GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Gananja in de woestijn

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gananja in de woestijn

6 minuten leestijd

Amice.

Je hebt natuurlijk veel hooren vertellen van de gemeene gratie. Nu, ik ook wel eens. En ik wou vandaag er wel eens wat over praten met je.

Ik kwam zoo op die idee, toen ik een boekje las over Joden, geschreven door een jood. Je kunt vsm zulke boekjes zoo veel leeren. Soms ook voor het verstaan van een of anderen bijbelschen term. Want al hebben, naar een bekend beeld van Paulus, de Joden een „deksel" op hun aangezicht bij het lezen van het Oude Testament, dat beteekent nog niet, dat zij ons soms niet vóór kunnen zijn in het verstaan van losse uitdrukkingen uit het Oude Testament. Er is heel wat blijven leven onder het joodsche volk, dat van oude tijden stamt, en dat ons helpen kan bij de studie van den inhoud van sommige begrippen, die in hun taal lang geleden vaste termen hebben gekregen.

Zoo las ik dan een boekje van J. L. Perets. Het heet: Joodsche Volksverhalen. Het werkje is geschreven in het jiddiesch, en daaruit vertaald door C. J. Hildesheira. Het Is al weer „op leeftijd": het verscheen in 1926 bij de Wereldbibliotheek.

Je weet toch wel wat Jiddiesch is? Verreweg de meeste joden gebruiken het als volkstaal. Verscheiden woorden hebben wij eraan te danken. Het woord „roddelen" b.v. Of: gannef, bolleboos (baal habbaith, of habbais, heerdes-huizes), mesjokke (mesjogge), mazzel, lawaai (een lawaaie is een veel misbaar makende begrafenis, of lijkstaatsie), en zoo meer.

In deze taal nu schreef Perets, poolsche jood, (1851— 1915). Als secretaris van de joodsche gemeente in Warschau heeft hij in den eersten „wereldoorlog" een massa voor zijn volk gedaan.

Het laatste hoofdstuk nu van dit boek geeft de vertelling van een leerling, een student, die straf verdiend had. Hij heette Gananja, was onderwezen geweest in de Touroh (tora, de heilige joodsche wet of overlevering), maar had zich schrikkelijk misdragen. Zijn straf was: hij moest in Goloes gaan. Goloes is: ballingschap. Hij was verbannen voor een tijd, een onbepaalden tijd, uit de gemeenschap. Zijn tora-kennis, waarop hij zoo trotsch geweest was, en die hij gebruikt had, niet om te stichten, maar om anderen, vrome Joden, te vernietigen, zou hem in éénen ontvallen: zijn geheugen raakte hij kwijt, en ineens was hij nu niet meer dan een „ugam Hoörets" (am-Haarets), iemand, die niets weet, een volksman, een leek, een onwetende, een onontwikkeld mensch. Een leege kooi, zonder duiven; een man, zonder één woord touroh in zijn kop. De leider van de Jesjiewoo, d.w.z. van de leerschool waar rabbijnen worden opgeleid, heeft den student plechtig vervloekt; en dat beteekent alles.

Zoo gaat Gananja in goloet. „En nauwelijks heeft hij Jeruzalem verlaten — vertelt Gananja verder — verdwaalt hij dadelijk in een woestijn, waar geen voedsel of water was. Maar hij verlangde zelfs niet naar brood zonder water, hij kon zich voldoende voeden met het weinige gras, dat soms in de woestijn gevonden wordt. En voortdurend verkeerde hij nu in levensgevaar, tusschen allerlei wilde dieren, slangen, en schorpioenen, zij hebben hem niets gedaan zij plachten met een gesis of dof gebrom hem den weg vrij te laten Heeft hij, Gananja, begrepen, dat de dieren geen macht over hem hadden, omdat zijn vonnis luidde: dolen en zwerven".

Tot zoover het verhaal.""

Daar heb je dus een man, die onder een Kainsvonnis leeft: dolen en zwerven. En nu wordt de bek der vrtlde dieren , , verzegeld". Ze hebben , , geen macht" over hem, om hem te bijten. Het mag soms lijken, alsof elk dier, dat hem vindt, hem zal dooden, maar het zal niet gaan: hij heeft zekerheid, dat ze hem niet zullen dooden: want hij moet dolen. Geen molensteen wordt om zijn hals gedaan door een roover, die hem In het water smijt. Want hij moet dolen. Geen leeuw peuzelt hem op: want hij moet dolen. Geen slang zal hem de verzenen vermorzelen, laat staan: den kop: want hij moet dolen.

Geloof jij ook niet, dat op dit kleine stukje joodsche litteratuur de gemeene gratie-leer strandt la haar argumentatie: je existeert nog in je lichamelijke gedaante, en dus is dat genade, zij het dan algemeene? Men kan „verzegeld" zijn tegen den dag der verlossing, maar ook tegen den dag des kwaads. Als Paulus op een eiland door geen slangenbeet vergiftigd wordt, zeggen de heidenen: een gunsteling der goden. Paulus zelf echter weet: ik móet naar Rome toe, het proces moet doorgaan. Een gevangen knecht ben Ik van mijn Heere en God. In de woestijn wordt Christus door de wilde gedierten gediend; dat is voor zijn geloof een eere-teeken, maar ook een bewijs van opgespaard te worden voor het kruis.

Niet alleen voor de kinderen, die thuis zijn of komen, maar ook voor wie tot zwerven en dolen veroordeeld zijn, wordt de mond der leeuwen gestopt, de giftand der slangen weerhouden, totdat hun tijd vervuld is.

Dat is wat de bijbel zegt: de geloovigen worden bewaakt en bewaard, maar de ongeloovigen ook — tot den dag der verderfenis. Existeeren is geen genade en geen vloek, doch het openhouden van de mogelijkheid voor die beide.

Soms kan een enkel woordje een mensch meer leeren dan ellenlange betoogen. Gananja moest eerst weer terecht komen, eerst weer tot berouw en inkeer; eerst toen kon hij weten, of die wilde dieren waren weerhouden (gebonden) alleen maar om der wille van zijn strafexpeditie, dan wel óók om der wille van de daarna hem (nadat hij tot berouw gekomen was) weder verleende genade.

En zoo wijs als Gananja was, zoo'n jodenjongen, moeten jij en ik ook worden. Hij zei niet: geen been van mij is gebroken, het valt dus nog al mee — want zijn hoofd deed nog zeer van de tuchtformule, die hem in den ban gedaan had. Hij zei evenmin: ik sta onder de tucht, en nou is voor mij alles verkeken, neen — hij strekte zich uit naar de toekomst, die verzoening in haar schoot kon bergen.

En zoo moeten jij en ik. Iemand zei eens tegen me: ik heb het zoo goed, ik word er bang van. Hg v/ou maar zeggen: heeft de Heere voor mij de moeite van een kastijding niet over? Ben ik soms geen zoon, maar een vreemde bij Hem? De man begreep, dat existeeren geen genade is. Alleen het geloof overtuigt ons dat we existeeren om te léven.

DOLPHUS VENATOR.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 juni 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

Gananja in de woestijn

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 juni 1951

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken