GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Bezwaarden over en onder de Synodocratie. 1) 1

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bezwaarden over en onder de Synodocratie. 1) 1

13 minuten leestijd

Een van de weinige dingen, waaromtrent onder bijna allen, die thans in de kerk van onzen Heere Jezus Christus tot 'leiding zijn geroepen, eenstemmigheid heerscht, is dit, dat de kerk in onze dagen in grooten nood verkeert.

Onbegrijpelijkerwijs zijn" er ook nog verblinde zielen, welke dit niet of niet meer zien! Ik las b.v. dezer dagen ergens de ontstellende verklaring, dat de Gereformeerde kerken de crisis welke haar in de laatste jaren had geteisterd te boven zijn gekomen! Als men zoo iets hoort, weet men eigenlijk niet goed "wat men zeggen moet. Misschien is het ook wel het beste op zoo'n mededeeling te zwijgen. Staat het met een dergelijk geval niet hopeloos?

Terwijl nu bijna overal het besef, dat de kerk een haar tot in de kern van haar bestaan aantastende crisis doorworstelen moet, algeineen is, i& de diagnose, welke men hier en ginds ten aanzien van de Üeze crisis veroorzakende „ziekte" stelt, zeer gevarieerd, ja, soms zelfs volkomen tegenstrijdig.

We hooren ons toeroepen, dat ^^ nood van^e kerk ontstond door haar-verburgerlijking; haar immiuiiteit voor de sociale ellende; haar naar-binnen-gekeerd-zijn; haar denken en leven in partij-en richtingscateggrieen; haar onmacht om de prediking te transponeeren in den geest en de taal van onzen tijd; haar gemis aan apostolisch besef; haar niet verstaan van „de bijbelsche boodschap" enz.

Hoeveel waarheidsmomenten er in deze beweringen ook mogen schuilen, in het licht der "Schrift zijn aldeze oordeelen oppervlakkig en onjuist. 'Want in de Schrift getuigt de Heilige Geest, dat er maar één werkelijke nood is, waarin de kerk kan komep, n.l. dat zij het woord van God verlaat, dat zij niet hoort, wat de Geest .tot de gemeente zegt (Openb. 2:7 enz.). En die Geest zegt ook, dat er maar tweeërlei crisis in de kerk kan komen, n.l; de crisis der Jjekeering tot God, de crisis ten. leven ^-^ of: e crisis der verharding, ten doode. Want^juist aan de kerk wordt het toegeroepen: edenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u, en doe (weder) uwe eerste werken. Maar zoo niet, dan kom Ik tot u, en zal Ik uwen kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert (Openb. 2:5). Natuurlijk nemen deze 'crises in de historie der - kerjs telkens een andere, concrete gestalte aan, maar in wezen~ zijn ze altijd aan elkaar gelijk.

Wanneer Christus’ kerk hier of daar werkelijk in dezen nood verkeert, is er maar één' ding, dat ze noodig Heeft. Ze moet in het vuur van de critiek van den Heiligen Geest! Dat wil zeggen: ze moet zich door het woord Gods laten oordeelen en slaan tot zé gebroken wordt, tot ze de zonde in Gods kracht wegdoet in boete en bekeering, tot Gods genade weer voluit in haar woont en over haar heerscht.

Omdat de zaak van Gods kerk in deze wereld zóó staat, is het steeds noodig duidelijk en nadrukkelijk de zonden der kerk te zoeken en in, het volle licht te plaatsen. Dit is de éérste liefdedienst, welke God ten behoeve van zijn kerk van ons vraagt. Ongetwijfeld is dit een zeer hachelijke onderneming. "Vooreerst is •zulk een kritiek als het goed is vóór alles zèlfcritiek. Maar bovendien worden Gods profeten juist om en in de vervulling van dezen liefdedienst vervolgd-Hier •is evenwel geen keus. Wie de zonde ziet in de kerk en ze niet noemt, h a a l& de gemeente Gods en haar Heer en Hoofd. 2)

Bij dit zoeken en belichten van de zonde, moeten we evenwel goed onderscheiden. Er was, is en blijft in Christtis' kerk op deze wereld allereerst een wirwar van alle mogelijke boosheid en ongerechtigheid. Want een volstrekt heilige kerk komt er in deze bedeeling nooit. Tegen deze zonden moét rusteloos en met alle macht gestreden, ook al weten we, dat ze hier nooit gebroken woj-den, dat 'we ze op deze aarde nimmer volkomen zullen overwinnen.

