GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJKLEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKLEVEN

23 minuten leestijd

Indrukken van de Generale Synode. (V.)

Theologische Hoogeschool. Verleden week heelt de Theologische Hoogescliool — zooals thans ook officieel de naam definitief is vastgesteld — een lange beurt gehad. Twee zaken met name vroegen de aandacht: de instelling van een zesde-hoogleeraarsplaats, en het promotierecht.

Wat het eerste punt betreft, spijt het ons, dat enkele bladen zich hebben laten bedienen door het Ned. Chr. Persbureau, onder leiding van dr H. W. v. • d. Vaart Smit. Wat van de zijde van dit bureau werd gepubliceerd, schijnt ons het tegendeel van „objectieve" berichtgeving; het stuk was zeer gekleurd en niet vrij van eenig sentiment, dat ten deele zich gemakkelijk liet onderkennen, voor wie er mee bekend is, dat officieel gerapporteerd is, dat het fonds zesde hoogleeraar door curatoren wordt beheerd (ik citeer hier uit het hoofd), gelijk het ook officieel is opgenomen in het gedrukte curatorenverslag onder die punten, omtrent welke officieel door curatoren bericht aan de synode wordt verstrekt.

Het is jammer, dat de synode in 1939 in geen enkele zitting voltallig heeft kunnen zijn. Niet alleen ontbraken in de zitting, die over dit punt te beslissen had, enkele afgevaardigden, die verhinderd waren, maar ook heeft gedurende heel den synodetijd geen enkele deputatie van de kerken vlak over onze oostergrens kunnen aanwezig zijn. De oorlogstoestand, waarin Duitschland is gewikkeld, heeft het den afgevaardigden uit Bentheim en Oost-Friesland onmogelijk gemaakt, de synode bij te wonen. Waar nu een amendement-ds Duursema, dat in de aangelegenheid van den zesden hoogleeraar het vastleggen der wenschelijkheid, en de daaruit voortvloeiende behandeling in détails bespoedigen wilde, slechts met een kleine minderheid verworpen is, laat zich de mogelijkheid denken, dat in geval de synode voltallig had kunnen zijn, het amendement-Duursema was aangenomen. Overigens was er zelfs thans wel een meerderheid te vinden voor de gedachte, dat „thans" niet tot de instelling van deze nieuwe hoogleeraarsplaats kon worden overgegaan. De invoeging van het woordje „thans" heeft voor verdere overwegingen de baan, die trouwens zelfs zonder dat woordje nog niet zou zijn opgebroken, ook uitdrukkelijk vrij gelaten.

Daar zijn we dankbaar voor. Dat in 1939, onder den verschen indruk van „den staat van oorlog" met zijn groote onzekerheden ook op financieel gebied, uiterste voorzichtigheid geboden was, zal ieder erkennen.

Een andere vraag is, of voor de Theologische Hoogeschool alleen maar de wet der „noodzakelijkheid", dan ook die der „wenschelijkheid" dient te beslissen ten aanzien van de vraag van uitbreiding, al of niet. Wij meenen, dat het voor geen enkel belang van Gods Koninkrijk gewenscht is, te blijven staan bij wat strikt „noodzakelijk" is. Want de vraag naar de „noodzaak" is niet te beantwoorden zonder de andere, die de „wenschelijkheid" onderzocht. Indien de middelen aanwezig zijn, of gevonden kunnen worden voor een zoodanige uitbreiding van den kring der docenten, dat het onderwijs vollediger, en dieper, en juister wordt, de arbeid der hoogleeraren door de opening van onmisbare hulpbronnen vergemakkelijkt en ook vaster van gang gemaakt wordt, en ons kerkelijk-wetenschappelijk leven op den duur er door verrijkt wordt, dan is het zoeken en gebruiken van die middelen zeer gewenscht, en dan ook (als God ons de middelen geelt) „noodzakelijk". Wat voor „de zaak des Konings" gewenscht is, daarvan is het nastreven voor Zijn knechten „noodzakelijk". Volgde men een anderen regel, dan lag in een ommezien heel onze kerkelijke en christelijke actie stil.

