GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

„Eén herder één kudde", door Prof. C. Veenhof, uitgave van het Comité tot verspreiding van goedkoope Geref. lectuur. Adres: H. H. v. d. Linden, M. D. de Grootstraat 20, Goes, Giro 537347. Prijs ƒ!.—.

Met dankbaarheid kondig ik in „De Reformatie" deze brochure aan. Ze is ontstaan uit een fijne samenwerking in de synodale commissie, welke de verzoeken tot samenspreking met de deputateii der gebonden Geref. Kerken, en de voorstellen om op deze verzoeken niet in te gaan, had te bestuderen en daaromtrent advies moest uitbrengen. Ik heb in die commissie weer eens ervaren van hoe grote betekenis het samen bestuderen en bespreken van een agendapunt van een synode in een commissievergadering kan zijn, indien men werkelijk beheerst wordt door de wil om elkaar en de synode en zo de kerken te dienen. Zonder twijfel was óók de bespreking van deze kwestie in de synodevergadering een der mooiste momenten van de synodale arbeid.

Deze aankondiging is ook daarom een uiting van dankbaarheid, omdat een grote oplage van deze brochure in een paar weken tijds uitverkocht was en — het zetsel bleef even staan — reeds een nieuwe druk van de pers is gekomen. Deze snelle verkoop vond zijn oorzaak vooral hierin, dat velen aan het verzoek van Prof. Schilder hebben voldaan om een adres van een synodale kennis of synodaal bloedverwant op te geven aan de Heer v. d. Linden met gelijktijdige overmaking van f 1.— op zijn gironummer. Op deze wijze zijn er heel veel exemplaren in de synodale wereld terecht gekomen.

Ik geloof, dat het voortdurend appelleren op de conscientie van de synodale broeders een eis van liefde en trouw is. De synode heeft daartoe terecht opgewekt. En ik weet, dat dit appelleren veel meer uitwerking heeft dan men gewoonlijk vermoedt. Uit correspondentie en gesprekken weet ik, dat in zéér, zéér velen uit de gebonden kerken grote onrust heerst over wat daarin plaats vond. Men kan zonder vrees voor overdrijving zeggen dat men zich „ginds" algemeen schaamt over wat in 1942—45 geschied is. Ik heb daar zeer veel bewijzen voor. Trouwens, wie de wijze van het critiseren der „vrijgemaakten" nagaat, wie let op het doodzwijgen of camoufleren van de feiten, ziet dat trouwens zonder meer. Om maar niet te spreken van de geprikkeldheid welke openbaar wordt als er over het „kerkelijk conflict" wordt gesproken! Indien een kerk haar belijden mocht zuiveren en verdiepen ervaart zij dat als een genadegeschenk Gods. De opstelling van Catechismus en Belijdenis werd eeuw na eeuw met dankbaarheid herdacht. En de Dordtse synode is een oorzaak van blijvende vreugde voor alle gereformeerden. Maar de vraag of men eenmaal ook de synodes van Utrecht ; en haar dogmatische creaties zal herdenken, zal zonder twijfel en terecht als spot of sarcasme worden opgevat! De overgrote meerderheid zou graag met goed fatsoen van de hele zaak afkomen!

, Laat ik daarom deze aankondiging mogen gebruiken om nog eens met alle klem allen op te wekken met synodale broeders te spreken over wat geschied is. God geeft ons het grote voorrecht, dat wij in de kerkelijke worsteling wat de zaak betreft met een vrije conscientie voor Hem mogen staan. We hebben — met alle zwakheid en zonde — Hem in zijn kerk mogen dienen en trouw blijven. We hebben „neen" mogen zeggen tegen wat zijn kerk schond en blijft schenden. We hebben door zijn genade „ja" mogen zeggen en doen ten aanzien van wat Christus' kerk alléén bouwen kan. Laten we daarvan spreken. Met liefde, met geduld, met ootmoed, met volharding, met trouw. Laten we steeds de centrale vraag stellen, die ik in dit boekje zo formuleerde:

