GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Het adres van den Schoolraad.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het adres van den Schoolraad.

16 minuten leestijd

Door den Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel is het onderstaand adres aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gericht, een adres, waarvan alle eer toekomt aan den bekwamen secretaris.

Het Moderamen van den Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel heeft er met dankbaarheid kennis van genomen, dat Zijne Excellentie de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zich bereid heeft verklaard, enkele voorstellen, bedoeld om tot bezuiniging op het lager onderwijs te geraken, maar waartegen naar het oordeel van den Schoolraad ernstige bezwaren bestonden, terug te nemen en de beperking van uitgaven op andere wijze te zoeken.

Naar aanleiding van het bij Memorie van Antwoord gewijzigd ontwerp van wet tot wijziging van de Leerplichtwet en van de Lager-onderwijswet 1930 (Gedr. St. t923--1924, no. 262/5—7) veroorlooft het Moderamen zich, nog het volgende onder de aandacht van de Kamer te brengen.

Art. 3 der Leerplichtwet. Voorgesteld wordt om het derde lid van dit artikel; zooals dat vóór de wijziging bij wet van 15 October 1921, otbl. no. 11 SI (invoering van het verplichte zevende leerjaar) luidde, tot 1 Januari 1930 te doen herleven.

De oude redactie van het, derde Ud van art. 3 past echter niet meer bij het systeem der iLageronderwijswel 1920, welke in artikel 3 van lagere scholen met zeven leerjaren uitgaat; op 1 Januari 1925 moeten alle openbare, en bijzondere scholen voor gewoon lager onderwijs zeven leerjaren tellen. Hetgeen het nieuwe derde lid van artikel 3 der Leerplichtwet als regel voorstelt (een zesklassige lagere school): ., is dus na 1924 hooge uitzondering (die moet toegestaan worden bij afzonderlijk Koninklijk Besluit).

Is door deze tegenstrijdigheid tusschen het voorgestelde artUtel 3 der Leerplichtwet eeiierzijds en het geldende artilcel 3 der Onderwijswet anderzijds de redactie van het voorstel reeds weinig elegant, de gevolgen ten opzichte van de bezuiniging zijn van groote beteekenis. Door dit voorstel zal de bezuiniging, beoogd met het uitstel van het verplichte zevende leerjaar, ongeveer tot op de helft worden teruggebracht.

Wat toch is het geval? De Lager Onderwijswet 1920. (art. 203) verplicht op 1. Januari 1925 alle Gemee.nte-* en Schoolbesturen, het zevende leerjaar in te voeren. Wijl de leertijd dan dus meer dan zes leerjaren omvat, zullen de kinderen eerst ophouden leerplichtig te zijn, niet als zij zes klassen (leerjaren) 'doorloopen hebben, maar als zij de klas hebben doorloopen, waarin zij. bij het bereiken van den twaalfjarigen leeftijd geplaatst waren. Volgens het arrest van den Hoogen Raad van 2V Mei 1907, W. 8552, beteekent dit, dat zij dan niet op hun twaalfden verjaardag de school mogen verlaten, maar daarna tot het einde van den cursus moeten blijven.

Dit nu acht het Moderamen in een wet op den loer plicht niet op zijn plaats. De leerphchtwefgever zij tevreden, wanneer de leerlingen zes klassen doorloopen en met andere woorden het vereischte kwantum kennis verwerkt hebben. Het is, uit een oogpunt van 1 e e r-pliclitwetgeving volstrekt ongemotiveerd om, wanneer tv? ee kinderen, 'het eene "il jaar en 11 maanden en het andere 12 jaar oud, . de zes klassen doorloopen hebben, het eerste kind te verplichten, nog een. vol jaar school te gaan en het laatste vrij (te lateja.

Maar de financiëele gevolgen zijn bovendien-ernstig. Wanneer de scholen op 1 Januari 1925 het zevende leerjaar moeten invoeren, zullen alle kinderen, die regelmatig zijn overgegaan en op een leeftijd van 51/2 —6 jaar tot de school zijn toegelaten, de zevende klas moeten doorloopen; daarentegen zullen de leerlingen, die bij hun toelating 6—61/2 jaar ond waren, na de zesde klas de school mogen verlaten. Men kan de beide groepen ongeveer gelijk stellen; bij de eerstel groep zal men dan echter nog moeten optellen de vele kinderen, die — vóór 1921 — jonger dan By2 jaar zijn toegelaten. Veilig kan derhalve gezegd worden, dat door de vastgestelde redactie van artikel 3 der Leerplichtwet in verband met het ongewijzigd laten van artikel 3 (of van artikel 203) der Lager Onderwijswet 1920 de beoogde bezuiniging (door het zevende leerjaar voor de leerlingen in deze voor onze publieke kassen zoo moeihjlre dagen voorshands nog niot in te voeren), voor de helft illusoir wordt gemaakt. .Het Rijk en de Gemeenten zullen de gevolgen van de stijging van het aantal leerlingen voor de kosten van salariëering, bijbouw van lokalen en exploitatie str-aks ondervinden.

Nog temeer vestigt het Moderamen hierop de aandacht, omdat het .voorgestelde artikel 28 in dezen vorm niet te handhaven is en anderzijds de bezuiniging, op het aantal onderwijzers verkregen, door de overgangsbepaling van art. VIII perspectivisch is on voor een deel zal b 1 ij v e n. Door de invoering van het zevende leerjaar nog niet op 1 Januari 1925 verplicht te stellen, m.a.w. den termijn van art. 203 der Ij.O.-wet te verlengen, zou een aanzienlijke bezuiniging verkregen kunnen worden, waardoor het mogelijk zou wórden, bij de herziening van de schalen van artikel 28 aan de bezwaren ten opzichte van de kleine scholen tegemoet te komen.

De assistenten. In artikel IV van het gewijzigd wetsontwerp wordt voorgesteld, dat assistenten in de scholen voor gewoon lager onderwijs met niet meer dan 144 leerlingen mogen werkzaam zijn.

Het Moderamen waardeert de bedoeling om a, ldus voor de kleine scholen de werking der noodzakelijke bezuiniging te verzachten, al vreest het, dat juist in de dorpen, waar de kleine scholen voorkomen, de Gemeente-en Schoolbesturen dikwijls moeilijk een geschikte(n) a& sistent(e) tegen lage (of zelfs zonder) bezoldiging zullen kunnen bekomen.

Ook verliest het Moderamen niet uit het oog, dat geen enkel Gemeente-of Schoolbestuur verplicht is, een assistent(e) aan te stellen; de Besturen worden vrij gelaten, eerst dan iemand tot assistent(e) aan te stellen, wanneer zij overtuigd zijn van zijn (haar) geschiktheid.

Echter heeft het tegen de voorgestelde regeling wol een andere, zeer ernstige grief. Het valt te verwachten, dat na de herziening van art. 28 zij, die in 1924 en volgende jaren voor het onderwijzers-examen slagen, voorloopig geen plaats als onderwijzerfes) zullen bekomen. Het meerendeel der vacatures, welke na 30 Juni .1924 ontstaan zullen, zal immers niet vervuld mogen worden. Te verwachten valt, dat een zeer groot gedeelte van deze pas geslaagde onderwijzeis(esson) zal trachten, plaats te krijgen als assistent, teneinde zoodoende althans eenige ervaring te verwerven en hierdoor gemakkelijker eep benoeming als onderwijzer(es) te kunnen verkrijgen en voorts om een — zij het lage — bezoldiging te kunnen genieten.

Op deze wijze zal men straks aan de scholen tweeërlei soort onderwijzers verbonden zien:

a. hen, die de wet onderwijzers noemt; deze ontvangen een wettelijk geregeld salaris en voor hen heeft de wetgever de rechtspositie met zorg geregeld (bij ontslag, verlof, enz.); - '

b. hen, die de wet „assistenten" noemt, maar die evengoed de onderwijsbevoegdheid en het getuigschrift van zedelijk gedrag bezitten als de onderwijzers van de vorige rubriek. Omtrent hun salaris is echter niets bepaald en hun rechtspositie is oolc overigens óp geen enkele wijze geregeld. ï.

Hiertegen nu heeft het Moderamen zeer ernstig bezwaar. De Schoolraad wenscht steeds niet kracht op te komen voor de vriijheid der Besturen van de bijzondere scholen, maar nimmer dient hierbij de zorg voor een goede salariëering en voor een behoorlijke rechtspositie der onderwijzers uit het oog verloren te worden. In dit opzicht de Gemeente-en Sohoolbestur^en geheel vrij te laten, zal.hi een .oogenWik de ondragelijke toestanden van voorheen doen terugkeeren.

Mocht dit ernstig bezwaar tegen de assistenten kunnen ondervangen, of mocht de voorgestelde regeling desondanks toch in de wet opgenomen worden, dan veroorlooft het Moderamen zich, nog de volgende wenschen naar voren te brengen:

1. De-assistenten aan bijzondere scholen zullen niet pensioengerechtigd zijn; die aan openbare scholen vermoedelijk wel; men neme ook, eerstgenoemde onder de pensioenwetgeving op; vooral voor assistenten in 't bezit der onderwijzers-akte is dit van belang;

2. de regeling zij zoo, dat hij (zij), die als assistent(e) wenscht op te treden, eerst een paar weken in. school werkzaam zij om daarna het bewijs van gescbilrtheid te ontvangen; hoe zal de inspecteur de geschiktheid anders moeten beoordeelen;

3. het zij niet noodig, dat de assistent, die achtereenvolgens in meerdere inspecties werkzaam is„ telkens een nieuwe verklaring van geschiktheid van den inspecteur noodig heeft; in het, eerste lid onder b van artikel 9 bis worde daarom gelezen: „eene verklaring van een inspecteur" (i. p. v. „den inspecteur");

4. wanneer in een gemeente aan een openbare school een assistent verbonden is, heeft het Bestuur van een bijzondere school in dezelfde gemeente het recht, voor rekenmg der gemeentekas ook ; een assistent . aan te stellen; de. wet opene hier echter de gelegenheid, dat het Schoolbestuur het bedrag, dat hot voor een assistent zou kunnen ontvangen, mag besteden voor een boventallig onderwijzer. Indien om.gekeei'd aan de openbare school - een boventallig onderwijzer verbonden, is, ontvange het Schoolbestuur de bevoegdheid om de vergoeding uit de gemeentek.^s, waarop hot naar evenredigheid van het aantal leerlingen recht heeft, te besteden voor de salariëering van één of meer assistenten. Reeds thans komt het soms voor, dat ©en Schoolbestuur wèl ingevolge art. 100 der wet een boventallige onderwijzeres op kosten der gemeente mag aanstellen, maar niet een vak-onderwijzeies voor de nuttige handwerken, afschoon deze veel lager salaris geniet en met een vak-onderwijzeres dikwijls zeer goed kan worden volstaan. Aldus wordt de Gemeente op kosten gejaagd. De wet Vereenige de vergoeding voor boventallige onderwijzers, vak-onderwijzers en assistenten in één artikel en late de Schoolbesturen vrij in de keus, welke soort leerkracht zij voor de vergoeding uit de gemeentekas willen aanstellen;

5. het Moderamen dringt er op aan, in het voorgestelde tiende lid van art. 101 der wet als maatstaf te nemen het aantal assistenten, dat in het voorafgaande jaar aan de openbare school (scholen) v; erbonden was, gelijk ook in het 9e lid van art. 101 geschied is. Anders wordt de toepassing van het lOe lid voor de Schoolbesturen zeer bemoeilijkt. De bepaling van den laatsten zin van het tiende lid kan beter vervangen worden door een bepaling, dat ook een gedeelte van het salaris van een assistent aan een Schoolbestuur zal worden uitgekeerd; het Bestuur zou dit bedrag dan uit eigen middelen tot een volledig salaris kunnen aanvullen.