Inderdaad geloof ik, d§t zóó de kwestie te stellen is, ook in dit concreet geval. De bedoeling van hen, die voor de instelling van dit zesde professoraat ijverden, was, zoo mogelijk te komen tot een nieuwen lunctionaris, die met name de patristiek zou te beoelenen hebben. Patristiek, dat is: de wetenschap, die bijzondere studie maakt van de kerkvaders, uit de eerste eeuwen van „het christendom". In die eerste eeuwen is zooveel te doen geweest over de allereerste vragen van ons christelijk geloof, en zijn zóó ingrijpende studies daaraan gewijd, dat reeds uit een oogpunt van bestudeering van de geschiedenis van het dogma, het indringen in de litteratuur van die eeuwen van de grootste beteekenis is. En dat niet alleen. Ook voor het aldoen van onze eigen tegenwoordige kwesties is kennismaking met de „patres" (kerkvaders) een eerste, vereischte. Zells de punten, die op de generale synode van 1936 commis­ soriaal gemaakt zijn, kunnen niet met voldoende helderheid worden ingedacht, zonder dat nien rechtstreeks op de „patres" terug moet gaan. Wat b.v. niet naar nieuwere, doch naar oud-christelijke opvatting „persoon" is, en wat onder „hypostase" in bepaalde begripsverbindingen te verstaan is, wat „ziel" of „geest'" of „ik" is, en „onpersoonlijk" en hoe deze onderling tot elkander staan, en hoe in dezen tusschen orthodoxe en heterodoxe opinie nu wel precies de afgrenzing afgeteekend ligt, en wat dies meer zij, dat alles kan niet worden vastgesteld zonder dat men de „patres" kent. Genoeg, om te doen zien, dat studie der patristiek voor de theologie, en ook voor de beoefening daarvan door een inrichting van hooger onderwijs van groot profijt te achten is. Met name de hoogleeraar in de kerkgeschiedenis en die in de dogmatiek zullen er van kunnen profiteeren. En over tientallen jaren zullen de resultaten algemeen te plukken zijn.

Natuurlijk hangt één en ander samen met de betrekkelijke armoede, waaronder we met z'n allen op wetenschappelijk gebied leven. We moeten vooral niet denken, dat we hetzij aan de Vrije Universiteit, hetzij aan de Theologische Hoogeschool al aan een voldoende bezetting zijn toegekomen. Vergelijkt men den toestand bij ons met dien van theologische faculteiten in het buitenland, dan blijft er voor ons allen nog al reden voor jaloerschheid. Waarom dan ook terecht een promovendus aan de V.U. onder zijn stellingen er één opnam, waarbij de instelling van enkele lectoraten aan de V.U. en te Kampen werd bepleit.

Meer zullen we hiervan thans niet zeggen.

We vidlden aanvankelijk ook in dit nummer schrijven over het debat aangaande het promotierecht. Door den loop der dingen is de „tweede ronde", die voor de avondvergadering in uitzicht gesteld was, niet gekomen; m.i. is het daarom niet ongewenscht, op sonmaige punten (van openbare redevoeringen) nader in te gaan. Waar evenwel in enkele afzonderlijke artikelen van de hand van prof. Greijdanus op bepaalde punten in ons blad nader wordt ingegaan, lijkt het mij persoonlijk beter, wat ik te zeggen had, nog even in te houden. Misschien blijft er nog stof over. Een kleinigheid moge illustreeren, hoe verrassend vaak de loop eener vergadering is: er waren twee voorstellen van de rapporteerende commissie. De nieerderheid (zoo klein mogelijk) had voorgesteld:

