GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

ZENDINGEN EVANGELISATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZENDINGEN EVANGELISATIE

9 minuten leestijd

De Christelijke Boodscbap in een Nlet'Christelljke Wereld.

VII.

In de hoofdstukken V tot VII van zi|n in deze artikelen besproken werk geeft lü'aemer een meesterlijke teekening van de niet-Christelijke levenssystemen in het verleden en in het heden. Het zou onS te ver voeren, wanneer wij; daarop nader zouden ingaan.. Slechts een enkele opmerldng over de indeeling der godsdiensten in „naturalistische" en „profetische" godsdiensten, een verdeeling, die Kraemer ook heeft verdedigd en toegelidit in zijin inaugureele oratie, i) Nu is het waar, dat er een groot verschil is tusschen de heidensche godsdiensten eenerzijds en Jodendom, Christendom en Islam (de „profetische" godsdiensten volgens KraC'mer) anderzijds, maar vooreerst is zulk ©en tweedeeling zuiver relatief en gebaseerd op uitwendige verschijnselen. Een principiëele indeeling zou het Christendom moeten stellen tegenover al de verschijningsvormen van de pseudo-reUgie en dus. ook tegenover Jodendom en Islam. Bovendien is de benaming „naturalistisch" en „profetisch" m.i. niet erg gelukkig. Beidfe termen zijn eenerzijds te eng (want het Buddhisme bijv. is meer dan naturalisme en het Christendom is met den term „pi^ofetiscbe godsdienst" slechts naar één bepaalde zij'de gekarakteriseerd), anderzijds te ruim (want ook in het Mohammedanisme, om een voorbeeld te noemen, zijn, phaenomenologisch gesproken, allerlei „naturalislische" elementen aan te wijizen en omgekeerd ontbreken in de meeste „naturaUstische" godsdiensten de profetische trekken niet). Uit deze indeeling blijkt m.i. duidelijk, dat Kraemer, hoewel telkens weer pleitend voor een Bijbelsclie beschouwing van de niet-Christelijke godsdiensten, toch de phaenomenologisdie methode in zijn behandeling van de godsdienstgeschiedenis niet los wil laten en dan blijft het een hinken op twee gedachten. Een Bijbelsclie (d.w.z. op Gods openbaring berustende) beschrijving van de godsdienstgeschiedenis der menschheid is m.i'. alleien mogelijk, wanneer wij de abnormale ontwikkeling van de „theologia naturalis" plaatsen tegenover de normale ontwikkeling, de pseudo-religie tegenover de openbaring Gods, het heidendom tegenover het Christendom. En dan moeten wij niet daarnaast nog ©en andere „relatieve" indeeling geven, die met de principiëele indeeling ten ©enenmale in strijd is en noodzakelijk tot allerlei verwarringen leidt. Te spreken van „profetisme" in Jodendom en Mo^ hammedanisme moge phaenomenologisch juist zijin, principieel mag men dit verschijinsel niet anders dan pseudo-profètisme noemen.

Deze verwarring treedt ook bij' Kraemer op, wanneer hij', ook al weer in navolging van Biarth, soms het Christendom, in overeenstemming met de principiëele indeeling, voorstelt als de belichaming van de openbaring Gods (bijv. bl. 7S), en dus het absoluut karakter van het Christendom poneert, waai-naar alle ander godsdienstig leven beoordeeld moet worden 2), maar bij andere gelegenheden (bijv. in het begin van het 8e hoofdstuk) stelt hij het Christendom, in overeenstemming met zijn relatieve indeeling, als historisch-empirischö grootheid op één lijti met de niet-Cliristelijke godsdiensten. Ik denk er natuurlijk niet aan om te ontkennen, dat er in het historisdi'-empdrische Christendom veel openbaar wordt, dat den toiets der Goddelijke openbaring niet kan doorstaan, en dat met de niet-Christelijke godsdiensten vergeleken kan worden, maai- daarmee is het' Christendom nog geen pseudo-religie geworden. We hebben dan te doen met een (soms vergaande) deformatie, waarop terecht de aandacht moet worden gevestigd, maar die zondige deformatie ontneemt aan het Christendom niet haar karakter van waren godsdienst, omdat Gods openbaring daarin blijft •werken. In het Christendom, hoe ook door de zonde van de Christenheid verbasterd en verduisterd, worden toch Gods openbaringsdaden in roeping en wedergeboorte, in geloof en bekeering, In rechtvaardiging en heiligmaking openbaar. De Barthiaansche ontkenning van het historisch karakter der openbaring heeft Kraemer ook hiör, wellicht zijns ondanks, parten gespeeld.

Ik zou hierover nog wel veel meer willen zeggen, doch deze artikelenreeks mag niet te lang worden. Wij willen ons daarom, in overeenstemming met ons vroeger kenbaar gemaakt voornemen, beperken tol de behandeling van het aditste hoofdstuk, waarin het eigenlijke thema van Itraemer's boek. Christelijke boodschap in een niet-Christelijke wereld, prindpiëel en practisch behandeld wordt, en daarna nog enkele opmerkingen maken over het derde hoofdstuk, dat de dogmatische en ethische praemissen bespreekt, welke aan al de volgende beschouwingen ten grondslag liggen.

In het achtste hoofdstuk, beginnend met de behandeling van de Zendingsmethode, wijst Kraemer er. op^ dat.de zending van poütieke en sociale factoren (ook al zullen de^e een rol blijven spelen bij' den overgang van bepaalde volken tot het Christendom) geen gebruik mag maken, zooals in Vroeger, eeuwen vaak het geval is geweest. De zendeling mag alleen werken door zedelij'ke en godsdienstige overtuiging, en op die wijze de niet- Christenen dringen tot een beslissing. Doel van aUe Zendingswerk is „het klaar en volhardend getuigenis in woorden en daden voor Christelijke waarheid en leven, en het opbouwen van levende Christelijke gemeenschappen, in vol vertrouwen aan God overlatend, wat Hij wil doen met het werk van Zijn dienaren" (bl. 287; zie ook bl, 292, 294 e.a.) Daarbij wijst Kraemer er op, hoe totaal onjuist bet is om het met allerlei Christelijke gedachten en idealen doortrokken heidendom te beschouwen als een soort rudimentair Christendom („embryonic Christianity"). De Brahma-Samaj-beweging bijv., die veel Christelijke gedachten in zich heeft opgenomen, is in het geheel geen „stepping stone" tot het Christendom gebleken. Evenmin zijn Gandlii en Tagore, ondanks het feit, dat zij' veel van hun ideeën aan het Christendom hebben ontleend, „ongedoopte Christenen", zooals o.a. Fr. Heiier beweerde. Het tegendeel is eerdra" waar. Zij' hebben zich met deze gedachten te sterker in het Hindoeïsme verschanst tegenover het Christendo.ni, Christen-worden beteekent voor den Heiden niet een geleidelijken overgang, zegt Kraemer, maar. een radicale breuk met het godsdienstig verleden. Het Koninkrijk Gods kunnen wij alleen door bekeering binnengaan.

Dat komt bij'v. heel sterk uit bij de bliaktivromen in het Hindoeïsme. Van deze bhaktivroomheid heeft men altijd gezegd, dat zij dicht bij het Christendom stond, omdat geloof en genade daarin een groote rol speelden. In de practij'k blijkt echter wel dat de bhaktas niet mèèr geneigd zijb tot overgang naar het Christendom dan de andere Hindoes. Eerder is het tegenovergestelde het ge\'al. En Pandita Ramabai, de vrome Christin, die te midden van de Bhakü-religie was groot gebracht, zag haar bekeering als een volkomen breuk en wilde m geen enkel opzicht van aanpassing weten.

Als Kraemer daarom in dit achtste hoofdstuk van aanpassing („adaptation") spreekt als deeenig goede zendingsmethode, bedoelt hij' dat in geheel anderen zin.') Het Evangelie pasklaar maken voor de niet-Christenen werpt hij' verre van zich. Maar wel moet het Evangelie worden gebracht op een wijze, die in de harten van de niet-Christenen weerklank vindt, die voor hen verstaanbaar is. D.W.Z., dat de zending bij zijn prediking rekening moet houden met heel de gedachtenwereld, waarin de niet-Cliristen leeft en zulke woorden en beelden moet kiezen, dat bij de hoorders geen misverstand omtrent de bedoeling kan ontstaan.

