerkelijke gezindten. En de tweede is het Jaarboek der Gereformeerde Kerken in Nederland, uitgave OosterbEian en Ie Gointre te Goes.

Laat ons nagaan, wat deze bronnen ons bieden. D'e Rijkspublicatie welike de bevolking beschouwt naar de kerkelijke gezindten, deelt ons mede, dat op 31 D< ecember 1930 tot de Gereformeerde Kerken behoorden: (Zie vervolg op blz. 60.)

60 Ongehuwden Gehuwden (inclusief gescheidenen van tafel en bed) Gehuwd geweest zijnde Mannen 185.247 116.514 9.451 Totaal 311.212 Vrouwen 186.651 122.108 18.400 327.159

of totaal 638, 372 personen. (Totaal 1 hooger dan specificatie.) 'Ingedeeld naar den leeftijd, geeft de statistiek de volgende cijfers:

Rekening houdende met de gepubliceerde gegevens der vorige volkstellingen, kunnen we nu de volgende vergelijkende overzichten opstellen:

Toename der bevolking van Nederland en van het ledental der Gere f. Kerken. A. Bevolking Toename Leden Toename Nederland in % Geref. in % sinds 1899 Kerken sinds 1899 31 Deo. 1899 5104.137 361.129 31 Dec. 1909 5858.175 14.77 491.451 36.09 31 Dec. 1920 6865.314 34.50 571.834 58.35 31 Dec. 1930 7935.565 55.47 638.372 76.77 B. Bevolking Leden Geref. Toename per ultimo 1909 procenten van 1899 Toename ultimo 1920 in procenten van 1909 Toename ultimo 1930 in procenten van 1920 Nederland 14.77 17.19 15.59 Kerken 36.09 16.36 11.63

Kunnen wij nu dit cijferbeeld als betrouwbaar materiaal aanvaarden? Ik meen deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden. De sterke toename van 1899 op 1909 is onwaarschijnlijk, in deze jaren deed zich geen bijzondere gebeurtenis ' voor, welke deze toename zou kunnen motiveeren. En ook de vrij sterk gedaalde procentueele vooruitgang van 1930 op 1920 is evenmin acceptabel.

Daarbij dient ook aandacht geschonken aan de sterke verschillen tusschen de volkstellingcijfers en die van ons Jaarboek. Om niet te uitvoerig te worden, geven wij alleen deze cijfers: Ledenaantal Gereformeerde Kerken. Volgens de cijfers Volgens het der volkstelling kerkelijk Jaarboek Ultimo 1920 571.834 499.258 Ultimo 1930 638.272 569.145

Beide malen een verschil van rond 70.000 leden, welke de volkstelling méér geeft dan ons Jaarboek. Men kan slechts gissen naar de oorzaken dezer verschillen. Stellig noemen zich velen Gereformeerd en geven zich op tot de Gereformeerde Kerken te behooren, die inderdaad op onze ledenlijsten niet voorkomen. Het misbruik door allerlei groepen van den naam „Gereformeerd" werkt op de statistiek funest. En de deskundigheid ter zake van de tellers, die van voorlichting moeten dienen, is gewoonlijk gering.

Slechts één gegeven der bevolkingsstatistiek is m.i. hier bruikbaar, en wel de indeeling der bevolking naar de leeftijden, waaruit de meerdere of mindere kinderrijkdom der verschillende gezindten kan worden afgeleid. Het volgende vergelijkende overzicht geeft daarvan een beeld.

Cijfers per 31 Dec. 1930 Totaal aantal Waarvan b in personen (a) onder procenten Nederduitsch Hervormd 2.732.333 10 jaar (b) 494.557 van a 18.10 Roomsch Katholiek 2.890.022 698.539 24.17 Gereformeerde Kerken 638.372 142.700 22.35 Nederlandsch en Portugeesch Israëlieten 111.917 15.234 13.52 Geheele Nederlandsche bevolking 7.935.565 1.675.248 21.11

Uit deze cijfers mag worden geconcludeerd, dat, althans per ultimo 1930, de Gereformeerden wat het kinderaantal betreft, achterstaan bij de Roomsch-Katholieken, welke een beduidend hooger percentage geven, doch dat zij 1.24 % uitgaan boven het gemiddeld kindercijfer der geheele bevolking.