Maar behalve dat deze onuitroeibare zonden en ongerechtigheden der kerk in haar leven wroeten, iS het gok mogelijk, dat de kerk in "haar organisatie, in haar ^structuur, in de normen voor haar arbeid, kortom: in haar officieele woorden en daden dè zonde nadrukkelijk en expres heeft opgenomen en ze uu vas'thoudt en zóó laat voortvreten.—"* direct, en dagelijks, en ongehinderd, ook ondanks aanhoudende kritiek.

Waar dit alles een feit is, is de situatie geheel anders ! In het eerste geval stond de kerk in haar institutaire gestalte en met haar officieele instanties en woorden tegenover het in haar werkende kwaad. Het booze in-haar was inderdaad een , , Fremdkörper" > . in haar lichaam, dat zij permanent trachtte uit te rukken en weg te doen. Maar' in het laatste geval heeft zij de zonde en de ongerechtigheid een officieele functie en een ongestoorde werking 'in haar eigen lichaam gegeven. Zij erkent en aanvaardt dannet zondige en laat het meewerken aan den opbouw — in feite: de destructie — van de gemeente. In dit laatste gs-.^al is zoo de situatie oneindig veel ernstiger.

Wanneer, b.-v. in dè roomseh-katholieke kerk krachtens haar bewust gekozen en gehandhaafde structuur de werkelijke heerschappij van Christus illusoir en de heilrijke genadewerking van zijn woord onmogelijk wordt gemaakt — dan is de situatie fataal. Dan wordt het zóó, dat — om met Calvijii te spreken — iedere vergadering (coetus), onverschillig welke, en'het geheele lichaam (corpus) der röomsoh-katholieke kerk de wettige gedaante (forma) der kerk mist. En iets dergelijks is geschied met de oude gerefornjeerde kerken van ons Vaderland. Toen deze zich lieten in-, schroeven in een organisatie, welke rechtens en feitelijk aan de leugen een even groote plaats en werkingssfeer in die kerkeh gunde als de waarheid, werd de zon^e officieel in het lichaam der kerk als een constructieve — ik 'bedoel weer: destructieve — factor ingedragen en werd haar een werking verleend, welke op de vernietiging van Christus' kerk móest uitloopen.

Wij moeten deze tweeërlei situatie van de kerk t.o.v. de zonde nauwkeurig onderscheiden. Want in hèt éérste geval wijst de kerk in haar officieele acten en stukken denzonde af en vordert van alle in haar arbeidende ambtsdragers de bestrijding daarvan. In het andere geval geeft zij de zonde officieel recht van meespreken en behoort het derhalve tot de taak van alle „kerkedienaren" dit kwaad te bevorderen of althans ongemoeid te laten voort-vreten.

Wanneer men eenmaal heeft verstaan en'aanvaard, dat de eerste en groote liefdedaad, welke men aan'de kerk van Christus mag en moet bewijzen is: het liefdevolle en daarom duidelijke en scherpe aanwijzen van de zonden en het in en met haar worstelen om bekeering en geloof, dan zal ook het zoeken van de

éénheid der kerk in de 'juiste belichting worden ge-- zien en in het juiste kader worden nagejaagd.

Nopit mag ipen in de, kerk streven naar éénheid-. zonder-meer!

Want in de kerk gaat het vpor alles en eigenlijk , alléén om het gemeenschappelijke buigen ojider 't geogeribaarde woord van God. Dat woord spreekt van gericht en-daarom poept het op om met de zonden te breken. Dat woord draagt Gods genade en daarom dringt en perst het tot geloof. En wanneer dat volle ' woord van God triumfeert in het leven van zijn kerkdan komt de eenheid vanzelf! Dan, maar dan öok alléén, komt een één-zijn, gelijk als de Vader en de Zoon één zijn! (Joh. 17 : 11). Jezus Christus immers maakt in-zijn kerk Gods Naam bekend, opdat door het geloof in dien Naam, de liefde waarmee fl.e'Vader zijn Zoon Jezus Christus heeft liefgehad, óók in de zijnen zij en Hij in hen! (Joh; 17 : 26).

„De gemeenschap der kerk", zoo roept Calvijn uit, „wordt door twee banden saamgehouden, namelijk door de eenstemmigheid, in de leer, en door de broederlijke liefde". Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe, dat men „ook dit moet opmerken, dat deze gemeenschap der liefde zoo hangt aan de_ eenheid des geloofs, dat de laatste het begin, het einde, kortom de eenige - regel^ der eerste moet zijn".

Het fundament der eenheid is de realiteit van'het: één. God, één geloof, één doop!

