GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK LEVEN

19 minuten leestijd

Reisindrukken. (V.)

Gemengd nieuws.

Terwijl gij allen, goede lieden, reeds heimelijk de avondbezigheden van Woensdag 8 Maart in den zin hebt, zin of geen zin, is deze uw dienaar nauwelijks ontwaakt. Hij bevindt zich n.l.in den Rainbow Canyon, zit dus, gelijk u onmiddellijk begrijpt, midden in de Rocky Mountains, en is op weg naar Califomië, waar, behalve een broer van een „Reformatie"-medewerker, ook eenige dominees, zoowel van Chr. Geref., of Geref., als van Prot Geref. (d.w.z. volgens prof. dr V. Hepp: „schismatieke", oftewel Hoeksema-)zijde hem verwachten, teneinde enkele gallons benzine voor hem te laten verdwijnen in de overigens zoo smettelooze lucht. Sedert gistermorgen gaat onze trein 'al maar door het Botsgebergte heen; toen ben ik n.l. vrij vroeg uit Denver vertrokken. De reis begon zeer paradoxaal: tot aan Sioux Center (laatste, zeer krachtige centrum van hollanders, waar ik van Donderdag tot en met Vrijdag der daarop volgende week 15 maal sprak, zooveel nederlanders, waar ik zóó maar „De Wachter" en „De Refonnatie" van eenige weken cadeau krijgen kon), tot aan Sioux Center dus had ik twee jassen bij me: één zeer stevigCi die bepaald mijn na een speech oververhitte en veege lijf temidden van sneeuw en ijs ettelijke malen beschermd heeft, èn een lichte, zoo voor Califomië, waar 't nu al zomersch moet zijn. Maar in de auto van ds Brunsting, die me dadelijk na speech-nummer-vijftien 's nachts van Sioux Center over zooveel mijl naar Omaha gebracht heeft (voor den nachttrein naar Denver) heb ik nu juist die lichte jas laten liggen: dat was de tweede maal..., zooals ik ook al een V^f „rubbers" (oftewel overschoenen k la De Gonestet), die vóór Denver onmisbaar zijn, krachtens mijn aan di artikel ongewoon-zijn heb laten liggen bij een neder-

landschen bollenkweeker op Long Island; een man, in wiens onmiddellijke nabijheid ik enkele jaren gewoond }ieb in het gróóte Nederland, zonder ook maar zijn naam te kennen, en met wien ik in dat kleine Amerika allergezelligst kennis gemaakt heb.

En zoo kom ik nu met niets anders dan een zware, dikke jas plus mijn tweede paar rubbers in het land van den zomer en van tropische planten aan. Ik denk, dat die dame, die óók hier in dezen trein reisde, en alvast „zomersch" gekleed was, d.w.z. met geen andere bovenkleeren, dan een ongevoerde donkere blouse van zeer ópen kantwerk, me wel uitgelachen heeft vanwege die bagage. Hetgeen ilc, zelfs op weg naar Califomië, maar het beste vind.

Overigens zijn al die overgangen aardig. In Denver hep ik Zondag j.l. zonder eènige overjas naar de kerk, en heb ik gewandeld naar een plekje, waar je den beroemden berg (o, mijn kinderverbeelding!) Pikes Peak kon zien bij helder weer (afstand van 'n kleine 200 K.M.). Maar enkele dagen daarvóór was 'k in lowa, onder al die hollanders, en met name Kampenaren, temidden van sneeuw en ijs. En inmiddels zijn we ook al weer twee uur opgeschoven in den tijd. Eerst was de klok weer een uur teruggezet tusschen Omaha en Denver. Dat was Zaterdagmorgen. Thans ging, vlak vóór het ontbijt, in den trein de klok weer een uur terug; ik ben den nacht ingegaan volgens Mountain-Time, doch ben hem uitgetreden in Pacific Time. Een bewijs, dat we den oceaan naderen. De lust zou 'n mensch bekruipen, om, na zooveel mijl in westelijke richting te hebben gereisd, nu maar kalm dóór te treliken naar het Westen: even naar Japan, even naar Indië, even naar Palestina, en dan al maar verder, tot je weer in Kampen terecht komt. Maar ik zal wel netjes over New-York terugkomen; 'tis toch altijd nog iets korter. Ik heb overigens in deze dagen vaak gedacht aan die persdebatten uit de periode, toen „De Wekker" nog wekelijks de Gereformeerde Kerken aanviel, debatten over de dagen van Genesis I.