Hoe deze kindercijfers per ultimo 1937 zijn, is onbekend. Met vrij groote zekerheid kan echter worden verwacht, dat de cijfers der volkstelling 1940 een belangrijk ongunstiger beeld zullen bieden, daar het algemeene geboortecijfer in ons land, dat zich voor 1930 op 23.12 per duizend stelde, in 1937 tot 19.8 per duizend is gedaald.

Gaan wij thans na, welke gegevens betreffende onze kerkelijke bevolking geboden worden door het Jaarboek onzer kerken.

We zouden daarbij gaarne ook de cijfers der provincies in onze beschouwing willen betrekken, welke inderdaad van beteekenis zijn. Doch, om niet te uitvoerig te worden, volstaan we met de totaalcijfers der gerefonneerd kerkelijke bevolking van ons land nader te bezien. Daartoe jnoge de volgende staat dienen, welke uit de Jaarboekcijfers is afgeleid:

Ledenstatistiek volgens het Jaarboek. Jaar Aantal Toename sinds Aantal Toename sinds Doop- ultimo bel. den vorigen doop- den vorigen leden leden datum leden datum in..% v. aantal in % aantal in % 't aant. leden 1920 225.935 273.323 54.75 1925 251.861 25.926 11.48 288.934 15.611 5.71 53.43 1930 274.064 22.203 8, 81 295.081 6.147 2.13 51.85 1935 303.181 29.117 1062 307.582 12.501 4.24 5036 1937 315.238 12.057 3.98 311.639 4.057 1.32 49.71 1920 225.935 273.323 1937 315.238 89.303 39.53 311.639 38.316 14.02

Nu moet ten opzichte dezer cijfers eveneens in het oog worden gehouden, dat zij niet geheel nauwkeurig zijn te achten. Het Jaarboek deelt mede, dat de statistische tabel berust op de door de kerken verstrekte cijfers, terwijl voor de kerken, die geen opgave zonden, de oude cijfers zijn genomen. Doch we meenen, dat over het geheel genomen, de cijfers bruikbaar zijn, een vrij juist beeld vertoonen en ongetwijfeld meer betrouwbaar zijn dan die der Rijksstatistiek. Wat zien wij nu uit deze cijfers?

De geringe toename van het aantal doopleden in verhouding tot dat der belijidende leden springt in het oog. Terwijl de belijdende leden in 17 jaar met bijma 40 pet. toenamen, is het aantal doopleden met slechts 14 p'ct. toegenomen. Uiteraard wijst dit cijfer niet uitsluitend op de verminderde geboorten; voor de jaren van 1925 tot 1930 is, zoowel bij belijdende leden als doopleden, de invloed van het uittreden der Geelkerkengroep op te merken; ook ikeeren meerderen aan de kerk den rug toe; de toename van den gemiddelden levensduur der bewoners oefent eveneens invloed op de cijfers; doch het verschil van 26 pet. moet, dat kan met zekerheid worden geconstateerd, toch wel in hoofdzaak aan het geringer nataliteitscijfer worden toegeschreven.

De samenstelling oazer kerkelijke bevolking vertoont hetzelfde beeld als dat onzer landsbevolking. Einde 1920 waren van de 6.865.814 inwoners van ons land er 3.534.980, of 51, 49 pet. onder de 25 jaar, ultimo 1937 telden me 8.639.539 inwoners, waarvan er 4.191.852, of 48, 52 pet. jonger dan 25 jaar waren. En bij' onze (kerken is voor de eerste maal, bij het einde van 1937, het doopledental tot beneden d© helft van het totaal der leden gedaald.