„De Synode, met leedwezen uit het Rapport van Curatoren vernomen hebbende, dat er inzake het vraagstuk van het promotierecht der Theologische Hoogeschool geen regeling of schikking is kunnen gevonden worden, waarin met de tegenover elkander staande opvattingen zoodanig rekening wordt gehouden, dat op goede gronden te verwachten ware, dat ze met genoegzame eenparigheid zou kunnen worden aanvaard,

constateerende, dat ook hieruit wederom is gebleken, dat het nog steeds aan de door de Synode van Arnhem (1930), Acta art. 239, voor het nemen van eene beslissing ten dezen gewenschte genoegzame eenparigheid ontbreekt,

besluit in overeenstemming met de door de Synode van Arnhem (1930) gedane uitspraak op de verzoeken van de Particuliere Synode van Drenthe, van Ds P. Hekman c.s., van het studentencorps Fides Quaerit Intellectum te Kampen en van broeder P. Bruins (Reggestraat 22 te Almelo) niet in te gaan."

De minderheid (zoo groot mogelijk) had het volgende voorstel ingediend:

„Overwegende, dat eenparigheid inzake het „Promotierecht" aan de Theol. Hoogeschool niet is verkregen,

dat overeenkomstig het voorstel van de Part. Synode van Drenthe de rust in onze kerken een beslissing gewenscht maakt;

overwegende, dat blijkens het verzoek van een groep' predikanten, ook onder de aan de Theol. Hoogeschool afgestudeerden en studeerenden, de blijvende begeerte leeft, ook hun studie aan de Theol. Hoogeschool te . voltooien;

overwegende, dat het niet billijk geacht moet worden, dat aan een zeer groot deel in onze kerken, de , vervulling der begeerte naar dat promotierecht nog langer onthouden worde,

adviseert de grootst mogelijke minderheid van Commissie II te besluiten aan Curatoren in overleg met de Professoren aan de Theol. Hoogeschool op te dragen, om de volgende Generale Synode voor te bereiden en der Synode voor te stellen alle regelingen en verordeningen, die noodig zijn om aan de Theologische Hoogeschool den weg te openen voor voortgaande studie en promotie tot doctor in de Heilige Godgeleerdheid."

Daarover was in de commissie lang gehandeld; daarover was den heelen dag tot voor de avondvergadering in één ronde gehandeld; en tenslotte kwamen vier andere voorstellen ter tafel, twee vóór de avondpauze, twee daarna over een deel waarvan tenslotte in eerster instantie gestemd is, met zulken uitslag, dat de andere niet meer voor stemming in aanmerking konden komen. Een bewijs, hoe moeilijk het is, in vergaderingen alles tegelijk en rustig onder de oogen te zien. Van één der • voorstellen hebben we den tekst bij de hand. Het volgt hier:

De Generale Synode, in het midden latende de vraag, of de bestaande bezwaren tegen de zorg door en namens de kerken voor de gelegenheid tot doctoraal-studie en promotie aan de Theologische Hoogeschool te Kampen, , gegrond zijn,

draagt aan curatoren op om, zonder verplichtingen in den vormt van finantlëelen steun of van toezicht aan te gaan, een welwillende houding aan te nemen ten opzichte van een eventueel gebruik door het col-

lege van de hoogleeraren aan de Theologische Hoogeschool van hun wetenschappelijke bevoegdheid om leiding te geven aan de doctorale studiën on om den graad van doctor te verleenen.

(Dit voorstel was ingediend door prof. dr G. M. den Hartogh, ds W. H. den Houting, dr E. D. Kraan, ds S. J. Popma en ds T. J. Jonkhof.)

Later wel meer hierover.

K. S.

Betere informatie gewenscht.

Alleen terwille van een goede historiebeschrijving verzoeken we het „Calvinistisch Weekblad" te bedenken, dat, wanneer het in de kerkelijke pers ergens C. V. ziet staan, dit nog niet behoeft te beteekenen: (ds) C. V(eenhof). Toevallig bemerkte ik de vergissing van dit blad, toen ik deze week het even inzag, om te zien, of ook antwoord gegeven was op mijn opmex'king van 2 weken

geleden.

