GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

EVEN PARKEEREN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EVEN PARKEEREN.

4 minuten leestijd

Gods kind onder Gods hoede.

De onbekende dichter van Psalm 91 beschrijft voor ons wel zeer onbekende zielstoestanden. Als zijn canoniciteit hem niet beschermde, zouden wij hem zeker het stempel van oppervlakkigheid indrukken. Voor het minst zouden wij ons de opr merking veroorloven, dat hij wel zeer eenzijtfig is geweesL in dezen psalm. Want het is één doorloopende geloofsjubel, dien wij in dit verheven lied beluisteren. Zeker, d'e zanger gewaagt van menigvuldig© bedreigingen. Ieder oogenblik is hij in gevaar. Het kleine hoopje dat ons in een bulletin doet schrijven: geen direct gevaa, r aanwezig, bestaat voor den dichter niet.

Elk stroohalmpje waaraan hij zich zou kunnen vastklemmen, is weggemaaid. Elk klein duiveltje, waarvan wij soms gemoedelijk kunnen spreken, is verzwonden en voor hem staat de baarlijke duivel ide draak, de satanas! Nu is hem niefis gebleven dan... de eenige God, Allerhoogst en Almachtig! Wij zouden Mer een lied verwachten als van Psalm 25: duizend zorgen, duizend dooden kwellen mijn angstvallig hart.

Voor het minst zouden wij een gesprek van den dichter met zijn ziel willen beluisteren: O: , mijn ziel, wat buigt g'u neder? Maar niets van dit alles, een geloof dat van geen wank'len weet, is aan het woord van den eersten tot den laatsten regel.

Wij zouden dezen psalm niet slechts eenzijdig willen noemen, maar ten eenenmale in strijd met de werkelijkheid. De vogelvanger heeft ons wel degelijk verstrikt, wij zijn er vaak ingeloopen, ja, ingevlogen! Wij dwalen in de leer en wij struikelen in het leven. Wij vreezen wèl, des morgens als het ochtendblad komt en des avonds bij de nieuwsberichten, des nachts als wij ons rusteloos omgooien op het bed. Ons leven wordt door vrees verteerd. Immers wij deelen in het lot der menschheid, duizenden vallen voor onze oogen, maar wij vallen mede. Tienduizenden storten naast ons neer, maar wij blijven niet staande, wij zouden willen zeggen: alles draait mij voor de oogen. Maar de psalmist zegt van den vrome: hij zet zijn voet op den nek van den leeuw en hij vertreedt den kop van de slang! Onbekende dichter, dit zijn voor ons onbekende dingen! Hebt gij u niet vergist toen gij dit üed zongt, is het wel een lied des geloofs en niet een Ued van den overmoed? Een veelgeplaagd mensch zou zich kunnen stooten aan uw woord: geen plaag zal uw tent naderen! Dat is niet waar! zou hij kunnen schreeuwen, al de tien plagen van Egypte zijn tegeUjk over mij en mij|n huis gekomen. Of een meer bescheiden geloovige zou de conclusie kunnen trekken: dan ben ik zeker géén kind van God, anders zouden mij zulke rampen niet kunnen overkomen.

Ten slotte hebben wij nog een andere schuilloopgraaf om ons ongeloof in te bergen: dan spreken wij van Uebermenschen in het koninkrijk Gods voor wie zulke bijzondere bewaringen zijn en scheuren practiscli dezen psalm uit den Bijbel van een „gewoon" mensch.

Toch, deze psalm is Woord van God aan allen, die gelooven. Het is geen lied voor engelenstemmen noch voor heldentenoren uit en onder de geloovigen. Het is een lied voor uw huisorgel, voor' uw Christelijke Radio, een lied hammaaloth voor eiken pelgrim naar Jeruzalem. Wat is het geheim van dezen geloofsjubel? Eenvoudig dit, de zanger is begonnen waar men beginnen moiCt, bij God! Hij heeft God de plaats gegeven, die Hem toekomt, de eerste plaats. Als wij (kid de eerste plaats geven, zal dit blijken de eenigste plaats te zijn, naast Hem is er ruimte voor niemand. Wij hebben helaas een andere instelling, wij willen meestal idt den nood opklimmen tot God. Wij spreken en schrijven van den machtigen Duitscher, wij zingen en preeken van de geweldige problemen en het sterke ongeloof. Dan willen wij zoeken naar een nog sterkeren God. IJdel pogen, zulk een God is er niet, naast machtige menschen en geweldige dingen is er voor een almachtige geen plaats. Als het geloof gelóóven gaat, begint het anders te spreken. Het begint te zeggen: Allerhoogste en Almachtige! Herhaal, mijn ziel, dat duizendwerven, herhaal het toch van uur tot uur! Die andere inhoud van ons denken, die geloofsinlioud, brengt ook een andere gemoedsstemming te weeg. O neen, dan cijferen wij de oordeelen niet weg, dan zien wij de oordeelen voor het eerst van ons leven. Inplaats van onze mènschkundige redeneeringen komt het geloovig profeteeren: Uw golven en Uw baren gaan over mij heen. Uw raad wordt vervuld. Maar in het vaste geloof dat onze Heere Jezus Christus Zich den vollen toorn Gods heeft toegeëigend, spreek ik dien God der Wrake, Die blinkende verschijnt, vrijmoedig aan als m ij n toevlucht, m ij n burg, m ij n God. En in de grootste smarten, blijven onze harten in dien Heer gerust.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's

EVEN PARKEEREN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 november 1938

De Reformatie | 8 Pagina's