„Zijt gij van mening, dat Jezus Christus een man, die van harte de Gereformeerde confessie als vertolking van zijn geloof in het woord Gods aanvaardt, maar die weigert de leerbeslissingen van 1942 en 1946 te onderschrijven, NIET als ambtsdrager in zijn kerk wil dulden? Zijt gij van mening, dat, indien zulk een man repds ambtsdrager is, Jezus Christus van allen, die daarvoor'Verantwoordelijk zijn, eist, dat zo'n man 'uit het ambt wordt uitgestoten? "

De Gereformeerde Kerken zijn na 1886 ontrouw geweest en zijn daardoor ingezonken, omdat ze aan de roep van Sikkel om altijd, altijd tegen het „Hervormde Genootschap", tegen het „Staatscreatuur van 1816" — door hem de valse hoer genoemd — te blijven strijden, geen gehoor hebben gegeven. Ze hebben zich zo gemaakt tot een „kerk" die rustig en genoeglijk naast haar „zusterkerk" voortleefde. Toen was de liefde tot de broeders weg! In zoverre men zo deed werd men een „religieus gezelschap"! Want een kerk, die niet meer Gods eis en'wraak en vloek durft spreken — dat heeft Hans Asmussen goed gezien — wordt in diezelfde mate een gezelschap van moraal-athleten of van onnozele koffietantes.

Neen, laten we niet de dwaasheid uithalen de mensen te nodigen om zich bij , , onze kerk" te voegen. Want alle „onze kerken" zijn meestal kapelletjes van de satan! We moeten oproepen allereerst ons zelf en dan ieder om hier en nu in alles, maar vooral in het officiële kerkelijke handelen, met Christus mee te werken en dus weg te doen wat Hem mishaagt. Dan komen we vanzelf ook aan de éne Avondmaalstafel, en , , we weten zelf niet hoe".

Moge ook dit boekje aan deze christelijke, kerke­

lijke arbeid verder dienstbaar zijn.

C. V.

Thijs Booy, „Dit is het uur"; uitgave W. ten Have N.V., 1952, Amsterdam.

Er staat in dit boekje van 32 bladzijden, dat bedoeld is als „gesprek op de belijdenisdag" nauwelijks één zinnetje, waar ik het mee eens kan zijn. De beste regel vind ik die op blz. 26: „U hebt mede ervoor te waken, dat der gemeente niet een ander Evangelie gebracht wordt".

Juist daarom moesten onze jonge mensen, die belijdenis doen, dit werkje maar liever ongelezen laten. En eerlijk gezegd hoop ik ook, dat niemand het hun cadeau zal doen.

Want het meeste, wat we hier lezen, is 'toch inderdaad een ander Evangelie. En het is ook geschreven in een taal, die onevangelisch is (vgl. 1 Cor. 2:1). Om maar met het laatste te beginnen: we vinden hier een typisch modern jargon, dat elke zin prikkelend en pakkend zoekt te maken, maar juist daarom zo vermoeiend en vervelend is. Van het Heilig Avondmaal heet het, dat hét „niet een Tafelronde van Koning Arthur is", want , , de bel gaat voor degenen, die zich hummeltjes voor Gods lens voelen, mensen die geen commandeurskruis van de orde „De Heer is onze Banier" dragen De Heer roept de rammelende magen voor 't eten, niet de wel doorvoede en doorspoelde lieden voor het toetje, het hartversterkertje" (12). Laten onze jongelui maar liever het simpele formulier van buiten leren, opdat ze tot hun troost des Heren Avondmaal mogen houden. Als ik voorts uitdrukkingen ontmoet als „sloeber van een vent" (13) of „gure schoft" (27), of de heer Booy hoor spreken van Christenen, die de lichamelijkheid beschouwen als „ons stoffelijk overschot in spe" of „de aan slijtage onderhevige en voor de vaalt bestemde jas onzer ziel" (18), en dan ook nog de schrijver hoor spreken van de hete zon, die voor ons „een koperen ploert" is geworden (18), dan meen ik dat dhr Booy vergeten heeft de vermaning, om te bedenken al wat rein is, en liefelijk, en wat welluidt en dat hij wel heel ver uit de buurt van Psalm 19 is. Kan men nu heus de eenheid van de mens naar lichaam en ziel niet anders uitspreken dan door de zinsnede, dat het Avondmaal gevierd wordt o.a. „ook door onze sexuele organen" (19) ? En dit geforceerde brengt soms ook tot wartaal, b.v. „de mens komt op zijn levensreis zijn verleden tegen als de ezel van Bileam de engel want....... op de levensreis bestaat geen terug" (3). Als ik 't goed begrijp, staat hier: je ontmoet je verleden, omdat je het nooit weer kunt ontmoeten. Ik wilde toch op hun belijdenisdag onze jongelui liever iets anders laten lezen. .