Tot zoover was ik gekomen, toen mijn vulpen leeg . bleek. De steward van de dining car bleek gewillig genoeg, om ze te vullen. Op den terugweg van den eetwagen tot mijn eigen wagon, kon ik blootshoofds door het open venster van den ingang van één der wagens zoo maar de frissche morgenlucht inademen, 't gezicht op de bergen, waar net de zon op schijnen kwam. En dat zégt wat, als je in een amerikaanschen trein de kans krijgt, door een raam je hoofd te steken! Tot nu toe, vóór de Pacific-tijd-zöne, was me dat onmogelijk. Dubbele ramen, moet u weten. En geen één raampje gaat open. Want de wagen is air-conditioned: in den vrinter kunstmatig verwarmd, en uitstekend geventileerd, en in den zomer langs gelijken weg verkoeld.

Wèl had ik dus wat zelftucht noodig, om dat open raampje te verlaten, benevens dien conducteur, die uit pure ochtendvreugde om Gods mooie schepping, mij, den hem onbekenden passagier van een anderen volgwagen, luidrachtig toeriep: how do you do? Want de Rocky Mountains zijn mooi. Misschien zullen de Alpen vrouwen, en de Rocky Mountains, als geheel genomen, mannen eerder toespreken; want het is hier totaal anders dan in de Alpen. In de enkele détails, die ik zien mocht, en ook over het geheel. Het is hier anders, maar niet minder mooi. En dan heb ik, wegens tijdsgebrek, in verband met mogelijke sneeuwbezwaren, nog niet eens de mooiste route kunnen kiezen!

Ik breng dus min of meer een offer, als ik ook deze treinreis gebruik voor schrijfwerk. Maar ik leef in de vertwijfelde stemming: nu, of nooit. Als ik straks (3.32 's middags) in San Bernardino aankom, is 'tvoorloopig weer gedaan met schrijven. Dus nemen we den draad weer op.

Want we zouden nog iets vertellen over de Grand Rapids-periode, volgens mijn herinnering. Sinds heb ik al Weer heel veel gezien: Holland, Kalamazoo, Chicago, Pella, Denver, en niet te vergeten Sioux County met al die nederlanders en dat 92-jarig vrouwtje, dat me uit pure liefde voor de Theologische Hoogeschool zoo maar 5 dollar gaf ten bate van het Suppletiefonds; volgens prof. Hepp's terminologie is zij wel schismatiek, maar ze las trouw „De Wachter" en Thomas Bos, en heeft ettelijke familieleden onder vooraanstaande gere- Jornaeerden in ^Nederland. Hetgeen trouwens met ettelijke Hoeksema-lieden (of „schismatieken" volgens dr.Hepp), het geval bleek; ik heb dan ook heel wat groetenissen van dezulken voor gereformeerde dominees en ouderlingen en professoren in „the old country" meegekregen. Misschien vindt ds Doornbos dat geschikt nieuws voor ..De Heraut", al komt het niet uit den koker van dr V. d. Vaart Smit's persbureau.

Neen lezer, ditmaal raakt in die laatste woorden mijn l)abbeltje toch niet van zijn eigenlijke chapitre af. Want men heeft mij kennis gegeven van een „Heraut"berichtje, uit de rubriek ds Doornbos, waarin óók enkele zakelijke onjuistheden via het N.C.P. (dr v. d. Vaart Smit, directeur) werden weergegeven. De meeste daaraan laten we maar loopen: er is sinds al weer heel Wat gebeurd in de wereld; Maar op één gaan we in: t raakt een serieuze kwestie. Ds Doornbos toch gaf zijn lazers kennis van het feit, dat uit Amerika gevraagd •Was, hoe men het zou vinden, als een professor der amerikaansche zusterkerk zou gaan spreken, nog wel "''er Genesis III, voor een kring van de Geelkerkenë^oep. Ik vveet niet, of ds Doornbos ook andere berich- ^n uit Amerika doorgeeft: er is anders stoffe genoeg. Maar ik wil met genoegen antwoorden. Indien één der theologische professoren uit Grand Rapids naar Neder­ land kwam, en spreken zou, daar en daar, dan zou ik, tenzij ik uit 's mans geschriften het tegendeel van zijn gereformeerd-zijn kon bewijzen, zeggen: we mogen ons verheugen, dat ook een gereformeerd buitenlander nog eens de gereformeerde waarheid gaat verkondigen daar, waar 't geen kwaad kan. En ik zou wèl oppassen, dat ik niet 'ging vragen: kan 'took kwaad? Want ik zou, in het vaste geloof, dat mijn eigen gereformeerde kerken de belijdenis hebben gehandhaafd tegenover de Geelkerken-groep, in zulk een vraag iets zien, dat mijn eigen kerk, of anders de zijne, beleedigde. Weet ds Doornbos 't soms anders? Hij zegge het vrij uit.

