GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Rechtvaardigmaking en Heiligmaking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rechtvaardigmaking en Heiligmaking.

6 minuten leestijd

I.

Een onzer lezers deed me eenige vragen, waarvan de formuleering wel niet heel doorzichtig is, maar in wier strekking ik geloof me toch niet te vergissen, als ik meen, dat ze raken het verband tusschen onze rechtvaardigmaking voor God en onze heiligmaking.

Deze vragen kwamen bij hem op uit de botsing van het besef, dat rechtvaardigmaking en heiligmaking onafscheidenlijk één zijn, en dat daarom do oprechtheid van het geloof waardoor we voor God gerechtvaardigd worden, moet blijken uit den ernst waarmee we strijden tegen de zonde en staan naar gehoorzaamheid aan Gods geboden, éénerzijds, en de smartelijke ervaring, dat we den vollen troost der rechtvaardiging kunnen smaken in den vrede met God, en toch in de heiligmaking zoo droevig achter kunnen blijven, aan den anderen kant.

Naar ik denk, een vraagstuk, dat één der meest actueele is in 't leven van Gods kinderen, en dat daarom wel de belangstelling van vele onzer lezers zal hebben.

Daarom wil ik gaarne m'n best doen, er eenig licht over te ontsteken.

En dan moeten we, om aan de misverstanden die hier veel onheil stichten te ontkomen, beginnen met twee dingen met heel veel nadruk' voorop te stellen. • .-

Het eerste is, dat beide: rechtvaardigmaking en heihgmaking, weldaden zijn: weldaden, die onze God ons in zijn verbond uit louter genade schenkt, om Christus' wil.

Van de rechtvaardigmaking belijden we dat zonder eenig voorbehoud, al kost het vaak moeite genoeg het ook in de geloofspraktijk ten volle te laten gelden.

Maar wat de heiligmaking betreft, is de belijdenis hier vaak slapper, althans minder bewust, en de praktijk met oais belijden nog minder in overeenstemming.

Bij velen is er geen juist onderscheiden tusschen de heiligmaking en de gehoorzaamheid aan Gods geboden.

Die twee vallen voor hen samen. De gehoorzaamheid i s, meenen ze, de heihgmaking. Daai'mee wordt de heiligmaking uitgeschakeld xiit de keten der heilsweldaden. Want al belijdt men ook nèg zoo nadrukkelijk, dat .het tot haar niet komt buiten de genade Gods — in wezen is en blijft ze dan toch iets, /lat niet van onzen God tot ons komt, maar dat wij , Gode bieden: ons dank-

offer voor de genade der rechtvaardigmaking die | God om Christus wille ons schonk.

En dit nu is een misvatting, die hier veel ver!warring sticht.

Zoo goed als de rechtvaardigmaking, is, naar Schrift en belijdenis, ook de heiligmaking een weldaad die God, om Christus' wille, in het Verbond der genade den zijnen schenkt.

Geen werk van ons tot verheerlijking Gods, maar een werk Gods in ons tot onze vernieuwing naar zijn beeld.

Ze is niets anders dan de doorzetting en voltooiing van de wedergeboorte, en als die wedergeboorte zélve een werk des Heiligen Geestes.

Wel is er verband tusschen dit werk des Geestes in ons hart en onze gehoorzaamheid. Ziük een ianig verband zelfs, dat het, zónder dat werk des Geestes, tot gehoorzaamheid nooit bij ons komt; dat de heiligmaking en een heilige wandel zich verhouden als wortel en plant. Maar zoomin als we wortel en plant vereenzelvigen, mogen we ook vereenzelvigen de heiligmaking en den wandel in een nieuw leven die er uit voortkomt.

En naast deze eerste opmerking moeten we hier aanstonds een tweede maken. Deze: dat de twee heilsweldaden: rechtvaardigmaking en heiligmaking onafscheidelijk zijn. Zóó onafscheidelijk, dat de eerste nooit ons deel kan worden, of we worden ook de tweede deelachtig.

En dit innig verband is niet maar subjectief, gelijk we dat noemen, d.w.z. het is niet maar zielkundig bemiddeld, inzoover al wie in Christus zijn gerechtigheid voor God zocht en vond, nu voorts ook alle ongerechtigheid móét haten en vlieden — maar het is er ook en allereerst objectief of voorwerpelijk, d.w.z. aan de zijde Gods.

Ze zijn één in den óénen Christus, die ons van God geworden is niet alleen tot rechtvaardigmaking, doch ook tot heiligmaking (1 Cor. 1:30); die ons niet alleen een Borg en Middelaar is in Wien we rechtvaardig zijn voor God, maar die ook de wijnstok is, waaruit ons de levenssappen toekomen •die ons vrucht doen dragen (Joh. 15).

Men zie hierover vooral de eerste helft Romeinen 6. van

En datzelfde Rom. 6 brengt dan nog iets anders onder onze aandacht. Ik bedoel, wat we in onzen Heidelberger, vr. en antw. 20, belijden aangaande de werking van het geloof.

Ho© toch werkt, naar dit heerlijk stuk onzer belijdenis, het oprechte geloof ten aanzien van den Christus?

Is het zóó, dat Christus een schat van weldaden tot zijn beschikking heeft: rechtvaardigmaking, heiligmaking en nog tal van andere — en dat het geloof nu, naar pelagiaansch-remonstrantschen trant, niets anders is dan de hand, waarmee wij uit dien schat grijpen en ons toe-eigenen wat we weten noodig te hebben en begeeren: eerst het een en dan het ander, of ook: het ééne wel en het ander© niet?

Neen; maar tusschen den Christus en het geloof gaat het zóó toe, dat we door het geloof eerst Christus-zèlf worden ingelijfd — geloovigen zijn naar de Schrift altoos weer menschen „die in Christus Jezus zijn" — en dat we krachtens deze inlijving en door datzelfde geloof dezen zelfden vollen „Christus en alle zijne weldaden aannemen".

Christus, den vollen, levenden Christus door 't geloof ingelijfd zijn — dat beteekent: Hem-zelven en al zijn weldaden deelachtig wezen, en i Idaarom ook Christus, den geheelen en vollen Christus, door het geloof aannemen, niet alleen als onze rechtvaardigmaking, maar ook als onze heiligmaking.

M.a.w. het komt er voor het rechte inzicht in net verband tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking vooral op aan — zooals het voor héél ons geloofsleven daarop aankomt — elk© mechanische voorsteUing ten opzichte onzer verlossing en zaligheid door Christus op zijde te zetten, en ©en open oog te hebben voor de heerlijkheid van Christus als ons nieuwe Bondshoofd, als den tweeden Adam met wien 'tg©loof ons in organisch verband zet, en uit wien het ons organisch doet toekomen al wat ons tot zaligheid van noode is.

Met deze opmerkingen meen ik me den weg gebaand te hebben tot beantwoording van de mij toegezonden vragen.

Die beantwoording zelve, zoo de Heere wil, in een volgend nummer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1933

De Reformatie | 8 Pagina's

Rechtvaardigmaking en Heiligmaking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1933

De Reformatie | 8 Pagina's