De schaal van artikel 28.

De Voorgestelde wijziging van artikel 28 der wet zal vooral voor de kleine scholen zeer bezwaarlijk zijn. Dit blijkt uit onderstaande vergelijking, die het getniddeld aantal leerlingen per onderwijzer aangeeft aan scholen met 1, 2, enz. leerkrachten:

Aantal leerkr. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 •11 12 Wet van 14 Juli 1919, Stbl. 493. 13 17 22 29 35 38 .40 — 37 39 41 42 L.O. wet 1920. • 13 22 25 28 3i 34 35 37 37 38 — — Technische Herziening. 17 26 32 35 37 39 411 ' 43 44 45 46 '47 Voorstel 1924. 25 36 40 42 - 43 44 15 45 45 • 46 46 46

Voor de scholen met meer dan 6 leerkrachten zal het gemiddeld aantal leerlingen per onderwijzer door do voorgestelde schaal nauwelijks stijgen, de kleine scholen en dus vooral een deel van het platteland zullen het meest door de bezuiniging getroffen worden.

Een ingesteld onderzoek heeft geleerd, dat er op 1 Januari 1924 in 't geheel slechts 3 Chr." scholen voor g. 1. o. v.'aren met één leerkracht en 254 mot twee leerkrachten.

Wordt het voorgestelde wet, dan zouden die getallen worden:116 Chr. scholen voor g. 1. o. met één; , i)léejj; .« kracht en 426 met twee leerkrachten.

Zijn onze inlichtingen juist, dan zou, naar .lea toestand op 1 Januari 1923 te oordeelen, - de voorgestelde 48-schaal tengevolge hebben, dat 4944 openb., 44 R.-K., 122 Chr. en 9 neutr. bijz. scholen éénmansscholsn en 767 openb., 242 R.-It, 382 Chr. en 16 neutr. bijz. scholen tweemansscholea zouden moeten worden.

Uit deze overzichten blijkt, dat het aantal één-en Iweemansscholen door de voorgestelde wijziging onrustbarend zou toenaxien. Wijl bovendien de wei invoering van het zevende leerjaar eischt, moet daarvan een aanzienlijke daling van het peil van het onderwijs op deze scholen het gevolg zijn. Vooral van de openbare scholen en de scholen met den Bijbel zal een groot percentage tot de scholen met slecht onderwijs afzakken.

In de Mem. van Antw. wordt de consequente doorvoering der 48-schaal en de opheffing der tot dusver bestaande tegemoetkoming aan kleine scholen noodzakelijk genoemd om de voor 's Rijks schatkist nadeelige splitsing van groote in kleinere scholen tegen te gaan.

Hiertegen dient allereerst opgemerkt te worden, dat deze splitsing thans bij het bijzonder onderwijs vermoedelijk slechts zeer sporadisch zal voorkomen: immers mag volgens par. II van art. LXIV der wet van 16 Februari 1923, Stbl. no. 38, behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen, bij de aanvrage om een nieuw schoolgebouw geen rekening meer gehouden worden met leerlingen, die reeds een gelijksoortige bijzondere school bezoeken.

Ook is het mogelijk, dat hier en daar Gemeentebesturen groote scholen met b.v. twaalf leerkrachten gesplitst hebben in twee kleinere scholen, met elk zeven leerkrachten, hetgeen het. Rijk op meerdere uitgaven voor salarissen is kpmen te staan. Dat echter door een Gemeente-of-Schoolbestuur één flinke groote school gesplitst is in twee of meer , zeer kleine schooltjes, ieder met drie of minder leerkrachten, teneinde zoodoende meer onderwijzers ten laste van het Rijk te kunnen brengen, daarvan heeft het Moderamen nog nimmer gehoord en deze gevallen zullen, mochten zij al voorkomen, wel zeer schaarsch zijn.

Maar bovendien zou zich ten eenenmale vergissen, wio dacht, dat al de kleine één-en tweeniansscholen haar ontstaan te danken hebben aan een tot het onzinnige doorgevoerde splitsingszucht. In groote gedeelten van ons land woont 'de bevolking nu eenmaal over tal van kleine dorpen verspreid; kleine scholen zulle.n daar blijven bestaan, ook als het voorgestelde art. 28 wet wordt, eenvoudig omdat er nie't meer kinderen binnen een bepaalden kring wonen. Het is ook mogelijk, dat in zoo'n dorp naast een kleine openbare 'eeni eveneens' kleine Christelijke of Roomsch-Katholieke school bestaat; de twee kleine scholen konden uit financieel oogpunt misschien beter door één school vervangen worden, maar voor de conscientie-vrijheid der ouders, hetzij van de leerlingen der openlsare, hetzij van die der bijzondere school dient in zoodanig geval het financieel belang te w ij k e n.

Naar do stellige overtuiging van het Moderamen zullen de getallen 49 en 97, waarbij de tweede en derde leerkracht worden toegestaan, aanzienlijk moeten worden verlaagd, zal het onderwijs ten plattelande niet zeer ernstig geschaad worden. Een onderwijzer met één of met twee klassen kan een 50 leerlingen voor zijn rekening nemen, de bezuiniging dwingt er toe, om hier de klassen te vergrooten; maar aan een ondervnjzer met vier, ja met zeven klassen geve men niet 48 leerlingen. Alleen werkelijk superie'ure krachten zullen in dergelijke gevallen voldoende onderwijsresultaten bereiken, terwijl de praktijk leert, dat de scholen in de gemeenten der derde klasse van het Bezoldigingsbesluit juist het meest te kampen hebben met personeelnood en voortdurende personeelswisselingen.

Het Moderamen dringt er daarom ten krachtigste op aan, dat de getallen 49 en 97 aanmerkelijk verlaagd worden. In elk geval behoort clit te geschieden voor de kleine scholen, die thans reeds bestaan; de Regeering wil onnoodige splitsing in de toekomst afsnijden; z; ij kan dit bereiken en toch de reeds bestaande kleine scholen ontzien.

De bezwaren, hiervoren genoemd voor de kleine scholen voor gewoon lager ondenvijs, gelden in niet mindere mate voor de kleine ulo-scholen; hier zal zich bovendien nog de moeilijkheid kunnen voordoen, dat door hot vertrek van een onderwijzer, wiens plaats niet mag vervuld worden, de verplichte ulo-valdcen niet meer onderwezen kunnen worden, wijl de overbhjvende onderwijzers niet voor alle vakken bevoegd zijn,

Het Moderamen is zich bewust, dat de beoogde bezuiniging door dit verzoek niet het volle effect zal sorteeren. Hier zouden echter door het wetsvoorstel vitale belangen van het onderwijs getroffen worden. Het Moderamen wenscht reeds bij voorbaat de tegenwerping: wijs een anderen weg aan om het hierdoor ontstane tekort op de bezuiniging te dekken, te refuteeren. De Schoolraad heeft in zijn adres d.d. 12 Maart 192-4 andere bezuinigingswegen aangewezen; bovendien beschikt alleen de Regeering over de gegevens, noodig om een wèl-berekend en sluitend bezuinigingsplan op het onderwijs samen te stellen. Aan particulieren, die hiervoor de onmisbare gegevens en organen niet bezitten, kan genoemde, tegenwoordig veel gehoorde eisch naar billijkheid niet gesteld worden.

Overgangsbepalingen met het oog op gestorte waarborgsommen, enz. (art. VI van het wetsontwerp). Het Moderamen is erkentelijk voor de opname dezer overgangsbepalingen. De bedoeling hiervan zal echter niet tot haar recht kunnen komen, indien — zooals in het voorstel — gesproken wordt van „voor 1 Juli 1924 in deze wet len in de Leerplichtwet aangebracht wijzigingen". Immers zal volgens art. IX de wetswijziging niet vóór, maar op 1 J uji 1924 in werking treden.

Ulo en mul o-s c h o 1 e n. Het Moderamen dringt er nogmaals op aan, den termijn, waarop deze scholen moeten gereorganiseerd worden, te verlengen. Volgens art. 193, 2e lid, der wet moeten deze scholen uiterlijk op 31 December 1925 gesplitst worden. W, el zegt de Mew, van Antw., blz. 5, terecht, dat het splitsen van mulo-scholen niet behoeft te leiden tot aanstelling van nieuwe hoofden; immers kunnen de Besturen de de lagere en de ulo-school onder één hoofd plaatsen; maar de ervaring van eenige jaren heeft geleerd, dat — als men toch tot splitsing moet overgaan — in zeer veel gevallen twee hoofden worden benoemd. Dit leidt dus voor het Rijk tot meerdere kosten.

Zelfs wanneer echter beide scholen onder één hoofd geplaatst worden, blijven het administratief toch altijd twee scholen, waaruit voor de besturen niets dan • la.st voortspruit: zoo mogen onderwijzers, verbonden aan de lagere school, tijdens de uren, op den les-• rooster van hun eigen school vermeld, niet één uur les geven in de klassen der ulo-school^' of omgekeerd. Deze vrijheid bezitten de oude 9-klassige mulo-scholen wèl; de wetgever legge den Besturen van deze, uit de praktijk opgekomen en tot bloei geraakte, scholen niet onnoodige hinderpalen in den weg.

Om dezelfde reden: vrijheid voor de Gemeente-en Schoolbesturen om hun scholen en het onderwijs in te richten naar de behoeften der maatschappij, dringt het Moderamen er op aan, bij deze wetswijziging uit de L.O.wet weg te nemen het verbod om in de leerjaren beneden het zevende een of meer vakken van het tweede, lid van art. 2 te onderwijzen.

Naar de meening van het Moderamen behoort logisch de hypothetische splitsing der oude mulo-scholen voor de veigoeding van Rijk en Gemeente in een lagere en een ulo-(kop-)school ook te gelden voor de vaststelling der schoolgelden.

De afvloeiing van boventallige leerkrachten. De bezuiniging op de salarissen zal verkregen moeten worden door het ontstaan van vacatures, welke niet vervuld mogen worden op kosten van het Rijk. Het Moderamen acht, dat in de voorgestelde regeling deze zwakke plek zit, dat scholen, die véél jioventalüge onderwijzers bezitten, zich het minst langzaa.m bij de nieuwe formatie van artikel 28 zullen aansluiten. Aan zekere mulo-school met 50 leerlingen zijn thans 5 leerbachten werkzaam, d.i. per onderwijzer 10 leerlingen. Voor deze onderwijzers is elke aanleiding om te solliciteeren vervallen; zij zullen aan geen enkele school, waar zij benoemd zouden kunnen worden, een zoo gemakkelijke taak kunnen verkrijgen. De scholen, die het allereerst voor bezuiniging in aanmerking zouden moeten komen, zullen dus in 't algemeen het langst de boventallige onderwij ï: ers houden.

Dit .adres is m.i. ten volle waard in zijn geheel in deze rubriek te worden opgenomen.

K. D.

Correspondentie.

B. O. te E. In het volgend nmnmer zal ik u antwoorden. Hier slechts dit: Kon hetgeen over de christelijldieid van min. C. gezegd is door den beuigel, ea was de waarschuwing van den heer Kruithof geheel zonder grond?

D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1924

De Reformatie | 8 Pagina's

Het adres van den Schoolraad.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1924

De Reformatie | 8 Pagina's