Maar laat ons ds Doornbos' berichtendienst liever vergeten, en tot de zaken komen, op den man af. Reeds heb ik in mijn vorig artikeltje op ds v. Dellen gewezen, die, van Amerika Nederland bezoekende, op de synode kwam van een kerk (de Chr. Geref.), die met de onze niet eens praten wil over h.i. diep ingrijpende geschilpunten. Als ds V. Dellen daar iets goeds te vertellen heeft, wasirom dan niet?

Ja maar, waarom niet met in Amerika te houden speeches over de algemeene genade gewacht tot na een synode in Nederland? Zoo hoort ds Doornbos een redacteur uit Amerika vragen. Maar hoe zit het nu? In mijn voorgaand artikeltje berichtte ik reeds, dat volgens vooraanstaande leden der aiüerikaansche zusterkerk de synode van Kalamazoo geen dogmatische uitspraak over de algemeene genade gedaan heeft! En Sneek wil, zegt men, daarover iets hooren? Heeft Sneek soms de drie punten van Kalamazoo op 't agendum staan? Ik meen van neen! Wat beteeltent dat vragen om uitstel tot na Sneek (!) dan toch, als het niet op de lijn van prof. Hepp's ongemotiveerde en onwetenschappelijke verdachtmakingen ligt? Of zijn soms de amerikaansche kerken niet vrij? Ze hebben vroeger wel eens naar Nederland geschreven om advies; en ik vermoed, dat sonunige adviesvragers wel eens te veel vergeten hebben, dat Nederland grooter is dan Amsterdam. Maar één der predikanten van Chicago, die me inleidde bij het publiek, zei, ik geloof terecht, dat de amerikaansche broeders zoo langzamerhand hun eigen zaakjes wel opknappen konden zonder adviezen uit Nederland. Als dat hier algemeene opinie is, dan zal die ééne dominee, die zelfs een stenograaf meegenomen heeft voor mijn algemeene-genade-speech te Holland, in Michigan, waar hij heel wat mijlen voor reizen moest, maar die er niet bij was, toen hij in een wetenschappelijken kring vlak bij zijn huis vrij uit met mij er over debatteeren mocht, heiisch geen dooi'slag van het stenogram naar Nederland gezonden. hebben ter beoordeeling, of om advies, vrije amerikaan als hij is. Trouwens, die algemeene-genade-speech is hier op déze, en ginds weer op andere punten ingegaan; waarom ik dan ook een afspraak voor een uitgave in de engelsche taal nopens de algemeene genade gemaakt heb ter afsnijding van alle misverstand. •

In den grond der zaak is dat heele geharrewar in Nederland over die algemeene genade-speeches, voorzoover het dus in Nederland de professoren Kuyper en Hepp regardeert (over Amerika heb ik niets te klagen) één der staaltjes van dien overmoed, welken men helaas niet heel gauw dezen broeders afleeren kan. Laat mij het hun maar ronduit zeggen mogen (ds Doornbos incluis): ik ben niet door de kerken aangesteld, om terwille van twee hoogleeraren, die niet voor de kerken onderwijzen, mijn meening onder stoelen en banken te steken. Vooral niet, wanneer het een opinie betreft, die ik reeds vóór mijn benoeming te Kampen luide verkondigd heb. Prof. Kuyper moge daarvan, na 1936, schrijven, nu ineens met coU. Hepp samen gaande, dat toen Prof. Hepp ook deze bestreed, hij een „dwalenden broeder" bestreed, maar het feit, dat prof. Kuyper zoo heen en weer redeneert, is voor mij geen reden, om het ook te doen. Ik ga eenvoudig verder. Als een broeder, ook al is 't achteraf een eigen felicitatie bij mijn benoeming terug "nemen wil, zal ik geduldig luisteren; maar hij moet dan ook met argumenten komen. Met degelijke en massieve. Tot nu toe heeft prof. Hepp ze niet kunnen geven, en heeft prof. Kuyper, vrees ik, in 1936 op het verkeerde paard gewed, toen hij al te spoedig schreef: onze dogmaticus, dr Hepp, zal 'tu wel eens vertellen. Dat was een blijk van even groote vóór-ingenomenheid, als die leuke aanhalingsteekens, waarmede óók mijn curator, dr W. A. v. Es, mijn in een Afscheidingsherdenking argeloos gebruikte zelf betiteling als „dogmaticus" van Kampen kerkbodelij k voorzag, het waren. Vermoedelijk wilde deze onze curator daarmee aanduiden, dat Kampen geen zelfstandige ontwikkeling der theologie heeft te beoogen; maar ik denk er anders over, en doe ook anders, gelijk den curator van Kampen, tevens van Amsterdam, bekend kan zijn. En ik heb een tikje medelijden met de mentaliteit, die af en toe in zulke aanhalingsteekens voor den dag komt.

Wachten tot na Sneek? Met speeches in Amerika? Op grond van wat eigenlijk, wanneer het niet is op grond van partijdige uitlatingen van eenige nederlanders, die tot nu toe duidelijk tekort geschoten zijn in hun argumentatie, én den Christelijken moed tot het geven van een nader bescheid na mijn repliek? Mag ik ds Doornbos, de professoren Hepp en Kuyper, en ook ds H. J. Kuiper van „The Banner", eens herinneren aan een woord van vier professoren en vier predikanten uit Amerika? Toen de later (vanwege zijn bijbelopvatting) afgezette dr Janssen (hoogleeraar te Grand Rapids) in zijn poging tot zelfverdediging anderen aanviel, en daarbij de algemeene-genade-kwestie op het tapijt bracht, schreven zij met zijn achten dit fiere woord:

(Zie vervolg op blz. 196.)

„Dr Janssen han het meten, dat al de mannen, die hi} daar op het oog heeft, staan op den bodem der confessie, ook degenen onder hen die verschillen van de gangbare opvatting der Oemeene Gratie. Indien hij dal niet weet, is het tsijn eigen schuld."

Daar onder stonden de namen der professoren Berkhof, Heyns, Ten Hoor, Volbeda, en der predikanten H. Danhof, dr IJ. P. de Jong, H. Hoelisema, en... H. J. Kuiper, de bekende „Banner"-redacteur. Ook volgens hem dus kan men de „gangbare" (!!) opvatting der gemeene gratie verwerpen en op den bodem der confessie staan. Hetgeen maar goed is te hooren, ondanks de betoogen van dr Hepp, die het af en toe zelfs over het „dogma" der gemeene gratie heeft, doch inmiddels niet verhinderde, dat één der onder zijn leiding gepromoveerde leerlingen der V.U. in een dissertatie van 1938 (!) ter zake dit „dogma" (!) der gemeene gratie den gereformeerden vaderen in den mond legt, wat dezen zelf den remonstranten in den mond leidon, en zulks nog wel in een confessioneel geschrift (de Dordt sche Leerregels!). De plaats gaf ik reeds aan.

Ik heb dan ook vrijmoedig aan ieder, die het hier hooren wilde, gezegd, wat ik nog altijd over de kwestie der algemeene genade dacht. In de lijn dier acht brochureschrijvers van zooeven derhalve staande, voor wat de libertas prophetandi, mijn christelijke spi'eekvrijheid, betreft. En ik ga daar nog een poosje mee door. Ik heb daarbij getracht, ook in Grand Rapids, alles te vermijden, wat prikkelen kon. Dat was dan ook de e e n i g e reden, waarom ik, nadat ik in een wetenschappelijken kring gedachtenwisseling gaarne had aanvaard (in het gebouw der Theol. Hoogeschool te Grand Rapids) deze niet heb toegestaan in de kerk van ds Hoeksema, waar het stampvol van gemengd, maar overigens goed, volk was (men zat tot in de kelderafdeeling bij een luidspreker, wat trouwens vaker hier gebeurt, ook als 'tover andere onderwerpen gaat). Ik wilde n.l. niet juist dezen avond te Grand Rapids een ander karakter geven dan al de andere avonden met openbare lezingen zonder debat te Grand Rapids gehad hebben. Dèt zou hebben kunnen leiden te* verkeerde conclusies. Bovendien was ik gewaarschuwd door het feit, dat de e e n i g e anonieme brief, dien ik hier heb ontvangen (de amerikanen zijn gelukkig overigens open en vrij genoeg) juist vragen bevatte, rakende de gemeene gratie. Ik heb in de vergadering gezegd, dat de anonieme vragers (2) antwoord konden krijgen, als ze hun naam mij bekend maakten (nog niet gebeurd), en overigens me bereid verklaard tot discussie voor wetenschappelijk ge vormden. We hebben dan ook meer dan eens, in groepjes van diverse samenstelling, daartoe de gelegenheid gehad, steeds, natuurlijk, op aanvraag van de gastheeren.

