GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Geloofsverzekerdheid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geloofsverzekerdheid.

9 minuten leestijd

Eer-onzer .lezers zond me een drietal vragen toe, die zich alle bewegen om die hoogst-begeerlijke vrucht van het werk des Geestes bij Gods kinderen, die we gewoon zijn „geloofsverzekerdbeid" te noemen.

'k Schrijf de vragen hier niet af, en ik ga ze ook niet één voor één beantwoorden. 'kZou in dat geval den vrager en me zelf nog al even moeten ophouden met kwesties van formuleering. En al küiinen die belangrijk genoeg zijn — in casu zijn ze het niet. De bedoeling der vragen was blijkbaar ook niet de dingen waarom' het onzen lezer gaat, in de meest preciese woorden te formuleeren, maar enkel te zorgen, dat ze voldoende duidelijk onder mijn aandacht kwamen.

En dat dedai ze. — Vrager meent, dat onder de Christenen in het algemeen, óók onder de leden onzer Kerken, te constateeren valt een bedroevend gemis aan blijde geloofsverzekerdbeid. Hij vraagt, of dit verschijnsel geen verband zou kunnen houden met een ander, n.l. dat onder ons de bekeering zoo weinig voorkomt in acuten vorm: als een op éénmaal breken met de zonde en een — tegelijk daarmede — plotseling doorbreken tot de verzoening met God in Christus; dat ze, integendeel, meer schijnt te verloopen als een langzaam en geleidelijk proces, waarbij men trapsgewijze komt tot kennis van ellende en van verlossing; en waarbij wedergeboorte en heiligmaking dan Veelmeer in het iniddelpmit staan dan de rechtvaardigmaking. Een verloop en een praktijk, die op hiln beurt vaak weer gevolg zijn van een bediening des Woords, die, in verband met een onjuiste opvatting van liet Verbond, zulk een geleidelijke ontplooiing van het geestelijk leven, in overeenstemming acTit met de bedeeling der genade waaronder de Kerk thans leeft.

Al onze lezers, ook vrager zelf, zullen gevoelen, dat in deze weinige regelen, die de bedoeling van inzender, naar ik vertrouw, juist weergeven, meer gevraagd wordt, dan ik, binnen de ruimte, die mijn rubriek toegemeten is_, in staat ben te geven.

En dan denk ik "daarbij nog in het geheel niet aan een paar vraagstukken, waarmee ik ook in een boek geen weg zou weten.

B.v. de vraag, of er' metterdaad onder ons, gereformeerden, en onder de geloovigen in liet algemeen, weinig blijde geloofsverzekerdbeid is; en die andere, of de oorzaak daarvan moet gezocht in een eenzijdige bediening van het Woord.

Men versta mij wel: in dergelijke klacht en aanklacht ben ik heelemaal niet geneigd aanstonds een vijandige stem te hooren, die onze heilige huisjes aantast, en daarom zoo gauw mogelijk tot zwijgen gebracht moet worden. Zoowel als ons-zelven bewijzen de critici, ook al bedoelen ze 't zelf misschien anders, ook onzen Kerken en haar Dienaren gewoonlijk grooteren en beteren dienst dan haar lofredenaars en vleiers.

Maar de zaak is, dat ik altoos huiver voor vragen, die de Christenen van heel een land, of ook maaide leden van eenige honderden kerken gelden. Ten minste als het er ^een zijn waarover de statistiek licht kan geven.

Daar een antwoord op te geven, is zoo erg moeilijk. En het tóch te willen doen, zoo erg gevaarlijk.

Dat er, naar de rijke bedeeling van licht en liefde onder ons, veel en veel te weinig blijde geloofsverzekerdbeid onder ons is — ach ja, daarover zijn we 'tallen, helaas, al te gemakkelijk eens. Doch zoo is de klacht natuurlijk niet bedoeld. Wie meent te moeten constateeren, dat er in ónzen tijd en ónzen kring weinig geloofsverzekerdbeid is onder-Gods volk, die vergelijkt ónzen tijd met andere tijden, en onzen kring met andere kringen. En b.ij dergelijk een vergelijking nu, naar den eenen of naar den anderen kant geen onrecht te doen — dat is de moeilijkheid. Onze persoonlijke waarneming en ervaring zijn veel te beperkt om ons tot zulk een vergelijking in staat te stellen; en voor het overige zijn we van anderer oordeel afhankelijk, dat we wel iets, maar toch niet al te veel boven ons eigen moeten stellen.

En zoo staat het nu ook met het oordeel over de bediening van het Woord onder ons. Met den éénen Dominé die het dichtst bij woont, kan ik nog altoos niet klaar komen — wanneer moet ik dan klaar komen met de overige 652?

De doorsnee? — Ach ja, maar door-sneden zijn erg gevaarlijk voor de vingers van wie ze maken zal.

Doch komen we tot de zaak waarover onze vrager het hebben wil.

Dat er oneindig veel minder blijde geloofsverzekerdbeid is, ook bij mij en bij Iiem, dan waartoe de rijke openbaring van Gods overvloedige liefde in Christus ons recht geeft en — heiliglijk verplicht!

— daar zijn we 't dan wel over eens. Of nu de meer geleidelijke ontplooiing van het geestelijke leven in geloof en bekeering, in plaats van zijn bewustwording in schokkende omzetting, daarvan de oorzaak mag zijn?

'k Geloof het niet.

Het geleidelijk komen van het geestelijk leven tot bewustzijn en actie in geloof en bekeering, i's in de Kerk des Heeren ongetwijfeld het normale. En het normale kan op zichzelf nooit een armere uitkomst hebben dan het abnormale.

In dit geval stellig niet.

Want ook bij de meest geleidelijke ontplooiing en bewustwording van het geestelijk leven in een kind des Verbonds, is het resultaat hetzelfde als bij de meest schokkende omzetting van een, die ver van God, midden in de wereld en midden in de zonde leefde. Beide vinden zich in hun doemschuld en verdorvenheid reddeloos verloren, en beide roemen straks van vergevende genade en reddende ontferming.

In het moment zelf der bekeering — als ik daarbij dan eens van een moment mag spreken — zal de tegenstelling van zonde en genade, van licht en van duisternis allicht scherper en feller en daarom, onder geweldiger ziels-ontroering, in het bewustzijn van den laatste indringen, dan in dat van den eerste — doch dat is voorbijgaand. En wat er bij hem miêér is aan gevoeligheid dan bij den ander — dat is er allicht minder aan diepte.

Doch er is, dunkt me, iets anders, dat hier voor de b I ij d e geloofsverzekerdbeid — b I ij d «, zeg ik; want bij geloofsverzekerdbeid is er in dit opzicht nog onderscheid — van beteekenis moet zijn.

Ik bedoel — en ook inzender dacht in die richting — of het geestelijk leven van den tot bekeering gekomene, nu voorts — als ik die gangbare uitdrukking hier mag gebruiken — zich meer oriënteert aan de rechtvaardigmaking of aan de heiligmaking. Ik bedoel, of in het middelpunt der gedachten van den geloovige méér de rechtvaardigmaking, dan wel de heiligmaking staat. Het ééne is zoowel mogelijk als het andere. Dit behoort tot die verscheidenheid, tot die eenzijdigheid, als ge het zoo noemen wilt, in het geestelijke leven, die verband houdt met ieders bizondere persoonlijkheid.

Van twee geloovigen nu, die op een gegeven oogenblik beide in volle .geloofsverzekerdbeid staan, doch in wie het ziel eleven zich bij den een meer om de heiligmaking, bij den and.er meer om de rechtvaardigmaking beweegt, zal — als we al het overige dat hierin meespreekt gelijk stellen — 'die verzekerdheid bij den laatste van hooger en intenser blijdschap vergezeld gaan, dan bij den eerste. Niet alleen omdat de tegenstelling: doemschuldig —gerechtvaardigd meer ons gevoel toespreekt dan die van onheilig en geheiligd; maar óók en vooral om twee andere redenen.

De eerste is, dat wie in zijn geloofsverzekerdbeid zich zelf allereerst en allermeest ziet als gerechtvaardigd in Christus, bij de bron staat waaruit alle overige vertroostingen in Christus opwellen. Want de rechtvaardigmaking is, om zoo te zeggen, de moedergave onder de heilsweldaden. Gerechtvaardigd — dat wil ook zeggen geheiligd, dat beteekent eveneens verheerlijkt. !

Zoo is het niet met de-heiligmaking. Zeker, ze is -niet zonder de rechtvaardigmaking; maar liet verband tusschen haar en de rechtvaardigmaking is niet dat van oorzaak an gevolg, maar omgekeerd, dat van gevolg en oorzaak.

Dat vooreerst. En daarliij komt dan nog iets anders. De rechtvaardigmaking is, ook zooals ze door het - geloof geëigend wordt, volkomen; ze is af; er komt in eeuwigheid niet iets bijL Wie zich door het geloof in Christus gerechtvaardigd yreet voor zijn God, die weet zich dn de vrijspraak van zijn rechter aan eiken greep en aan elke beschuldiging van zijn aanklager ontkomen.

Maar zoo is het niet met de heiligmaking.

De heiligmaking is in dit leven nooit af, ze is en blijft nog altoos een onvoltooid werk. En oolc daarom moet de geloofsverzekerdbeid, die zich vooral om haar beweegt, minder overloopend van blijdschap zijn, dan die zich meer rechtstreeks betrekt op de rechtvaardigmaking.

Hieruit blijkt, van hoe groot belang het voor een blij-verzekerd geloofsleven van een verloste is, dat de weldaad der rechtvaardigmaking altoos voor hem in het middelpunt sta. En het zou te begrijpen zijn, dat we arm zijn aan geestelijke blijdschap, zoo de indruk, dien onze inzender van de bediening des Woords onder ons heeft, een juiste is: zoo de prediking, in .plaats van de rechtvaardigmaking door het geloof in het middelpunt te zetten, de centrale plaats gaf aan wedergeboorte en heiligmaking.

Zulk een prediking zou zich slecht aansluiten bij het Sacrament van den Doop, en bij ons Formulier voor zijn bediening. Want de Doop is teêken en zegel, en wordt zóó ook door ons Formulier beschreven, allereerst van de afwassching der zonde door het bloed — en pas daarna door den Geest van Christus.

Ze zou al even weinig overeenkomen met onze heerlijke belijdenis.

De 12 Artikelen noemen onder de weldaden, die Christus voor Zijn kerk verwierf en die de Heilige Geest haar toeeigent, allereerst "de vergeving der zonden.

Onze Heidelberger zet in Aiitw. "1 zijn jubel in den eenigen troost voor leven en sterven 'in met het: „die voor al mijne zonden volkomen betaald heeft"; maakt in vr. en antw. 1 de voldoening aan de gerechtigheid Gods, d.w.z. onze rechtvaardigmaking, tot spil van heal het stuk der verlossing, en antwoordt aan het eind van de 12 Artikelen op de vraag: Wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft? : „Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben."

De Nederl. Geloofsbel. zegt in Art. 23, dat „in de vergeving der zonde, om Christus wille, waarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is, onze gelukzaligheid is gelegen."

Een prediking, die de genade der rechtvaardigmaking — ik zeg niet: loochende of verzweeg, maar — uit het middelpunt naar den omtrek drong, zou in strijd staan met het Evangelie zelf, dat ze heeft te bedienen, en dat haar overal en altoos, bij Jezus zelf en bij Zijn Apostelen, tot bediening der verzoening stempelt.

Hiermee zou ik, naar ik meen, de mij toegezonden vragen voor beantwoord kunnen houden.

Toch zweeft er, vooral ook blijkens de toelichting, waarvan ze vergezeld gaan, iets omheen en achter, dat me nog niet los laat. Daarover dan, D.V. nog in een volgend nummer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1930

De Reformatie | 8 Pagina's

Geloofsverzekerdheid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1930

De Reformatie | 8 Pagina's