GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

De plaats van den mensch in het heelal.

Bekijk het origineel

Bladeren
+ Meer informatie

De plaats van den mensch in het heelal.

12 minuten leestijd

VI.

Voorzoover het thans reeds gelukt is de raadselen der sterrenwereld te ontcijferen, mag men dus veilig zeggen, dat drie dingen vrij algemeen als vaststaande of als hoogst waarschijnlijk worden aangenomen.

Vooreerst, dat het getal der sterren niet oneindig is, maar. beperkt, zoodat de sterrenwereld, die wij waarnemen, metterdaad het heelal vormt en daarbuiten geen andere sterrenwerelden worden gevonden.

Ten tweede dat deze door ons waargenomen sterrenwereld niet een chaos vormt van zonder orde naast elkaar geplaatste sterren, maar een geordend geheel, waarvan de uiterste grens de melkweg is. Daargelaten nu de vraag of men zich dit heelal heeft te denken bolvormig, met den melkweg als gordel om den cirkelomtrek, dan wel of de melkweg, gelijk enkele andere geleerden aannemen, spiraalvormig is, hierover is men het vrijwel eens, dat onze zon met de haar omringende planeten in het midden van dit sterrenheelal moet gelegen zijn.

En eindelijk weet men thans, dank zij de spectraalanalyse van het licht der sterren en andere wetenschappelijke onderzoekingen, dat zoowel de stoffen, die op de sterren, zich bevinden, als de wetten, waaraan deze stoffen onderworpen zijn, dezelfde zijn als op deze aarde. De eenheid van het heelal ook wat de materie en de daarin werkende energieën betreft, staat daarmede vast.

Dit laatste is daarom voor ons vraagstuk van zooveel belang, omdat, zonder die éénheid, elke gevolgtrekking uit de conditiën, waaraan het leven op aarde gebonden is, ongeoorloofd zou zijn.

Toegestemd, zoo heeft men telkens gezegd, dat onze planten-, dieren-en menschenwereld, zooals wij die kennen, alleen op deze aarde kan voorkomen, daaruit volgt nog volstrekt niet, dat niet een geheel ander organisch leven zich op de anuere planeten en sterren kan ontwikkeld hebben. We weten van die andere planeten en sterren zoo goed als niets af; wellicht worden daar geheel andere stoffen gevonden, werken daar geheel andere krachten, en dri agt het organisch leven daar dus een geheel ander karakter.

Op onze aarde zou, zoodra de warmtegraad tot 200° Celsius rees, alle organisch leven gedood worden, maar wie kan ons zeggen, of op deze sterren de stof, waaruit deze organische wezens zijn saamgesteld, niet in staat is, ook aan een zooveel grooter hittegraad weerstand te bieden.' Zonder lucht en water, zou hier plant en dier en mensch geen oogenblik in het leven kunnen blijven, maar wellicht worden op deze andere planeten omstandigheden gevonden, waardoor het gemis van water lucht en wordt vergoed. Zelfs heeft men, gelijk wij reeds vroeger opmerkten, vooral in populaire handboeken, getracht uit de eigenaardige conditiën, die deze planeten en sterren aanbieden, af te leiden, hoe die levende wezens georganiseerd moeten zijn, om zich aan die conditiën aan te passen Men gaf zelfs afbeeldingen van de bewoners van Mars en Venus, Jupiter en Saturnus, wist hun karakter te teekenen, construeerde hun levensgeschiedenis, natuurlijk niet omdat men door de telescopen ooit iets van dit alles rjtdekt had, maar omdat de analogie met de levende wezens op aarde, in verband met de andere levensconditiën op deze planeten, tot deze onderstellingen, naar men meende, recht gaf.

Nu behoeft wel niet betoogd, dat deze heele onderstelling een ieap in the dark, een sprong in het duister, is. Wij kennen het organisch leven niet anders dan zooals het op aarde gevonden wordt. Of dat organisch leven ook in geheel andere vormen en onder geheel andere conditiën kan optreden, weet geen mensch te zeggen. Eer pleit hier alles tegen. Juist de eenheid van het heelal, het feit, dat overal dezelfde stoffen worden gevonden, dat dezelfde krachten en wetten daar werken als bij ons, geeft ons recht om te onderstellen, dat het organische leven, gesteld dat het op deze planeten en sterren gevonden werd, op dezelfde wijze moet zijn georganiseerd en van dezelfde conditiën afhankelijk is als hier op aarde. Ontkent men dit, dan is natuurlijk elke poging om dit vraagstuk te beantwoorden, afgesneden. Of men al zegt, dat het organisch leven hier op aarde rijk gevarieerd is; dat het een scala doorloopt van de laagste weekdieren tot den mensch; dat het zich weet aan te passen zoowel aan de hitte der keerkringen als aan de ijskoude der Noordpoolstreken, en dat deze variatie en dit aanpassingsvermogen grond geven om te onderstellen, dat onder geheel andere omstandigheden als op aarde het organisch leven toch bestaan kan, baat u niet. Biologie en physiologic toonen, dat èn de variatie èn het aanpassingsvermogen grenzen heeft; dat er essentieele voorwaarden zijn, zonder welke geen organisch leven mogelijk is. Kan aangetoond, dat deze essentieele levensvoorwaarden alleen op deze aarde gevonden worden, dan blijkt, dat de ontwikkeling van het organisch leven ook alleen op deze aarde mrtgelijk is. De eenheid van het heelal, die door elke nieuwe ontdekking bevestigd is en waarop heel onze wetenschappelijke kennis rust, eischt dit onverbiddelijk.

De heer Wallace onderzoekt daarom in de tweede plaats wat de kenmerkende eigenschappen zijn, waardoor het levend organisme zich van de doode materie onderscheidt. De vraag wat leven eigenlijk is, moge moeilijk te beantwoorden zijn, omdat het leven zelf een mysterie is, maar de karakteristieke trekken, waardoor het levend organisme onderscheiden wordt van de doode substantie, zijn wel met zekerheid aan te geven. Vooreerst is elk levend organisme een samenstel van deelen, die voortdurend veranderen; nieuwe stofifen worden opgenomen, geassimileerd en tot bouwstoffen gebruikt om hetgeen vergaan en verstorven is aan te vullen, terwijl de doode deelen van het organisme worden uitgeworpen of verwijderd. Eik levend organisme is een perpetuum mobile; het is voortdurend in actie; al zijn saamstellende deelen worden telkens verwisseld. En desniettegenstaande blijft het organisme als geheel hetzelfde ; het heeft denzelfden vorm en dezelfde structuur. In de tweede plaats is het lichaam, zoowel van plant, dier als mensch, daartoe als doorweven met een net van kanalen, waardoor deze stoffen elk deel van het lichaam bereiken kunnen en dit proces van voeding en afscheiding kan geschieden. En in de derde plaats bezit elk levend organisme de macht om zich-zelf voort te planten; het deelt zich of scheidt een nieuwe cel af en deze cel, die zich straks ontwikkelt door voeding, vertoont dezelfde eigenschappen als zijne ouders.

Dit wonderlijke verschijnsel nu, waardoor alle levende materie zich van de doode stof onderscheidt, dat het altoos verandert, terwijl het toch hetzelfde blijft, zou ondenkbaar wezen, indien de moleculen, waaruit de levende stof is saamgesteld, niet de eigenschap bezaten van zich even gemakkelijk te laten scheiden als verbinden. Die eigenschap danken ze aan hun chemische samenstelling. Alle levende substantie bestaat toch in haar grondvorm uit een stof, die men protoplasma noemt, en dit protoplasma, of de grondstof,

waaruit elk organisch lichaam is opgebouwd, is saamgesteld uit vier elementen: waterstof, stikstof, zuurstof en koolstof. Juist deze vier elementen nu bezitten de eigenschap van zich op de meest verschillende wijzen saam te kunnen verbinden. Hoe groot schijnbaar het onderscheid ook moge zijn tusschen uw zenuwen en spieren, de nagels van uw vingers en het haar op uw hoofd, uw hersenen en uw maag, de chemische analyse toont, dat ze allen in hoofdzaak uit deze zelfde vier elementen zijn saamgesteld. Ook alle producten, die we aan de planten-en dierenwereld te danken hebben, olie en was, suiker en lijm, guttapercha en kinine, koffie en thee i. e. w. alle stof, die aan de organische wereld ontleend is, wijst in haar samenstelling op deze elementen terug. Uit deze eenheid van grondstof, waaruit alle levend organisme is opgebouwd, blijkt dus, dat deze vier elementen voor het organisch leven metterdaad onmisbaar zijn. Het leven zelf mag niet het resultaat zijn van de samenstelling dezer vier elementen, maar ze vormen als men het zoo noemen mag de physische basis, zonder welke het leven ondenkbaar is.

Voegt men nu deze beide gegevens, die de physiologie en de organische chemie ons aan de hand doen, saam, eenerzijds dat kenmerkend voor alle organisch leven is, dat het telkens aan verandering onderhevig is, de oude moleculen laat afsterven en die door nieuwe vervangen doet, en anderzijds dat deze moleculen onveranderlijk saamgesteld zijn uit deze vier elementen, — dan volgt hieruit, dat deze vier elementen voor het organisch leven onm.isbaar zijn. Waar deze elementen ontbreken, zou geen levend lichaam kunnen bestaan; en al bestond het, dan zou het ge en dag kunnen stand houden. Deze vier elementen zijn dus de essentieele conditie, waaraan het organische leven gebonden is.

Toch is hiermede niet genoeg gezegd. Hoe eenvoudig ook de grondstof is, waaruit het organische leven is opgebouwd, het proces waardoor deze vier elementen aan de ons omringende natuur worden ontleend, saamverbonden en omgezet in protoplasma, is zeer ingewikkeld en tot dusverre even als het leven zelf onverklaarbaar. Wat men alleen weet is dit, dat het proces in hoofdzaak door de plantenwereld geschiedt en dat het aan bepaalde voorwaarden gebonden is. De hoogere organische wezens zooals mensch en dier bezitten dit vermogen niet; hun voedsel, waardoor het organisme vernieuwd wordt, moet eerst door de plantenwereld voor hen bereid worden. De plant alleen bezit het vermogen om deze elementen in zich op te nemen en in protoplasma om te zetten. En eerst door de plantenwereld heen komt het tot den mensch en het dier.

Vraagt men nu, welke condities noodig zijn om het levend organisme in stand te houden, dan wijst de heer Wallace op de volgende hoofdpunten :

lº. een bepaalde iemperahmr van warmte. De ondervinding hier op aarde heeft geleerd, dat de grens, waarop het leven in stand kan blijven, ligt tusEchen het vriespunt en 104" Fahrenheit. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat zoodra de temperatuur om ons heen hooger stijgt of lager daalt, plant en dier of mensch terstond sterven moet. Elk organisch v/ezen bezit het vermogen om een tijdlang den invloed van de temperatuur om^ zich heen tegen te gaan. Maar een aarde, waar duurzaam de temperatuur beneden het vriespunt zonk, zou geen organisch leven voortbrengen. Het zaad der planten ontkiemt niet zonder warmte. En omgekeerd, indien de temperatuur blijvend op kookhitte stond, zou noch dier noch mensch het uithouden. Ook dit is niet een toevallig verschijnsel, maar heeft juist in de eigenaardige saamstelling van het protoplasma zijn oorzaak en is algemeen erkend als essentieele voorwaarde van het leven.

2º. de inwerking van het zonlicht. Daargelaten de vraag, in hoeverre mensch en dier zonder het licht der zon zouden kunnen leven, staat het vast, dat zonder zonlicht de plant niet in staat zou zijn de anorgnrische stof, met name de koolstof, in organische stof om te zetten. Dit proces is in hoofdzaak juist te danken aan de chemische inwerking van het zonnelicht. En waar de plant het voedsel moet leveren voor dier en mensch, kan dus gezegd, dat zonder het licht der zon niet alleen geen plant, maar ook geen mensch en dier op aarde zou kunnen bestaan.

3º. het water. Oi^er de noodzakelijkheid van het water voor het leven bestaat nauwelijks twijfel. Het water vormt een der hoofdvoorwaarden voor het leven; ons eigen lichaam bestaat voor drie vierden uit water, en zonder water is geen plantealeven denkbaar. Zal er leven iijn, dan moet er dus water aanwezig zijn, en v/el in voldo; ndê mate.