K. S.

Eeue «mjuistheid.

Bij het debat over het promotierecht van de Theologische Hoogeschool te Kampen, op de Generale Synode te Sneek, op Donderdag 28 Sept. j.l., werd geene gelegenheid tot repliek gegeven.

Daardoor ontbrak toen de mogelijkheid, onjuiste voorstellingen en verkeerde redeneeringen van sprekers in den namiddag van dien dag als de Professoren Kuyper, Ridderbos, Dijk, Hepp, Aalders, te rectiflceeren.

Dat is wel jammer. Eene enkele, ovei-igens van weinig gewicht, worde hier verbeterd.

Bij zijn spreken over de totstandkoming van het besluit met de verklaring over de „genoegzame eenparigheid" te Arnhem in 1930, zeide Prof. Dijk, dat het door allen genomen was „con amore", en hij noemde daarbij ook uitdrukkelijk mijn naam.

Deze mededeeling van Prof. Dijk is echter ten eenenmale onjuist.

Want ik heb te Arnhem eenigen tijd geaarzeld om met het betreffende voorstel mee te gaan, en heb mij slechts noode, ziende de omstandigheden op dat oogenblik, en met tegenzin, laten overhalen mij er ook maar niet tegen te verklaren, en heb er aldus ten slotte voorgestemd contre-coeur, 'met bezwaard gemoed.

De sedert verloopen 9 jaren, en wat nu op de Synode te Sneek gezegd en geschied is terzake van genoemd promotierecht, hebben mij wel kunnen doen zien, hoezeer dit, contre-coeur gegrond en rechtmatig geweest is, en lioe standvastige weigering, mee te gaan, de voorkeur verdiend had.

S. GREIJDANUS.

Het beding en het promotierecht van de Theologische Hoogeschool te Kampen.

Het „beding" houdt in, „dat de kerk geroepen is eene eigene inrichting tot opleiding harer leeraren te hebben, tenminste wat de godgeleerde vorming betreft". Van de zijde van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken was men bevreesd, dat het wetenschappelijk karakter van het onderwijs aan deze inrichting eens zou kunnen verminderen of verlaagd worden. Hare Synode van 1891 zeide daarom, dat zij de bedoeling der verklaring.van de Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk van 1891 o.m. aldus opvatte, dat niet gemeend werd „om iets te laten vallen van den eisch van wetenschappelijke ontwikkeling, die steeds door de Gereformeerde Kerken gesteld is".

Toen was men dus van dezen kant bevreesd voor mogelijke verlaging van het wetenschappelijk peil van het onderwijs aan deze inrichting.

Dat blijkt bovendien daaruit, dat de Synode van Dordt in 1893 bepaalde, dat deze inx'ichting de geheele opleiding moest kunnen geven, „ten minste voor de geheele Theologische vorming", aan welke woorden ter verklaring o.m. nog vverd toegevoegd: „dat is, de vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie".

Toen bezorgdheid voor mogelijk te geringe wetenschappelijkheid.

Nu echter wil men het beding gebruiken om de ontplooiing van het wetenschappelijk karakter van de opleiding aan deze inrichting te beletten.

En dat ook zulken, die beweren, dat het hun bij hun onderwijs en bij het onderwijs aan de inrichting, waaraan zij arbeiden, in de eerste en voornaamste of hoogste plaats gaat om de wetenschap en hare ontwikkeling en eischen — nu afgezien van de quaestie van de eere Gods als allerhoogste doel, dat aan allen menschelijken arbeid gesteld is.

Het blijkt ook hier weer, gelijk zoo dikwijls, dat „het kan verkeeren".

Eene poging om in deze twee de eenheid of gelijkheid vast te houden, zou zijn het aannemen, dat men toen vreesde, dat gemakkelijker studie aan de „eigene inrichting" door verlaging van het wetenschappelijk peil van het daaraan gegeven onderwijs, meer studenten daarheen zou trekken, en de andere opleidingsinrichting zou doen voorbijgaan, maar dat nu soortgelijke vrees inzake studententoevloed eener- en anderzijds zich doet verzetten tegen verdere voortzetting der opleiding of Theologische vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie aan de Theologische Hoogeschool te Kampen.