De uitkomst daarvan laat ik over aan Hem, Die voor het zaaien van goed zaad, Zijn beloften gegeven heeft. Zijn beloften, benevens de verootmoedigende herinnering, dat Hij zelf wel zal zorgen voor de uitkomst, niet op onzen tijd, noch op onze wijze, doch zóó, „dat wij zelf niet weten, hoe". Het heeft mij verblijd, dat zoowel van den kant van predikanten-inleiders^), welke prof. Hepp, wat al te gauw klaar zijnde, schismatiek noemt, als ook uit den mond o.m. van een apologeet der Chr. Geref. synode van Kalamazoo, ds J. K. V. Baaien, in volle vergadering gezegd is, dat de rede op Gods Woord gegrond is geweest. Misschien zal een enkele hier glimlachen: is K. S. zoo op de vlakte gebleven; en is zulks zijn gewoonte wel? Och ja, zulke meesmuilinkjes kan men verwachten van hen, die onbewust zich hebben laten suggereeren, dat ge alleen goed gereformeerd kunt wezen, als ge de dilemma's van den hoogleeraar Hepp in zijn gemeene-gratle-theorieën aanvaardt. Maar wie daar verre van is, gelijk ondergeteekende, die weet, dat onjuiste dilemma's (als van Prof. Hepp inzake de gemeene gratie) het denken in een slop brengen, en de kerk in een onzaligen, wijl onvruchtbaren en ondiepen twist (destijds over supraen infralapsarisme), doch dat, wie dat dilemma eenmaal venverpt (zooals ik in de hierboven gereleveerde, en vóór mijn benoeming' te Kampen geschiede publicaties) dikwijls kan verbinden, wat binnen den ban van zulk een entweder-oder onverbindbaar scheen. In dien zin bedoelde ik het dan ook, toen ik in mijn vorig artikeltje schreef, dat ik prof. Hepp's dilemma (in zijn brochure over misverstand inzake de gemeene gratie) heb trachten te breken. Dat deed ik in Nederland vóór de synode, die mij benoemde, dat deed ik ook hier. En dat is gelukkig ook opgemerkt hier. Niet alleen door die inleiders van daar straks, doch ook door anderen. Zoo b.v. door een Barth-bestrijder, als dr L. de Moor, dien ik hier ontmoette. In een recensie van mijn tweede deel van „Christus in Zijn Lijden" („Christ on Trial"), schreef hij veel, dat ik hier voorbij ga. Maar óók dit, dat ik toch wel heel anders bleek te denken, dan sommigen eerst gemeend hadden. Geen wonder, als men eerst in de lijn van Prof. Hepp's dilemmatiek de nederlandsche theologie zich gedacht had.

Met andere wooi'den: ik keer nu het blaadje om. Ik zeg nu ronduit, wat ik wel zou verzwegen hebben, als prof. Hepp zich publiek afzijdig gehouden had ter zake van die (inderdaad! o prof. Hepp!) „onverkwikkelijke geschiedenis" betreffende mijn amerikaansche reis: door de poging, om de m.i. al te enge dilenuna's van den hoogleeraar Hepp te breken, heb ik geen nederlandsch twistvuur naar Amerika gebracht, doch getracht, de gevolgen van het twistvuur, dat prof. Hepp's probleemstelling meebrengt, voor mijn deel te bezweren. Dat deed ik in Nederland. Dat deed ik ook hier; natuurlijk behoefde ik hier niet zijn naam te noemen, doch kon ik volstaan met thetisch mijn meening te geven.