Een „crucial problem" noemt Kraemer bet •vraagstuk van de aanpassing. Het is de worsteling van de zending om de Christelijke waarheid zóó in de inheemsche talen tot uitdrulddng te brengen, dat ze door de inheemschen niet kan worden misverstaan. Godsdienstig debat kan daarbij' niet altijd worden vermeden al moet de hoofdzaak blijven de thetische prediking van het Evangehe der verlossing voor al de levensterreinen, waarop de niet- Christenen zich bewegen. Het „aanknoopingspunl" wordt daarbij gevonden in den persoon van den zendeling. .

Aanpassing in dezen zm merken wij' ook telkens op in het leven en in de prediking van Paulus. Den Joden is hij een Jood, den Grieken een Griek, d.w.z. Paulus houdt er in zijn spreken met de Joden (c.q. Grieken) ten volle rekening mee, dat hij met Joden (c.q. Grieken) te doen heeft. Hij past zich in zijn > ' Ev^angelieprediking; daarbij aan. - 'Niet door van de eischen van het Evangelie iets af te doen, of door het Evangelie anders voor te stellen dan het is, maar uit groote liefde leeft hij' zich geheel i n in de levenssfeer en het gedachtenklimaat van zijn hoorders en verkondigt dan „in hun taal" hun bet Woord Gods, „opdat hij: eenigen van hen winnen mocht".

Juist om 'de ware beteekenis van het Evangelie aan de niet-Christenen duidelijk te maken, is deze „aanpassing" noodig. Woorden als zonde en genade, heiligheid en gerechtigheid, liefde en toorn e.d. zullen in hun Bijbelsche beteekenis door de niet-Christenen niet worden verstaan, tenzij' de zendeling in zijn predildng in alle opzichten zich aan zijn hoorders aanpast, d.w.z. bij zijn uitlegging m'Ct den gedachteninhoud van zijn hoorders reke' ning houdt, 'en de Bijbelsche begrip'peu met de niet-Christelijke gedachten-assodaties confronteer't.

Daarom hebben wij het bijvoorbeeld op Soeinba noodig geoordeeld als theologisch vak in bet leer^ plan op te nemen de bespreking van allerlei Bijbelsche begrippen, die tijdens de les met den inheemschen gedachteninhoud worden geconfronteerd. Alleen op die wijze kan (menschelijk gesproken) aan de niet-Ctoistenen worden duidelijk gemaakt wat de eigenlijke bedoeling is van het Evangelie. Zoo vormt dit leervak een noodzakelijke schakel tusschen exegese en dogmatiek (en ethidc). Ook bij de behandeling der homiletiek wordt opi het belang van zulk 'een i, aanpassing" telkens' weer gewezen. De zendeling (en ook de inheemsche h'elp'er), moet bij zijn predildng wel gebruik maken van woorden en uitdrukldngen, die reeds een eigen beteekenis h'ebben (ook Paulus en Johannes en 'de andere apostelen hebben dat gedaan; Kraemer geeft daarvan verscheidene duidelijke voorbeelden), maar hij dient zich daarvan bij de predildng dan ook ter*dege rekensdiap te geven en door aan den Bijibel ontleende voorbeelden de Bijbelsche betee'kenis der gebezigde begripp'cn zijn hoorders duidelijk te maken.

Nog twee belangrijke 'vragen bespreekt Kraemer in verband met deze „aanpassing", n.l. Ie of wij het Evangelie moeten brengen in zijn oorspronkelijken, Bijbelschen vorm of in de historisch' gegroeide, Westersche vormen, waarmede wij! zijn vertrouwd geraakt, en 2e welke positie het Oude Testament in onze predildng behoort in te nemen-

Daarover echter in een volgend' artikel.


1) „De wortelen van het Syncretisme", 's-Gravenhage, 1937-. ...--.

2) 'Wat m. i. weer te ver gaat, want niet het Christendom, maar alleen Gods openbaring in de H. S. is normatief, ook. voor het Christendom!

3) Om alle misverstand te voorkomen zou misschien he woord „attachment" (aansluiting) de voorkeur verdiene boven het woord „adaptation" (aanpassing).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1939

De Reformatie | 8 Pagina's

ZENDINGEN EVANGELISATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1939

De Reformatie | 8 Pagina's