Dit laatste zou geene gansch ongemotiveerde veronderstelling zijn. Want het spreken van Prof. Kuyper op Donderdag 28 Sept. j.l. te Sneek doet die gedachte als vanzelf opkomen. Hij voerde tegen het toestaan en in-stellen van de gelegenheid om aan de Theologische Hoogeschool te Kampen de opleiding voort te zetten tot het doctoraal examen en tot de promotie tot Doctor TheoLogiae argumenten aan, die reeds des morgens waren weerlegd, zondei' dat hij die weerlegging ook maar eenigszins als niet-steekhoudend aanwees. Doch ook herhaalde hij voor een deel de wonderlijke redeneering en vreesaanjaging van Dr A. Küyper Sr in zijn bekende artikel in „De Standaard" van 1914, na de Synodale beslissing van dat jaar betreffende dit promotierecht.

Prof. Dr H. H. Kuyper zeide, dat wanneer de gelegenheid tot doctorale studie en promotie tot Doctor Theologiae te Kampen werd ingesteld, men dit ook zou doen aan dergelijke inrichtingen in Zuid-Afrika en de Vereenigde Staten "van Noord-Amerika. En dan zouden geen studenten meer uit die streken naar ons land komen om te studeer en aan de Vrije Universiteit. Dat zou jammer zijn; omdat door wie uit die streken, bepaald Zuid-Afrika, aan de Vrije Universiteit gestudeerd hadden en gepromoveerd waren, eene geestelijke verlevendiging en verheffing in Gereformeerden zin in die landen gekomen was. En dan zou dit weer uit zijn.

Door deze woorden en vreesaanjaging van Prof. Dr H. H. Kuyper kwam duidelijk aan het licht, dat het bij deze quaestie van het promotierecht te Kampen althans hem ook gaat om de Vrije Universiiteit en haren invloed. Hij vreest vermindering van de grootheid van de Vrije Universiteit en van haren invloed ook buiten Nederland, wanneer te Kampen de gelegenheid tot doctorale studie en promotie tot Doctor Theologiae aan de Theologische Hooèeschool wordt geopend. En ook daarom moet de openstelling dezer gelegenheid nietgeschieden.

Nu zal zoomin Prof. Dr H. H. Kuyper als iemand anders hier in Nederland de ontwikkeling van het onderwijs aan Calvin Seminary te Grand Rapids in Amerika en van andere dergelijke inrichtingen in dat werelddeel tegenhouden. Ook niet de weigering om aan de Theologische Hoogeschool te Kampen hare natuurlijke ontwikkeling en haren uitgroei naar eigen wezen tot doctorale studie en promotie te gunnen. En evenmin zal die ontwikkeling op dit gebied aldus worden verhinderd in Zuid-Afrika.

Die ontwikkeling gaat aan de opleidingsinrichtingen in die werelddeelen toch door. Ten deele is zij reeds aan die van de Theologische Hoogeschool te Kampen vooruitgestreefd door de instelling van z.g.n. „post-gr-aduate" studie, d.w.z. voortgezette studie aan die inrichtingen na verkrij ging van den Can.didaatsb u 1. En straks verwondert men zich in die landen weer over de Nederlandsche kleinzieligheid, gelijk zij in deze weigering opnieuw openbaar wordt.

Maar wanneer men vertrouwen heeft in de mannen uit Zuid-Afrika en Noord-Amerika, die aan de Vrije Universiteit studeerden en promoveerden en .daar die geestelijke herleving bewerkten, dan moet men ook bedenken, ' dat zij hun invloed ten goede blijven uitoefenen ook wanneer zij aan de inrichtingen, waaraan zij verbonden zijn, de doctorale studiën zouden leiden tot de promotie tot Doctor Theologiae. Dan zoude ook in die landen het aantal van dergelijke promoties en de studie der Theologie in Gereformeerden zin toenemen. Want slechts enkelen kunnen uit die landen naar ons land overkomen voor eene studie van een paar jaren. Het be 1 an"g van de studie der Gereformeerde Theologie in die landen en van de geestelijke ontwaking aldaar eischt dus ook daar de ontwikkeling der opleidingsinrichtingen tot verdere studie dan die tot het Candidaatsexamen. Belemmering van deze ontwikkeling door weigering om te Kampen het promotierecht te laten uitoefenen (indien die ontwikkeling daardoor metterdaad zou worden tegengehouden), zou dus ten zeerste te bejammeren zijn.

Maar dit verder daargelaten: uit .Prof. Dr H. H. Kuyper's vermelde woorden is te hoor en, dat bij hem vrees voor mogelijke vermindering van den toenemenden invloed van de Vrije Universiteit mede den tegenstand tegen den natuur lij ken uitgroei der opleiding door de wetenschappelijke studie der Theologie aan de Theologische Hoogeschool te Kampen, veroorzaakt en verklaart. Het is bij deze quaestie van het promotierecht te Kampen duidelijk dus mede vrees voor schade van de vermeende belangen der Vrije Universiteit, die de instelling van de gelegenheid tot bedoelde promoties aan de Theologische Hoogeschool te Kampen wil zoeken te verhinderen. Prof. Dr H. H. Kuyper heeft het op de Synode te Sneek, 28 Sept. j.l., klaar doen weten. En hij is in den kring der Vrije Universiteit niet de eerste de beste. Integendeel.

Staat in het „beding", dat de opleiding aan de School te Kampen alleen maar tot het Candidaatsexamen mag worden gegeven?

In het geheel niet.

Noch letterlijk, noch naar den geest.

Veeleer het tegendeel.

Daar is van de zijde van de Synode van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken juist gezegd, dat de wetenschappelijke ontwikkeling aan die inrichting zoo best en hoog mogelijk moét zijn: men mocht niets laten vallen van den eisch van wetenschappelijke ontwikkeling, die steeds door de Gereformeerde Kerken gesteld is. Beneden den minimum-eisch mocht men

(Zie vervolg op blz. 4.)

niet gaan. Van eene grens naar boven werd niet gesproken. En de bepaling tegen verlaging werd nogmaals herhaald door de Synode in 1893, door de vaststelling, dat de School te Kampen moest geven „ten minste... de geheele Theologische vorming..., dat is, de vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie..."

Het „beding" houdt dus de waarschuwing in: zorg toch voor de beste wetenschappelijke vorming of opleiding, laat nimmer ook maar iets van den wetenschappelijken eisch vallen.

In het „beding" ligt dus door dat v e r bod vanzelf de aansporing: voer, indien mogelijk, en zooveel mogelijk, het wetenschappelijk peil van die opleiding omhoog.

En nu wil men het „beding" juist omgekeerd gebruiken om die opvoering der wetenschappelijke opleiding tegen te houden.

Dat gaat echter geheel in tegen den geest van dit „beding".

Dat is veeleer juist „schending" van het beding, waarover men sprak.

Slechts wanneer men kon aantoonen, dat de verdere wetenschappelijke studie der Theologie na het Candidaatsexamen geene opleiding of vorming meer gaf tot het ambt, en dus de leiding bij die studiën niet meer was opleiding of vorming van „leeraren", en dat de wetenschappelijke studie der Theologie na het Candidaatsexamen w e z e n 1 ij k iets anders was dan de wetenschappelijlte studie der Theologie vóór en tot het Candidaats, slechts dan zou men rechthebbende voortzetting der wetenschappelijke studie der Theologie na het Candidaatsexamen te Kampen te weigeren. Want dan zou bij die studie het doel der School uit het oog verloren worden.

Maar men heeft dit ook 28 Sept. j.l. wel beweerd, doch niet aangewezen, zelfs niet trachten te bewijzen. De Professoren Kuyper, Ridderbos, Dijk, Hepp, Aalders, hebben het achtereenvolgens en op andere wijze gezegd, en herhaald, en nog eens weer gezegd, en opnieuw uitgesproken, en wederom betuigd, en vervolgens herhaald, maar zoowel bij den een als bij den ander bleef het bewijs achterwege, en zelfs alle poging om. het nu eens duidelijk uiteen te zetten.

Men wees op allerlei vakken of wetenschappen, die ook voor de opleiding van belang kunnen zijn, alsof daaruit iets anders blijken kon, dan dat men zekere perken of grenzen in acht moest nemen, gelijk de mensch bij al zijnen arbeid zich telkens beperken moet, omdat hij slechts kleine krachten en een geringen tijdsduur heeft.

Maar omdat men niet alles geven kan, en niet aan alle behoeften en wenschelijkheden kan voldoen, volgt toch niet, dat men daarom ook maar niets moet doen en aan geene enkele behoefte of wenschelijkheid trachten te voldoen.

Wat men op ander gebied heel natuurlijk vindt, schijnt men hier terstond te vergeten.

Prof. Ridderbos kwam ter bestrijding ook met de nuttigheid voor den dienaar des Woords van de kennis van koophandel en van den militairen dienst, aldus een sprongetje makend in de redeneering, zonder aan te toonen, dat voortgezette opleiding en studie in de Theologie na het Candidaatsexamen evenmin opleiding tot het ambt van dienaar des Woords is als opleiding in den handel en voor den militairen dienst dat is. Hij liet na viiteen te zetten, dat opleiding in den handel en van den militairen dienst in wezen voor de opleiding tot dienaar des Woords hetzelfde is als voortgezette opleiding en studie door de wetenschappelijke beoefening der Theologie.

Zoo kan men aardigheden debiteeren, maar gaat men aan de eigenlijke quaestie voorbij. Het punt in geschil eischt degelijker betoog. De vraag, wat dan in wezen het onderscheid is tusschen de wetenschappelijke opleiding en vorming en studie vóór en tot het Candidaatsexamen én die n a dat Candidaatsexamen voor het doctoraal en de promotie, dus tusschen de Candidaatsstudiën en de doctorale studiën, het w e z e n 1 ij k, soortelijk, onderscheid, staat nog steeds open, blijft nog steeds onbeantwoord.

Wat is, daarmede in verband, het w e z e n 1 ij k verschil tusschen het afnemen van het Candidaatsexamen én dat van het doctoraal examen in de Theologie, en dus tusschen het verleenen van den graad van Candidaat in de Theologie én het eventueel bevorderen tot Doctorandus en Doctor in de Theologie?

Op welken i n n e r 1 ij k e n, z a k e 1 ij k e n grond kan het eene wel, het andere niet, aan de Theologische Hoogeschool worden toegekend krachtens haar wezen als opleidingsschool?

Wel de wetenschappelijke ontwikkeling tot het Can- .didaats, en niet de voortzetting dier wetenschappelijke ontwikkeling tot het doctoraal en de promotie?

Wel de wetenschappelijke studie der Theologie tot het Candidaatsexamen, niet diezelfde wetenschappelijke studie der Theologie tot doctoraal en promotie?

Waarom? waarom?

Wat is het wezenlijke verschil?

Uitspreken, beweren, verzekeren, herhalen, nogmaals zeggen, dat hier verschil van karakter, w e z e n 1 ij k verschil, van studie, onderwijs en opleiding, en examen; is, is niet genoeg.

Hier moet bewezen worden.

Het „beding" sluit de doctorale studie en opleiding en de promotie tot Doctor Theologie aan de eigene inrichting der kerken tot de wetenschappelijke opleiding harer dienaren des Woords niet uit, maar principieel in, wanneer men rekent met punt 3 der verklaring van de Synode van Nederduitsche Gereformeerde Kerken in 1891 (n.l. om niets te laten vallen, enz.) en met het uitgesprokene op de Synode van 1893 (n.l. betreffende de geheele Theologische vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie), daar de doctorale studie en opleiding evenzeer opleiding is als de studie en opleiding voor en tot het Candidaatsexamen.