Duidelijke taal spreken de onevenredige cijfers betreffende de toename van de aantallen belijdende- en doopileden. Vrij gezoad zou de toestand zijn, indien de toename voor beide groepen relatief nagenoeg gelijk zoude zijn. Nu echter over de beschouwde 17-jarige periode een zóó belangrijk toenameverschil moet worden geconstateerd, zijn de cijfers ongunstig te achten.

Indien dit proces doorwerkt, dan zal voor onze kerken hetzelfde gelden als voor de landsbevolking: de levensduur moge zijn toegenomen, het stervensmoment komt zeker.

Het sterftecijfer, dat in 1937 voor ons land 8, 8 per lOOO inwoners bedroeg, en reeds eenigszins boven het laagste punt, 8, 4, uitgaat, zal binnen nog weinig jaren verder moeten stijgen en steeds kleiner verschil gaan vertoonen met het geboortecijfer, dat voor 1937 19, 8 per 1000 inwoners bedroeg. Het doode punt is dan 'niet ver meer verwijderd.

En met droefheid moet dus onze conclusie zajh, dat de oorzaken der geboortevermindering in West-Europa gedurende de 19e en de 20e eeuw, waarop wij^ nog terugkomen, ook in onze Gereformeerde Kerken, geheel of ten deele, den geestelijken achtergrond vormen van het verschijnsel der mindere nataliteit, dat óók- den groei van ons gereformeerd leven bedreigt.

In een volgend artikel stellen we ons voor te bespreken, aan welke eischen een. goede kerkelijke statistiek dient te voldoen.

G. GÜIJT.

De Groote Catechismus van Zacharias Ursinus. (XI.)

138. Maar waarom zijn onze werken niet de gerechtigheid, of een deel der gerechtigheid, die voor God geldt?

Omdat alle onze werken vóór de wedergeboorte zonden zijn.

En ofschoon wij na de wedergeboorte goede werken beginnen te doen, hebben zij toch, zoolang wij in dit leven zijn, altijd eenig gebrek bij zich. De Wet Gods onderwerpt echter aan de vervloeking allen, die niet in alles volmaakt aan haar gelijkvormig zijn. Derhalve hoe klein ook 't deel der gerechtigheid mag zijn, dat wij aan onze werken toeschrijven, uit dezen hoofde zal het goddeloos en verminkt zijn, en daarom in 't gericht Gods niet kunnen bestaan.

139. Voorts, daar aan de goede werken zoo dikwijls tijdelij'ke en eeumige belooning beloofd worden, ver~ dienen zij dan niemendal hij God?

De goede werken van geen enkel schepsel, uitgezonderd alléén de gehoorzaamheid van Christus, kunnen ook maar iets bij God verdienen. Want ofschoon wij alles zouden gedaan hebben, wat wij moesten doen, zouden wij toch nog onnutte slaven zijn, en meer verschuldigd zijn, dan door ons zou gedaan zijn; God echter zou ons niet het minste verschuldigd zijn. De belooning volgt derhalve op de goede werken volgens de Goddelijke beloften, geenszins als verschuldigd of verdiend, maar als onverdiend en uit barmhartigheid geschonken.

140. Maar indien de goede werken dan niets tot onze gerechtigheid bijdragen, kunnen wij dan gerechtvaardigd worden, ofschoon er geene in ons gevonden worden? Geenszins.

G. B.

Hulp opleiding predikant Argentinië.

In vriendelijken dank ontving ik voor hulp opleiding predikant Argentinië: f 1.— van, W. V. Jz. te Rozenburg, f3.50 van Ds H. V. te L. e.a. f 10.— van L. v. W. te L. f 15.— van H. de B. te R. f 5.— van mej. P. J. te O. f 10.— van mevr. wed. v. S. te A. Met blijvende aanbeveling.

K. SCHILDER,

Giro 127278.

P.S. Verantwoording verleden week stond onder

K. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken