GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

KERKELIJK LEVEN

40 minuten leestijd

PROf. GReijbAnus.

Met imiigen dank aan God en groote blijdschap mogen we thans. Vrijdagmiddag 7 November, schrijven, dat prof. Greijdanus geheel hersteld uit het Ziekenhuis is ontslagen en in Kampen is teruggekeerd.

We weten, dat prof. Greijdanus liever naar den Heere Jezus was gegaan om Hem, D^e hem kocht met zijn bloed en die hem verwaardigde tot zoo langdurigen dienst in zijn rijk te zien, te groeten en te loven. Maar de HEERE heeft hem nog bij ons gelaten. En dat is onzen professor ook goed!

Toen ik hem een half uur «•vóór zijn vertrek naar het ziekenhuis bezocht, zat prof. Greijdanus achter zijn bureau op zijn studeerkamer te werken. Toen ik hem, vier uur nadat de ingrijpende operatie was geschied, bezocht, sprak hij over de School, De Reformatie en zijn correspondentie. Toen zijn collega's hem vanmiddag, een paar uur nadat hij uit Zwolle was vertrokken en in Kampen was gearriveerd, igiiigen begroeten, zat hij weer op zijn studeerkamer te werken voor „D)e Reformatie"!

Dat is prof. Greijdanus.

De HEERE heeft onze gebeden verhoord! Hij geve zijn knecht Greijdanus nog lEing aan Zijn worstelende kerk, voor wie hij zoo ontzaglijk veel beteekent.

C. V.

VEROvcRinq ÖCR wERELb.

Dr A. Kuyper Sr schreef eens: „Geen duimbreed is er op heel 't erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus, die aller Souverein is, niet roept: „Mijn!" Dat komt wel overeen met hetgeen de apostel Paulus aan de Corinthiërs schreef: alles is uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is van God, I Cor. 3 VS 21—23.

Wij, d.w.z. die van Christus zijn, allen, die waarlijk in Hem gelooven, zijn onnoemelijk rijk: de armste aan stoffelijke goederen, en de mildst met die goederen bedeelde', de zieke en lijdende en kleine evenzeer als de gezonde, sterke. De geringe en onaanzienlijke niet min­ der dan de hooggeplaatste en in macht en staat verhevene.

Alles is uwe: leven en dood, tegenwoordige en toekomende dingen, heel de wereld met al wat er in en op is; alles, want dat is-^an Christus, Wiens eigendom gij zijt, en dus is alles ook het uwe om Zijnentwil en door Hem.

Als alles van ons is, dan is niets van de v; ereld. Tusschen alles en niets is geen middelding. Het kan niet zijn: alles het uwe, en ook alles, of veel, of een weinig vah de wereld. Want wat van de wereld is, veel of weinig, heel veel, of zeer weinig, is niet van u. Daar is dus geen ontkomen aan: Is alles van ons, geloovigen in Christus Jezus, dan is niets van de wereld die Hem verwerpt. En dus pleegt die wereld, in hetgeen zij neemt en geniet, diefstal. Hetzij veel, hetzij weinig, dat zij neemt, zij neemt en geniet dus niet hpt hare, maar het onze, zij steelt het onze, d.w.z. hetgeen van Christus is, en daarom van ons. Eerst wanneer ook zij geloovig dén Heere Christus aanneemt, wordt ook alles van haar, en kan zij van dat alles nemen en genieten wat ook het hare is. Eens wordt haar dan ook de macht en gelegenheid ontnomen, als zij aich niet bekeert en den Heere Jezus geloovig aanneemt, om wederrechtelijk van dat alles ook maar iets te nemen ter genieting. De diefstal, die haar dan nu nog mogelijk is, wordt haar eens onmogelijk. Daarom zegt de Heere HEERE alzóó: Zie, Mijne knechten zullen eten.^doch gijlieden zult hongeren; zie. Mijne knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten; zie. Mijne knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn; zie. Mijne knechten zullen juichen van goeder harte, maar gijlieden zult schreeuwen van weedom des harten, en van verbreking des geestes zult gij huilen, Jes. 65 VS 13—14.

Alles is uwe, n.l. voor u, geloovigen in Christus Jezus.

Wat kunnen wij dan genieten en een leventje van pleizier leiden. Denk u eens in. Dan is het bier van ons, en de jenever, en de brandewijn, en de cognac, en de champagne. Wel, dan kunnen we drinkgezelschappen oprichten. Natuurlijk christelijke. Christelijke bierclubs, christelijke brandewijn-en jeneververeenigingén, christelijke champagne-sociëteiten. Want natuurlijk, wij moeten belijdenis doen van ons Christelijk geloof. Dat alles is niet het onze om onzentwil, door ons eigen werk, maar ons geschonken om Christus.' verdienste en door Hem ons genadig gegeven. Het is alles eigenlijk het Zijne. Maar omdat wij van Hem zijn en in Hem gelooven, daarom is het ook van ons. En daarom moeten wij dat ook doen uitkomen, openlijk a.h.w. proclameeren. En daarom bij alles er bij: christelijk, en dat voorop. Op die wijze belijden wij dan voor allen, dat het alles in waarheid van Christus is, en dat het het onze slechts is in Zijne gemeenschap, om en door Hem, zonder eenige verdienste onzerzijds, uit loutere genade.

Derhalve: christelijke drink-en drankgezelschappen, christelijke bier-en jenever-en brandewijngroepen, christelijke champagnegelagen.

Maar daar kan het natuurlijk niet bij blijven. Alles is immers het uwe, d.w.z. den geloovigen in Christus Jezus. Dus ook voetbalspel en bridge-en kaartspel. Want die voetballen en die kaarten behooren toch ook tot alles. Dat is dus ook het uwe, het onze. En dus mogen we daarmee ook spelen. Natuurlijk christelijk. Dat spreekt. Christelijk voetbalspel, christelijk kaart-en bridgespel. Evenals christelijk bier-en jenever-en cognac-en champagnedrinken. Natuurlijk, het moet alles in mate en wijze christelijk toegaan. We zetten dan voor alles ook het woord christelijk.

En dan is daar nog meer.

Daar is de dans. Daar is de bioscoop en cineac. Daar is het tooneel en de schouwburg. Daar is de film. Alles , is uwe. Dus christelijke dansvereenigingen en christelijke dansen. Christelijke cineac en bioscoop. Christelijk tooneel. Christelijke schouwburg. Christelijke film. Alles is uwe, want alles isl van Christus. En dus aan het werk. Tegenwoordige, zoowel als toekomende dingen, zijn de uwe, de geheele wereld, alles. Daar is geen duimbreed op heel het erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus niet zegt: Mijn! Welnu dan, opgestaan, de handen uit de mouwen, fluks aan het werk, jongen en ouden, vereenigingen opgericht, verbonden gemaakt, organisaties ii*elkander gezet. Daar moet door u gedanst worden. G" moet naar de cineac en naar de bioscoop. Gij moet tooneelspelen en naar den schouwburg. Gij moet zien filmen te krijgen en te laten draaien.