Even sterk is de zucht om „modern" te zijn, als de schrijver het pleit voert voor een democratische samenstelling van de kerkeraad (23), inplaats dat hij eens over de apostolische eisen voor het ambt naar 1 Tim. 3 spreekt. Of wanneer hij van de kerk begeert, dat ze zal vertonen „vaart, élan, moed, gloed, openheid, frisheid, feestelijkheid" (28), terwijl de Schrift altijd spreekt van geloof, hoop en liefde, van het bewaren van de getuigenis van Jezus Christus.

Wel spreekt de heer Booy in dit boekje op de belijdenisdag over alles en nog wat, maar mijn grote bezwaar is, dat de inhoud der goede belijdenis zeer in het gedrang komt, en meermalen zelfs wordt tegengesproken.

We behoeven „niet zekeR de belofte Gods te geloven, maar alleen de zekeRE belofte Gods hebben we te geloven" (14); Zondag 7 zegt echter - wel iets anders. In verband met het Avondmaal spreekt hij, vrij laatdunkend, over hen, die hier „een complete kettergalerij te vullen" weten (8), want „de halve hemel zakt als een baksteen, als hij over deze zaken (bedoeld zijn de roomse en lutherse leer van het avoifdmaal) werd geëxamineerd". Men vraagt zich toch af, of de heer Booy wel aan Zondag 18, 28 en 29 lieeft gedacht! Doch ik vrees, dat hij deze vraag beschouv/en zal als een teken, dat mijn rechtzinnigheid tot starzinnigheid verwerd (28). Zelf ziet hij de versterking des geloofs aldus, dat „de Goddelijke Magnetiseur met ons bezig" is aan het Avondmaal, ook al merken we het niet, en om deze ketterij er in te prenten, komt hij met een zaligspreking, die van Christus' woord tot Thomas een caricatuur maakt: „Zalig, die er nooit iets van hebben gevoeld, en die nochtans hebben geloofd" (10). Zo krijg je telkens de indruk, dat de schrijver wel van plan is iets goeds te zeggen, maar tot.- allerlei capriolen komt omdat hij zijn belijdenis zo slecht kent. Wat hij (11, 12) zegt over de zelfbeproeving, heeft met Zondag 30 bitter weinig te maken, en het Avondmaalsformulier wordt onder de bedrijven door ook uitgehold. Natuurlijk' is er een hartstochtelijk pleidooi voor de oecumenische beweging, doch op een manier, die Zondag 21 radicaal op- •zij schuift. Wat hij (29) zegt over de wet in ons leven, betekent in feite een streep door Zondag 32—44; trouwens dat bUjkt concreet ook uit de opmerking, dat hij — blijkbaar met instemming — aan het avondmaal ziet komen „lieden die politiek rechtsbuiten zijn en lieden die de blik steevast linksgericht hebben" (17).

Daarom wil ik maar zeggen: Thijs Booy is blijkbaar het meeste van wat hij op de catechisatie leerde kwijt geraakt. Daarom was het ook beter geweest als hij maar niet begonnen was tot ieder op zijn behjdenisdag het woord te richten. Hij moest eens weer gaan

luisteren naar een goede dominee.

B. H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 april 1952

De Reformatie | 8 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 april 1952

De Reformatie | 8 Pagina's