Deze waarheden voor oogén, of beter gezegd: in het hart houdende, willen we een en ander zeggen over de positie der, bezwaarden, welke zich in de gebonden Gereformeerde ICerken bevinden.

We doen, dit in de overtuiging, dat wij momenteel geen grootere misdaad tegen de kerk van Christus in ' ons Vaderland kunijen bedrijven, dan het geding, dat tusschen onze broeders-en-zusters, - onder-de-synodocratie èn ons haagende is en hangende blijft, te bagatel-" liseeren en te neutraliseeren!

Dat gebeurt vooral als we de scheuring in de kerkf met alles wat er aan vooraf ging en wat er op volgde, aanvaarden als een feit, dat, nu ja, ^wel erg ellendig is, maar waar we nu toch niets aan kunnen doen en waarvan we nu maar moeten maken wat er van te maken valt. We moeten dan in deze afschuwelijke situatie op de andere „terreinen van het leven" het contact maar zoo innig mogelijk maken, de kerkelijke ellende op een zoo klein mogelijk en zoo hoog mogelijk af gerasterd terrein localiseerén; over de kerkelijke aangelegenheden zoo min mogelijk spreken, want: de kerk verdeelt, maar het niet-kerkelijke en buitenkerkelijke leven vereent!

Inderdaad: zulk doeff is misdadig! Want we mogen een zonde, ook een kerkelijke zonde, nimmer aanvaarden en er langs heen leven: We moeten weten, dat wanneer het in de kerk mis en stuk is, het overal, in het gansche léven, mis en stuk is. - We moeten inzien, •* dat de gemeenschap der heiligen pas in de kerk en door" de kerk mogelijk wordt en primair doof haar dienst'kan en moet beoefend worden. We naoeten weer beven voor de huiveringwekkende waarheid, dat een zonde altijd een zonde is van den g a n s e hen m e n s c h en van het gansche leven en dat op het vasthouden en laten, doorwerken van iedere zonde, Gods toorn gewekt en verharding afgedwongen , wordt.

Daarom willen we onze broeders en zusters van de overzijde niet loslaten. We willen met hen blijven worstelen voor Gods aangezicht. We willen hen met ons dringen tot een gezamenlijke en waarachtige confrontatie met fiods norüi voor het leven van zijn ééne, ^ heilige, katholieke kerk.

En daarom willen we nu gaan spreken over de bezwaarden ^óver de synodocratie en hun positie-daar­ onder.


1) We beugen dezen term niet als „hatelijkheid", maar als een zoo juist en scherp mogelijke typeering van den nieuwen vorm van kerkregeering welke in de ge-, bonden Gereformeerde Kerken thans officieel is ingevoerd en in practijk wordt gebracht. De vroegere synodaalpresbyteriale kerkregering werd namelijk door de besluiten der laatste jaren in drie essentiëele punten doorbroken. Want:

le. De.synode heeft zich het recht'toegeëigend om geheel onafhankelijk van de jflaatselijke kerken kerkelijke zaken, speciaal leerkwesties, op haar agenda te plaatsen en af te handelen.

2e. De synode heeft zich het recht toegeëigend om alle kerken, welke in het kerkverband willen blijven, haar besluiten bindend op te leggen met 'dien verstande, dat deze altijd moeten beginnen met het aanvaarden en uitvoeren daarvan, welk^ bezwaren zij daartegen ook mogen koesteren.

3e. De, synode heeft zich het recht toegeëigend om geheel buiten de in geding zijnde .plaatselijke kerk en-zelfs tegen, haar wil in, ambtsdragers onder de tucht te plaatsen door schorsing en afzetting.

Door deze machtsusurpatie der synodale vergadering is inderdaad de synode de „hoogste" macht in de Qeref. Kerken geworden en is dé vorm van haar .kerkregeering thans inderdaad die van een synodo-cratie.

2) Ik moge als voorbeeld van zèlfcritiek èn van het aanwijzen van kerkelijke zonde een fragment citeeren uit de aangrijpende oproep tot Jiet houden van "een Dank-Vasten-en Bededag welke de kerk van Voorthuizen deed uitgaan vóór hét Synodaéil óonvent der Doleerende kerken zou samen komen op 28 Juni—1 JuU, 1887.

Aldus spreekt Dr Van den Bergh de Kerken, bij welke het tot „Vrijmaking" kwam — het woord wordt door Dr Van den Bergh zelf gebruikt — aan:

„En waar het kwam tot kerkelijk optreden, hoe hebben wij dan als kerkeraadsleden allereerst te/vragen, of niet veel tot verootmoediging stemt!

Is niet menige teleurstelling of nederlaag gevolg ook van nog verborgen afgoden of gekoesterde lievelingszooden?