Natuurlijk, alles christelijk. Daarom begint ge alvast met bij al die vereenigingen voor die onderscheiden doeleinden het woord christelijke te zetten. Dat geeft richting aan. Daarmee bekent gij kleur. Daaruit spreekt een twee-of.drievoudige belijdenis: alles is eigenlijk alleen van Christus; van mij is als zoodanig niets; het is alleen het onze slechts voor en door Christus. En dan danst gij, maar natuurlijk. Christelijk, evenals gij christelijk bier drinkt, of cognac, of champagne, of brandewijn en jenever. En gij gaat christelijk naar de bioscoop. En gij speelt christelijk tooneel. Dat spreekt alles als vanzelf. En zoo natuurlijk ook een christelijke schouwburg.

Hier zou nog veel meer te noemen zijn. Alles omvat toch zooveel. Maar op ééne zaak zij nu nog ge­ wezen. Daar ginds staat een gebouw. Het is zooveel meter breed, en zooveel meter diep of lang, en zooveel meter hoog. Sprak dr A. Kuyper dus van een duimbreed, hier zijn vele en vele duimbreedten. Dit gebouw is ingedeeld en bevat een aantal grootere en kleinere vertrekken, kamers, kamertjes. Alle zijn gemeubileerd, hetzij rijker, hetzij soberder. Er bevinden zich menschen in, jongere en oudere meisjes en vrouwen. Men noemt dit gebouw met zijn inwonenden 'n bordeel. Dat gebouw met meubilair is *an den Heere Christus, ' en die menschen zijn van Hem. Dat alles heeft de wereld dus ook al weer gestolen. Nu kunnen wij tegen dergelijken diefstal weinig doen. Maar moeten wij de wereld niet voor Christus veroveren? Is daar eenig „terrein", dat niet van Hem is? En moeten wij nu niet, gelijk we immers bioscoop, film, tooneel enz. voor Hem veroveren moeten, en dus christelijke bioscopen, christelijke films, een christelijk tooneel, moeten zoeken te verkrijgen, ook het „terrein" van het bordeel voor Hem zoeken te veroveren ? Is dus onze roeping niet, om een christelijk bordeel op-en in te richten? Goed verstaan natuurlijk: christelijk. Evenals wij christelijk moeten bier-en champagnedrinken, en christelijk moeten tooneelspelen, zoo zullen we ook christelijk moeten hoereeren. Hoe dat kan en moet, is misschien nu nog niet voor allen volkomen duidelijk. Maar dan kunnen daar christelijke vereöiigingen voor opgericht worden, die in dezen de noodige inlichtingen verschaffen.

Want alles is alles. Geen , , terrein" mag hier uitgezonderd worden. Elke duimbreedte van het menschelijk leven is des Heeren.

En dus.....

Wat zijn wij, christenen, geloovigen in Christus Jezus; toch rijk: alles is uwe. Wat kunnen we genoeglijk leven: eten, drinken, cognac, champagne, dansen, tooneelspelen, enz. enz., maar natuurlijk, alles christelijk, dat niet vergeten, en daarom bij alles duidelijk er vóór zetten: christelijk.

Ja, - dat. hebben we nu samen alles zoo prachtig logisch uit de Heilige Schrift afgeleid: alles is uwe, in Christus. Wat een leventje naar ons vleesoh mogen we leiden. Natuurlijk naar ons christelijk vleesch. En om dat steeds goed te doen uitkomen, moeten we voor alles het woord christelijk zetten. Dat is eene openlijke belijdenis.

Ja maar, ik weet niet of het u gaat als mij, maar ik ben toch niet heelemaal gerust. Ik vrees, dat wij in onze zoo mooi sluitende redeneering ergens een fout gemaakt hebben, zoodat wellicht ons gansche' betoog één groote waanredeneering is. Waarom ik dit vrees? Zie, diezelfde apostel Paulus, wiens woord wij bespraken, en die schreef: lles is uwe, die schreef ook, en in denzelfden brief, en zelfs nog later in dien brief: ndien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle mensehen, I Cor. 15 : 19. Hoe nu? Alles het onze, en desniettemin de ellendigste van alle menschen, als we alleen in dit leven op Christus zijn hopende? Alles 'het onze, en dus eten en drinken en spelen naar onzen lust, en dan nog de ellendigsten van alle menschen? Hoe zit dat?

Ja, daar zal wel heel wat achter en aan vast zitten. Maar ge zult kunnen begrijpen, dat mij dat woord wel doet twijfelen, of onze mooie redeneering.wel zoo zuiver is. Zou zij misschien een gansche misleiding kunnen wezen?

Want Paulus, de apostel Paulus, was niet maar zoo de eerste en de beste. Hij had een zeer scherp verstand. Hij heeft veel gesproken. Maar daarvan hebben we weinig over. Lucas heeft in zijn Handelingen der apostelen er kleine stukken van bewaard. Maar dat alles bij elkander is nauwelijks zoo veel, als een preekje tegenwoordig. Doch hij heeft ook brieven geschreven. En daarvan zijn ons dertien in het Nieuwe Testament overgeleverd. Doch die dertien samen vormen nog maar een klein boekje van een anderhalf honderd bladzijdjes van klein formaat. Evenwel hebben al tie latere eeuwen veel geleerden zich met dat, laat mij zeggen, kleine boekje bezig gehouden om het te verklaren. En nog zijn zij er niet mee klaar. Telkens is er tusschen deze geleerden ook nog weer onderlinge tegenspraak over den zin van wat de apostel schreef. Daaruit blijkt wel, dat die Paulus niet een stuihper is geweest, dien we nu maar gauw als iemand van een klein verstand aan den kant kunnen schuiven. Hij heeft zelfs nietl alleen naar zijn diepe verstand geschreven, maar blijkbaar ook door hooger licht bestraald. Want hij schreef ook b.v. over de toekomst. Het Evangelie zou naar verre uitgaan. Velen zouden er in gaan gelooven. Maar daarna zou ook de groote afval, komen, II Thess. 2 : 3, en^ vervolgens zou de antichrist verschijnen en velen verleiden, en ten slotte komt Christus op den grooten oordeelsdag ten gerichte. Nu, we kunnen het zien, die groote afval werkt nu al. Maar dat is eeuwen nadat de apostel dit schreef, Hij heeft dat wel bij hooger licht dan alleen eigen scherpe verstand geschreven. Wij kunnen hem en wat hij hier zegt van dat „de ellendigste der menschen" maar niet zoo' gauw en zonder meer aan den kant zetten.

Het is waar, Paulus . is een man, die al bijna een negentien eeuwen doqd is. Men heeft hem onthoofd, en behandeld als een misdadiger en dwaas. En wij zijn ni; een negentien honderd jaren verder. En dus weten wij ^zooveel meer, en zijn wij zooveel hooger ontwikkeld. Wanneer, naar men zegt, elk volgend ge-

slacht' staat op de schouders van het voorafgaande, welke hoogte heeft ons geslacht dan bereikt. Stelt u voor. In elke eeuw kunnen, we een drietal geslachten of generaties rekenen, in het algemeen, en ruw geschat. In deze negentien eeuwen wordt dat dus:19 X 3 generaties, dat is een 57 geslachten. Nemen we voor een rond getal 50. Stelt u nu voor een menschenpilaar van vijftig op elkaar staande personen. Welk een hoogte had dan de hoogste, de vijftigste, persoon. Welk een veel ruimer, vrijer, uitgestrekter gezichtsveld had die vijftigste, die hoogste, dan die onderste. Wanneer het nu in dezen ook zoo is, dat wij geestelijk zooveel hooger staan, dan de apostel Paulus, zooveel ruimer gezichtsveld hebben dan, hij, dan ja zijn we geestelijk ver boven hem uitgegroeid. En we moeten het erkennen: ij is vergeleken bij de menschen nu, erg ouderwetsch en achterlijk. Denkt u eens eventjes in. Die man heeft niets geweten van een fiets, en evenmin van een auto. En welke jonge van jaren, en oude van dagen, weet nu niet van rijwiel en b.v. jeep, bijna kan men zeggen ook door ondervinding van eigen .vervoer. Hij wist van zwaard en spies en piek. Maar bij wist niets van schietgeweer, kanon, mitrailleur, waardoor de menschen zoozeer _vooruitgegaan zijn om elkander te vermoorden. Van telefoon, telegraaf, radio wist hij niets af. Noch van duikboot en vliegtuig en atoombom. Voor den tijd van nu is hij dus wel hopeloos ouderwetsch en achterlijk. Dat denkt dan ook menigeen als hij b.v.' aan de vrouwen verbiedt om in de gemeentelijke vergaderingen te spreken, I Cor. 14 : 34; I Tim. 2 : 12.

Dus ja, wat moeten we nu met hem? Eensdeels blijkt hij zoo scherp en diep van verstand, en daarbij onder hoogere bezieling en verlichting schrijvend. Aan den anderen kant blijkt hij van allerlei dingen, die nu de eenvoudigste wel weet, geen kennis te hebben. Hij profeteerde over wat eeuwen daarna gebeuren zou. En zie, het komt uit. En toch zou hij vreemd opzien in de wereld van nu met haar spoortreinen en verkeersregelen en distributiebepalingen.'

Ik durf zijn woord van „de ellendigste der menschen" maar niet zoo als zonder zin verwerpen. Maar dat doet mij vreezen, dat wij met onze bovenstaande redeneering raar uit den koers geraakt zijn. Als zulk een scherpzinnig en diepzinnig man als de apostel Paulus, ondanks dat hij destijds van allerlei lévensgemakken en levensverderfenissen van nu nog niet T^st, eerst schrijft: alles is uwe. en daar nog ook zulke eene breede uitwerking van geeft, en die niettemin in dienzelfden brief laat volgen: indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste der menschen, dan geloof ik maar liever, dat van heel onze-vooraf gaande, zoo mooi logisch schijnende, en ons wereldschgezinde hart zoo bekorende redeneering, al heel weinig, zoo nog iets deugt, dan dat ik den apostel voor zoo verward in zijn denken, en tegenstrijdig in zijn uiteenzettingen zou houden.

En dat nog bovendien hierom, dat de apostel met deze twee uitspraken eigenlijk niets anders zegt, dan onze Heere Jezus zelf. Hij zeide tot Zijn discipelen: Ik heb de wereld overwonnen, maar liet ook daaraan voorafgaan: in de wereld zult gij verdrukking hebben. Dat lijkt ook wel erg tegenstrijdig. Heeft de Heere de wereld overwonnen, hoe kunnen de Zijnen dan nog verdrukking in de wereld hebben. Maar de Heere zegt het. En dus verhindert Zijne overwinning der wereld niet, dat de Zijnen er nog in verdrukt worden. Trouwens zeide Hij oók: Indien gij van de wereld waart, zoo zoude de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld, Joh. 15 ! 19.

Nu, Wanneer wij nu leven als de wereld, wij dan natuurlijk op christelijke wijze en in christelijke mate, b.v. op christelijke manier en in christelijke matiging ons dronken drinken aan bier, brandewijn, jenever, cognac, champagne, op christelijke manier dansen, de bioscoop bezoeken en de cineac, op christelijke wijze tooneel spelen en aan schouwburgbezoek doen, christelijk kaarten en bridgen, op christelijke wijze zwarten handel drijven, och, Waarom zou de wereld ons dan haten? Nu ja, dat woord christelijk daar altoos bij stuit haar wel tegen de borst. Alsof'zij niet christelijk zou zijn! Maar enfin, als dan het doen en laten maar gelijk is, dan neemt zij dat christelijk tintje, die christelijke franje ten slotte wel op den koop toe. Wat christelijk hoereeren, ja, het klinkt wel wat vreemd, maar als het dan toch maar hoereeren is, dan moge met dat vlagje christelijk zwaaien, wie er lust in heeft. Daarover wil hij het ten slotte nog wel op een accoordje gooien.

Wanneer de Heere daarom zegt, dat de wereld Zijn discipelen, geloovigen haten zal, gelijk zij Hem haatte en haat, dan moet Hij toch wel doelen op een gansch ander levensgedrag dan boven geteekend werd met het woordje christelijk versierd.

We zullen dus de dingen van ons leven op aarde anders moeten bezien en anders beredeneeren. God had tot den Heere Christus gezegd: isch van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uwe bezitting, Ps. 2:8. En in Hebr. 1 : 2 wordt van den Heere gezegd, dat Hij van God gesteld is tot een erfgenaam van alles, en in Hebr. 2 : .8, dat God alle dingen onder Zijne voeten onderworpen heeft, gelijk ook de apostel Paulus schrijft. dat alleen God Zelf uitgezonderd is, maar dat voorts alle dingen aan den Heere Christus onderworpen zijn, I Cor. 15 : 24.

Volstrekt alles is dus den Heere toegezegd en aan Hem onderworpen, de geheele wereld, stoffelijk, en geestelijk, menschen en engelen en duivelen. Maar hoe? Dat Hij maar dadelijk kan beginnen te genieten? Integendeel, Hij zou er een zwaren strijd voor moeten strijden, heel Zijn aardsche leven er meer dan dertig jaren voor moeten opofferen, om te lijden ontbering, te zwoegen, miskenning te ondergaan, en eindelijk den dood des kruises er voor te sterven. Zoo heeft Hij Zich dit alles verworven, a.h.w. het eigendomsrecht op dit alles verkregen. Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzoo Zijne heerlijkheid ingaan? Luc. 24 : 26. Zoo heeft Hij op aarde Zijn gaüsche leven in strijd en lijden en smaad moeten verkeeren. En daarna is Hij wel opgenomen in den hemel en ter rechterhand des Vaders gezet, en regeert Hij alle dingen in hemel en op aarde, Matth. 28 : 18; Hand. 2 : 33, maar Hij moet Zich Zijn rijk a.h.w. nog veroveren. Door Zijn gehoorzaamheid en lijden op aarde heeft Hij Zich het recht op bezit van, en heerschappij over de geheele wereld, verworven. Met Zijn opstanding en hemelvaart is Hij met de macht bekleed om Zich nu dat eigendom, die geheele wereld, te veroveren en te onderwerpen. Daarmede is Hij sedert al de eeuwen door bezig. En eerst aan het eind der wereld zal Hij zichtbaar het volle bestuur, en de volstrekte regeering over, de geheele wereld aanvaarden.

Het is dus om zoo te zeggen ook nu nog allerminst een tijd van stil genieten voor den Heere. Integendeel voert Hij aldoor den strijd, een geweldigen strijd, tegen duivelenmacht en menschenwereld, om Zijn eigendom Zich a.h.w. toe te eigenen, om de wereld aan Zich te onderwerpen. Zegt Hij daarom in Joh. 16 : 33: k heb de wereld overwonnen, dan drukt Hij daarmede slechts uit de zekerheid Zijner overwinning, en dat Hij in beginsel toen reeds overwonnen had. De rechtsstrijd was beslist, al moest Hij toen ook nog den dood sterven. Maar de feitelijke verovering of overwinning moest toen nog geschieden, en zij vindfe plaats nu al de eeuwen door, tot straks de volle zege metterdaad is behaald, en heel de wereld aanbiddend aan 's Heeren voeten ligt.

En stelt nu tegenover dat leven van onzen Heiland van ontbering en lijden op velerlei wijze, tot Hij ten laatste tot den kruisdood veroordeeld werd en aan het kruis onder zoo ontzaglijke smarten en benauwdheden bezweek en dood in het graf weggeborgen werd, het tevoren genoemde leven van bier-en jenever-en cognac-en champagne-drinken, vart dat dansen en kaarten en bridgen, van dat bioscoop-en oineacbezoek, van dat tooneelspel en schouwburgloopen, ofschoon dat alles met het vlaggetje van christelijk versierd, dan kunt ge ineens verstaan, dat aan dat alles, ondanks dat versiersel van christelijk, niets christelijks is, maar niets dan alles onchristelijk is. Ja, het is wel naar den lust van ons zondige vleesch. Maar van verovering der wereld, van alle levensterreinen, voor Christus is daarin niets, en al zulk praten en voorgeven van zulk christelijk veroveren is niets dan leugentaal, zulk doen is niets dan Christusverloochening, en doet niet de wereld of eenig levensterrein voor Christus winnen, maar voor zoovier aan ons ligt, veeleer voor Hem weer verliezen.

Weg daarom met al zulk gedoe en geredeneer.

De Heere "heeft den Zijnen, Zijn geloovigen, in dit leven ontbering, moeite, strijd in uitzicht gesteld, en tot zelfverloochening hen opgeroepen. Zoo iemand achter Mij wil komen die verloochene zichzelven en neme zijn kruis op en volge Mij, Matth. 16 : 24. Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en zijne moeder, en vrouw en kinderen, en broeders en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn, Luc. 24 : 26. De Heere heeft de Zijnen niet dit aardsche leven met zijn geneugten beloofd, maar hen naar de toekomst, naar de eeuwigheid met haar zaligheid, gewezen. Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen, Matth. 5 : 12. Zelf heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht, en is nu gezeten aan de rechterhand van den troon Gods, Hebr. 12 : 2. De geloovigen worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. In welke gij u verheugt, schrijft de apostel Petrus, na een weinig tijds, zoo het noodig is, bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen, I Petr. 1 : 5—6.

Het goed der geloovigen, de genieting van alles, dat het hunne is van en door Christus, is niet hier op aarde, aan deze zijde van dood en graf, maar in . de eeuwigheid. Hier verdrukking, ontbering, lijden. Hier gasten en vreemdelingen, Hebr. 11 : 13, vgl. ook Philip. 3 : 20; daar bevrijding, verheerlijking, genieting.

Dat worde aanvaardt door wie des Heeren wil zijn, en des Heeren mag zijn: Zijnageloo'vigen. Niet de ge-

njetingen dezer wereld, van ons zondige vleesch en hart gezocht, maar als Mozes liever in leed en ontbering en bestrijding, dan de genieting der zonde, Hebr. 12 : 25. Weg met dat gepraat, dat de wereld zooveel heeft om te genieten, bioscoop, film, tconeel, dans, enz., en wij en de onzen dat alles moeten ontberen. Die zelfverloochening en ontbering heeft de Heere de Zijnen in uitzicht gesteld, om him voor het leven hierna blijdschap, zaligheid te beloven. Dat moet door ons en de onzen aanvaard worden. Dat moeten wij zei ven weten en ons «indenken en voor ons aanvaarden. En dat moeten wij onze kinderen, reeds van de vroegste jaren, voorstellen en, voorzoover aan ons ligt, doen willen. Zoo hen opvoeden.

Natuurlijk kan daar wel eens een goed stuk film vertoond) wordlen, een historiestuk, natuurtafereel. En zoo zal in de bioscoop wel eens een goed stuk te zien zijn. Maar die trekken de menschen niet. En daaijvan kan het bedrijf niet bestaan. En tooneelspel kan ik voor mij mij in den hemel niet denken, al zegt dat natuurlijk op zichzelf niets. Het is het element der onwaarheid, dat m.i. tegen de volstrekte waarheid Gods en des hem, els strijdt, afgezien van alle onredelijkheid en andere Verkeerdheid bij het tegenwoordige tooneel.

Laat men zich en anderen daarom het hoofd niet trachten op hol te brengen, met het voorgeven, dat men dat of dit „terrein" ook voor Christus veroveren moet en wil, film, bioscoop, tooneel, dans eta Daar komt niets van. Maar zelf lijdt men daarbij op de eene of andere wijze verlies, en men doet aldus den ander schade lijden. Laat men er daarbij maar * voor uitkomen, dat het de begeerten van het zondige, vleeschelijke hart zijn, die men aldus zoekt te bevredigen, hetzij bij zichzelven, hetzij bij anderen, maar dan als ter consciëntiegeruststelling met een versierinkje van christelijk omkleed. ^

Wie Christus wil toebehooren, die moet Hem geheel willen toebehooren, niet alleen straks, in de eeuwigheid, maar ook nu. En die moet waarijk in Hem willen gelooven, en om ZSjnentwil naar Zijn Woord zich en dit wereldsche willen verloochenen en ontzeggen. Wij moeten ons kruis van ontbering om Zijnentwil op ons willen nemen en Hem nadragen, om onze begeerten en verwachting niet in dit leven te hebben, maar aan de overzijde van dood en graf.

Alles is om Christus' wille en door Hem het onze, als wij waarlijk in Hem gelooven. Maar dat zal eerst in de eeuwigheid, en na den oordeelsdag uitkomen ook tot onze genieting, gelijk de openbaring van 's Meeren overwinning en beheersching der geheele wereld eerst vol aan het licht treedt mét ffijne wederkomst in heerlijkheid aan het eind der wereld ten gerichte.

Dus geen wereldsche christenen willen zijn, noch trachten te wezen, maar ware christenen naar het Woord des Heeren.

S. GREIJDANUS.

de wooRöen~öie ik tot u spReek zijn qeest en Leven, joh. 6:63.

In het „Weekblad van de Nederlandsche Hervormde de Kerk" van 11 Oct. j.l. bespreekt dr W. Aalders uit Den Haag de dissertatie van dr A. J. Brinkhorst: I, .Schrift en Kerkorde", waarin hij veel te prijzen oordeelt, maar die z.i. eene voorafgaande vraag eerst en breeder of dieper had moeten behandelen. Uitteraard meng ik mij in deze quaestie niet. Maar dr W. Aalders stelt met zijne bespreking een punt aan de orde van algemeener beteekenis, en waarom zijne critiek eigenlijk draait. Dat is m.i..de vraag naar de verhouding van Geest en Woord, en wel dat Woord nu genomien als Heilige Schrift. Nu zijn Geest en Woord zeer zeker , twee. De Heilige Geest is God en van eeuwigheid. 'De Heilige Schrift is schepsel en ontstond in den tijd. Maar is nu dit Woord Gods, de Heilige Schrift, los van Gods Geest, leeg, van dien Geest, zoodat die Geest telkens weer eerst a.h.w. dat Woord, die Schrift, opnieuw met Zich of Zijne werking en kracht vullen moet, om dan en dan, naar het welbehagen des Geestes, weer Woord Gods te' worden, of heeft die Geest op die wijze eenmaal Zich met dat Woord, die Heilige Schrift, verbonden. Zijne kracht daarin werkende, dat dat Woord, die Schrift, altoos Zijn Woord is, bekrachtigd met Zijne sterkte, en diis werkende door Hem, zonder ooit om Hem en Zijne werking los of leeg te wezen? Indien het eerste, ja, dan zegt de prediking van dit Woord, die Schrift, hoe overeenkomstig dat Woord of die Schrift ook, natuurlijk nog weinig. Dan is dat een intellectueele bezigheid, een menschelijk spreken, dat slechts menschelijke uitwerking hebben kan door menschelijke redeneer-en overredingskracht. Eerst wanneer het dus den Heiligen Geest belieft. Zijne kracht daarbij te voegen, wordt dit anders. Dan moet dus telkens bij dat Woord weer bijkomen de kracht of werking, des Heiligen Geestes, zal het meer dan menschelijke kracht oefenen, en meer dan menschelijke uitwerking hebben. Dan kan er sprake komen van het Sacrament naast het Woord, niet als teeken van, en zegel op dat Woord, en dus als ten zeerste afhankelijk van dat Woord, en niets anders biedende dan dat Woord, doch slechts in anderen vorm, op andere wijze, maar door ons geloof aan te grijpen om er heil uit te genieten. Doch dan kan en zou het iets bieden naast en buiten of boven dat Woord, en zonder, hetwelk het Woord eigenlijk maar een intellectueele zaak zou wezen, die het eigenlijke, de wezenlijke genade niet bood, noch door het geloof deed ontvangen. Dr W. Aalders drukt zich zoo uit: „De genade is in de Schrift, voorzoover ik het zien kan, spiritueel e n habitueel, iKJëtisch e n ontologisch, actueel e n habitueel. Men zou misschien het beste kunnen zeggen, dat er in deze een dialektische verhouding is tussen beide elementen in de genade'. Waarbij het dan zo is, dat het ene element is uitgedrukt in de prediking en het andere in het sacrament. Het ene is de waarheid van de werkelijkheid; en het andere de werkelijkheid van de waarheid. Wat in de genade zelf één is, is in woord en sacrament gebroken. Maar daarom veronderstellen die beiden elkaar in een dialektische verhouding. De werking des Geestes is er voor het geloof ini het woord als waarheid en werkelijkheid met het accent op de waarheid. En het is er in het sacrament als waarheid en werkelijkheid met het accent op de werkelijkheid". Hier is een niet te scheiden eenheid en gelijkwaardigheid der deelen van prediking en sacramenten, schrijft hij. Bij verwringing van die gelijkwaardigheid der deelen naar den eenen of naar den anderen kant, ontstaat er gevaar. „En wij protestanten hebben dan te maken met het gevaar van de verwringing van die verhouding in de richting van een miskenning van het sacrament. Een gevaar, dat zich dan uit als rationalisme en spiritualisme, ais fatale overschatting van het noëtische, van de leer en de leerrede".

We zien, hierbij blijft het sacrament niet ondergeschikt aan het Woord, maar komt het naast het Woord te staan, gelijkwaardig aan de prediking, ea dat de werkelijkheid der genade brengt. Het Woord zou de waarheid daarom brengen, dus, blijkens deze uiteenzetting, het heldere inzicht, maar de werkelijkheid zou door het sacrament geschonken worden. Het Woord zou dan dus niet met de waarheid óók de werkelijkheid brengen, doch die werkelijkheid zou eerst verkregen worden door het sacrament. Dat is natuurlijk een geheel andere beschouwing en voorstelling dan in onze Gereformeerde belijdenisschriften, vgl. b.v. Zondag 25, en van Calvijn en andere Gereformeerde hoofdleeraars. Dat erkent trouwens dr W. Aalders zelf, als hij schrijft: Men zie daarom niet als zo onzinnig en onbegrijpelijk, nie^ als een afglijden in ik weet niet welke verderfelijke wateren, als men het probleem van de genade nieuw doordacht wil zien en hier niet zonder meer Calvijn kan volgen*'. Of als hij schrijft: Want de heerschappij van Chris-y tus is méér. Dat „méér" is-verwaarloosd in onze Kerk; en de theologie van Calvijn en Melanchton en Zwingli zijn er de oorzaak van". Nu zal wel niemand van Gereformeerde geloofsovertuiging er op zichzelf be2waar tegen hebben, dat m.en van Calvijn c.s. en van de Gereformeerde belijdenisschriften in meening en voorstelling der waarheid verschilt, als men daarmee meer in overeenstemming met de Heilige Schrift klomt. Doch daarop komt dan ook alles aan. En in dit geval is het dan de vraag naar het geloof inzake dé Heilige Schrift als Gods Woord, i^ de verhouding van Geest en Woord of Heilige Schrift. Wanneer in Jes. 55 van 's Heeren Woord staat, dat het niet ledig tot Hem wederkeert, maar doet wat Hem behaagt, vers 11, dan ziet dat krachtens het verband ook op het door des profeten mond gesproken Godswoord. En dat is ook het geval, wanneer de Heere in Jerem. 23 : 29 vraagt: s Mijn woord niet alzóó als een vuur, spreekt de HEERE, en als een hamer die eene steenrots te morzel slaat? Ook wanneer de apostel Paulus de Thessalonicenzen prijst, dat zij zijne prediking aangenomen hebben als Gods Woord, gelijk het waarlijk is, schrijft hij, dat ook werkt in u die gelooft, I Thess. 2 : 13. En in Hebr. 4 : 12 lezen we: ant het woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten. Jacobus vermaant: ntvangt met zachtmoedigheid'het woord dat in u geplant wordt, hetwelk, zegt hij, uwe zielen kan zaligmaken, Jac. 1 VS 21. En onze Heiland zeide tot Zijn discipelen: ie u hoort, die hoort Mij, en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene die Mij gezonden heeft, Luc. 10 : 16. Dat alles geldt dus van het gepredikte Woord des Heeren, van het door Zijn profeten en discipelen gesproken woord; maar dan evenzeer van het door hen geschreven woord, en van het door hen gesproken, maar schriftelijk tot ons gekomen woord. Diat woord, hetwelk wij uu in de Heilige Schrift hebben, is maar niet een louter intellectueele zaak van zekere feiten, medfedeeling, maar daarin werkt altoos de Heilige Geest, Die nimmer Zijne kracht aan dat woord onttrekt, maar, waar en wanneer en door wien het maar gebracht wordt, , mits recht en zuiver en vol gebracht, het werkzaam doet zijn, ter zaligheid, waar het geloovig aangenomen en gehoorzaamd wordt, ter veroordeeling en verharding, waar het in ongeloof verworpen wordt. Het Evangelie is een krachtiGods, schrijft de apostel .Paulus, Rom. 1:16; vgl. I Cor. 1 : 18; U Cor. 2 : 15 —16. De woorden die Ik tot u spreek, zijn Geest en zijn leven, sprak de Heere tot Zijn discipelen. Joh. 6 : 63.

Volgens de Heilige Schrift is het dus maar niet, dat dit Woord Gods of Heilige Schrift eene intellectueele mededeeling van waarheid eener werkelijkheid zou zijn, en eerst het sacrament de werkelijkheid dezer waarheid zou brengen. Dat Woord zelf brengt die werkelijkheid mee, door de er zich aan verbonden hebbende Geesteswerking, en dat ten goede, óf ten kwade, al naar de geloovige, óf de ongeloovige houding van den hoorder er tegenover. De werking des Geestes brengt niet in het sacrament de werkelijkheid der waarheid gelijkwaardig met de waarheid der werkelijkheid in de prediking, maar zij brengt in en met en door die-prediking zoowel de werkelijkheid der waarheid als de waarheid der werkelijkheid. Dfaar behoeft niets meer bij. 'Alleen wil de Heere in ontferming ons in ons zwakke geloof aan Zijn Woord en Evangelie nog te hulp komen door de sacramenten te geven als hulpmiddelen tot duidelijke verzekering van de waarheid Zijns Woords voor ons zwakke geloof. Maar, en daarop komt het nu alles aan, dan moet dat Woord recht gepredikt worden, enkel dat Woord, en dat Woord völ en zuiver. Wel moet door en bij die prediking dan nog eene Geesteswerking komen, maar niet eene Geesteswerking van de werkelijkheid der waarheid er bij te geven, doch om bij den mensch het hart te openen, opdat de prediking een rechten-ingang mag vinden tot haar heilzame uitwerking. Luc. 24 VS 45; Hand. 16 : 14. De groote vraag is hierbij dus maar deze: at gelooft gij van de Heilige Schrift? Is zij Gods Woord in eigenlijken, waren zin, ja óf neen?

S. GREIJDANUS.

chRisteLijke fiLmdctie.

Zoo is dan dezer dagen de z.g.n. christelijke bioscoop geopend in de residentie en wij worden nu voor de vraag gesteld: kunnen we aan deze actie oneen steun geven of niet? Is dit een stap vooruit voor ons christelijk samenleven in onze stad, ja of neen? Er zijn circulaires rondgezonden, ^e de oorzaak en de bedoeling van dit werk uiteenzetten. Na lezing van deze circulaire en na hetgeen over deze bioscoop in de pers is gepubliceerd, kmmen we niet anders aeggen dan dat we dit een stap terug vinden op éêa weg van ons christelijk leven in deze wereld, ook al staan daar onder die circulaire namen van bekende predikanten. De circidaire zegt, dat voor den oorlog de bioscoop voor den christen geen probleem wa«. Toen stond men er beslist afwijzend tegenover. Na den oorlog werd dat geheel anders. Met onweerstaanbaren drang kwam het verlangen naar de fUm naar voren. Die drang wordt verklaard uit de begeerte om het oorlogsgebeuren ƒ op de film te aanschouwen. Djaarom wil men dus alle bezwaren tegen de bioscoop opzij zetten.

De eerste opmerking die we willen maken is deze, dat de eerste drang om de oorlogsfilm te willen zien nu allang voorbij is en dat men dus nu hiervoor gisen christelijke bioscoop meer behoeft te openen. Deze bioscoop wordt dus niet allereerst geopend omdat men dit terrein wil opeischen voor Koning Christus, maar om tegemoet te komen aan den gevoelsdrang van het publiek. Als men daarnaast dan nog' schermt met een . opeischen van dit terrein voor Christus, dan komt de vraag op ons af of ons leven en ook speciaal het leven van hen, die den drang naar de film hebben, zoo gespannen is van de toekomstverwachting van onzen Heere Jezus Christus, dat we hierom een bioscoop moeten gaan openen. Is ons leven zoo doordrenkt van Christus' heerlijkheid, zoo vol ervan, dat we overloopen van activiteit voor Hem en ook dit terrein ervan vervuld moet worden? En als we dan zien den strijd, die er op alle fronten is en die steeds feller wordt en ook steeds geraffineerder wordt gestreden en wat dit van ons vraagt aan tijd en offers en aan levensspanning en als we daarnaast lezen van de directe oorzaak tot het openen van deze bioscoop, n.l. den drang naar het beleven van de oorlogssensatie, dan rijst de vraag of we in dezen apocalyptischen. tijd, dit zoozeer van de zonde doordrenkte gebied wel moeten veroveren. Moeten we om Christus' wil niet al onze aandacht concentreeren op den strijd der kerk, op den strijd op politiek en maatschappelijk gebied, waardoor het ons, vanwege de zonde, onmogelijk wordt om dit cultuurwerk goed aan te vatten. Moet hier geen cultuuronthoudtng zijn, niet om de onthouding, doch vanwege de weerhoudingswet, waardoor geen enkele cultuxffmogelijfcheid ooit tot volle ontplooiing kan komen.

De gemeenschap van Gfods volk is, door de ontrouw van velen, zoo zwaar belast, dat zij zich vaak moeten onthouden. Dit zien we ook in Openbaringen 12 geteekend, waar de kerk de woestijn in gaat. Niet" om haar recht op de wereld prijs te geven, maar om haar eigen stijl te bewaren. Ze hongert in de woestijn, maar het is de honger niet om den honger, maar ont Christus' wil.'

Als de kerk haar eigen stijl niet bewaart, dan is ze verloren. En nu is het opvallend, dat in de genoemde circulaire men wel spreekt van een eigen gebouw en een eigen sfeer, alsof dat het essentiëele zou zijn van ons christelijk leven, maar men spreekt juist niet van een eigen stijl. Dit is toch wel'een eerste vereischte voor een christelijke actie.. Wat is er echter gepubliceerd over deze actie? Het is dit, dat men actueel nieuws zal geven, - teekenflims en speelfilms.

In dit laatste zit het nu juist. Want daartoe "wil men bijgeschaafde films nemen, die in andere bioscopen gedraaid hebben. Afgezien nog van het feit,

dat dit moeilijk zal zijn, daar in de filmkeuringscommissie wel verschil openbaar zal worden over den inhoud van de films, vrillen we erop wijzen, dat dit nu juist is een volgen van de wereld, zij het dan op een afstand. Men heeft geen eigen stijl en dus moet de stijl der wereld wat gefatsoeneerd worden en zoo zal dan de „christelijke" speelfilm ontstaan. O, arme slachtoffers van deze stijlooze menschen.

Zal men werkelijk een film geven van een tooneelstuk, dan moeten we aan dit stuk de hoogste eischen stellen en hierin ligt de onmogelijkheid aangegeven, want het is niet doenlijk om het echte christenleven uit te beelden op het tooneel. Men kan het christelijk leven nog wel omschrijven in een boek, hoewel dit al moeilijk is, want niet elke als zoodanig aangekondigde christelijke roman, is waarlijk christelijk, maar om het leven naar het Woord in z'n heerlijkheid en z'n strijd uit te beelden op tooneel is onmogelijk. Men moet dan vanzelf vervallen tot vervlakking. En als we dan hooren, dat men daarvan een bioscoopbedrijf wil draaiende houden, dan weten we wel waar dit moet heengaan. Bovendien zal dit niet de bekoring hebben van hen die thans „met onweerstaanbaren drang" naar de bioscoop getrokken worden. Het wordt dus surrogïiat van de wereld onder een christelijken naam.

Laten we hopen en bidden, dat ons aller oogen geopend mogen zijn voor het gevaar dat hier dreigt, opdat we voorzichtig mogen wandelen, den tijd uit-, koopende, omdat de dagen boos zijn. Hier komt de Satan in zijn meest geraffineerden vorm op ons af en het verval, dat hierin openbaar wordt, zal medewerken aan d^n grooten afval die komt. Laten *wij dan staan in dezen boozen dag in het geloof, dat Christus ons roept om in deze wereld te profeteeren en te staan tegen allerlei listige omleidingen des duivels. En laten we onzen eigen stijl bewaren, want zoo alleen kan Cairistus komen tot de heerlijkheid van Zijn nieuwe aarde, die vol zal zijn met al de cultuurschatten, maar die dan zullen dragen het volmaakte stempel van den geheel eigen stijl van Zijn Koninkirijk. De stijl van de HEILIGHEID DES HEERBN, waarvan de bellen der paarden zelfs zullen spreken (Zach. 1 4:20); de stijl van het soli Deo gloria.

Moge onze gedwongen cultuimsnthouding ons vervullen met groot verlangen naar den dag van Zijn •volkomen glorificatie en laten we Zijn roepstem verstaan aas Hij zegt: En hetgeen Ik u aeg, dat zeg Ik ailen: aakt! (Marcus 13 : 37.)

A. A. BASOSKI.

PROf. ÖR nAUtA OV€R h€t keRkveRBAfiö.

' In „Gereformeerd theologisch tijdschrift" heeft Frof. Dr Nauta een artikeltje geschreven over „het kerkverband als wezenlijk element voor het bestaan eener Gereformeerde kerk". ^

't Is een strijdartikel; hij schrijft dan ook: , , Juist tegenwoordig blijkt noodig zich daarvan heel scherp rekenschap te geven. Want in allerlei kwesties komen we te staan voor de vraag, welke plaats precies aan het lierkverband toekomt en daarom ook in de practijk behoort toegekend te ^worden". Hij wil aantoonen dat 't kerkverband als een wezenlijk element noodzakelijk is voor het bestaan eener kerk, dus tot het wezen eener kerk behoort en dus zonder dat verband niet kan bestaan. En hij zal naar zijn eigen meening daarin schitterend geslaagd zijn.

Don Quichot behaalde ook altijd overwinningen.

De schrijver toch legt meeningen in de mond van anderen, die ik althan^ in de Gereformeerde kerken nooit heb gehoord of gelezen. Overtuigt U maar. Hij 'schrijft: „Ik wil mij bezighouden met de vraag, of het kerkverband een ^ak is van louter b ij k o m-s t i g e n aard, iets wat eventueel zonder bezwaar gemist zou kunnen worden. EIr zijn er die het kerkverband alS'iets bijkomstigs, als een ^bijkans indifferente aangelegenheid verstaan. Naar "deze opvatting (dat het kerkverband tot het welwezen der kerk behoort) kan een kerk willekeuri g het eene oogenblik tot een kerkverband toetreden en het andere oogenblik er zich weer aan onttrekken, zonder door die daad. den eenen keer rijker en den anderen keer armer te worden. Het doet er eigenlijk weinig toe of een kerk deel van het kerkverband uitmaakt, ja dan neen".