En nu zou ik, behalve prof. Hepp, ook nog enkele anderen willen vragen, het geduld en den vredeswil dergenen, die meer dan zij de eenigheid der kerken bevorderen door onrecht tot op zekere hoogte te dragen, niet al te zeer op de proef te stellen. Niet ik breng twistvuur over, doch zij deden dat, die achter mijn rug briefjes schrijven met een inhoud, dien zij niet in de krant zouden durven zetten, en die voorts publiek de nog al

egocentrische suggestie aandurven, dat iedereen zwijgen moet, zelfs in het verbreiden van zijn reeds jaren lang verdedigde opinie, in geval zij het eenmaal in hun hoofd haalden, tegen die opinie te gaan schrijven! Want de zaken staan, voor wat de algemeene genade betreft, feitelijk net andersom, dan zij suggereeren. Ik meen n.l., dat, indien men maar van beide kanten ernstig wil, de gemeene gratie-scheur in Amerika (zoover in de discussies over de „3 punten" gebleken) geheeld worden kan en om 's Heeren wil geheeld worden moét. Ik meen, dat dit mogelijk is, als men de probleemstelling vei'diept, en de 3 punten nader exegetiseert (want aan de exegese hangt, zoo niet alles, dan toch veel, en zonder puntige exegese zou ik ze heden zéker niet teekenen). Ik meen ook, dat de profetische taak van de kerk nadere exegese e i s c h t, en dat velerlei misverstand dan verdwijnen zou. Valsche scheuren zouden geheeld, valsche eenheid zou misschien verbroken worden. Ik geloof evenwel ook, dat een verzoening van wat bijeenhoort, en scheiding van wat niet bijeen hoort, onmogelijk is, als men de lijnen van prof. Hepp's denken volgt.

En nu weten de hoogleeraren Kuyper en Hepp zoo ongeveer wat ik hier nagestreefd heb, toen ik eenmaal hier de kans tot spreken door 's Heeren gunst ontving. Ik dank Hem hartelijk voor wat tot nu toe ook in dit vredeswerk mogelijk gebleken is. Wat menschen ten kwade dachten, heeft God ten goede gewend. Er is hier heel veel moois door mij beleefd, dat ik nooit vergeten zal.

En nu houd ik maar weer op. Ik heb, sedert ik begon te schrijven, al weer een meloenen district doorreisd, ben den toegangsweg tot den beroemden Boulder-dam (op eerbiedigen afstand inmiddels) gepasseerd, en ging ook het gebied der „doodsvallei" al voorbij. Reeds zag ik, die vanmorgen nog volop sneeuw ontmoette, zooeven woestijnzand door den trein waaien. Van sneeuw geen spoor meer. Ik zag reeds hoornen in het groen, on tropische planten op een stationnetje. En Nederland is heel ver weg. Maar eenzelfde God woont boven heel den aardkloot. Hij make elk getrouw in het strijden tegen wat den vrede verhindert, ook al zeggen die verhinderaars, of hun apologeten, nog duizendmaal, dat strijden strijden is, en dus den vrede verhindert. Althans, wanneer zij het over den strijd der anderen hebben. Gelukkig, dat er één plaats is, waar men niet langer de aandacht afleidt van de hoofdzaken, en steeds ingaat op het punt, waar het eigenlijk om gaat. Die plaats wordt aangeduid in de verklaring, die de Heidelbergsche Catechismus geeft over de woorden: Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. Ook Prof. Hepp heeft ze eens aangeduid, 't Was, toen hij schreef: „er is een gedenkboek voor Gods aangezicht".

Postscriptum. Ik ontving hier en daar enkele giften voor een goed doel. De gevers mogen mij ten goede houden, dat ik hier nog niet de verantwoording doe. Die moet n.l. ook in enkele andere bladen geschieden, waar ik meteen de hollandsche waarde in guldens zal willen vermelden. Tot zoolang willen zij wel geduld hebben. Ik moet eerst de dollars in guldens omzetten. Misschien wil de heer L. Doekes ter wille van die amerikaansche gevers, die deze andere bladen lezen, even dit postscriptum in zijn cople voor die bladen in-

lasschen? Vr. dank .

K. S.


1) De gewoonte is hier, aan het begin eener meeting, een gast-spreker te introduceeren bij het publiek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1939

De Reformatie | 8 Pagina's