S. GREIJDANUS.

Hulp opleiding predikant Argentinië.

Dankbaar mogen we deze week opnieuw een gift verantwoorden. Ze was afkomstig van D. K. te K. en bedroeg ƒ1, —. En daar ook andere giften zeer welkom blijven, vooral in dezen tijd, vermelden v/e nog eens het gironummer van Prof. Schilder: 127278.

L. DOEKES.

De Kleine Catechismus van.Zacharias Ursinus. (XVïII.)

89. Wat wordt ons door het vierde geljod opgelegd?

Eerstens, dat de kerkondienst onderhouden v/orde en in aanzien zij; dat de Gemeente op vastgestelde tijden samenkome om uit Gods Woord onderwezen te worden, de sacramenten volgens Goddelijke instelling te gebruiken. God met vereende en openbare gebeden aan te roepen, en aalmoezen bijeen te brengen; terwijl alle onnoodige belemmeringen hiervan moeten weggenomen worden.

Daarna, dat wij wat wij op die dagen geleerd hebben, gedurende ons gansche leven overdenken en beoefenen; van alle onze, dat is, kwade werken .aflatende, en onze leden Gode tot wapenen der gerechtigheid stellende.

90. Wat beveelt het vijfde gehod?

Dat ieder de plichten van zijn beroep ijverig waarneme; dat wij aan onze ouders en aan allen, die over ons gesteld zijn, of die iets terecht, bevelen, eerbied, liefde, verschuldigde gehoorzaamheid en dankbaarheid bewijzen, en hun zwakheid evenzeer dragen, opdat wij de goederen van dit leven, die tot onze zaligheid dienen, door Goddelijke beschikking verkrijgen.

91. Wat vjordt door het zesde gebod verordend?

Dat niemand zijn of eens anders lichaam of leven zonder Gods bevel kwetse, of zichzelf wreke, of op lichtvaardige wijze zich vertoorne, of begeerig zij om te kwetsen of zich te wrelcen, of deze begeerte met woorden of gebaar te kennen geve; maar dat wij alle menschen, als onszelven, beminnen en ook onzen vijanden weldoen.

92. Wat eischt het zevende gebod?

Dat wij in onze daden, gebaren, woorden, gedachten, aandoeningen, alle onreinheid en onkuischheid, en alle prikkelingen ervan, hetzij in het huwelijk, , hetzij in het ongehuwde leven mijden en altijd kuisch en heilig leven.

9S. Wat wordt ons door het achtste gebod voorgeschreven?

Dat wij noch het bezit van onzen naaste met bedrog naar ons toehalen; noch ook het onze met eens anders schade zoeken te vermeerderen of te bewaren; noch lichtzinnig verkwisten; maar ieders nadeel naar ons vermogen verhoeden; onzen arbeid getrouv/ verrichten; en den nooddruftigen naar mate van ons vermogen te hulp komen.

9If. Wat beveelt het negende gebod?

Dat wij tegen niemand valsch getuigen, noch lasteraars, noch benijders, noch kwaadsprekers, noch achterdochtigen, noch haastig in het verdoemen, noch leugenaars, noch babbelzuchtig zijn; maar voor de rechtbanken en in alle veri-ichtingen des levens standvastig de waarheid spreken en belijden; en ook den goeden naam van den naaste, zooveel wij vermogen, beschermen.

95. Wat vordert het tiende gebod?

Dat nooit zelfs de minste neiging of gedachte tegen eenig gebod Gods onze harten ophitse; doch dat wij met ons gansche hart alle zonden vooi'tdurend zullen haten en zullen blaken van liefde tot de gerechtigheid.

G. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJKLEVEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1939

De Reformatie | 8 Pagina's