Als Prof. Nauta nu meent, dat wij zulke meeningen koesteren, dan neemt hij weinig notitie van wat er in onze kringen leeft, en wij zouden ook niet schrijven van deel van het kerkverband.

En dat komt nu allemaal' omdat er zijn, die oordeelen dat het kerkverband behoort tot het welwezen • van een kerk.

En ten onrechte beroept nien zich op Bavinck, die in zijn Dogmatiek schrijft: „Synodes zijn niet beslist ad esse ecclesiae noodzakelijk en zijn ook niet bepaald door Gods Woordi bevolen, maar al zijn ze geoorloofd en ad bene esse ecclesiae noodzakelijk".

En in 'een verhandeling over „Synodale Kerkinrichting" schrijft Bavinck: „De s3? nodaal-presbyteriale kerkinrichting is dus niet volstrekt noodzakelijk krachtens een Goddelijk bevel. Nergens lezen we in "^ het N. Test., dat een particuliere gemeente verplicht en geboden wordt om een andere gemeente op te zoeken en uitwendige gemeenschap met haar aan te knopen".

Nauta vindt, dat Bavinck de kwestie niet scherp genoeg heeft gesteld en ik denk, dat Bavinck vindt, dat Nauta de kwestie onjuist stelt.

Die tegenstanders, gelijk Nauta zich die denkt (maar die vindt hij in de Gereformeerde kerken, die zich vrijgemaakt hebben, niet) beroepen zich naar zijn meening ten' onrechte op Bavinck. • Inderdaad, Professor, gij hebt Uw denkbeeldige tegenstanders verslagen.

Maar wij staan nog rechtop.

Dan zal hij aantoonen, in welken zin wij hebben te verstaan de gedachte, dat het kerkverband noodzakelijk is, niet voor het wezen, maar alleen voor het welwezen der kerk.

Bavinck geeft hem daarover geen licht; Voetius laat het licht schijnen, want Voetius noemt de vereisten voor het tot standkomen en voor het goed werken van het kerkverband, en het zijn er niet minder dan twaalf.

Nauta noemt ze alle twaalf, ik zal et-slechts enkele noemen:

1. Er moet een wederzijdsche correspondentie tot stand gebracht worden van kerken tot kerken en wel door middel van de kerkeraden of van hun afgevaardigden. Alle kerken van het ressort afzouderlijk hebben haar toestemming te verleenen.

4. De kerken moeten zich verbinden niet slechts in dezelfde waarheid der leer, zoodat zij één z^ in belijdenis, maar eveneens wat de wezenlijke' stukken betreft in de zelfde liturgie en kerkinrichting.

5. Wat tot stand gebracht wordt, moet slechts een correspondentie of een combinatie en verbintenis van kerken zijn, niet een bijzondere kerk ; ., veel minder, dat het een kerk in den eigenlijken zin genoemd kan worden.

7. Aan dit verband of aan personen, die het vertegenwoordigen, behoort men niet toe te kennen een nieuwe, bijzondere regeermadht of een deel van de integrale kerkelijke regeermacht, die naar Goddelijk recht aan afzonderlijke kerken competeert.

12. Het eigen en bijzondere ^oorwerp der kerkelijke macht in elke plaatselijke kerk mogen classes en synoden zich'niet aanmatigen, ook indien dit door deze of gene mocht aangeboden worden, maar wij behooren dit terug te wijzen naar elke kerk afzonderlijk, om dé macht van elke afzonderlijke kerk intact te laten. Tot zoover Voetius.-De professor in het kerkrecht schijnt niet te voelen, dat hij met Voetius zijn eigen Synodes, ja, zichzelf in het aangezicht Blaat.

Merkt op, hoe Voetius accentueert de vrijwilligheid der toetreding, waaruit volgft de vrijheid van uittreding, niet op te vatten als willekeur.

Ook Kuyper, door Nauta opgeroepen, denkt zich de noodzakelijkheid, de roeping, het kerkverband te breken.

Ook Dr Nauta acht „het plicht met het kerkverband te breken als dat vei; band in zijn handelingen en besluiten welbewust ontrouw geworden is aan Schrift en Belijdenis, maar hij moet dat voor God en menschen overtuigend aangetoond hebben".

Daar begrijp ik nu niets van. Het kerkverband is welbewust ontrouw geworden aan Schrift en Belijdenis. Moet nu aan een Synode, die welbewust ontrouw is, nog aangetoond worden, dat zij ontrouw is? En wie kan dat voor God overtuigend aantoonen? Of is het soms een onnauwkeurige, onjuiste weergave van de exegese, die zijn Synode geeft van art. 31 K.O., en wil hij dus zeggen, dat wij aan de Synodes overtuigend hadden moeten aantoonen, dat zij dwaalden. Maar dat is geen exegese van art. 31 K.O., maar dat artikel elimineeren. Leest dan Joh. Jansen in zijn Korte Verklaring: „Wil dat zeggen, dat de appellant het moet bewijzen voor de meei\dere vergadering, en als hij haar overtuigen kan met hewijzen, ervan ontslagen is? ? Maar dat spreekt van zelf. Een besluit, dat strijdig is met Gods Woord is voor niemand geldig. Of wil het zeggen, dat wij aan de besluiten der meerderheid gebonden zijn, tenzij iemand een of ander besluit voor zich zelf bewezen acht in strijd te zijn met Gods Woord? Dit laatste is het juiste antwoord, en wel op de volgende gronden: Ie. omdat op dien zelfden grond het reformatorisch verzet tegen Rome rustte, n.l. dat de Reformatoren bij zich zelven overtuigd waren, dat de Koomsche leeringen met Gods Woord in strijd waren; 2e. omdat wij geen kerkelijke conciliën, decreten of besluiten mogen „gelijkstellen met de goddelijke Schrifturen", art. 7 Confessie; en omdat Voetius ook zegt, dat een plaatselijke kerk, die gedwongen zou worden een besluit, dat bevonden wordt met Gods Woord te strijden, uit te voeren, desnoods uit het kerkverband moet tredlén, liever dan tegen Gods Woord en het geweten te handelen.

H. MEULINK.

PROPAeöeutisch-exAmen:

Geslaagd voor het Propaedeutisch-examen de heeren J. Bomhof, Zwolle en H. de Vries, Nijkerfc.

canöiöAAts-exAmen:

Geslaagd voor het Candidaatsi-examen dè heer R. te Velde, Boerendiep H 234, Stadskanaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 november 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 november 1947

De Reformatie | 8 Pagina's