4º. de lucht. Ook de beteekenis van den dampkring voor het organische leven kan niet licht te hoog geschat worden. Vooreerst, omdat de lucht de eigenschap bezit eenerzijds de zo-inent tralen en daarmede de warmte ongehinderd door te laten, maar anderzijds om te verhinderen dat de aldus verkregen warmte niet te spoedig te loor gaat. 0.ize atmosfeer is als 't ware een deken, die om de aarde heengeslagen is, waardoor de warmte, over dag verkregen, des nachts bewaard blijft. Waar de lucht ontbreekt of zeer ij! wordt, houdt dan ook alle leven op. Men ziet dit op de hooge bergen zelfs in warme luchtstreken. Op de toppen dier bergen ligt ook in d: n zomer eeuwig sneeuw en ijs, watdaaramte wijten is, dat de luchtlaag zoo dun is, dat de zonnewarmte niet wordt bewaard. Een aarde zonder lucht zou djs geheel met ijs bedekt zijn en onbewoonbaar voor den mensch. Ea ten tweede, omdat juist de lucht de elementen geeft, waaruit het protoplasma is saamgesteld. Van de zuurstof is dit bekend genoeg, want zonder die zuurstof zou alle ademhaling van menschendier onmogelijk zijn. Maar evenzeer geldt dit van de stikstof, die, hoewel op zichzelf voor alle leven doodelijk, onmisbaar is voor de plant. Wel bezit de plant het vermogen niet, om de stikstof rechtstreeks uit de lucht te ontkenen, maar door electrische ontladingen in de lucht verbindt de stikstof zich met de waterstof, en wordt door den regen in den bodem neergelaten, ^ waaruit de wortels der planten het weer opzuigen. Ook koolstof en waterstof worden door de planten aan de lucht ontleend; de koolstof rechtstreeks, de waterstof door middel van den regen, omdat het met de stikstof een verbinding aangaat en deze nieuwe verbinding, de ammonia, door den regen aan de aarde wordt meegedeeld. Voeg hier nu nog bij, dat verschillende dezer gassen, zooals stikstof en koolstof, op zichzelf doodelijk zijn voor het hoogere animale leven; dat ze daarom in onzen dampkring slechts in zeer kleine mate voorkomen, juist genoeg om voor het plantenleven te voldoen; en het zal duidelijk zijn, dat alleen een atmosfeer zoo saamgesteld als die onze aarde omringt, voldoet aan de eischen, die het organische leven van plant en dier stelt. Een atmosfeer, waarin zuurstof en stikstof in gelijke mate voorkwamen, zou voor alle hooger organisch leven doodelijk zijn, evenals een atmosfeer zonder stikstof geen plantenwereld zou kunnen voeden.

5º. de afwisseling van dag en nacht. D^zt factor mag zeker niet zoo belangrijk zijn als die van warmte, lucht en Hcht, maar speelt toch ook in het organische leven een voorname rol. Alle hooger organisch leven heeft behoefte aan een tijd van rust. De activiteit kan niet altijd doorgaan. Daarmede correspondeert het feit, dat des nachts de inwerking van licht en warmte ophouden, en mensch en dier rust geniet. Een altijd durende dag zou die rust niet kunnen geven. Juist in de afwisseling van dag en nacht ligt voor het organische leven dus een moment, dat van niet geringe beteekenis is. De dag brengt den arbeidstijd, de nacht geeft herstel van de verbruikte kracht. Waar nog bij komt, dat juist de wisseling van dag en nacht een der hoofdoorzaken is, waardoor de hitte wordt getemperd, die van de zon uitstraalt. Zonder nacht zou die hitte zoo stijgen, dat alle leven onmogelijk werd. Terwijl omgekeerd een eeuwige nacht op verlies van alle warmte ons zou te staan komen. Juist door de regelmatige opeenvolging van beide in één etmaal wordt de temperatuur op die hoogte gehouden, die voor het organische leven noodzakelijk is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's

De plaats van den mensch in het heelal.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 november 1904

De Heraut | 4 Pagina's

Bladeren