Laten Predikanten en Ouderlingen, maar ook gemeenteleden niet vergeten, dat gierigheid en vergoding van het schepsel, hoererij en onbezonnen huwelijken, pronkzucht en tuchteloosheid In het huisgezin de grootste jammeren over; Volk en Kerk brachten.

Denk aan Jacob (Genesis 34) en Achan (Jozua 7); David (2 Samuel 12) en den Leviet van Richt. 19; Hiskia (2 Kon. 20) en Eli (1 Samuël 3).

Wordt niet in menige onzer Kerken ongeregeld kerkeraadsvergadering gehouden, en, 'indien het geschiedt, vergeten eerst op elkander tucht te oefenen, alvorens men tegenover de gemeente optreedt?

Wijden de Bedienaren des Woords thans vooral genoegzame studie en gebed aan hunne heerlijke taak; gaan de Ouderlingen' niet menigmaal voort in de sleur, door de organisatie, helaas, begunstigd, maar thans verboden, en wordt door Diakenen niet te vreesachtig soms de zorg voor meerdere armen op zich genornen; terwijl vergeten wordt, dat juist wanneer werkehjk weder eens opoffering voor armen, weezen, weduwen en kranken door gemeente en diaconie geschieden mag, zoowel geestelAke-zegen Sis tijdelijke welvaart aanstaande is?

Oefenen de gemeenteleden thans vooral tucht op elkander uit, en vermaant men ook tegenstanders, of trad verbittering voor deernis, en onyerschilligheid voor vertrouwen op Gods belofte in de plaats ?

Ja, is er waeu-lijk geestelijk leven en godzaligheid? Bestaat niet het gevaar, dat het op den voorgrond stellen van het Koninklijke ambt onzes dierbaren Middelaars sommigen het Hoogepriesterschap aan het oog des geloof s onttrekt, ën wordt niet in menige Ker, k hijgend uitgezien naar het neerdruppelen van genade en vrede, waar men thans juist in het besef van Gods ontfermende weldaden te meer behoefte gevoelt, om ook zijne kerkelijke, huiselijke en persoonlijke schuld weggenomen te zien door het bloed des Lams?

En waar de Strijd voor de eere van ^Gdds Woord en, 'i^j^Z het Herderschap van Christus "over Zijne kerken'gevoerd wordt, zijn-onze wapenen, wel' imrner hei^i onze drijf-

veren zuiver en handelen-wij in het geloof, dat de wereld , overwint?

En toch niet alleen deze toestand van ónze Kerken, ^wa^rbij voor ieder persoon en iedere plaatselijke gemeente nog zooveel bijzondere redenen tót verootmoediging komen, roept tot gebed wegens schuld en nood, nog meer van geestelijken dan van tijdélijken aard.

Het feit bestaat, dat tal van „Hervormde" kerken moordena'arskuilen zijn, waarin week aan week de zielen geestelijk in den dood gehouden» worden door een prediking, die zorgeloosheid bevordert in de wandelaars naar de hel of ook de fundamenten der gemeente ondergraaft, door verzwijging of verbastering van de rechtvaardigmaking, de vastigheid van^ods Woord, de beteekenis der Sacramenten enz.

Afgodstempels moest men de kerken noemen, waarin een andere God dan de Drieëenige en Zijne volzaUgheid / en onmisbaarheid verkondigd wordt. Inentingsdwang met zielegU voerde de Synode in, wegens de verplichting om ook leeraars en leden, die goddelooze leer drijven, op den kansel of aan het Avondnjaal te dulden. Wettiging van geestelijk overspel wordt schaamteloos geprezen, nu juist goedgekeurd wordt, dat kerkeraadsleden zich gebonden achten aan verordeningen, die in-strijd zijn met Gods Woord en met de trouw aan den Bruidegom der Kerk Jezus Christus.

Zullen deze feiten ons niet verootmoedigen, juist Omdat wij door jarenlang plichtverzuim dat kwaad hielpen bpvorderen en, helaas! zoo menig Christen zich vergenoegt, wanneer hem maar het Woord gepredikt wordt, terwijl het Kaïnswoord: , , Beri Ik mijns broeders hoeder? " en de oproerkreet „Wij willen niet, dat deze Cliristus Koning over ons zij!" de zondige lijdelijkheid tegenover de gruwelen der „organisatie" verklaren zal? ”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 juni 1947

De Reformatie | 8 Pagina's

Bezwaarden over en onder de Synodocratie. 1) 1

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 juni 1947

De Reformatie | 8 Pagina's